Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BK4119

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
23-11-2009
Datum publicatie
23-11-2009
Zaaknummer
16-602612-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Jeugdstrafrecht. Uitgaansgeweld in de nacht van 7 op 8 juni 2008 in Woerden. Verdachte is betrokken bij een vechtpartij tussen een groep inwoners van Woerden en een groep Polen. De rechtbank veroordeelt verdachte wegens openlijk geweld in vereniging gepleegd en mishandeling tot 60 dagen jeugddetentie, waarvan 17 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/602612-08 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 23 november 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1990] te [geboorteplaats]

wonende te [adres], [woonplaats]

raadsvrouw mr. M.S.F. Ilahibaks-Gulzar, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 30 oktober 2009, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 9 november 2009.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De wijziging houdt in dat in de tenlastelegging ten aanzien van feit 3 “8 juli 2008 ” is gewijzigd in

“8 juni 2008”.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat [verdachte]:

feit 1: op de Utrechtsestraatweg openlijk geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en/of

[slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3];

feit 2 (primair, subsidiair en meer subsidiair): op de Voorstraat samen met een ander heeft geprobeerd [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen dan wel op de Voorstraat openlijk geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] dan wel [slachtoffer 1] heeft mishandeld;

feit 3: op de Rijnstraat openlijk geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] en/of

[slachtoffer 3].

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging op de Utrechtsestraatweg en op de Rijnstraat en aan mishandeling op de Voorstraat (het meer subsidiair ten laste gelegde). Zij baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen. Voor de ten laste gelegde poging zware mishandeling in vereniging en openlijke geweldpleging, beiden op de Voorstraat, heeft de officier van justitie tot vrijspraak gerequireerd.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat mogelijk sprake was van openlijke geweldpleging op de Utrechtsestraatweg, maar dat [verdachte] zich enkel heeft verdedigd, waardoor vrijspraak dient te volgen. Ook komt de verdediging tot een bewezenverklaring van mishandeling gepleegd op de Voorstraat, maar niet in vereniging. Ten aanzien van de poging zware mishandeling in vereniging op de Voorstraat, openlijke geweldpleging op de Voorstraat en openlijke geweldpleging op de Rijnstraat stelt de verdediging zich op het standpunt dat vrijspraak dient te volgen nu daarvoor geen wettig en overtuigend bewijs is.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1. Inleiding

In de nacht van 7 juni 2008 op 8 juni 2008 hebben in Woerden op verschillende locaties vechtpartijen plaatsgevonden tussen een groep Poolse mannen en een groep Woerdense jongeren. Eén van de Poolse mannen, [slachtoffer 1], is enkele dagen later overleden. De politie heeft een grootschalig onderzoek ingesteld om te achterhalen wat er zich die avond precies heeft afgespeeld. Uit het onderzoek zijn meerdere verdachten naar voren gekomen die betrokken zouden zijn geweest bij de verschillende gebeurtenissen van die avond.

Voor de volledigheid en gezien de onderlinge samenhang, zal de rechtbank de verschillende gebeurtenissen van die avond beschrijven, in het bijzonder de afzonderlijke incidenten op de Utrechtsestraatweg, de Voorstraat, de Rijnstraat/Berchsteeg en de Rijnstraat/Nieuwe Steeg. Wat betreft die samenhang is van belang dat een aantal opeenvolgende gebeurtenissen uiteindelijk heeft geresulteerd in de dood van [slachtoffer 1], zonder dat kon worden vastgesteld welk toegepast geweld de doodsoorzaak was (of oorzaak was van het letsel van de overige Polen) en dat de reeks van gebeurtenissen in de Woerdense samenleving opschudding heeft veroorzaakt. De rechtbank is zich er van bewust dat [verdachte] maar een deel van deze gebeurtenissen wordt verweten. Bij de uiteindelijke beoordeling van hetgeen aan [verdachte] ten laste is gelegd, zal de rechtbank zich dan ook tot dat deel beperken.

4.3.2. Betrokkenen

In de verklaringen van de aangevers, getuigen, medeverdachten en [verdachte] zelf zijn beschrijvingen gegeven van de verschillende betrokkenen. Uit het dossier en ter terechtzitting is gebleken, dat hiermee de volgende personen worden bedoeld:

- [slachtoffer 2], de kale Pool/Pool met

gemillimeterd haar, wit shirt: [slachtoffer 2], hierna aangeduid als: [slachtoffer 2]

- [slachtoffer 1], de Pool met kort (donker)

haar, donker shirt [slachtoffer 1], aangeduid als: [slachtoffer 1]

- [slachtoffer 3], de Pool met licht shirt, petje [slachtoffer 3], hierna aangeduid als: [slachtoffer 3]

- [slachtoffer 4] [slachtoffer 4]

- [verdachte], hierna aangeduid als: [verdachte]

- [medeverdachte 1] [medeverdachte 1]

- [medeverdachte 2] [medeverdachte 2], aangeduid als: [medeverdachte 2]

- [medeverdachte 3], de collega van [medeverdachte 1] [medeverdachte 3]

- [medeverdachte 4] [medeverdachte 4]

- [medeverdachte 5], een vriend van de collega

van [medeverdachte 1]: [medeverdachte 5]

- [medeverdachte 6] [medeverdachte 6]

- [medeverdachte 7] [medeverdachte 7], hierna aangeduid als: [medeverdachte 7]

