Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BK4204

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
23-11-2009
Datum publicatie
24-11-2009
Zaaknummer
16-600694-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitgaansgeweld in de nacht van 7 op 8 juni 2008 in Woerden. Verdachte is betrokken bij een vechtpartij tussen een groep inwoners van Woerden en een groep Polen. De rechtbank veroordeelt verdachte wegens openlijk geweld in vereniging gepleegd en openlijk geweld tegen goederen tot 6 weken voorwaardelijke gevangenisstraf en 120 uur werkstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600694-08 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 23 november 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1988] te [geboorteplaats]

wonende te [adres], [woonplaats]

raadsman mr. C.C.W. Plaat, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 2 november 2009, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 9 november 2009.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De wijziging houdt in dat in de tenlastelegging ten aanzien van feit 2 “8 juli 2008” is gewijzigd in

“8 juni 2008”.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat [verdachte]:

feit 1: op de Utrechtsestraatweg openlijk geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en/of

[slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3];

feit 2: op de Rijnstraat openlijk geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] en/of

[slachtoffer 3];

feit 3: op de Nieuwe Steeg openlijk geweld heeft gepleegd tegen goederen.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging op de Utrechtsestraatweg, de Rijnstraat en de Nieuwe Steeg. Zij baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat sprake was van openlijke geweldpleging op de Utrechtsestraatweg en de Rijnstraat, maar dat dit beperkt moet worden tot het aandeel van [verdachte]. Ten aanzien van de openlijke geweldpleging op de Nieuwe Steeg stelt de verdediging zich op het standpunt dat vrijspraak dient te volgen nu daarvoor geen wettig en overtuigend bewijs is.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1. Inleiding

In de nacht van 7 juni 2008 op 8 juni 2008 hebben in Woerden op verschillende locaties vechtpartijen plaatsgevonden tussen een groep Poolse mannen en een groep Woerdense jongeren. Eén van de Poolse mannen, [slachtoffer 1], is enkele dagen later overleden. De politie heeft een grootschalig onderzoek ingesteld om te achterhalen wat er zich die avond precies heeft afgespeeld. Uit het onderzoek zijn meerdere verdachten naar voren gekomen die betrokken zouden zijn geweest bij de verschillende gebeurtenissen van die avond.

Voor de volledigheid en gezien de onderlinge samenhang, zal de rechtbank de verschillende gebeurtenissen van die avond beschrijven, in het bijzonder de afzonderlijke incidenten op de Utrechtsestraatweg, de Voorstraat, de Rijnstraat/Berchsteeg en de Rijnstraat/Nieuwe Steeg. Wat betreft die samenhang is van belang dat een aantal opeenvolgende gebeurtenissen uiteindelijk heeft geresulteerd in de dood van [slachtoffer 1], zonder dat kon worden vastgesteld welk toegepast geweld de doodsoorzaak was (of oorzaak was van het letsel van de overige Polen) en dat de reeks van gebeurtenissen in de Woerdense samenleving opschudding heeft veroorzaakt. De rechtbank is zich er van bewust dat [verdachte] maar een deel van deze gebeurtenissen wordt verweten. Bij de uiteindelijke beoordeling van hetgeen aan [verdachte] ten laste is gelegd, zal de rechtbank zich dan ook tot dat deel beperken.

4.3.2. Betrokkenen

In de verklaringen van de aangevers, getuigen, medeverdachten en [verdachte] zelf zijn beschrijvingen gegeven van de verschillende betrokkenen. Uit het dossier en ter terechtzitting is gebleken, dat hiermee de volgende personen worden bedoeld:

- [slachtoffer 2], de kale Pool/Pool met

gemillimeterd haar, wit shirt: [slachtoffer 2], hierna aangeduid als: [slachtoffer 2]

- [slachtoffer 1], de Pool met kort (donker)

haar, donker shirt [slachtoffer 1], aangeduid als: [slachtoffer 1]

- [slachtoffer 3], de Pool met licht shirt, petje [slachtoffer 3], hierna aangeduid als: [slachtoffer 3]

- [slachtoffer 4] [slachtoffer 4]

- [medeverdachte 1] [medeverdachte 1], hierna aangeduid als: [medeverdachte 1]

- [verdachte]

- [medeverdachte 2] [medeverdachte 2], aangeduid als: [medeverdachte 2]

- [medeverdachte 3], de collega van [verdachte] [medeverdachte 3]

- [medeverdachte 4] [medeverdachte 4]

