Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BK3408

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
13-11-2009
Datum publicatie
17-11-2009
Zaaknummer
SBR 09/2800, 09/2801, 09/2802, 09/2803, 09/2831 en 09/2904
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorzieningen en beroepen. bouwvergunning eerste fase bedrijfsruimte in Baarn; ontheffing bouwerordening (bereikbaarheidsbepaling). Bouwplan is in overeenstemming met bestemmingsplan en welstand. Voorlopige voorzieningen afgewezen en beroepen ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummers: SBR 09/2800, 09/2801, 09/2802, 09/2803, 09/2831 en 09/2904

uitspraken van de enkelvoudige kamer en van de voorzieningenrechter van

13 november 2009 op de beroepen en de verzoeken om voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaken

inzake

[eiser sub 1] en [eiseres sub 2],

[eiseres sub 3] en 18 omwonenden,

[eiser sub 4] en 18 omwonenden, en

[eiser sub 5],

alle wonende te [woonplaats],

eisers,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [woonplaats],

verweerder.

Inleiding

1.1 De verzoeken en beroepen hebben betrekking op het besluit van 10 september 2009, waarbij het bezwaar tegen het besluit van 19 maart 2009 gedeeltelijk gegrond is verklaard en aan Baarn Beheer B.V. ontheffing is verleend van het bepaalde in artikel 2.5.3. van de Bouwverordening.

Bij het primaire besluit van 19 maart 2009 is aan Baarn Beheer B.V. (hierna: vergunninghouder) een reguliere bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van een opslagruimte op het perceel Oosterstraat/Ericastraat/Bremstraat te [woonplaats], kadastraal bekend als gemeente [woonplaats], sectie en nummer(s) M3694.

1.2 Bij brieven van 16 oktober 2009 respectievelijk 27 oktober 2009 heeft de rechtbank aan

[eiser sub 4] en de gemachtigde van [eiser sub 5] laten weten dat zij heeft besloten de beroepen met toepassing van artikel 8:52 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) versneld te behandelen.

1.3 De verzoeken zijn met de beroepen SBR 09/2831 en SBR 09/2904 gevoegd behandeld ter zitting van 30 oktober 2009, waar [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] in persoon zijn verschenen, bijgestaan door mr. A. Kouwenaar-de Coninck, advocaat te Amersfoort.

[eiseres sub 3] is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. S.M. van de Weijer, advocaat te Duivendrecht. [eiser sub 4] is in persoon verschenen, evenals [eiser sub 5], bijgestaan door

mr. M. den Braber, werkzaam bij CNV Rechtshulp te Utrecht.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.E. Witteveen en H.M. van Ravenswaaij, beide werkzaam bij de gemeente [woonplaats].

Namens vergunninghouder is verschenen [X], bijgestaan door mr. J.A. Huijgen, advocaat te Den Haag.

Overwegingen

Ten aanzien van de verzoeken SBR 09/2801 en 09/2803

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Het door mr. S.M. van de Weijer ingediende verzoekschrift moet worden beschouwd als zijnde mede ingediend namens een aantal in het verzoekschrift nader genoemde omwonenden.

Een aantal verzoekers heeft afzonderlijk beroep ingesteld. De voorzieningenrechter stelt vast dat de in het verzoekschrift genoemde personen [A] en [B] geen beroep hebben ingesteld. Van de in artikel 8:81 bedoelde connexiteit is derhalve geen sprake. Het verzoek, voor zover ingesteld namens bovenstaande personen, dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard.

2.3 In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, deze onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. Deze situatie doet zich hier voor. De voorzieningenrechter merkt daarbij op dat

mr. S.M. van de Weijer ter zitting heeft aangegeven dat de gronden van het verzoekschrift en het gestelde ter zitting als gronden van het beroep moeten worden aangemerkt.

Ten aanzien van de beroepen SBR 09/2800, 09/2802, 09/2831 en 09/2904:

2.4 De verzoeken voorlopige voorziening zijn gevoegd behandeld met de beroepen van [eiser sub 4] en [eiser sub 5]. Gelet daarop dient hieronder ten aanzien van ‘de voorzieningenrechter’ tevens ‘de rechtbank’ te worden gelezen.