- [medeverdachte 8], bijgenaamd [medeverdachte 8] [medeverdachte 8], hierna aangeduid als: [medeverdachte 8]

- [betrokkene 1] [betrokkene 1]

- [betrokkene 2] [betrokkene 2]

- [betrokkene 3] [betrokkene 3], hierna genaamd: [betrokkene 3]

- [betrokkene 4], bijgenaamd [betrokkene 4] [betrokkene 4], hierna genaamd: [betrokkene 4]

- [betrokkene 5] [betrokkene 5]

- [betrokkene 6] [betrokkene 6]

- [betrokkene 7] [betrokkene 7]

Uit het dossier en ter terechtzitting is voorts gebleken dat waar in de verschillende verklaringen wordt gesproken over ‘(café) Arie’ hiermee wordt bedoeld: ‘café Victoria’ en waar gesproken wordt over ‘de Pietersteeg‘ - gezien de overzichtskaart van Woerden en de ligging van de steeg ten opzichte van Voorstraat en de Rijnstraat - wordt bedoeld: ‘de Berchsteeg’.

4.3.3. Algemeen

In café Victoria is het op 7 juni 2008 een gewone, drukke, zaterdagavond. In het café zitten vier Polen. Één van hen veroorzaakt wat problemen: een kale/gemillimeterde man met een wit shirt. Hij lijkt een meisje lastig te vallen. Één van de portiers waarschuwt hem en zijn Poolse metgezel van dat moment; als de man nadien doorgaat met lastigvallen van andere klanten verzoekt de portier de twee naar buiten te gaan . De vier Poolse mannen gaan naar buiten.

Ze drinken buiten nog even verder, één van de vier, het latere slachtoffer [slachtoffer 1], is behoorlijk dronken.

Buiten ontstaat een woordenwisseling met een meisje, [betrokkene 7]. Zij voelt zich door een uitlating van de kale Poolse man beledigd en schopt een van de Polen tegen zijn been.

Op het terras is na middernacht, dus inmiddels op 8 juni 2008, ook een groep aanwezig die ervoor op een feestje is geweest bij [medeverdachte 7]. Ook van die groep is er een aantal dat dronken of aangeschoten is.

Enkele Nederlanders vertellen het volgende over de aanleiding:

[medeverdachte 1] gaat tussen [betrokkene 7] en de Polen in staan. [medeverdachte 7] mengt zich daar ook in en stoot daarbij - volgens hem per ongeluk - bier uit de handen van de kale Pool,

[slachtoffer 2]. [medeverdachte 7] vraagt: “What’s the problem”, de kale Pool daagt uit tot “Fight, one to one”.

Eén van de Polen verklaart later dat sprake was van een soort omsingeling door Woerdenaren. Volgens twee Polen lopen zij, de Polen, weg, maar worden zij achtervolgd.

Zij maken geen melding van uitdagen door [slachtoffer 2].

De Woerdenaren en de Polen bewegen zich - of worden bewogen - naar de verkeerslichten, een tiental meters verwijderd van café Victoria, op de Utrechtsestraatweg, waar deze kruist met de Stationsstraat. Er volgt een vechtpartij.

Het incident Utrechtsestraatweg

Eén of meer Poolse mannen worden geduwd en/of getrokken.

Tenminste één Poolse man wordt geschopt, waardoor hij tegen de grond gaat. Dit gebeurt in ieder geval met [slachtoffer 3].

De kale Pool, [slachtoffer 2], krijgt een “vliegende trap” tegen zijn rug, waardoor hij voorover neervalt. [slachtoffer 1] wordt geslagen of geschopt, waardoor hij op de grond valt. Als hij op de grond ligt, wordt hij geschopt. De kale Pool wordt geslagen. Als hij op de grond ligt wordt hij getrapt tegen zijn lichaam. Hij wordt in ieder geval op zijn rug en bovenlichaam getrapt. Mogelijk wordt hij ook op het hoofd getrapt en tegen het hoofd geslagen.

Er werd door meerderen geslagen en/of geschopt naar de op de grond liggende Polen.

Vervolgens worden de vechtenden gescheiden door de baas van café Victoria ([naam]) en een van de beveiligers. Een Pool blijft even, buiten bewustzijn, liggen. Wanneer hij weer overeind komt is zijn hoofd fors bebloed.

De café-eigenaar en de portier dirigeren de vier Polen naar de kant van de Singel, terwijl de groep Woerdenaren terug gaat naar het terras en de stoep voor café Victoria. De Poolse groep maakt de indruk wraak te willen nemen.

Één van de Polen, [slachtoffer 1], loopt het water van de Singel in en wordt daar door zijn vrienden weer uit geholpen. Als gevolg van dit te water raken is een groot deel van het bloed dat de getuigen op [slachtoffer 1] hoofd zagen, afgespoeld.

Na dit incident lijken de Polen iets gekalmeerd en lopen ze richting Oostdam om daar linksaf te slaan naar het centrum. Een inmiddels gearriveerde politieauto rijdt mee.

Intussen loopt [medeverdachte 1] alleen vanaf de Utrechtsestraatweg in de richting van het centrum van Woerden. Onderweg heeft hij telefonisch contact met [medeverdachte 3] die zich op dat moment nog bij café Marketier in Woerden bevindt, in gezelschap van [medeverdachte 5]. Afgesproken wordt dat zij [medeverdachte 1] zullen ontmoeten bij snackbar Friendly’s, net om de hoek van de Voorstraat.

