Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BK3548

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
11-11-2009
Datum publicatie
17-11-2009
Zaaknummer
SBR 09-2393 en SBR 09-2394
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BO9191
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10 van de Wro voor het ophogen van de gronden en het aanleggen van een tijdelijke watergang. Eigen ruimtelijke onderbouwing. Verweerder kon in dit geval gebruik maken van zijn bevoegdheid het projectbesluit te nemen. Relatie met een nog niet onherroepelijk bestemmingsplan betekent niet dat om die reden de ruimtelijke onderbouwing van het projectbesluit zich mede over dat bestemmingsplan dient uit te strekken. Het besluit inzake de bestemmingsplanprocedure ligt niet in dit geding ter beoordeling voor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummers: SBR 09/2393 en SBR 09/2394

uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 november 2009 op het verzoek om voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak

inzake

Vereniging Bescherming Woonklimaat Abcoude Zuid,

gezeteld te Abcoude,

en

[eiser sub1] [eiser sub2] en [eiser sub3],

allen wonende te [woonplaats]

hierna: eisers,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Abcoude,

verweerder.

Inleiding

1.1 Het verzoek heeft betrekking op het besluit van verweerder van 7 juli 2009 tot het nemen van het projectbesluit “Ophoging en voorbelasting De Winkelbuurt” als bedoeld in artikel 3.10 Wet ruimtelijke ordening (Wro) voor het ophogen van de gronden en het aanleggen van een tijdelijke watergang.

1.2 Het verzoek is op 28 oktober 2009 ter zitting behandeld, waar, mede namens de Vereniging, [eiser sub1], [eiser sub2] en [eiser sub3] zijn verschenen, bijgestaan door mr. M.L. Diepenhorst, advocaat te Amsterdam. Namens verweerder zijn verschenen [A] en [B], beiden werkzaam bij de gemeente Abcoude. Tevens is de burgemeester van Abcoude, J. Streng, verschenen.

Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is voorts bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, deze onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. Deze situatie doet zich hier voor.

Ten aanzien van het beroep (SBR 09/2393):

2.3 Ingevolge artikel 3.10, eerste lid, van de Wro, kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project van gemeentelijk belang een projectbesluit nemen.

Ingevolge het tweede lid van voornoemd artikel bevat het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing van het project.

Ingevolge artikel 5.1.3, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro), bevat een projectbesluit een goede ruimtelijke onderbouwing, waarin zijn neergelegd:

a. een verantwoording van de in het projectbesluit gemaakte keuze van bestemmingen;

b. een beschrijving van de wijze waarop in het projectbesluit rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding;

c. de uitkomsten van het in artikel 5.1.1 bedoelde overleg;

d. de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3:2 van de Awb verrichte onderzoek;

e. een beschrijving van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het projectbesluit zijn betrokken;

f. de inzichten over de uitvoerbaarheid van het projectbesluit.

2.4 De gemeente Abcoude is voornemens om ten zuiden van de kern Abcoude een nieuwe woonwijk van circa 200 woningen te ontwikkelen. Daartoe is voor dit gebied het bestemmingsplan ‘De Winkelbuurt’ ontworpen. Voordat de bouw kan starten, is een zandophoging in het gebied noodzakelijk. Om de bodem voldoende te zetten is het noodzakelijk om ruim van te voren te starten met het opbrengen van zand en het daarmee voorbelasten van de ondergrond en het treffen van andere voorbereidende maatregelen. Die activiteiten zijn in strijd met de drie ter plaatse van het besluitgebied vigerende bestemmingsplannen, omdat de gronden voor het grootste gedeelte agrarisch zijn bestemd. Om het planologisch mogelijk te maken om de gronden op te hogen en voor te belasten, is besloten om vooruitlopend op het bestemmingsplan ‘De Winkelbuurt’ onderhavig projectbesluit te nemen. Het bestemmingsplan ‘De Winkelbuurt’ is inmiddels op 15 oktober 2009 door de raad van Abcoude vastgesteld, maar is nog niet in werking getreden.

2.5 De gemeenteraad van Abcoude heeft bij besluit van 25 juni 2008 de bevoegdheid tot het nemen van een projectbesluit gedelegeerd aan verweerder. Verweerder heeft een ontwerp projectbesluit “Ophoging en voorbelasting De Winkelbuurt” opgesteld en deze ter inzage gelegd. Eisers hebben daartegen zienswijzen ingediend, die verweerder heeft beantwoord in de “Zienswijzennota projectbesluit”. Verweerder heeft in de ingediende zienswijzen en na afweging van de betrokken belangen geen reden gezien om af te zien van het nemen van het thans bestreden projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10 van de Wro.