- [medeverdachte 5], een vriend van de collega

van [verdachte]: [medeverdachte 5]

- [medeverdachte 6] [medeverdachte 6]

- [medeverdachte 7] [medeverdachte 7], hierna aangeduid als: [medeverdachte 7]

- [medeverdachte 8], bijgenaamd [medeverdachte 8] [medeverdachte 8], hierna aangeduid als: [medeverdachte 8]

- [betrokkene 1] [betrokkene 1]

- [betrokkene 2] [betrokkene 2]

- [betrokkene 3] [betrokkene 3], hierna genaamd: [betrokkene 3]

- [betrokkene 4], bijgenaamd [betrokkene 4] [betrokkene 4], hierna genaamd: [betrokkene 4]

- [betrokkene 5] [betrokkene 5]

- [betrokkene 6] [betrokkene 6]

- [betrokkene 7] [betrokkene 7]

Uit het dossier en ter terechtzitting is voorts gebleken dat waar in de verschillende verklaringen wordt gesproken over ‘(café) Arie’ hiermee wordt bedoeld: ‘café Victoria’ en waar gesproken wordt over ‘de Pietersteeg‘ - gezien de overzichtskaart van Woerden en de ligging van de steeg ten opzichte van Voorstraat en de Rijnstraat - wordt bedoeld: ‘de Berchsteeg’.

4.3.3. Algemeen

In café Victoria is het op 7 juni 2008 een gewone, drukke, zaterdagavond. In het café zitten vier Polen. Één van hen veroorzaakt wat problemen: een kale/gemillimeterde man met een wit shirt. Hij lijkt een meisje lastig te vallen. Één van de portiers waarschuwt hem en zijn Poolse metgezel van dat moment; als de man nadien doorgaat met lastigvallen van andere klanten verzoekt de portier de twee naar buiten te gaan . De vier Poolse mannen gaan naar buiten.

Ze drinken buiten nog even verder, één van de vier, het latere slachtoffer [slachtoffer 1], is behoorlijk dronken.

Buiten ontstaat een woordenwisseling met een meisje, [betrokkene 7]. Zij voelt zich door een uitlating van de kale Poolse man beledigd en schopt een van de Polen tegen zijn been.

Op het terras is na middernacht, dus inmiddels op 8 juni 2008, ook een groep aanwezig die ervoor op een feestje is geweest bij [medeverdachte 7]. Ook van die groep is er een aantal dat dronken of aangeschoten is.

Enkele Nederlanders vertellen het volgende over de aanleiding:

[verdachte] gaat tussen [betrokkene 7] en de Polen in staan. [medeverdachte 7] mengt zich daar ook in en stoot daarbij - volgens hem per ongeluk - bier uit de handen van de kale Pool,

[slachtoffer 2]. [medeverdachte 7] vraagt: “What’s the problem”, de kale Pool daagt uit tot “Fight, one to one”.

Eén van de Polen verklaart later dat sprake was van een soort omsingeling door Woerdenaren. Volgens twee Polen lopen zij, de Polen, weg, maar worden zij achtervolgd.

Zij maken geen melding van uitdagen door [slachtoffer 2].

De Woerdenaren en de Polen bewegen zich - of worden bewogen - naar de verkeerslichten, een tiental meters verwijderd van café Victoria, op de Utrechtsestraatweg, waar deze kruist met de Stationsstraat. Er volgt een vechtpartij.

Het incident Utrechtsestraatweg

Eén of meer Poolse mannen worden geduwd en/of getrokken.

Tenminste één Poolse man wordt geschopt, waardoor hij tegen de grond gaat. Dit gebeurt in ieder geval met [slachtoffer 3].

De kale Pool, [slachtoffer 2], krijgt een “vliegende trap” tegen zijn rug, waardoor hij voorover neervalt. [slachtoffer 1] wordt geslagen of geschopt, waardoor hij op de grond valt. Als hij op de grond ligt, wordt hij geschopt. De kale Pool wordt geslagen. Als hij op de grond ligt wordt hij getrapt tegen zijn lichaam. Hij wordt in ieder geval op zijn rug en bovenlichaam getrapt. Mogelijk wordt hij ook op het hoofd getrapt en tegen het hoofd geslagen.

Er werd door meerderen geslagen en/of geschopt naar de op de grond liggende Polen.

Vervolgens worden de vechtenden gescheiden door de baas van café Victoria ([naam]) en een van de beveiligers. Een Pool blijft even, buiten bewustzijn, liggen. Wanneer hij weer overeind komt is zijn hoofd fors bebloed.