De groep Woerdenaren die ondertussen aan de linkerzijde van de Oostdam in de richting van het centrum loopt, bestaat onder meer uit [verdachte], [medeverdachte 4], [betrokkene 2] en daarachter [medeverdachte 2], [medeverdachte 6], [betrokkene 5] en [betrokkene 4]. Halverwege keert

[betrokkene 5] terug naar café Victoria.

Op dat moment loopt aan de overkant van de Oostdam de groep van vier Poolse mannen , daartussen rijdt een politieauto.

Op weg naar het centrum belt [medeverdachte 4] naar [medeverdachte 1] om te zeggen dat de Poolse mannen zijn, Versluis’, richting op komen.

Nog voordat de Poolse mannen de Voorstraat bereiken ontmoeten [medeverdachte 1] en

[medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] elkaar op de hoek van de Voorstraat met de Oostdam.

De politieauto rijdt vervolgens weg.

Daarna ontstaat er wederom een confrontatie tussen de Woerdense groep en de Poolse mannen.

Hoewel er sterke aanwijzingen in het dossier te vinden zijn dat de Woerdense groep op dat moment uit is op een nadere vechtpartij met de Poolse mannen, en dat er telefonisch contact is tussen de groep van [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] met de andere groep, is niet vast komen te staan dat er sprake is van een concreet en strategisch “plan van aanval”.

Volgens direct betrokkene [medeverdachte 1] wordt er vanuit de Poolse mannen gescholden in de richting van de Woerdense groep en lopen hij, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] naar de Polen toe, waarop de kale Poolse man zich uitdagend gedraagt. De Polen rennen de Voorstraat in en worden, eveneens rennend, gevolgd door [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] , direct gevolgd door in ieder geval [verdachte], [medeverdachte 4] en [betrokkene 2].

In de Voorstraat splitsen de Poolse mannen zich op, [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en

[slachtoffer 4] rennen de eerste steeg aan de linkerzijde (naar de rechtbank begrijpt: de Berchsteeg) in, terwijl [slachtoffer 1] rechtdoor blijft lopen in de Voorstraat.

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] volgen de Poolse mannen in de Berchsteeg.

[verdachte] loopt vervolgens rechtdoor de Voorstraat in, [slachtoffer 1] achterna.

Het incident Voorstraat

Op dat moment bevinden zich in de Voorstraat [verdachte], [medeverdachte 4], [betrokkene 2] en

[medeverdachte 5].

[verdachte] loopt rennend op [slachtoffer 1] af en slaat hem tegen zijn kaak met gebalde vuist.

[slachtoffer 1] valt achteruit op de grond.

[verdachte] loopt vervolgens [medeverdachte 1] en diens collega achterna, de steeg in.

[medeverdachte 5] loopt vervolgens naar [slachtoffer 1] die nog op de grond ligt. Op dat moment wordt

[slachtoffer 1] door [medeverdachte 5] met kracht met de hak van zijn schoen tegen het hoofd getrapt.

[betrokkene 2] en [medeverdachte 4] lopen [verdachte] achterna de steeg in, gevolgd door [medeverdachte 5].

[slachtoffer 1] wordt alleen achtergelaten in de Voorstraat.

Intussen zijn de drie overige Polen via de Berchsteeg de Rijnstraat in gerend.

In de Rijnstraat zijn er gewelddadige handelingen verricht op verschillende plaatsen en het geweld verplaatst zich tot aan de Nieuwe Steeg.

Het incident Rijnstraat

In de Rijnstraat zijn in ieder geval aanwezig van de Polen: [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], en van de groep Woerdenaren: [verdachte], [medeverdachte 4], [medeverdachte 1], [medeverdachte 6], [medeverdachte 3], [betrokkene 1] en [medeverdachte 5].

In de Rijnstraat is [slachtoffer 2] gestruikeld en op de grond gevallen. Ook terwijl hij op de grond lag is hij geslagen en geschopt. Ook [slachtoffer 3] is op de grond gevallen, geschopt en geslagen in de Rijnstraat.

[medeverdachte 1] tackelt [slachtoffer 2] bij de shoarmazaak de Sphinx. De Pool komt op de grond terecht.

Nadat [slachtoffer 2] bij de shoarmazaak ten val is gekomen, gaat [medeverdachte 3] op hem zitten en geeft hij hem met gebalde vuist een paar klappen tegen zijn lichaam. [slachtoffer 2],

[medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] schoppen over en weer. [slachtoffer 2] wordt ongeveer tien keer in zijn gezicht geslagen.

[slachtoffer 2] wordt in de Rijnstraat in totaal vier keer aangevallen/gepakt door de groep die achter hem aan zit. Hij wordt niet alleen geslagen maar ook getrapt.

[medeverdachte 2] slaat hem met een helm terwijl hij op de grond ligt.

[slachtoffer 3] valt in de Rijnstraat door de klappen en schoppen van een stuk of zes personen.

De Polen vluchten na de gewelddadigheden in de Rijnstraat richting hun woning gelegen aan de Nieuwe Steeg.

Incident de Nieuwe Steeg

Bewoners van de Rijnstraat worden wakker van geschreeuw ‘die kankerpolen’ en zien een grote agressieve groep. De Polen vluchten hun woning in, maar ook dan houdt het geweld niet op.

