Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BK3884

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
30-10-2009
Datum publicatie
20-11-2009
Zaaknummer
16-700198-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. En veroordeelt verdachte voorts tot een werkstraf voor de duur van 150 uur. Dit voor uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekken, meermalen gepleegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/700198-07 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 30 oktober 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1969] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats] aan de [woonadres].

Raadsman: mr. J. Peters, advocaat te Amersfoort.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 16 oktober 2009, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de inkomsten die zijn vriendin [medeverdachte], met wie hij samenwoonde, door uitkeringsfraude heeft verkregen.

3. De beoordeling van het bewijs

3.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

3.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

De raadsman heeft daartoe primair aangevoerd dat in de ten laste gelegde periode nimmer sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding van verdachte en medeverdachte [medeverdachte]. Daartoe heeft de raadsman de uitspraak van de bestuursrechter van deze rechtbank van 5 augustus 2009 overgelegd, waarin deze rechter in overweging 2.19 - zakelijk weergegeven - heeft overwogen dat onvoldoende is aangetoond dat eisers (verdachte en medeverdachte [medeverdachte]) in de periode van 26 juli 2006 tot 30 mei 2007 hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben gehad en er derhalve (in deze periode) geen sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding.

De raadsman heeft aanvullend aangevoerd dat niet alleen in deze genoemde periode, maar ook in de periode daarvoor, nimmer sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding. Verdachte verbleef weliswaar veel in de woning van medeverdachte [medeverdachte], maar deed dit om medeverdachte [medeverdachte] en haar kinderen te beschermen tegen buurtoverlast. De verdediging heeft daarbij gewezen op een melding die medeverdachte [medeverdachte] heeft gedaan aan de sociale dienst op 16 december 2002.

Nu er gedurende de ten laste gelegde periode nimmer sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding, heeft medeverdachte [medeverdachte] zich niet schuldig gemaakt aan uitkeringsfraude. Verdachte kan hiervan dan ook niet geprofiteerd hebben en dient van het ten laste gelegde te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

Indien wettig en overtuigend bewezen kan worden dat medeverdachte [medeverdachte] zich heeft schuldig gemaakt aan uitkeringsfraude, stelt de raadsman zich subsidiair op het standpunt dat verdachte nimmer opzettelijk voordeel zou hebben getrokken van de door medeverdachte [medeverdachte] genoten uitkering.

3.3. Het oordeel van de rechtbank

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast.

Medeverdachte [medeverdachte] staat vanaf 17 september 2001 tot heden ingeschreven in de woning gelegen aan de [adres], later [adres] te [woonplaats].

Verdachte staat vanaf 8 oktober 2001 ingeschreven op het adres [woonadres] te [woonplaats], zijnde het adres van de moeder van verdachte.

In de periode van 9 oktober 2002 tot en met 30 mei 2007 ontving medeverdachte [medeverdachte] een uitkering van de dienst Sociale Zaken van de Gemeente [plaats] naar de norm van een alleenstaande ouder, aanvankelijk op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) en later op grond van de Wet Werk en Bijstand (WWB).

In die periode heeft medeverdachte [medeverdachte] op de rechtmatigheidformulieren aangegeven dat zij alleenstaande ouder was. Nadat deze formulieren werden vervangen door status- en wijzigingsformulieren heeft zij geen melding gemaakt van een wijziging in haar persoonlijke omstandigheden. Medeverdachte [medeverdachte] wist dat zij alle gegevens die van belang zijn voor de vaststelling van het recht op en de hoogte van haar uitkering moest melden aan de Dienst Sociale Zaken van de Gemeente [plaats].

Verdachte wist dat medeverdachte [medeverdachte] in voornoemde periode een uitkering naar de norm van een alleenstaande ouder genoot.

De beoordeling

De rechtbank volgt de standpunten van de raadsman niet en overweegt daartoe als volgt.

Ten eerste geldt in het strafprocesrecht dat de rechter vrij is in de waardering van de feiten, ongeacht de omstandigheid dat een andere rechter, in dit geval de bestuursrechter, reeds een oordeel heeft gevormd over hetzelfde feitencomplex. Dit is vaste jurisprudentie van de Hoge Raad. De rechtbank is alleen al op grond hiervan niet gebonden aan de uitspraak van de bestuursrechter.

De rechtbank wijst daarnaast op het volgende.

De bestuursrechter overweegt dat de sociale dienst voor wat betreft de periode van

9 oktober 2002 tot en met 25 juli 2006 gebonden is aan een rapport mutatieonderzoek van

25 juli 2006, waarin zij heeft geconcludeerd dat niet is gebleken dat sprake is van samenwoning. De rechtbank is hier echter niet aan gebonden. De bestuursrechter toetst het door het bestuursorgaan genomen besluit, dat is in het strafrecht niet aan de orde.

Gezien de feiten en omstandigheden die in de uitspraak worden genoemd, staat bovendien niet vast dat de rechtbank in het kader van deze strafprocedure hetzelfde dossier onder ogen heeft gehad als de bestuursrechter.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de verweten gedragingen die ten laste zijn gelegd voorts als volgt.

