Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BK3882

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
30-10-2009
Datum publicatie
20-11-2009
Zaaknummer
16-700197-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. En veroordeelt verdachte voorts tot een werkstraf voor de duur van 150 uren, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Dit voor in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of een anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, dan wel voor de hoogte of duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/700197-07 (P)

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 30 oktober 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1968] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats] aan de [woonadres].

Raadsman mr. X.B. Sijmons, advocaat te Amersfoort, bepaaldelijk gevolmachtigd.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 16 oktober 2009, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte uitkeringsfraude heeft gepleegd.

3. De beoordeling van het bewijs

3.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

3.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

De raadsman heeft daartoe primair aangevoerd dat in de ten laste gelegde periode nimmer sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1]. Daartoe heeft de raadsman de uitspraak van de bestuursrechter van deze rechtbank van 5 augustus 2009 overgelegd, waarin deze rechter in overweging 2.19 - zakelijk weergegeven - heeft overwogen dat onvoldoende is aangetoond dat eisers (verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1]) in de periode van 26 juli 2006 tot 30 mei 2007 hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben gehad en er derhalve (in deze periode) geen sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding.

De raadsman heeft aanvullend aangevoerd dat niet alleen in deze genoemde periode, maar ook in de periode daarvoor, nimmer sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding. Medeverdachte [medeverdachte 1] verbleef weliswaar veel in de woning van verdachte, maar deed dit om haar en haar kinderen te beschermen tegen buurtoverlast. De verdediging heeft daarbij gewezen op een melding die verdachte heeft gedaan aan de sociale dienst op 16 december 2002.

Nu er gedurende de ten laste gelegde periode nimmer sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding, heeft verdachte zich niet schuldig gemaakt aan uitkeringsfraude, aldus de raadsman.

3.3. Het oordeel van de rechtbank

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast.

Verdachte staat vanaf 17 september 2001 tot heden ingeschreven in de woning gelegen aan de [woonadres], later [woonadres] te [woonplaats]. Medeverdachte [medeverdachte 1] staat vanaf 8 oktober 2001 ingeschreven op het adres [adres] te [woonplaats], zijnde het adres van de moeder van medeverdachte [medeverdachte 1].

In de periode van 9 oktober 2002 tot en met 30 mei 2007 ontving verdachte een uitkering van de dienst Sociale Zaken van de Gemeente [plaats] naar de norm van een alleenstaande ouder, aanvankelijk op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) en later op grond van de Wet Werk en Bijstand (WWB). In die periode heeft verdachte op de rechtmatigheidformulieren aangegeven dat zij alleenstaande ouder was. Nadat deze formulieren werden vervangen door status- en wijzigingsformulieren heeft zij geen melding gemaakt van een wijziging in haar persoonlijke omstandigheden. Verdachte wist dat zij alle gegevens die van belang zijn voor de vaststelling van het recht op en de hoogte van haar uitkering moest melden aan de Dienst Sociale Zaken van de Gemeente [plaats].

De beoordeling

De rechtbank volgt de standpunten van de raadsman niet en overweegt daartoe als volgt.

Ten eerste geldt in het strafprocesrecht dat de rechter vrij is in de waardering van de feiten, ongeacht de omstandigheid dat een andere rechter, in dit geval de bestuursrechter, reeds een oordeel heeft gevormd over hetzelfde feitencomplex. Dit is vaste jurisprudentie van de Hoge Raad. De rechtbank is alleen al op grond hiervan niet gebonden aan de uitspraak van de bestuursrechter.

De rechtbank wijst daarnaast op het volgende.

De bestuursrechter overweegt dat de sociale dienst voor wat betreft de periode van

9 oktober 2002 tot en met 25 juli 2006 gebonden is aan een rapport mutatieonderzoek van

25 juli 2006, waarin zij heeft geconcludeerd dat niet is gebleken dat sprake is van samenwoning. De rechtbank is hier echter niet aan gebonden. De bestuursrechter toetst het door het bestuursorgaan genomen besluit, dat is in het strafrecht niet aan de orde.