In de Nieuwe Steeg trekken [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] aan een paal van een verkeersbord en pakken de daardoor losgekomen stenen.

[medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] pakken de losgekomen stenen en gooien ermee tegen de gevel van het huis. Er worden ook stenen tegen de deur aangegooid.

[medeverdachte 3] schopt tegen de deur van de woning van de Polen .

[medeverdachte 3] pakt een fiets die geparkeerd staat op de Rijnstraat op en gooit deze tegen de deur van de woning aan.

Eerst als het woord ‘Politie’ wordt geschreeuwd, wordt het geweld gestaakt en vlucht de groep Woerdenaren weg.

[betrokkene 2] en [betrokkene 3] lopen intussen terug naar de Voorstraat om te kijken hoe het met de Poolse man is. Zij zien hem nog op straat liggen. Hij blijkt niet aanspreekbaar en hij wordt in een stabiele zijligging gelegd. Vervolgens bellen zij de politie, die kort na 02.40 uur ter plaatse komt. [slachtoffer 1] wordt per ambulance overgebracht naar het ziekenhuis. Op 12 juni 2008 overlijdt [slachtoffer 1] aan uitval van hersenfuncties en verwikkelingen daarvan ten gevolge van heftig botsend geweld op het hoofd in de vorm van slaan, schoppen maar ook van vallen. Bij gedetailleerd onderzoek worden geen contusie-haarden gevonden, dat wil zeggen dat er geen sprake is van een coup-contrecoup letsel. Dit bevestigt de stelling dat geweldsuitwerking ten gevolge van een val minder waarschijnlijk lijkt.

4.3.4. De betrokkenheid van [verdachte]

Algemeen

De rechtbank stelt voorop dat de tenlastelegging wat betreft de feiten 1, 2 subsidiair en 3 is toegesneden op artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht, te weten: het openlijk in vereniging plegen van geweld.

Volgens vaste jurisprudentie is van ‘in vereniging’ plegen van geweld sprake indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn.

De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt, is dus niet voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die ‘in vereniging’ geweld pleegt.

Die aanwezigheid kan echter door bijkomende omstandigheden een zodanige “lading” krijgen, dat de aanwezige als medepleger van het openlijke geweld moet worden aangemerkt. Daarbij kan worden gedacht aan louter verbale aanmoediging, maar ook aan een voortgezette aanwezigheid in een groep - terwijl distantiëren mogelijk is - nadat de groep mét deze dader eerder geweld heeft gepleegd. Dan is immers sprake van een welbewuste keuze om deel uit te maken van een groep die uit was op geweld.

Overweging ten aanzien van feit 1

Ter zitting heeft [verdachte] verklaard dat hij, toen de ruzie tussen [medeverdachte 1] en de kale Pool zich verplaatste naar de kruising, uit nieuwsgierigheid is meegelopen. Terwijl hij meeliep, werd hij belaagd door [slachtoffer 1]. [verdachte] werd vastgepakt en weggeduwd. [verdachte] duwde terug. Er volgde een klap in [verdachte] gezicht en [verdachte] heeft 2 klappen teruggeven. Daarna werd hij weggetrokken en heeft hij zich niet meer met het gebeuren bemoeid. [verdachte] heeft verwezen naar zijn verklaring bij de politie omdat hij die naar waarheid en kort na het gebeuren heeft afgelegd. Bij de politie heeft [verdachte], behalve het voorgaande, onder meer nog verklaard over twee klappen die de Pool met het donkere korte haar hem gaf en een schop tegen zijn, [verdachte], knie . Voorts heeft [verdachte] verklaard dat hij de Pool sloeg toen [betrokkene 3] ([betrokkene 3]) deze van achteren vast had gepakt om hem van [verdachte] los te trekken en heeft hij verklaard dat de Pool struikelde en op de grond viel nadat [verdachte] hem had geraakt.

In het dossier bevinden zich verklaringen van anderen over de rol van [verdachte], onder meer:

- dat hij heeft gevochten of geworsteld;

- dat hij een Pool heeft geslagen nadat hij door die Pool geslagen is of nadat hij door die Pool geduwd is;

- dat hij een Pool buiten het gevecht heeft geslagen, waardoor deze neerging.

De rechtbank acht bewezen dat [verdachte] betrokken was bij het incident op de Utrechtsestraatweg en dat hij daaraan een substantiële bijdrage heeft geleverd:

Op grond van zijn eigen verklaring ter zitting en bij de politie en de hiervoor genoemde getuigenverklaringen is bewezen dat [verdachte] aandeel in de openlijke geweldpleging bestond uit het duwen van één van de Polen en het twee keer slaan van die Pool, waarschijnlijk

[slachtoffer 1].

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat deze Pool bij dit incident is neergegaan door een klap, gegeven door [verdachte]. Hierover bevinden zich namelijk teveel andersluidende verklaringen in het dossier.

Ook is onvoldoende komen vast te staan dat [verdachte] één van degenen is die heeft geschopt toen de Pool, vermoedelijk [slachtoffer 1], op de grond lag.

Weliswaar verklaart één van de getuigen hierover maar dit acht de rechtbank onvoldoende omdat er veel verklaringen zijn die doen vermoeden dat hetgeen zich afspeelde tussen de omstanders, moeilijk te zien was.