2.5 Ingevolge artikel 56a, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 44, eerste lid, onderdeel b, c en d van de Woningwet mag de bouwvergunning eerste fase slechts en moet deze worden geweigerd indien het bouwen in strijd is met de bouwverordening, met dien verstande dat artikel 44, eerste lid, onderdeel b slechts van toepassing is voor zover de daar bedoelde voorschriften van stedenbouwkundige aard zijn, met het bestemmingsplan en met welstand.

2.6 Het bouwplan behelst het oprichten van een bedrijfsruimte, bestaande uit een opslagruimte/garage en een kantoor, op het binnenterrein tussen de Bremstraat, Oosterstraat en Ericastraat. Dit is een zogenoemd garageplein waarvan de bewoners op grond van het recht van erfdienstbaarheid gebruik maken bij het gaan van en naar hun garage.

Het bouwplan heeft een oppervlakte van 64 m² en een nokhoogte van 5,86 meter.

2.7 Wat betreft het betoog van eisers dat de bouwvergunning eveneens betrekking heeft op het realiseren van een aantal parkeerplaatsen, overweegt de voorzieningenrechter dat uit de bouwaanvraag is gebleken dat genoemde parkeerplaatsen niet zijn aangevraagd. Daarnaast is gebleken dat voor het bouwplan één parkeerplaats is voorgeschreven en dat in deze parkeerplek inpandig wordt voorzien. De op de bouwtekening aangegeven parkeerplaatsen zijn derhalve niet nodig om de bouwvergunning te kunnen verlenen. Dit leidt naar het oordeel van de voorzieningenrechter tot de conclusie dat in dit geval het formulier aanvraag bouwvergunning leidend is en dat geen bouwvergunning is verleend voor de litigieuze parkeerplaatsen. De voorzieningenrechter vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 maart 2006, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, LJN: AV7531.

Nu het daarop betrekking hebbende betoog van eisers over die parkeerplaatsen buiten de omvang van het geding valt, kan dit in deze procedure verder niet aan de orde komen.

2.8 Eisers hebben betoogd dat verweerder aanvullende gegevens heeft opgevraagd bij de aanvrager van de bouwvergunning en dat zij ten onrechte geen inzage hebben verkregen in deze informatie. Deze grond slaagt niet. Geen rechtsregel verplicht verweerder tot het persoonlijk informeren van derden indien lopende de procedure nadere informatie door de aanvrager wordt verschaft. Overigens valt niet in te zien hoe eisers hierdoor in hun belangen zouden kunnen zijn geschaad nu zij tijdig bezwaar hebben kunnen maken tegen de verleende bouwvergunning met de daarbij behorende tekeningen.

2.9 Het betoog van eisers dat de bouwvergunning onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat hierin niet het juiste kadastrale perceel is genoemd, kan niet tot het door hen beoogde resultaat leiden. In het kader van de volledige heroverweging in bezwaar op grond van artikel 7:11 van de Awb kunnen bij de beslissing op bezwaar fouten worden hersteld. Gebleken is dat verweerder in het besluit op bezwaar de op de bouwvergunning abusievelijk vermelde kadastrale aanduiding “sectie en nummer M3694” heeft vervangen door “sectie en nummer M3805”. Daarnaast is niet gebleken dat eisers door de onjuiste perceelsaanduiding in hun belangen zijn geschaad. Van belang is in dit verband dat in de aanvraag wel de juiste lokale aanduiding van het perceel is vermeld, dat uit de bij bouwvergunning behorende situatieschets wel de juiste locatie is weergegeven, en dat eisers blijkens hun tijdig gemaakte bezwaar tegen de bouwvergunning wisten waarop het besluit betrekking had.

Ook het ter zitting door mr. S.M. van de Weijer gevoerde betoog dat de aanvrager van de bouwvergunning niet de eigenaar is van het perceel kan niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De aanvraag is gedaan door Baarn Beheer B.V., aan welke vennootschap ook de vergunning is verleend. Niet is vereist dat de vergunninghouder tevens eigenaar is van het perceel.