2.6 Eisers stellen dat de ophoging van het gebied met een zandpakket van ongeveer drie meter hoog een enorme ruimtelijke ingreep met onomkeerbare fysieke gevolgen heeft, aangezien een groot areaal waardevol cultuurland gelegen in het kwetsbare groene hart gebied voorgoed verloren gaat. Eisers stellen dat geheel nog niet vast staat dat het enige doel van het projectbesluit - de realisatie van een woonwijk ter plaatse - rechtens aanvaardbaar is. De vraag of woningbouw in het plangebied aanvaardbaar is, heeft volgens eisers ten onrechte geen onderdeel uitgemaakt van de totstandkomingsprocedure van het projectbesluit en is ook niet aan de orde gesteld in de ruimtelijke onderbouwing bij het projectbesluit. Deze thans door verweerder aangebrachte fasering in de besluitvormingsprocedure is volgens eisers blijkens de parlementaire geschiedenis van de Wro niet mogelijk. Omdat het projectbesluit niet los kan worden gezien van het doel waarmee het is genomen, had de haalbaarheid van woningbouw aan de orde moeten worden gesteld in de projectbesluitprocedure. Zolang met name de financiële haalbaarheid, de woningbehoefte en de aanvaardbaarheid van de woningbouw in het groene hart niet vast staan, dan wel verzekerd zijn in een onherroepelijk geworden bestemmingsplan, had een besluit met deze verstrekkende en onomkeerbare gevolgen niet genomen mogen worden.

Eisers brengen voorts naar voren dat door de ophoging van het gebied met een zandpakket tot ongeveer drie meter hoog niet alleen het uitzicht en de landschapsbeleving in het gedrang komen, maar dat voor naaste omwonenden ook hinder vanwege verstuiving en wateroverlast is te verwachten.

2.7 De voorzieningenrechter stelt vast dat het projectbesluit enkel en alleen ziet op het ophogen en verhogen en voorbelasten met zand van circa 15 hectare grond ten zuid-westen van Abcoude voor een periode van twee jaar en acht maanden. Het projectbesluit ziet niet ook op bouwactiviteiten in het kader van de aanleg van een nieuwe woonwijk.

2.8 Aan de orde is de vraag of de ruimtelijke onderbouwing van het projectbesluit voldoet aan artikel 3.10 van de Wro, zodat verweerder in dit geval gebruik kon maken van zijn bevoegdheid om het projectbesluit te nemen. De ruimtelijke onderbouwing die ten grondslag ligt aan het projectbesluit bevat de argumentatie van het projectbesluit inhoudende, samengevat, een beschrijving van de huidige en toekomstige situatie in het besluitgebied, de inhoud en de gevolgen van het project, de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid ervan en de wijze waarop burgers en instanties zijn betrokken, alsmede de motivering en de planologische regeling.

Anders dan eisers betogen is er geen grond voor het oordeel dat de wetgever met de Wro heeft beoogd om een einde te maken aan hetgeen onder de Wet op de Ruimtelijke Ordering (WRO) mogelijk was met betrekking tot projectbesluiten als het onderhavige, die toezien op het ophogen van gronden dan wel het bouwrijp maken daarvan met het oog op activiteiten die strijdig zijn met het vigerende planologische regime vooruitlopend op een wijziging daarvan.