Hetgeen de raadsvrouw aanvoert over een noodweersituatie kan niet leiden tot vrijspraak, zoals de raadsvrouwe bepleit. De rechtbank zal dit verweer bespreken bij de strafbaarheid van het bewezenverklaarde.

Overweging ten aanzien van feit 2

Vast is komen staan dat [verdachte] [slachtoffer 1] op de Voorstraat met kracht op zijn kaak heeft gestompt, waardoor [slachtoffer 1] op de grond is gevallen.

De vraag die de rechtbank allereerst dient te beantwoorden is of die stomp op de kaak van [slachtoffer 1] een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel oplevert, al dan niet gepleegd in vereniging met een of meer anderen. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend.

Op grond van de eigen verklaring van [verdachte] bij de politie blijkt dat hij de Poolse man die hem bij café Victoria had gepakt, één op één wilde terugpakken en een tik verkopen. Hij was ervan overtuigd dat hij op dat moment alleen was en dat was ook zijn bedoeling. Hij zag dat [slachtoffer 1] zich omdraaide en hij kreeg het idee dat [slachtoffer 1] hem wilde pakken. Hij heeft hem toen een tik gegeven, hij sloeg hem tegen zijn kaak. Toen hij zag dat [slachtoffer 1] op de grond viel dacht hij, “hij staat weer op”. Hij zag toen dat [medeverdachte 1] met zijn collega in de steeg aan het knokken was en hij is daar naar toe gelopen.

Ter terechtzitting heeft [verdachte] bevestigd dat deze lezing van het gebeuren juist is. Er is tevoren niets gezegd of besproken met het groepje Woerdenaren en hij heeft zich afgezonderd van hen. Hij wilde één op één. Hij heeft ook niet gelet op de anderen, hij was meer bezig met [slachtoffer 1]. Hij heeft de rest van het groepje achter zich gelaten.

Uit de feitelijke gedraging van [verdachte], zijn verklaring hieromtrent en de verklaringen van de overige aanwezigen op de Voorstraat op dat moment, kan geen opzet in de zin van bedoeling worden afgeleid op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Voor de volgende vraag of er dan sprake was van voorwaardelijk opzet hierop sluit de rechtbank aan bij vaste jurisprudentie ter zake.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. Of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht.

Een enkele vuistslag op de kaak, zelfs met kracht gegeven, levert in de regel niet zonder meer een als aanmerkelijk aan te merken kans op zwaar lichamelijk letsel op. Dit kan echter onder omstandigheden anders zijn.

Uit het voorgaande blijkt dat [slachtoffer 1] ten tijde van het incident op de Voorstraat al gehavend was door het incident op de Utrechtsestraatweg. Hoewel een deel van het bloed was weggewassen door zijn val in het water, had hij op dat moment al letsel aan zijn hoofd.

[medeverdachte 1] ziet [slachtoffer 1] door de Voorstraat lopen met zijn hand aan zijn hoofd, hij zag eruit alsof hij gewond was. Hij had bloed op zijn hoofd.

Voorts is komen vast te staan dat [slachtoffer 1] bij onderzoek een alcoholpercentage in zijn bloed had van 3.0 milligram per milliliter bloed , zodat hij behoorlijk onder invloed van alcohol verkeerde, zelfs als hij een regelmatige gebruiker van alcohol was.

Ten gevolge van de stomp is [slachtoffer 1] achteruit op de grond gevallen.

Onder deze omstandigheden kan ook een enkele vuistslag naar het oordeel van de rechtbank, zeker indien met kracht gegeven en waarbij het slachtoffer achteruit op de grond valt, tot een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel leiden.

Naar het oordeel van de rechtbank is evenwel niet aannemelijk geworden dat [verdachte] zich van deze kans bewust is geweest en zich hieraan willens en wetens heeft blootgesteld. Hoewel [verdachte] zelf ook twee klappen heeft gegeven aan [slachtoffer 1] op de Utrechtsestraatweg, heeft hij verklaard dat hij niet heeft gezien dat [slachtoffer 1] letsel had.

Gelet op de omstandigheid dat het gebeuren in de Voorstraat zich heeft afgespeeld in de nachtelijke situatie in een slecht verlichte straat, terwijl onvoldoende duidelijk is geworden hoe zichtbaar het letsel van [slachtoffer 1] was, is niet komen vast te staan dat het hoofdletsel van [slachtoffer 1] op de Voorstraat kenbaar was voor [verdachte], dan wel dat dit voor hem kenbaar had moeten zijn. Gelet op de voor hem belastende verklaring die [verdachte] heeft afgelegd, acht de rechtbank zijn verklaring ook op dit punt geloofwaardig.

[verdachte] zal derhalve worden vrijgesproken van het hem onder 2 primair tenlastegelegde.

Ten aanzien van de hem subsidiair tenlastegelegde deelname aan openlijke geweldpleging in de Voorstraat overweegt de rechtbank als volgt.

Zoals hiervoor is overwogen onder 4.3.4. is [verdachte] volgens zijn eigen verklaring alleen op

[slachtoffer 1] afgerend en wilde hij [slachtoffer 1] één op één een tik geven. Hij was ervan overtuigd op dat moment alleen te zijn en dat was ook zijn bedoeling. Na de kaakslag is [verdachte] achter

[medeverdachte 1] de steeg ingelopen. Tevoren is niets gezegd of besproken met het groepje en hij heeft zich afgezonderd van de rest.