De café-eigenaar en de portier dirigeren de vier Polen naar de kant van de Singel, terwijl de groep Woerdenaren terug gaat naar het terras en de stoep voor café Victoria. De Poolse groep maakt de indruk wraak te willen nemen.

Één van de Polen, [slachtoffer 1], loopt het water van de Singel in en wordt daar door zijn vrienden weer uit geholpen. Als gevolg van dit te water raken is een groot deel van het bloed dat de getuigen op [slachtoffer 1] hoofd zagen, afgespoeld.

Na dit incident lijken de Polen iets gekalmeerd en lopen ze richting Oostdam om daar linksaf te slaan naar het centrum. Een inmiddels gearriveerde politieauto rijdt mee.

Intussen loopt [verdachte] alleen vanaf de Utrechtsestraatweg in de richting van het centrum van Woerden.

Onderweg heeft hij telefonisch contact met [medeverdachte 3] die zich op dat moment nog bij café Marketier in Woerden bevindt, in gezelschap van [medeverdachte 5]. Afgesproken wordt dat zij [verdachte] zullen ontmoeten bij snackbar Friendly’s, net om de hoek van de Voorstraat.

De groep Woerdenaren die ondertussen aan de linkerzijde van de Oostdam in de richting van het centrum loopt, bestaat onder meer uit [medeverdachte 1], [medeverdachte 4], [betrokkene 2] en daarachter [medeverdachte 2], [medeverdachte 6], [betrokkene 5] en [betrokkene 4]. Halverwege keert

[betrokkene 5] terug naar café Victoria.

Op dat moment loopt aan de overkant van de Oostdam de groep van vier Poolse mannen , daartussen rijdt een politieauto.

Op weg naar het centrum belt [medeverdachte 4] naar [verdachte] om te zeggen dat de Poolse mannen zijn, [verdachte]’, richting op komen.

Nog voordat de Poolse mannen de Voorstraat bereiken ontmoeten [verdachte] en

[medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] elkaar op de hoek van de Voorstraat met de Oostdam.

De politieauto rijdt vervolgens weg.

Daarna ontstaat er wederom een confrontatie tussen de Woerdense groep en de Poolse mannen.

Hoewel er sterke aanwijzingen in het dossier te vinden zijn dat de Woerdense groep op dat moment uit is op een nadere vechtpartij met de Poolse mannen, en dat er telefonisch contact is tussen de groep van [verdachte], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] met de andere groep, is niet vast komen te staan dat er sprake is van een concreet en strategisch “plan van aanval”.

Volgens direct betrokkene [verdachte] wordt er vanuit de Poolse mannen gescholden in de richting van de Woerdense groep en lopen hij, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] naar de Polen toe, waarop de kale Poolse man zich uitdagend gedraagt. De Polen rennen de Voorstraat in en worden, eveneens rennend, gevolgd door [verdachte], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] , direct gevolgd door in ieder geval [medeverdachte 1], [medeverdachte 4] en [betrokkene 2].

In de Voorstraat splitsen de Poolse mannen zich op, [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en

[slachtoffer 4] rennen de eerste steeg aan de linkerzijde (naar de rechtbank begrijpt: de Berchsteeg) in, terwijl [slachtoffer 1] rechtdoor blijft lopen in de Voorstraat.

[verdachte] en [medeverdachte 3] volgen de Poolse mannen in de Berchsteeg.

[medeverdachte 1] loopt vervolgens rechtdoor de Voorstraat in, [slachtoffer 1] achterna.

Het incident Voorstraat

Op dat moment bevinden zich in de Voorstraat [medeverdachte 1], [medeverdachte 4], [betrokkene 2] en

[medeverdachte 5].

[medeverdachte 1] loopt rennend op [slachtoffer 1] af en slaat hem tegen zijn kaak met gebalde vuist.

[slachtoffer 1] valt achteruit op de grond.

[medeverdachte 1] loopt vervolgens [verdachte] en diens collega achterna, de steeg in.

[medeverdachte 5] loopt vervolgens naar [slachtoffer 1] die nog op de grond ligt. Op dat moment wordt

[slachtoffer 1] door [medeverdachte 5] met kracht met de hak van zijn schoen tegen het hoofd getrapt.

[betrokkene 2] en [medeverdachte 4] lopen [medeverdachte 1] achterna de steeg in, gevolgd door [medeverdachte 5].