Met name de Tweede Nota van Wijziging (Tweede Kamer, 2003-2004, 28916, nr. 9) biedt voor dat oordeel geen enkel aanknopingspunt. Dat blijkens deze Nota de ruimtelijke onderbouwing van het projectbesluit een weging dient te bevatten van het initiatief en van de ruimtelijke inpasbaarheid van de nieuw beoogde bestemming of het nieuwe gebruik van de grond en de (te realiseren) bouwwerken, rechtvaardigt, bezien in de context van de rest van deze Nota en daaruit blijkende bedoelingen van de wetgever, deze conclusie niet. Het enkele gegeven dat het besluitgebied in het bestemmingsplan ‘De Winkelbuurt’ niet de bestemming zandophoging zal krijgen, maar hoofdzakelijk een woonbestemming, staat aan het nemen van onderhavig projectbesluit, gelet op de reikwijdte en de bedoeling ervan, dus niet in de weg. Dat bij het onderhavig projectbesluit sprake is van een sterke relatie met een nog niet onherroepelijk bestemmingsplan betekent niet dat om die reden de ruimtelijke onderbouwing van het projectbesluit zich mede over dat bestemmingsplan dient uit te strekken. Het besluit inzake de bestemmingsplanprocedure liggen niet in dit geding ter beoordeling voor. De aanvaardbaarheid van het woningbouwproject en de zienswijzen met betrekking tot de ontwikkeling van woningbouw op de betreffende locatie komen in de bestemmingsplanprocedure aan de orde en maken dan ook terecht geen deel uit van de aan het projectbesluit ten grondslag liggende ruimtelijke onderbouwing. Aangezien het nog niet in werking getreden bestemmingsplan ‘De Winkelbuurt’ geen grondslag vindt in het projectbesluit is er geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 3.14 van de Wro. Van een verlies aan rechtsbescherming is dan ook geen sprake. De stelling van eisers dat zij door uitvoering van het projectbesluit en het starten van de voorbereidende werkzaamheden voor een voldongen feit komen te staan met verstrekkende gevolgen voor het gebied, leidt niet tot het oordeel dat verweerder in dit geval geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om het projectbesluit te nemen.

2.9 Het voorgaande neemt echter niet weg dat het ophogen en voorbelasten van de gronden niet geheel los kan worden gezien van de beoogde ontwikkeling van de betreffende locatie. In dat kader is van belang of op voorhand buiten twijfel is dat woningbouw niet in enigerlei vorm op deze locatie kan worden verwezenlijkt. Voor dat oordeel ziet de voorzieningenrechter geen grond. In dat kader neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de huidige onduidelijkheden over de aanbesteding en de daarmee verbonden financiële haalbaarheid van het bouwproject, mede gelet op verweerders toelichting ter zitting, nog niet betekenen dat op voorhand reeds buiten twijfel is dat woningbouw ter plaatse niet op enigerlei wijze kan worden verwezenlijkt. Dit zelfde geldt voor hetgeen eisers betogen dat er geen sprake is van een groei in eigen woningbehoefte en dat er volgens rijksbeleid, vastgelegd in de Nota Ruimte geen mogelijkheid bestaat voor uitbreiding ten koste van het Groene Hart. Hoewel ook deze aspecten tussen partijen nog in discussie zijn, geven deze evenmin grond voor het oordeel dat op voorhand buiten twijfel is dat er geen woningen kunnen worden verwezenlijkt. De voorzieningenrechter neemt daarbij ook in aanmerking dat door het besluit van Gedeputeerde Staten van de provincie Utrecht van 23 juni 2009 de betreffende locatie binnen de grenzen van de rode contour is gekomen.

2.10 Zoals hiervoor is overwogen, berust het projectbesluit op de eigen ruimtelijke onderbouwing die niet verder reikt dan het ophogen van gronden en het aanleggen van een tijdelijke watergang. De argumenten die eisers naar voren brengen ten betoge dat de ruimtelijke onderbouwing gebrekkig is, zien hoofdzakelijk op aspecten die in de bestemmingsplanprocedure aan de orde komen en waaraan in de onderhavige toetsing dus voorbij wordt gegaan. Met de overige grieven hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat de ruimtelijke onderbouwing van 7 juli 2009 gebreken vertoont. Niet is gebleken dat, zoals eisers onder verwijzing naar artikel 3.10 van de Wro betogen, onduidelijk is welk gemeentelijk belang gediend is met dit projectbesluit. Dat de gemeente belang heeft bij het realiseren van onderhavige nieuwe woonwijk, is voldoende aannemelijk. Dit is ook af te leiden uit het inmiddels genomen besluit van de gemeenteraad tot het vaststellen van het bestemmingsplan ‘De Winkelbuurt’. Het thans bestreden besluit dat de voorbereidende werkzaamheden mogelijk maakt, staat dan ook ten dienste aan het gemeentelijk belang. Het betoog van eisers dat een oneigenlijk gebruik is gemaakt van de delegatiebevoegdheid van de gemeenteraad, volgt de voorzieningenrechter niet. Delegatie betekent in onderhavig geding niet dat er geen rol meer was weggelegd voor de gemeenteraad inzake de wenselijkheid woningen in het plangebied te gaan realiseren. Onweersproken is gebleven dat de gemeenteraad zich al meermaals had uitgesproken voor de ontwikkeling van woningbouw in dit gebied. Daaraan was door de raad kennelijk een maximum van 191 (+/- 4%) woningen verbonden. Uit de door eisers uitgevoerde rekensom ter onderbouwing dat het projectbesluit niet in overeenstemming is met het raadsbesluit (er komen meer woningen dan het door de raad genoemde maximum) volgt geenszins dat het projectbesluit, dat zich beperkt tot de ophoging van gronden in voorbereiding op woningbouw in dat gebied, daarmee is genomen voor een verdergaand doel dan op grond van de door de raad gestelde kaders toelaatbaar is. Het is bovendien de raad zelf die – recentelijk – de voorgenomen woningbouw in de huidige omvang heeft geaccordeerd met het vaststellen van het genoemde bestemmingsplan. Ook het betoog van eisers dat geen sprake is geweest van maatschappelijke participatie bij het projectbesluit als bedoeld in artikel 5.1.3 van het Bro, slaagt niet gelet op de beschrijving in de ruimtelijke onderbouwing van de wijze waarop de burgers en maatschappelijke organisaties zijn betrokken bij de totstandkoming. Evenmin is gebleken dat verweerder de in artikel 5.1.1. van het Bro neergelegde verplichting niet heeft nageleefd.