Voorts is niet komen vast te staan dat [verdachte] heeft gezien dat [medeverdachte 5] vervolgens de trap op het hoofd heeft gegeven aan [slachtoffer 1]. [verdachte] heeft dit ontkend en dit wordt bevestigd door

[medeverdachte 4].

De rechtbank is dan ook van oordeel dat bij [verdachte] geen bewustzijn aanwezig was, dat hij samen met anderen geweld pleegde, hetgeen vereist is voor een bewezenverklaring van dit feit, zodat ook hiervoor vrijspraak dient te volgen.

Ten aanzien van de hem meer subsidiair tenlastegelegde mishandeling overweegt de rechtbank als volgt.

[verdachte] heeft verklaard dat hij [slachtoffer 1] met kracht met gebalde vuist tegen de kaak heeft gestompt, waardoor die [slachtoffer 1] achteruit op de grond is gevallen.

Hoewel door [slachtoffer 1] ten gevolge van zijn overlijden niets is verklaard over de vraag of hij pijn heeft ondervonden door de vuistslag, levert naar algemeen bekend mag worden verondersteld, een kaakslag pijn op.

Of hij tevens enig letsel heeft opgelopen door deze vuistslag is weliswaar in het geheel van verwondingen geconstateerd in het sectieverslag niet terug te vinden, maar ook dit kan naar algemene ervaringsregels worden aangenomen, zo al niet door de vuistslag, dan in ieder geval door het vervolgens achteruit op de grond vallen.

Ook al verkeerde [slachtoffer 1] zoals hiervoor is overwogen onder invloed van een forse hoeveelheid alcohol, volgt uit de verklaring van [verdachte] en [betrokkene 2] dat er wel degelijk sprake was van causaal verband tussen de kaakslag en de val van [slachtoffer 1] . Bovendien is in de regel een met kracht gegeven kaakslag voldoende om iemand zijn evenwicht te doen verliezen.

De rechtbank acht dan ook de mishandeling bewezen. Hetgeen hiervoor is overwogen over de vraag of [verdachte] geweld heeft gepleegd in vereniging met een of meer anderen, wordt hier als herhaald en ingelast beschouwd. Van dit gedeelte zal [verdachte] dan ook worden vrijgesproken.

Overweging ten aanzien van feit 3

Het aandeel van [verdachte] bestond hieruit dat hij gedurende het hele incident op de Rijnstraat aanwezig is geweest en deel heeft uitgemaakt van de groep Woerdenaren. Hij is bij de groep gebleven en achter de Polen aangerend.

Hij heeft ook geweld gebruikt tegen [slachtoffer 2] door hem een duw te geven ter hoogte van shoarmazaak De Sphinx.

Vervolgens is sprake van een kentering. [verdachte] heeft [slachtoffer 2] geprobeerd omhoog te trekken en hem gezegd dat hij moest wegrennen. Hij wilde niet meer vechten en is, zo blijkt uit zijn verklaring ter terechtzitting, uit nieuwsgierigheid bij de groep gebleven en wilde voorkomen dat er excessief geweld zou worden gebruikt. Weliswaar heeft hij zo geprobeerd een verdere escalatie te voorkomen, doch dit doet niet af aan wat hij eerder aan het geweld heeft bijgedragen. Hij heeft zich ook overigens niet gedistantieerd van het geweld door bijvoorbeeld de politie te bellen.

De rechtbank acht derhalve ook bewezen dat [verdachte] betrokken was bij het incident op de Rijnstraat en dat hij daaraan een substantiële bijdrage heeft geleverd:

Op grond van zijn eigen verklaring ter zitting en bij de politie en de hiervoor genoemde getuigenverklaringen is bewezen dat [verdachte] aandeel in de openlijke geweldpleging bestond uit het een duw geven aan een van de Polen, te weten [slachtoffer 2], terwijl daarnaast zijn aanwezigheid en het meebewegen met de groep, mede gelet op hetgeen voorafging, een bijdrage aan het groepsgeweld vormen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen (met name de gecursiveerde gedeelten van 4.3.3 en 4.3.4) wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte]

1.

op 08 juni 2008 te Woerden, met anderen, op de openbare weg, de Utrechtsestraatweg openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en

[slachtoffer 3], welk geweld bestond uit het meermalen althans eenmaal (met kracht)

- (weg)duwen en/of trekken van/aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en

- (met gebalde vuisten) slaan en/of stompen in/op/tegen de borst en/of de buik en/of het gezicht en/of het hoofd, althans het lichaam van die [slachtoffer 1] (ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] op de grond is gevallen) of

- schoppen in/tegen de rug, althans het lichaam van die [slachtoffer 1] waardoor die [slachtoffer 1] op de grond is/zijn gevallen) en

- schoppen in/tegen de rug, althans het lichaam van die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] (waardoor die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] op de grond zijn gevallen)

en terwijl die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] op de grond lagen

- (met gebalde vuisten) slaan in het gezicht, althans op het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of

- (met geschoeide voet[en]) trappen/schoppen tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3].