2.10 De bouwaanvraag is op 26 januari 2009 door verweerder ontvangen. Van een aanhoudingsplicht ingevolge artikel 50 van de Woningwet is niet gebleken. Voor het binnenterrein gold op 26 januari 2009 geen voorbereidingsbesluit. Nadien, te weten op

30 januari 2009 is in het kader van de herontwikkeling van een gedeelte van het gebied het ontwerp-bestemmingsplan “Baarn-Ericastraat” ter inzage gelegd. Verweerder heeft het bouwplan daarom terecht getoetst aan het bestemmingsplan “Oosterhei”. Het betoog van eisers dat het bouwplan in strijd is met de ingevolge het nieuwe bestemmingplan “Baarn-Ericastraat” op het perceel rustende bestemming “verkeer en verblijf” faalt derhalve.

2.11 Op het onderhavige perceel rust ingevolge het bestemmingsplan “Oosterhei” de bestemming “Bedrijven”. Volgens de bestemmingsplankaart bedraagt het bebouwingspercentage voor het bestemmingsvlak 90% en bedraagt de maximale goothoogte 6 meter.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften zijn aan de gronden die volgens de plankaart zijn bestemd voor bedrijven de volgende doeleinden toegekend: bedrijfsactiviteiten, met uitzondering van categorie A-inrichtingen in de zin van de Wet geluidhinder, met daarbij behorende kantoren en dienstwoningen, (…).

Ingevolge artikel 7, derde lid, van de planvoorschriften mag op de gronden met de bestemming “Bedrijven” slechts worden gebouwd onder de volgende voorwaarden:

a. gebouwen dienen binnen de bouwgrenzen te worden gebouwd;

b. de in het eerste lid bedoelde gronden mogen per bedrijf slechts worden bebouwd tot maximaal het bebouwingspercentage, dat op de plankaart voor de verschillende bestemmingsvlakken is aangegeven (…);

c. de goothoogte van de gebouwen mag niet meer bedragen dan op de plankaart is aangegeven voor de verschillende bestemmingsvlakken;

d. de hoogte van de gebouwen mag niet meer bedragen dan de maximale goothoogte vermeerderd met 3 meter;

(…).

2.12 Niet is gebleken dat het bouwplan in strijd is met de in artikel 7, derde lid, genoemde grenzen en maten. Wat betreft het beoogde gebruik hebben eisers aangevoerd dat het pand niet past in een woonwijk. De voorzieningenrechter overweegt dat het concrete beoogde gebruik van het bouwwerk op voorhand een reden kan vormen om een bouwvergunning te weigeren, indien op grond van de bouwkundige inrichting of anderszins redelijkerwijs valt aan te nemen dat dit gebruik uitsluitend of mede betrekking heeft op andere doeleinden dan die, waarin de bestemming voorziet. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het voorgenomen gebruik in overeenstemming is met artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften. In dit verband is van belang dat het verweerder uit de bouwaanvraag mocht begrijpen dat deze zag op de oprichting van een bedrijfsruimte/opslag met een lichte industriefunctie. Dat de aanvraag niet van een gedetailleerde omschrijving van het toekomstige gebruik vergezeld ging, geeft geen grond voor een ander oordeel, nu ingevolge artikel 56a, tweede lid, van de Woningwet bij de beoordeling van een bouwaanvraag slechts de stedenbouwkundige aspecten ter toets staan. Zoals ter zitting aan de orde is gekomen, is het aan verweerder om na ingebruikname van het bouwwerk te controleren of de bedrijfsactiviteiten zoals die feitelijk plaatsvinden in overeenstemming zijn met de doeleindenomschrijving in het bestemmingsplan. Dit betreft echter de handhaving van de vergunning en niet de vraag of voor het bouwplan vergunning kan c.q. moet worden verleend. Ook uit de door vergunninghouder ter zitting gegeven informatie over het toekomstige gebruik - het pand zal worden verhuurd aan een aannemersbedrijf en is voornamelijk bedoeld voor opslag van klein materieel - kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet worden afgeleid dat het pand voor andere doeleinden zal worden gebruikt dan waarin het bestemmingsplan voorziet.

De voorzieningenrechter concludeert dat het bouwplan, ook wat betreft het gebruik, past binnen het bestemmingsplan “Oosterhei”.