[slachtoffer 1] wordt alleen achtergelaten in de Voorstraat.

Intussen zijn de drie overige Polen via de Berchsteeg de Rijnstraat in gerend.

In de Rijnstraat zijn er gewelddadige handelingen verricht op verschillende plaatsen en het geweld verplaatst zich tot aan de Nieuwe Steeg.

Het incident Rijnstraat

In de Rijnstraat zijn in ieder geval aanwezig van de Polen: [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], en van de groep Woerdenaren: [medeverdachte 1], [medeverdachte 4], [verdachte], [medeverdachte 6], [medeverdachte 3], [betrokkene 1] en [medeverdachte 5].

In de Rijnstraat is [slachtoffer 2] gestruikeld en op de grond gevallen. Ook terwijl hij op de grond lag is hij geslagen en geschopt. Ook [slachtoffer 3] is op de grond gevallen, geschopt en geslagen in de Rijnstraat.

[verdachte] tackelt [slachtoffer 2] bij de shoarmazaak de Sphinx. De Pool komt op de grond terecht.

Nadat [slachtoffer 2] bij de shoarmazaak ten val is gekomen, gaat [medeverdachte 3] op hem zitten en geeft hij hem met gebalde vuist een paar klappen tegen zijn lichaam. [slachtoffer 2],

[medeverdachte 3] en [verdachte] schoppen over en weer. [slachtoffer 2] wordt ongeveer tien keer in zijn gezicht geslagen.

[slachtoffer 2] wordt in de Rijnstraat in totaal vier keer aangevallen/gepakt door de groep die achter hem aan zit. Hij wordt niet alleen geslagen maar ook getrapt.

[medeverdachte 2] slaat hem met een helm terwijl hij op de grond ligt.

[slachtoffer 3] valt in de Rijnstraat door de klappen en schoppen van een stuk of zes personen.

De Polen vluchten na de gewelddadigheden in de Rijnstraat richting hun woning gelegen aan de Nieuwe Steeg.

Incident de Nieuwe Steeg

Bewoners van de Rijnstraat worden wakker van geschreeuw ‘die kankerpolen’ en zien een grote agressieve groep. De Polen vluchten hun woning in, maar ook dan houdt het geweld niet op.

In de Nieuwe Steeg trekken [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] aan een paal van een verkeersbord en pakken de daardoor losgekomen stenen.

[medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] pakken de losgekomen stenen en gooien ermee tegen de gevel van het huis. Er worden ook stenen tegen de deur aangegooid.

[medeverdachte 3] schopt tegen de deur van de woning van de Polen .

[medeverdachte 3] pakt een fiets die geparkeerd staat op de Rijnstraat op en gooit deze tegen de deur van de woning aan.

Eerst als het woord ‘Politie’ wordt geschreeuwd, wordt het geweld gestaakt en vlucht de groep Woerdenaren weg.

[betrokkene 2] en [betrokkene 3] lopen intussen terug naar de Voorstraat om te kijken hoe het met de Poolse man is. Zij zien hem nog op straat liggen. Hij blijkt niet aanspreekbaar en hij wordt in een stabiele zijligging gelegd. Vervolgens bellen zij de politie, die kort na 02.40 uur ter plaatse komt. [slachtoffer 1] wordt per ambulance overgebracht naar het ziekenhuis. Op 12 juni 2008 overlijdt [slachtoffer 1] aan uitval van hersenfuncties en verwikkelingen daarvan ten gevolge van heftig botsend geweld op het hoofd in de vorm van slaan, schoppen maar ook van vallen. Bij gedetailleerd onderzoek worden geen contusie-haarden gevonden, dat wil zeggen dat er geen sprake is van een coup-contrecoup letsel. Dit bevestigt de stelling dat geweldsuitwerking ten gevolge van een val minder waarschijnlijk lijkt.

4.3.4. De betrokkenheid van [verdachte]

Algemeen

De rechtbank stelt voorop dat de tenlastelegging is toegesneden op artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht, te weten: het openlijk in vereniging plegen van geweld.

Volgens vaste jurisprudentie is van ‘in vereniging’ plegen van geweld sprake indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn.

De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt, is dus niet voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die ‘in vereniging’ geweld pleegt.

Die aanwezigheid kan echter door bijkomende omstandigheden een zodanige “lading” krijgen, dat de aanwezige als medepleger van het openlijke geweld moet worden aangemerkt.