Gezien de feiten en omstandigheden die in de uitspraak worden genoemd, staat bovendien niet vast dat de rechtbank in het kader van deze strafprocedure hetzelfde dossier onder ogen heeft gehad als de bestuursrechter.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de verweten gedragingen die ten laste zijn gelegd voorts als volgt.

Gezamenlijke huishouding

Op 16 maart 2005 bericht wijkagent [verbalisant] de Gemeente [plaats] dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] sinds enkele jaren samenwonen op het adres [woonadres] te [woonplaats]. Dezelfde wijkagent maakt op respectievelijk 30 augustus 2006 en 3 april 2007 een proces-verbaal op, inhoudende dat medeverdachte [medeverdachte 1] permanent dan wel met grote regelmaat in de woning van verdachte verblijft.

Niet alleen de wijkagent, maar ook buurtbewoners melden meerdere malen (anoniem) dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] samenwonen in de woning van verdachte.

Deze meldingen worden ondersteund door de volgende redengevende feiten en omstandigheden:

- Gedurende de periode van 22 november 2002 tot en met 23 februari 2007 hebben diverse mutaties plaatsgevonden op het adres van verdachte. In een groot aantal van deze mutaties wordt melding gemaakt van het feit dat medeverdachte [medeverdachte 1] zich in en om de woning van verdachte bevindt.

- Medeverdachte [medeverdachte 1] bevindt zich niet alleen met grote regelmaat in de woning van verdachte, maar hij geeft ook veelvuldig aan dat hij woonachtig is op het adres van deze woning. Zo geeft hij op 28 juni 2004, bij het doen van aangifte van vernieling, het adres in [woonplaats] op en verklaart vervolgens tegen de politie over het incident “bij mij aan de wagen”.

- Niet alleen bij de politie, maar ook bij zijn werkgevers maakt medeverdachte [medeverdachte 1] - naast het adres van zijn moeder waar hij officieel staat ingeschreven - veelvuldig gebruik van het adres van verdachte. Zo blijkt uit het dossier dat hij voornoemd adres telkens weer noemt bij ziekmeldingen als verpleeg- en bezoekadres. Medeverdachte [medeverdachte 1] ontvangt een vergoeding voor de reiskosten die hij heeft gemaakt naar [woonplaats] en geeft het adres van verdachte op als zijn woon/postadres. Medeverdachte [medeverdachte 1] ontvangt post van zijn werkgevers, zoals salarisspecificaties en ontslagbevestigingen, niet alleen op het adres van zijn moeder, maar ook op het adres van verdachte. Voorts heeft hij bij een werkgever aangegeven dat hij samenwonend is.

- Ook feitelijk blijkt een nauwe verwevenheid in het doen en laten van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1].

Zo heeft medeverdachte [medeverdachte 1] bij de politie verklaard dat hij verdachte heeft verzorgd toen zij in 2004 een herseninfarct kreeg en dat zij omgekeerd, als hij ziek was, voor hem zorgde. Verdachte verklaart dat medeverdachte [medeverdachte 1] drie tot vier keer per week in haar woning verblijft. Medeverdachte [medeverdachte 1] bevestigt dit en verklaart dat hij soms een week soms een paar dagen in de woning van verdachte verblijft. Medeverdachte [medeverdachte 1] eet dan ’s avonds bij verdachte en haar kinderen.

Medeverdachte [medeverdachte 1] doet elke week samen met de dochter van verdachte boodschappen. Hoewel medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij en verdachte beiden hun eigen boodschappen betalen, gebruiken zij ook van elkaars boodschappen.

Uit het bovenstaande volgt dat verdachte in de periode van oktober 2002 tot heden heeft samengewoond met medeverdachte [medeverdachte 1] aan de [woonadres] te [woonplaats] en met hem een duurzame gezamenlijke huishouding heeft gevoerd.

De verklaringen van verdachte en medeverdachte, dat medeverdachte [medeverdachte 1] in huis kwam vanwege overlast door de buren maar dat zij niet samenwoonden, wat daarvan ook zij, maken dit oordeel niet anders. Ook wanneer een duurzame gezamenlijke huishouding om reden van beveiliging wordt gevoerd, is er van een dergelijke huishouding sprake en dient de uitkeringsgerechtigde dit door te geven aan de sociale dienst.