Eisers hebben voorts nog betoogd dat de tijdelijke vrijstelling voor de zandtransportleiding die verweerder beoogt te gebruiken voor de uitvoering van het project destijds niet is verleend voor dit gebruik maar alleen ten behoeve van de verbreding van de A2. Zij stellen dat aan de aanwezigheid van die zandtransportleiding dus geen argument voor onderhavige gefaseerde besluitvorming kan worden ontleend. Dit vrijstellingsbesluit ligt echter niet in dit geding ter toetsing voor. Er bestaat thans geen grond voor het oordeel dat verweerder de aanwezigheid van die zandtransportleiding niet bij zijn besluitvorming heeft kunnen betrekken, terwijl overigens ook niet aannemelijk is gemaakt dat verweerder niet tot het nemen van het projectbesluit zou zijn overgegaan als de zandtransportleiding voor de uitvoering daarvan niet beschikbaar zou zijn geweest. Dat het onderhavige projectbesluit economisch niet uitvoerbaar zou zijn, is evenmin aannemelijk gemaakt. Onderbouwing van deze stelling van eisers ontbreekt.

Gelet op al het voorgaande bestaat er dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder de ruimtelijke onderbouwing niet aan het projectbesluit ten grondslag heeft mogen leggen.

2.11 De voorzieningenrechter vindt in hetgeen eisers in het kader van de belangenafweging hebben aangevoerd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten het projectbesluit te nemen. Daarbij is in aanmerking genomen dat verweerder in het besluit heeft onderkend dat omwonenden hinder zullen ondervinden, maar dat hij waar mogelijk maatregelen neemt om dat te voorkomen of te verminderen. De stelling dat er mogelijk waterschade zou kunnen optreden, is door eisers in het geheel niet onderbouwd. Van een onevenredige aantasting van de belangen van eisers is derhalve niet gebleken. Verweerder heeft in redelijkheid tot het oordeel kunnen komen dat de belangen van eisers niet aan het nemen van het bestreden projectbesluit in de weg staan.

2.12 Hetgeen door eisers in beroep is aangevoerd kan, gelet op het voorgaande, niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Onder deze omstandigheden wordt geen aanleiding gezien om verweerder te veroordelen in de proceskosten.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening (SBR 09/2394):

2.13 Gelet op de beslissing in de hoofdzaak is het treffen van een voorlopige voorziening niet vereist. De voorzieningenrechter ziet evenmin aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

Ten aanzien van het beroep:

3.1 verklaart het beroep ongegrond.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening:

3.2 wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems en in het openbaar uitgesproken op 11 november 2009.

De griffier: De voorzieningenrechter:

mr. M.S.D. de Weerd mr. J.M. Willems

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen de uitspraak op het beroep kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De uitspraak van de rechtbank is bindend tussen partijen. Die binding heeft ook betekenis bij een eventueel vervolg van deze procedure, bijvoorbeeld indien het beroep gegrond wordt verklaard en verweerder een nieuw besluit moet nemen. Als een partij niet met hoger beroep opkomt tegen een oordeel van de rechtbank waarbij uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een standpunt van die partij is verworpen, staat de bestuursrechter die partij in beginsel niet toe dat standpunt in een latere fase van de procedure opnieuw in te nemen.