Daarbij kan worden gedacht aan louter verbale aanmoediging, maar ook aan een voortgezette aanwezigheid in een groep - terwijl distantiëren mogelijk is - nadat de groep mét deze dader eerder geweld heeft gepleegd. Dan is immers sprake van een welbewuste keuze om deel uit te maken van een groep die uit was op geweld.

Overweging ten aanzien van feit 1

[verdachte] heeft ter zitting verklaard dat [medeverdachte 7] naar de Utrechtsestraatweg liep. Hij,

[verdachte], liep ook die kant op omdat [medeverdachte 7] alleen liep. [verdachte] wilde kijken wat er aan de hand was. Volgens [verdachte] is hij toen geduwd en vervolgens door een vuistslag op de grond gekomen. [verdachte] verklaart dat hij omhoog wilde komen en toen de kale pool heeft geslagen, omdat die hém wilde slaan.

Vervolgens was de situatie chaotisch. [verdachte] wilde de kale man slaan, maar raakte daarbij [betrokkene 3] ([betrokkene 3]).

[verdachte] heeft verklaard zich niet alles meer precies te kunnen herinneren, bijvoorbeeld dat hij, zoals zijn verklaring bij de politie inhoudt, bij het café iemand zou hebben vastgepakt. [verdachte] geeft aan niet dronken te zijn geweest, hij was hoogstens wat aangeschoten.

[verdachte] betwist dat hij iemand meteen een klap in het gezicht heeft gegeven en dat hij iemand heeft geslagen die daarna tegen een verkeersbord viel. Ook heeft hij beslist geen “flying kick” gegeven.

[verdachte] verklaart zich niet te herinneren dat hij al bij de Utrechtsestraatweg iemand met bebloed gezicht heeft gezien.

Bij de stukken bevinden zich verklaringen van [verdachte] aan de politie, onder meer inhoudende:

- dat [verdachte] de groep Polen met [medeverdachte 1], [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] naar de hoek van de Utrechtsestraatweg zag lopen;

- dat hij daar achteraan gelopen is, nadat hij een tas die hij voor een meisje vasthield aan haar had teruggegeven;

- dat hij een duw in zijn rug voelde en toen de Pool met het petje zag, daarna een harde duw of twee vuisten in zijn rug voelde, waardoor hij voorover op de grond viel;

- dat hij toen, omdraaiend, de kale Pool zag, dat die hem wilde slaan en dat [verdachte] die Pool vervolgens heeft geraakt op zijn buik (of borst );

- dat die Pool hem, [verdachte], miste dankzij een duw van [medeverdachte 7];

- dat hij later nogmaals wilde slaan maar toen [betrokkene 3] ([betrokkene 3]) raakte die een Pool in bedwang hield.

In het dossier bevinden zich verklaringen van anderen over de rol van [verdachte], onder meer:

- dat hij betrokken was bij duw en trekwerk;

- dat hij bij de Utrechtsestraatweg heeft gevochten;

- dat híj degene was die met de Pool die uitdaagde naar de weg liep en dat hij direct met de kale pool op de vuist ging;

- dat hij op de grond heeft gelegen;

- dat hij de Pool met het witte shirt mogelijk een schop of klap gaf;

- dat hij heeft geslagen; dat hij een Pool heeft geslagen minimaal twee keer;

- dat hij de kale/gemillimeterde Pool heeft geslagen;

- dat hij [betrokkene 3] ([betrokkene 3]) raakte die een Pool in bedwang hield;

- dat hij een van de Polen een klap gaf, waardoor deze toen tegen een verkeersbord omviel.

De rechtbank acht bewezen dat [verdachte] betrokken was bij het incident op de Utrechtsestraatweg en dat hij daaraan een substantiële bijdrage heeft geleverd:

Op grond van zijn eigen verklaring ter zitting en bij de politie en de hiervoor genoemde getuigenverklaringen is bewezen dat het aandeel van [verdachte] in de openlijke geweldpleging bestond uit het volgende:

[verdachte] is als eerste naar de kruising met de Utrechtsestraatweg gegaan, met de Pool die (hem) uitdaagde.

Gelet op de overvloed aan getuigen die dit verklaren stelt de rechtbank de eigen verklaring van [verdachte], dat hij achter [medeverdachte 7] aanliep terzijde.

Het afgeven van een tas aan een meisje lijkt erop te wijzen dat hij als het ware “de uitdaging aannam”.