Conclusie

Gelet op het bovenstaande, in hun onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat verdachte in de periode van 18 oktober 2002 tot en met

30 mei 2007 valsheid in geschrift heeft gepleegd en nagelaten heeft gegevens te verstrekken aan de gemeente [plaats], door op de maandelijkse rechtmatigheidformulieren telkens te vermelden dat zij alleenstaande ouder was. Verdachte heeft nimmer melding gemaakt van een wijziging in haar persoonlijke omstandigheden, terwijl zij wist dat zij deze gegevens kenbaar moest maken aan de dienst Sociale Zaken van de Gemeente [plaats], omdat deze gegevens van invloed konden zijn op haar recht op uitkering, dan wel de hoogte of duur van haar uitkering.

3.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op tijdstippen in de periode van 18 oktober 2002 tot en met 30 mei 2007 te Cothen, in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 65 van de Algemene Bijstandswet en/of artikel 17 van de Wet Werk en Bijstand, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte wist dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes recht op een uitkering op grond van de Algemene Bijstandwet en/of de Wet Werk en Bijstand, dan wel voor de hoogte of duur van die tegemoetkoming, immers heeft zij telkens niet opgegeven dat zij samenwoonde met [medeverdachte 1].

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De strafbaarheid

4.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of een anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, dan wel voor de hoogte of duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming.

4.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

5. De strafoplegging

5.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf van 100 uur, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

5.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft een aantal persoonlijke omstandigheden van verdachte genoemd. De verdediging heeft de rechtbank verzocht om hiermee rekening te houden.

5.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan uitkeringsfraude door opzettelijk geen melding te maken van het feit dat zij samenwoonde. Hierdoor heeft zij de controle op de aan haar verstrekte uitkering onmogelijk gemaakt en ten onrechte een bijstandsuitkering ontvangen. Door aldus te handelen heeft verdachte misbruik gemaakt

van het sociale stelsel zoals dat in Nederland bestaat. De rechtbank merkt daarbij op dat een bijstandsuitkering bedoeld is om de mensen, die om wat voor reden dan ook niet in hun eigen inkomen kunnen voorzien, te verzekeren van een aanvaardbaar inkomen. Door het misbruik maken van deze voorzieningen wordt aan het sociale stelsel afbreuk gedaan. De rechtbank rekent het verdachte aan dat zij zich om de belangen van de maatschappij niet heeft bekommerd en telkens weer heeft verzwegen dat zij samenwoonde.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank ten voordele van verdachte rekening gehouden met de inhoud van een hem betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 17 augustus 2009, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

De rechtbank is van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf onvoldoende recht doet aan de feiten.

Mede gelet op de straffen die voor soortgelijke delicten worden opgelegd, is de rechtbank van oordeel dat een werkstraf voor de duur van 150 uur subsidiair 75 dagen hechtenis passend en geboden is. Ter terechtzitting is gebleken dat verdachte in een rolstoel zit, zich moeilijk beweegt en aan één zijde van het lichaam verlamd is. Hoewel ter terechtzitting niet vast is komen te staan dat verdachte hierdoor niet in staat zou zijn tot het voltooien van een werkstraf, zal de rechtbank deze straf gezien deze persoonlijke omstandigheden van verdachte geheel voorwaardelijk opleggen.

De rechtbank zal tevens een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden opleggen. De rechtbank legt voornoemde voorwaardelijke straffen op om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

6. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 227b van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

7. De beslissing

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of een anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, dan wel voor de hoogte of duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming.

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 maanden, voorwaardelijk met een

proeftijd van 2 jaar;

- veroordeelt verdachte voorts tot een werkstraf voor de duur van 150 uren,

voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende

hechtenis zal worden toegepast van 75 dagen;

- bepaalt dat deze voorwaardelijke straffen niet ten uitvoer worden gelegd, tenzij de rechter

tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig

maakt aan een strafbaar feit;

Dit vonnis is gewezen door mr. V. van Dam, voorzitter, mr. A.J.P. Schotman en mr. N.E.M. Kranenbroek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.A. Groenevelt-Timmer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 30 oktober 2009.

Mr. V. van Dam is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.