2.13 Ten aanzien van eisers bezwaren tegen het besluit tot ontheffingverlening van de bouwverordening, overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

2.14 Artikel 2.5.3, eerste lid, van de bouwverordening bepaalt dat als de toegang tot een bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is bestemd, meer dan 10 meter is verwijderd van een openbare weg, een verbindingsweg tussen die toegang en het openbare wegennet aanwezig dient te zijn die geschikt is voor verhuisauto’s, vuilnisauto’s, ziekenauto’s en brandweerauto’s.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel moet een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid, tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een bestemmingsplan of in een verordening of anderszins voorschriften heeft vastgesteld, een breedte hebben van ten minste 4,5 m en over een breedte van ten minste

3,25 m zijn verhard.

Het zesde lid van dit artikel bepaalt dat burgemeester en wethouders ontheffing kunnen verlenen van het bepaalde in het eerste lid, indien de aard, de ligging en het gebruik van het bouwwerk zich daarvoor lenen.

2.15 Niet in geschil is dat de verbindingsweg niet voldoet aan het in genoemde bepaling gestelde vereiste dat deze een breedte moet hebben van ten minste 4,5 meter. De breedte is op het smalste punt ongeveer 3.95 meter. Om die reden heeft verweerder bij het bestreden besluit ontheffing verleend op grond van artikel 2.5.3, zesde lid, van de Bouwverordening. Aan die ontheffing heeft verweerder het advies van de brandweer, in de persoon van senior medewerker Pro-actie, Preventie en Rampenbestrijding ing. R.F. Giltaij, ten grondslag gelegd.

2.16 Wat betreft het betoog van eisers dat het bestreden besluit moet worden vernietigd omdat verweerder ontheffing heeft verleend van het tweede lid, terwijl de bouwverordening slechts de mogelijkheid kent van ontheffingverlening van het eerste lid, overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

Vanuit het oogpunt van bereikbaarheid voor hulpdiensten van een bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is bestemd, is in artikel 2.5.3, eerste lid van de bouwverordening voorgeschreven dat de verbindingsweg tussen de toegang van een bouwwerk en openbare wegennet geschikt moet zijn voor verhuisauto’s, vuilnisauto’s, ziekenauto’s, brandweerauto’s en het overige te verwachten verkeer. In het tweede lid van artikel 2.5.3 wordt invulling gegeven aan het begrip ‘geschikte verbindingsweg’ uit het eerste lid. Het vereiste van de minimale breedte ligt derhalve in het verlengde van de eis van geschiktheid zoals genoemd in het eerste lid. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat sprake is van een dusdanige verwevenheid tussen het bepaalde in het eerste en tweede lid, dat de bevoegdheid tot het verlenen van ontheffing

moet worden geacht zich tevens uit te strekken tot de breedtematen genoemd in het tweede lid.

2.17 De voorzieningenrechter stelt voorop dat het verlenen van ontheffing een discretionaire bevoegdheid is van verweerder waarbij door de rechter slechts beoordeeld kan worden of verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten van zijn bevoegdheid al dan niet ontheffing te verlenen gebruik te maken. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld de uitspraak van 20 mei 2009, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder LJN: BI4535, kunnen bij deze beslissing de belangen worden betrokken die door het verlenen van ontheffing worden gediend of geschaad.

2.18 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder bij het toepassen van de ontheffing mogen aansluiten bij de bouw- en gebruiksmogelijkheden van het bestemmingsplan “Oosterhei”. Anders dan eisers hebben betoogd, was verweerder bij het al dan niet verlenen van deze ontheffing niet gehouden het bouwplan alsnog te toetsen aan het nieuwe bestemmingsplan “Baarn-Ericastraat”.

2.19 De stelling van eisers dat uit de brief van de brandweer van 12 januari 2009 blijkt dat de bereikbaarheid van de woningen ter plaatse onvoldoende is, treft geen doel. De voorzieningenrechter overweegt dat uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting voldoende duidelijk is geworden dat deze brief betrekking heeft op ander bouwplan.