[verdachte] heeft geduwd en getrokken en heeft tenminste tweemaal geslagen, waarbij hij een keer (per ongeluk) [betrokkene 3] raakte.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat [slachtoffer 1] is neergegaan door een klap van [verdachte]. De enkele verklaring van [getuige] is daarvoor onvoldoende bewijs, in het bijzonder nu er ook andersluidende verklaringen zijn.

Voor zover [verdachte] een beroep op noodweer heeft willen doen (met zijn verklaring ter zitting dat hij een duw in zijn rug kreeg, dat hij op de grond terechtkwam door een vuistslag en dat de kale man hem vervolgens wilde slaan en dat hij uit reactie hem sloeg) wordt dit hierna, bij de strafbaarheid van het feit besproken.

Overweging ten aanzien van feit 2

[verdachte] maakte de gehele Rijnstraat deel uit van de groep Woerdenaren.

[verdachte] heeft [slachtoffer 2] getackeld bij de shoarmazaak, waarna hij ten val kwam. Tevens had hij een aandeel in het duw- en trekwerk met [slachtoffer 2] dat daarop volgde nadat

[medeverdachte 3] zich hierbij gevoegd had. Halverwege de Rijnstraat, ter hoogte van de Zeeman, wilde [verdachte] dat het geweld stopte en heeft hij voorkomen dat er tegen [slachtoffer 2] excessief geweld werd gebruikt doordat hij voor die [slachtoffer 2] stond en zo kon voorkomen dat hij werd geschopt. Hij heeft op die plaats nog wel een duw gegeven aan [slachtoffer 2].

Hoewel [verdachte] wilde voorkomen dat het geweld tegen de Polen uit de hand zou lopen, is hij blijven deel uitmaken van de gewelddadige groep en heeft hij een actieve bijdrage aan het geweld geleverd. Hij heeft ook ervoor gezorgd dat er ‘versterking’ kwam voor zijn groep door voorafgaande aan het geweld in de Rijnstraat telefonisch contact met

[medeverdachte 3] op te nemen met de mededeling dat hij in de stad ruzie had met een groep Poolse mannen, waarna hij met die [medeverdachte 3] bij Friendly’s afsprak. [verdachte] is de Polen gevolgd tot aan hun huis in de Nieuwe Steeg.

De rechtbank acht derhalve ook bewezen dat [verdachte] betrokken was bij het incident op de Rijnstraat en dat hij daaraan een substantiële bijdrage heeft geleverd.

Overweging ten aanzien van feit 3

[verdachte] is aanwezig geweest bij het incident op de Nieuwe Steeg Hij is de Rijnstraat in gerend, achter de groep Polen aan tot aan hun huis. [verdachte] heeft ook een aandeel in de eerdere geweldsincidenten en heeft hiervan geen afstand genomen. Er bevindt zich een verklaring in het dossier dat ook hij met stenen gooit en een verklaring dat hij schreeuwt in de Nieuwe Steeg , maar deze verklaringen staan op zichzelf en vinden geen steun in een ander bewijsmiddel.

Gelet op zijn voortgezette aanwezigheid in de groep bij en zijn aandeel in de eerdere geweldsincidenten is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] niet enkel aanwezig was bij de geweldadigheden in de Nieuwe Steeg, maar dat hij het openlijk geweld aldaar ook heeft versterkt. De rechtbank acht dit onder de geschetste omstandigheden een voldoende substantiële en wezenlijke bijdrage om ook tot een bewezenverklaring te komen van feit 3.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen (met name de gecursiveerde gedeelten van 4.3.3 en 4.3.4) wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte]

1.

op 08 juni 2008 te Woerden, met anderen, op de openbare weg, de Utrechtsestraatweg openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en

[slachtoffer 3], welk geweld bestond uit het meermalen althans eenmaal (met kracht)

- (weg)duwen en/of trekken van/aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en

- (met gebalde vuisten) slaan en/of stompen in/op/tegen de borst en/of de buik en/of het gezicht en/of het hoofd, althans het lichaam van die [slachtoffer 1] (ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] op de grond is gevallen) of

- schoppen in/tegen de rug, althans het lichaam van die [slachtoffer 1] waardoor die [slachtoffer 1] op de grond is/zijn gevallen) en

- schoppen in/tegen de rug, althans het lichaam van die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] (waardoor die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] op de grond zijn gevallen)

en terwijl die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] op de grond lagen

- (met gebalde vuisten) slaan in het gezicht, althans op het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of

- (met geschoeide voet[en]) trappen/schoppen tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3].