Gezamenlijke huishouding

Op 16 maart 2005 bericht wijkagent [verbalisant] de Gemeente [plaats] dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] sinds enkele jaren samenwonen op het adres [adres] te [woonplaats]. Dezelfde wijkagent maakt op respectievelijk 30 augustus 2006 en 3 april 2007 een proces-verbaal op, inhoudende dat verdachte permanent dan wel met grote regelmaat in de woning van medeverdachte [medeverdachte] verblijft.

Niet alleen de wijkagent, maar ook buurtbewoners melden meerdere malen (anoniem) dat verdachte en medeverdachte samenwonen in de woning van medeverdachte [medeverdachte].

Deze meldingen worden ondersteund door de volgende redengevende feiten en omstandigheden:

- Gedurende de periode van 22 november 2002 tot en met 23 februari 2007 hebben diverse mutaties plaatsgevonden op het adres van medeverdachte [medeverdachte]. In een groot aantal van deze mutaties wordt melding gemaakt van het feit dat verdachte zich in en om de woning van medeverdachte [medeverdachte] bevindt.

- Verdachte bevindt zich niet alleen met grote regelmaat in de woning van medeverdachte [medeverdachte], maar hij geeft ook veelvuldig aan dat hij woonachtig is op het adres van deze woning. Zo geeft hij op 28 juni 2004, bij het doen van aangifte van vernieling, het adres in [woonplaats] op en verklaart vervolgens tegen de politie over het incident “bij mij aan de wagen”.

- Niet alleen bij de politie, maar ook bij zijn werkgevers maakt verdachte - naast het adres van zijn moeder waar hij officieel staat ingeschreven - veelvuldig gebruik van het adres van medeverdachte [medeverdachte]. Zo blijkt uit het dossier dat verdachte voornoemd adres telkens weer noemt bij ziekmeldingen als verpleeg- en bezoekadres. Verdachte ontvangt een vergoeding voor de reiskosten die hij heeft gemaakt naar [woonplaats] en geeft het adres van medeverdachte [medeverdachte] op als zijn woon/postadres. Verdachte ontvangt post van zijn werkgevers, zoals salarisspecificaties en ontslagbevestigingen, niet alleen op het adres van zijn moeder, maar ook op het adres van medeverdachte [medeverdachte]. Voorts heeft hij bij een werkgever aangegeven dat hij samenwonend is.

- Met betrekking tot het ontvangen van post heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat

hij zijn post grotendeels op het adres [adres] en later in zijn postbus in [plaats] heeft ontvangen. Hij heeft dit zo geregeld omdat het voorkwam dat zijn moeder zijn post opende, aldus verdachte. Verdachte had naar eigen zeggen niet altijd gelegenheid om zijn post op te halen bij zijn moeder. Bovendien kostte het veel tijd als zijn moeder zijn post telkens weer naar hem toe moest zenden. De rechtbank acht deze verklaring niet aannemelijk.

- Ook feitelijk blijkt een nauwe verwevenheid in het doen en laten van verdachte en medeverdachte [medeverdachte]. Zo heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij medeverdachte [medeverdachte] heeft verzorgd toen zij in 2004 een herseninfarct kreeg en dat zij omgekeerd, als hij ziek was, voor hem zorgde. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij twee tot vijf keer per week naar medeverdachte [medeverdachte] gaat. Hij en medeverdachte [medeverdachte] koken om beurten en eten daarna samen met de kinderen.

Verdachte doet samen met de dochter van medeverdachte [medeverdachte] boodschappen. Hoewel verdachte heeft verklaard dat hij en medeverdachte [medeverdachte] beiden hun eigen boodschappen betalen, gebruiken zij ook van elkaars boodschappen. Tot slot doet de dochter van medeverdachte [medeverdachte] de was van verdachte.

Uit het bovenstaande volgt dat verdachte in de periode van oktober 2002 tot heden heeft samengewoond met medeverdachte aan de [adres] te [woonplaats] en met haar een duurzame gezamenlijke huishouding heeft gevoerd.

De verklaringen van medeverdachte en verdachte, dat verdachte in huis kwam vanwege overlast door de buren maar dat zij niet samenwoonden, wat daarvan ook zij, maken dit oordeel niet anders. Ook wanneer een duurzame gezamenlijke huishouding om reden van beveiliging wordt gevoerd, is er van een dergelijke huishouding sprake en dient de uitkeringsgerechtigde dit door te geven aan de sociale dienst.

Zoals onder de feiten al besproken, heeft medeverdachte in de periode van 18 oktober 2002 tot en met 30 mei 2007 een uitkering genoten naar de norm van een alleenstaande ouder.

Verdachte was hiervan op de hoogte. In die periode heeft medeverdachte op de rechtmatigheidformulieren aangegeven dat zij alleenstaande ouder was en nimmer melding gemaakt van een wijziging in haar persoonlijke omstandigheden, hetgeen maakt dat zij valsheid in geschrift pleegde in de betreffende periode. Nu de rechtbank bewezen acht dat verdachte en medeverdachte samenwoonden en hij wist dat medeverdachte een uitkering naar de norm van een alleenstaande ouder genoot, kan het niet anders zijn dan dat verdachte heeft geweten dat medeverdachte op haar controleformulieren vermeldde dat zij alleenstaand was en dat zij dus valsheid in geschrifte pleegde.