2.20 In het advies van de brandweer is - samengevat - gesteld dat het van belang is om de situatie ter plaatse goed te beoordelen. Daarbij is gekeken naar de functie van het bouwwerk, de breedte van de weg, de locatie van de waterwinning en de werkwijze waarop de brandweer zal handelen bij een calamiteit in het betreffende object. De aard van het bouwwerk en van de bestaande bebouwing op het betreffende achterterrein is dusdanig dat de brandweer, bij een calamiteit, het blusvoertuig op de Oosterstraat of voor de slagboom over de toegangsweg zal laten staan met behulp van de hoge druk slangen de brand zal bestrijden. Gezien de lengte van de slangen (60 meter) en de te overbruggen afstand naar de bebouwing is dit geen onacceptabele situatie, aldus de brandweer. De conclusie luidt dat vanuit het oogpunt van brandveiligheid geen bezwaar bestaat tegen het verlenen van ontheffing,

2.21 De voorzieningenrechter ziet in hetgeen eisers hebben aangevoerd onvoldoende grond voor twijfel aan de juistheid van het advies. Dat het advies gebaseerd zou zijn op onjuiste en onvolledige gegevens omdat uit informatie van het kadaster is gebleken dat een strook van 70 centimeter aan eiseres [eiseres sub 3] toebehoort en de weg dus smaller zou kunnen zijn dan thans wordt aangenomen, brengt niet met zich mee dat de in het advies getrokken conclusie onjuist is. De voorzieningenrechter is met verweerder van oordeel dat de omstandigheid dat een strook van 70 centimeter van de weg aan een andere eigenaar toebehoort niet afdoet aan de feitelijke breedte van de toegangsweg. Aangaande de bereikbaarheid van het perceel voor het overige verkeer, overweegt de voorzieningenrechter dat de weg die dient ter ontsluiting van het perceel ook door eisers als ontsluitingsweg wordt gebruikt. Gelet hierop, en gezien de ter zitting aan de hand van foto's door verweerder gegeven nadere toelichting naar aanleiding van de stelling van eisers dat uit de rijprofielen van het CROW zou blijken dat motorvoertuigen de garage niet goed zouden kunnen bereiken, moet worden geoordeeld dat het perceel bereikbaar blijft voor personenverkeer en kleinere bedrijfswagens. In dit kader is nog van belang dat aannemelijk is dat de weg slechts incidenteel gebruikt zal worden door het overige verkeer aangezien voor vuilnisauto’s en verhuisauto’s geen noodzaak bestaat over de verbindingsweg de achtererven te bereiken. Onweersproken is immers dat vuilnis aan de straatzijde van de woningen wordt opgehaald en dat de woningen aan de straatzijde voor verhuisauto’s bereikbaar zijn. Voor ziekenauto’s is eveneens een goede doorgang over de verbindingsweg mogelijk. Daarnaast is gesteld noch gebleken dat de verbindingsweg anderszins niet geschikt zou zijn voor het genoemde verkeer. Bovendien acht de voorzieningenrechter, anders dan eisers hebben betoogd, mede gelet op de aard en omvang van het vergunde bedrijfsgebouw, niet aannemelijk dat grote bouwmaterialen in de opslagruimte zullen worden opgeslagen. Evenmin is daarom aannemelijk dat vrachtwagens met grote bouwmaterialen de verbindingsweg zullen gebruiken.

2.22 Voor zover eisers betogen dat het gebruik van de ontsluitingsweg ten behoeve van het perceel een onredelijke verzwaring van de daarop gevestigde erfdienstbaarheid met zich brengt, wordt overwogen dat voor het oordeel dat een privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van ontheffing in de weg staat, slechts aanleiding bestaat, wanneer deze een evident karakter heeft, nu de burgerlijke rechter de eerst aangewezene is om die vraag te beantwoorden en eisers de mogelijkheid hebben dat antwoord te verkrijgen. Een privaatrechtelijke belemmering met een evident karakter doet zich hier naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet voor.