2. meer subsidiair

op 08 juni 2008 te Woerden, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 1]) met gebalde vuist (met kracht) heeft gestompt tegen de kaak van die [slachtoffer 1], ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] (achteruit) op de grond is gevallen, waardoor voornoemde [slachtoffer 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

3.

op 8 juni 2008 te Woerden, met anderen, op de openbare weg, de Rijnstraat, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], welk geweld bestond uit het

- tackelen, van die [slachtoffer 2] (waardoor die [slachtoffer 2] op de grond is gevallen), en

- slaan met een helm, op de arm van die [slachtoffer 2] (waardoor die [slachtoffer 2] [nogmaals] op de grond is gevallen), en

- bovenop die [slachtoffer 2] gaan zitten en vervolgens meermalen, (met kracht) (met zijn vuisten) slaan op het gezicht en het lichaam van die [slachtoffer 2], en

- (terwijl die [slachtoffer 2] op de grond lag) meermalen, (met geschoeide voet[en]) schoppen tegen het lichaam van die [slachtoffer 2], en

- (met kracht) (in)slaan op het lichaam van die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], en

- (terwijl die [slachtoffer 3] op de grond lag) (met kracht) (met geschoeide voet[en]) (in)schoppen tegen het lichaam van die [slachtoffer 3].

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. [verdachte] zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat sprake is van een noodweersituatie. Ter onderbouwing hiervan heeft de verdediging aangevoerd dat het voor [verdachte] een ingrijpende gebeurtenis was om een klap te krijgen. [verdachte] zou zich in een reflex hebben verweerd en verdedigd. [verdachte] is hierbij niet verder gegaan dan strikt noodzakelijk was.

De rechtbank oordeelt als volgt:

Om tot een geslaagd beroep op noodweer te komen dient te worden onderzocht: of het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding - waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding.

Gedragingen van de verdachte voorafgaande aan de wederrechtelijk aanranding door het latere slachtoffer kunnen onder omstandigheden in de weg staan aan het slagen van een beroep op noodweer door de verdachte.

Dat zal in het algemeen het geval zijn indien de verdachte de situatie waarin hij zich moest verweren, de confrontatie, heeft opgezocht. Dat dit gebeurt naar aanleiding van provocatie maakt dit niet - zonder meer - anders. Toch kan ook dan een beroep op noodweer opgaan, bijvoorbeeld omdat een gevolgde confrontatie sterk verschilt van hetgeen de verdachte opzocht.

In concreto overweegt de rechtbank het volgende:

De rechtbank gaat ervan uit dat [slachtoffer 2] uitdaagde tot een tweegevecht en dat [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 7] daarop inging(en).[verdachte] is naar aanleiding daarvan vanaf het terras van café Victoria meegelopen naar de Utrechtsestraatweg.

Hij heeft zichzelf hiermee dus willens en wetens in een situatie begeven waar agressie te verwachten viel, en heeft dus zelf de confrontatie opgezocht.

De daaropvolgende duw en klap waren niet van een zodanige aard dat dit de situatie wezenlijk veranderde. Niet aannemelijk is geworden - zelfs is niet gesteld - dat [verdachte] zich niet aan de situatie had kunnen onttrekken, terwijl hij dat wel had gemoeten.

Noodweer ziet ook op de noodzakelijke verdediging van eens anders lijf.

[verdachte] heeft verklaard dat hij, enerzijds uit nieuwsgierigheid, anderzijds om zijn vrienden bij te staan, is meegegaan naar het kruispunt.

Was zijn optreden noodzakelijk ter verdediging van zijn vrienden?

Dit acht de rechtbank niet aannemelijk geworden. Hoewel de rechtbank onderlinge solidariteit van vrienden positief kan waarderen, is ook hier voor het slagen van een beroep op noodweer essentieel of sprake is van een “samen ten strijde trekken” (opzoeken van de confrontatie) of van (noodzakelijke) verdediging van de ander.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de verklaringen zoals die zich in het dossier bevinden en met name gelet op de getalsmatige overmacht aan Woerdenaren veeleer sprake van dat eerste.

Nu geen sprake is van noodweer, doet de mate van geweld er niet toe en behoeft het verweer dat [verdachte] in zijn verdediging niet verder is gegaan dan strikt noodzakelijk was, geen bespreking meer.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1 en 3: telkens, openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen

Feit 2 meer subsidiair: mishandeling

5.2 De strafbaarheid van verdachte

[verdachte] is strafbaar, omdat een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit niet aannemelijk is geworden.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan [verdachte] op te leggen jeugddetentie voor de duur van 60 dagen, waarvan 17 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met aftrek van het voorarrest.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit en subsidiair een strafmaatverweer gevoerd.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van [verdachte], zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

[verdachte] heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een ernstige vorm van uitgaansgeweld, dat heeft plaatsgevonden in de nachtelijke uren van 7 juni 2008 op

8 juni 2008. [verdachte] is bij de incidenten op de Utrechtsestraatweg, Voorstraat en Rijnstraat aanwezig geweest, waarbij hij heeft deel uitgemaakt van de groep die gewelddadige handelingen heeft verricht. Hij is ook achter de Polen aangerend. Hierbij is het echter niet gebleven, want [verdachte] heeft zelf ook geweldadige handelingen verricht, zoals hiervoor onder 4.3.4 overwogen. Opgemerkt dient nog wel te worden dat één van de Poolse mannen,

[slachtoffer 2], in eerste instantie de vechtpartij heeft uitgelokt en op meerdere momenten terug is gekomen om te vechten, terwijl hij ook weg had kunnen lopen. Dit doet echter niet af aan het feit dat ook de Woerdenaren hadden kunnen weglopen.