2.

op 8 juni 2008 te Woerden, met anderen, op de openbare weg, de Rijnstraat, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], welk geweld bestond uit het

- tackelen, van die [slachtoffer 2] (waardoor die [slachtoffer 2] op de grond is gevallen), en

- slaan met een helm, op de arm van die [slachtoffer 2] (waardoor die [slachtoffer 2] [nogmaals] op de grond is gevallen), en

- bovenop die [slachtoffer 2] gaan zitten en vervolgens meermalen, (met kracht) (met zijn vuisten) slaan op het gezicht en het lichaam van die [slachtoffer 2], en

- (terwijl die [slachtoffer 2] op de grond lag) meermalen, (met geschoeide voet[en]) schoppen tegen het lichaam van die [slachtoffer 2], en

- (met kracht) (in)slaan op het lichaam van die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], en

- (terwijl die [slachtoffer 3] op de grond lag) (met kracht) (met geschoeide voet[en]) (in)schoppen tegen het lichaam van die [slachtoffer 3].

3.

op 08 juni 2008 te Woerden, met anderen, op of aan de openbare weg, de Nieuwe Steeg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen (een paal van) een verkeersbord en/of (een) deur en/of ram(en) (van een woning), welk geweld bestond uit

- het duwen en/of trekken aan die paal van dat verkeersbord en/of

- het gooien met (een) ste(e)n(en)/klinker(s) tegen de/het raam/ramen en/of de deur van een woning en/of

- het schoppen/trappen tegen de deur van een woning en/of

- het gooien van een fiets tegen de deur van een woning.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. [verdachte] zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Ten aanzien van feit 1 heeft [verdachte] ter zitting aangevoerd dat hij een duw in zijn rug kreeg, dat hij op de grond terechtkwam door een vuistslag en dat de kale man hem vervolgens wilde slaan en dat hij uit reactie hem sloeg.

De rechtbank oordeelt als volgt:

Om tot een geslaagd beroep op noodweer te komen dient te worden onderzocht: of het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding - waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding.

Gedragingen van de verdachte voorafgaande aan de wederrechtelijk aanranding door het latere slachtoffer kunnen onder omstandigheden in de weg staan aan het slagen van een beroep op noodweer door de verdachte.

Dat zal in het algemeen het geval zijn indien de verdachte de situatie waarin hij zich moest verweren, de confrontatie, heeft opgezocht. Dat dit gebeurt naar aanleiding van provocatie maakt dit niet - zonder meer - anders. Toch kan ook dan een beroep op noodweer opgaan, bijvoorbeeld omdat een gevolgde confrontatie sterk verschilt van hetgeen de verdachte opzocht.

In concreto overweegt de rechtbank het volgende:

De rechtbank gaat ervan uit dat [slachtoffer 2] uitdaagde tot een tweegevecht en dat [verdachte] en daarop inging [verdachte] heeft zichzelf hiermee dus willens en wetens in een situatie begeven waar agressie te verwachten viel, en heeft dus zelf de confrontatie opgezocht.

De daaropvolgende duw en klap waren niet van een zodanige aard dat dit de situatie wezenlijk veranderde. Niet aannemelijk is geworden - zelfs is niet gesteld - dat [verdachte] zich niet aan de situatie had kunnen onttrekken, terwijl hij dat wel had gemoeten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1 en 2: telkens, openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen

Feit 3: openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen

5.2 De strafbaarheid van verdachte

[verdachte] is strafbaar, omdat een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit niet aannemelijk is geworden.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan [verdachte] op te leggen gevangenisstraf voor de duur van 6 weken, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en een werkstraf voor de duur van 120 uur, te vervangen door hechtenis voor de duur van 60 dagen indien deze straf niet naar behoren wordt verricht, met aftrek van het voorarrest.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich deels aan het oordeel van de rechtbank en bepleit deels vrijspraak. Zij heeft voorts een strafmaatverweer gevoerd.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van [verdachte], zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

[verdachte] heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een ernstige vorm van uitgaansgeweld, dat heeft plaatsgevonden in de nachtelijke uren van 7 juni 2008 op

8 juni 2008. [verdachte] is bij de incidenten op de Utrechtsestraatweg, Rijnstraat en de Nieuwe Steeg aanwezig geweest, waarbij hij heeft deel uitgemaakt van de groep die gewelddadige handelingen heeft verricht. Hij is ook achter de Polen aangerend. Hierbij is het echter niet gebleven, want [verdachte] heeft zelf ook geweldadige handelingen verricht, zoals hiervoor onder 4.3.4 overwogen. Opgemerkt dient nog wel te worden dat één van de Poolse mannen, [slachtoffer 2], in eerste instantie de vechtpartij heeft uitgelokt en op meerdere momenten terug is gekomen om te vechten, terwijl hij ook weg had kunnen lopen. Dit doet echter niet af aan het feit dat ook de Woerdenaren hadden kunnen weglopen.