Daarnaast blijkt hetgeen hiervoor reeds is overwogen, dat hij gebruik heeft gemaakt van (consumptie)goederen en diensten die werden bekostigd uit de uitkering van medeverdachte [medeverdachte]. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij - met uitzondering van een eenmalige bijdrage voor een elektriciteitsrekening - niet financieel bijdroeg aan haar huishouding en vaste lasten.

Conclusie

Gelet op het bovenstaande, in hun onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat medeverdachte [medeverdachte] in de periode van 18 oktober 2002 tot en met

30 mei 2007 valsheid in geschrift heeft gepleegd en nagelaten heeft gegevens te verstrekken aan de gemeente [plaats], door op de maandelijkse rechtmatigheidformulieren telkens te vermelden dat zij alleenstaande ouder was. Medeverdachte [medeverdachte] heeft nimmer melding gemaakt van een wijziging in haar persoonlijke omstandigheden, terwijl zij wist dat zij deze gegevens kenbaar moest maken aan de dienst Sociale Zaken van de Gemeente [plaats], omdat deze gegevens van invloed konden zijn op haar recht op uitkering. Verdachte wist dat medeverdachte [medeverdachte] deze uitkering genoot en dat zij niet aan de sociale dienst doorgaf dat hij bij haar woonachtig was. Voorts heeft verdachte in de periode van 18 oktober 2002 tot en met 30 mei 2007 voordeel getrokken uit de opbrengst van een door valsheid in geschrift verkregen uitkering.

Met betrekking tot het verweer van de verdediging dat er geen sprake was van opzet op het voordeel trekken door verdachte, overweegt de rechtbank als volgt. Uit voorgaande volgt reeds dat verdachte in de woning van medeverdachte [medeverdachte] verbleef, zonder daarvoor een bijdrage in de kosten te betalen (met uitzondering van een eenmalige bijdrage in de elektriciteitskosten). Gelet daarop was het opzet van verdachte erop gericht dat de gezamenlijke huishouding in ieder geval ten dele werd bekostigd met de door valsheid in geschrift door medeverdachte [medeverdachte] ontvangen uitkering.

3.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op tijdstippen gelegen in de periode van 18 oktober 2002 tot en met 30 mei 2007 te [woonplaats] opzettelijk voordeel heeft getrokken uit hetgeen werd aangeschaft met door misdrijf verkregen geld, te weten geld van door [medeverdachte], met wie hij duurzaam een gezamenlijke huishouding voerde als bedoeld in de Algemene bijstandswet en de Wet Werk en Bijstand, door middel van het door die [medeverdachte] opzettelijk plegen van valsheid in geschrifte en het door die [medeverdachte] opzettelijk niet voldoen aan de inlichtingenverplichtingen, uit hoofde van de Algemene Bijstandswet en de Wet Werk en Bijstand verkregen uitkering, welk geld geheel of gedeeltelijk werd besteed aan huisvesting en het huishouden waarvan hij, verdachte, deel uitmaakte.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De strafbaarheid

4.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekken, meermalen gepleegd.

4.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5. De strafoplegging

5.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 100 uur, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

5.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft een aantal persoonlijke omstandigheden van verdachte genoemd. De verdediging heeft de rechtbank verzocht om hiermee rekening te houden.

5.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan het opzettelijk voordeel trekken uit gelden die door zijn partner, [medeverdachte], met wie hij samenwoonde, door uitkeringsfraude zijn verkregen. [medeverdachte] heeft misbruik gemaakt van het sociale stelsel zoals dat in Nederland bestaat. De rechtbank merkt daarbij op dat een bijstandsuitkering bedoeld is om de mensen, die om wat voor reden dan ook niet in hun eigen inkomen kunnen voorzien, te verzekeren van een aanvaardbaar inkomen. Door misbruik te maken van deze voorzieningen wordt afbreuk gedaan aan het sociale stelsel. Verdachte heeft van dit misbruik van de sociale voorzieningen geprofiteerd en aldus zich ten koste van de maatschappij verrijkt. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij zich om de belangen van de maatschappij niet heeft bekommerd en telkens weer heeft geprofiteerd van de bijstandsuitkering van [medeverdachte].

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank ten voordele van verdachte rekening gehouden met de inhoud van een hem betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 17 augustus 2009, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

De rechtbank is van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf onvoldoende recht doet aan de feiten. Mede gelet op de straffen die voor soortgelijke delicten worden opgelegd, is de rechtbank van oordeel dat een werkstraf voor de duur van 150 uur subsidiair 75 dagen hechtenis passend en geboden is. De rechtbank zal daarnaast een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden opleggen, om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

6. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63 en 416 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

7. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekken, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte voorts tot een werkstraf voor de duur van 150 uur;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 75 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. V. van Dam, voorzitter, mr. A.J.P. Schotman en mr. N.E.M. Kranenbroek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.A. Groenevelt-Timmer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 30 oktober 2009.

Mr. V. van Dam is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.