De conclusie van het onderzoek naar de doodsoorzaak van [slachtoffer 1], is dat niet is komen vast te staan dat het handelen van [verdachte] heeft bijgedragen aan de dood van [slachtoffer 1], maar ook niet is komen vast te staan dat dit niet het geval was. Feit blijft dat [verdachte] tijdens de vechtpartij het meest betrokken was bij [slachtoffer 1] en dat zijn kaakslag vooraf is gegaan aan en de mogelijkheid heeft geschapen voor de trap door [medeverdachte 5], waarna [slachtoffer 1] niet meer is opgestaan.

In het handelen van [verdachte] heeft er halverwege de Rijnstraat wel een kentering plaatsgevonden, waarna hij verdere escalatie wilde en probeerde te voorkomen. Dit doet niet af aan de strafwaardigheid van het eerder gepleegde geweld, maar deze inkeer heeft wel invloed op de waardering van de persoon.

Dit soort uitgaansgeweld heeft een enorme invloed op de samenleving in het algemeen en heeft in het bijzonder een behoorlijke impact gehad op de hechte gemeenschap Woerden, hetgeen ook wel blijkt uit de media-aandacht. Het gevoel van onveiligheid neemt door dit soort incidenten steeds grotere vormen aan. Uitgaansgeweld heeft in de afgelopen jaren al veel dodelijke slachtoffers gemaakt. Helaas was dit ook in Woerden op 8 juni 2008 het geval. Dit laatste weegt echter, zoals hiervoor onder 4.3.1 overwogen, niet mee bij het bepalen van de strafmaat.

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank in beginsel een onvoorwaardelijke jeugddetentie in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan.

Wat betreft de persoon van [verdachte] heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het volgende.

Ten nadele van [verdachte] weegt de rechtbank mee dat drankgebruik van invloed is geweest op de onderhavige delicten.

Ten voordele van [verdachte] weegt de rechtbank mee:

- zijn jeugdige leeftijd;

- de inhoud van een [verdachte] betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d.

8 september 2009, waaruit blijkt dat [verdachte] niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten;

- de inhoud van de evaluatie van het plan van aanpak naar aanleiding van de Hulp en Steun Maatregel bij schorsing van de voorlopige hechtenis door Bureau Jeugdzorg Utrecht

d.d. 5 oktober 2009, waaruit blijkt dat [verdachte] zich goed aan de gemaakte afspraken heeft gehouden en dat de doelen zijn behaald. Het jeugdreclasseringcontact is goed verlopen en aan alle aandachtspunten is gewerkt met goed resultaat. De jeugdreclassering schat de kans op recidive laag in en [verdachte] staat open voor verdere begeleiding van een psycholoog;

- de inhoud van het Rapport raadsonderzoek strafzaken Meervoudige Kamer door de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 26 oktober 2009, waaruit blijkt dat het gebeuren een enorme impact op [verdachte] heeft gehad en hij het verschrikkelijk vindt wat er gebeurd is. Er zijn geen zorgsignalen over het functioneren van [verdachte] op de verschillende leefgebieden en hij heeft tijdens het onderzoek bij de politie volledige openheid gegeven;

- dat er reeds tijdens de gebeurtenissen op enig moment een kentering in zijn (gewelddadige) gedrag heeft plaatsgevonden en dat hij ook nadien blijk heeft gegeven van spijt en van een open proceshouding;

- dat deze zaak veel media-aandacht heeft ondervonden;

- dat de feiten zich anderhalf jaar geleden hebben afgespeeld, waardoor [verdachte] - die 43 dagen in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht - al die tijd in onzekerheid heeft verkeerd omtrent zijn mogelijke strafvervolging;

- dat [verdachte] in verhouding tot zijn medeverdachten lange tijd in voorarrest heeft doorgebracht, inclusief een tijd in beperkingen. Dit moet voor hem erg belastend zijn geweest. Niet mag worden vergeten echter, dat het lange voorarrest was ingegeven door het onderzoek naar de doodsoorzaak van [slachtoffer 1].

Alles afwegend en bezien in verhouding tot de straffen die de rechtbank aan de medeverdachten in deze zaak oplegt, komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf recht doet aan de ernst van de feiten en de persoon van [verdachte]. Ook het voorwaardelijke strafdeel acht de rechtbank op zijn plaats teneinde [verdachte] ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Aan [verdachte] zal dan ook worden opgelegd jeugddetentie voor de duur van 60 dagen, waarvan 17 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die [verdachte] in voorarrest heeft doorgebracht, met een proeftijd van 2 jaar.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 77a, 77g, 77h, 77i, 77x, 77y, 77z, 77gg, 141 en 300 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt [verdachte] vrij van het onder feit 2 primair en subsidiair ten laste gelegde;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt [verdachte] vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1 en 3: telkens, openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen

Feit 2 meer subsidiair: mishandeling

- verklaart [verdachte] strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt [verdachte] tot een jeugddetentie van 60 dagen, waarvan 17 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat [verdachte] zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die [verdachte] voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde jeugddetentie;

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.E. Verschoor-Bergsma, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. M.J. Grapperhaus en mr. A.G. van Doorn, rechters, in tegenwoordigheid van

mr. P.A.B. Kleemans, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op

23 november 2009.