In het handelen van [verdachte] heeft er halverwege de Rijnstraat wel een kentering plaatsgevonden, waarna hij verdere escalatie wilde en probeerde te voorkomen. Dit doet niet af aan de strafwaardigheid van het eerder gepleegde geweld, maar deze inkeer heeft wel invloed op de waardering van de persoon.

Dit soort uitgaansgeweld heeft een enorme invloed op de samenleving in het algemeen en heeft in het bijzonder een behoorlijke impact gehad op de hechte gemeenschap Woerden, hetgeen ook wel blijkt uit de media-aandacht. Het gevoel van onveiligheid neemt door dit soort incidenten steeds grotere vormen aan. Uitgaansgeweld heeft in de afgelopen jaren al veel dodelijke slachtoffers gemaakt. Helaas was dit ook in Woerden op 8 juni 2008 het geval. Dit laatste weegt echter, zoals hiervoor onder 4.3.1 overwogen, niet mee bij het bepalen van de strafmaat.

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan.

Wat betreft de persoon van [verdachte] heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het volgende.

Ten nadele van [verdachte] weegt de rechtbank mee dat:

- drankgebruik van invloed is geweest op de onderhavige delicten;

- hij (één van de) aanstichter(s) is geweest van de ruzie;

- hij zijn collega, [medeverdachte 3], erbij heeft gehaald;

- hij zelf aan het begin van de Voorstraat de confrontatie weer heeft opgezocht met de Polen;

- hij niet geheel openheid van zaken heeft gegeven ten aanzien van zijn aandeel die avond;

- hij ten tijde van het ten laste gelegde, anders dan een aantal medeverdachten, reeds volwassen was;

- hij fors geweld heeft gebruikt, zoals het tackelen van [slachtoffer 2] op de Rijnstraat.

Ten voordele van [verdachte] weegt de rechtbank mee:

- de inhoud van een [verdachte] betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d.

8 september 2009, waaruit blijkt dat [verdachte] niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten;

- de inhoud van het Voorlichtingsrapport opgesteld door Reclassering Nederland d.d. 29 juni 2009, waaruit blijkt dat de kans op recidive als laag wordt ingeschat, mede gezien het feit dat [verdachte] geen antecedenten heeft en er verder geen aanwijzingen zijn voor criminogene factoren op de diverse leefgebieden;

- dat er reeds tijdens de gebeurtenissen op enig moment een kentering in zijn (gewelddadige) gedrag heeft plaatsgevonden en dat hij ook nadien blijk heeft gegeven van spijt;

- dat deze zaak veel media-aandacht heeft ondervonden en

- dat de feiten zich anderhalf jaar geleden hebben afgespeeld, waardoor [verdachte] - die enkele dagen in verzekering heeft doorgebracht - al die tijd in onzekerheid heeft verkeerd omtrent zijn mogelijke strafvervolging.

Alles afwegend en bezien in verhouding tot de straffen die de rechtbank aan de medeverdachten in deze zaak oplegt, komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf recht doet aan de ernst van de feiten en de persoon van [verdachte]. Ook het voorwaardelijke strafdeel acht de rechtbank op zijn plaats teneinde [verdachte] ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Aan [verdachte] zal dan ook worden opgelegd gevangenisstraf voor de duur van 6 weken, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, en een werkstraf voor de duur van

120 uur te vervangen door hechtenis voor de duur van 60 dagen indien deze straf niet naar behoren wordt verricht, met aftrek van de tijd die [verdachte] in voorarrest heeft doorgebracht.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 141 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt [verdachte] vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1 en 2: telkens, openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen

Feit 3: openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen

- verklaart [verdachte] strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt [verdachte] tot een gevangenisstraf van 6 weken, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat [verdachte] zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt [verdachte] tot een werkstraf van 120 uren;

- beveelt dat indien [verdachte] de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen;

- bepaalt dat de tijd die [verdachte] in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag;

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.E. Verschoor-Bergsma, voorzitter, mr. M.J. Grapperhaus en mr. A.G. van Doorn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.A.B. Kleemans, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 23 november 2009.