2.23 Voor zover eisers hebben betoogd dat deze ontheffing hen in hun belangen als omwonenden raakt, te weten een vermindering van hun woongenot, vrees voor verkeersonveilige situaties, vrees voor geluidsoverlast door de toegenomen verstening en het verlies aan zonlicht, overweegt de voorzieningenrechter dat gelet op de aard en strekking van artikel 2.5.3 van de bouwverordening alsmede gelet op de bouw- en gebruiksmogelijkheden die het bestemmingsplan “Oosterhei” biedt, niet kan worden geoordeeld dat verweerder niet in redelijkheid een groter gewicht heeft mogen toekennen aan de belangen van vergunninghouder dan aan genoemde belangen van omwonenden. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzieningenrechter in hetgeen eisers naar voren hebben gebracht geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot het verlenen van een ontheffing gebruik heeft kunnen maken.

2.24 De beroepsgrond dat de kleur en het materiaalgebruik van de opslagruimte sterk afwijkt van het metselwerk van de reeds aanwezige garageboxen begrijpt de voorzieningenrechter aldus dat eisers hebben willen betogen dat het bouwplan niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Deze grond treft geen doel. In de brief van 7 april 2009 heeft de welstandscommissie overwogen dat voor wat betreft de vormgeving wordt aangesloten bij de karakteristiek van de omgeving: gebruik van baksteen, een kap gedekt met keramische dakpannen en een eenvoudige detaillering. Het bouwplan wordt niet in strijd met redelijke eisen van welstand geoordeeld. Gelet op de vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld de uitspraak van 6 mei 2009 (www.rechtspraak.nl, LJN: BI2952), mag verweerder in beginsel afgaan op het door de welstandscommissie verstrekte advies. De voorzieningenrechter acht het daarbij van belang dat van de zijde van eisers geen tegenadvies is ingebracht. Voorts is niet gebleken dat het welstandsadvies op onjuiste wijze tot stand is gekomen of anderszins gebreken vertoont.

2.25 Gelet op het vorenstaande komt de voorzieningenrechter tot de slotsom dat de aangevoerde (beroeps)gronden geen grond bieden voor het oordeel dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, de bouwverordening of met redelijke eisen van welstand. Aangezien niet is gebleken van de in artikel 56a, tweede lid, Woningwet genoemde weigeringsgronden, was verweerder, gelet op het limitatief-imperatieve stelsel, gehouden de bouwvergunning eerste fase te verlenen.

De overige gronden van eisers, te weten vermindering van hun woongenot, vrees voor verkeersonveilige situaties omdat het plein naar hun mening onoverzichtelijk wordt, vrees voor geluidsoverlast door de toegenomen verstening en het verlies aan zonlicht, kunnen bij de beoordeling van de bouwaanvraag niet in beschouwing worden genomen, anders dan in het kader van de ontheffing op grond van de bouwverordening.

2.26 Het betoog van eisers dat verweerder het vertrouwen heeft gewekt dat bedrijfsbebouwing in de wijk zou moeten worden tegengegaan en dat ook het beleid van verweerder is gericht op meer groen en minder steen, leidt niet tot een ander oordeel. Nog daargelaten dat niet is gebleken van een ondubbelzinnige mededeling of toezegging door een daartoe bevoegd orgaan, strekt het vertrouwensbeginsel niet zo ver dat verweerder op grond daarvan gehouden zou zijn een bouwvergunning te weigeren voor een bouwplan, dat past in het ter plaatse geldende bestemmingsplan en overigens aan de daaraan te stellen eisen voldoet.

2.27 Hetgeen door eisers in hun beroepen is aangevoerd kan, gelet op het voorgaande, niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Onder deze omstandigheden wordt geen aanleiding gezien om verweerder te veroordelen in de proceskosten.

Ten aanzien van de verzoeken om een voorlopige voorziening (SBR 09/2801 en 09/2803):

2.28 Gelet op de beslissing in de hoofdzaken is het treffen van een voorlopige voorziening niet aangewezen. De voorzieningenrechter ziet evenmin aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

Ten aanzien van de beroepen:

3.1 verklaart de beroepen met kenmerk SBR 09/2803 en SBR 09/2800 ongegrond.

Ten aanzien van de verzoeken om een voorlopige voorziening:

3.2 verklaart het verzoek met kenmerk SBR 09/2801 niet-ontvankelijk, voor zover ingediend door [A] en [B];

3.3 wijst de verzoeken om voorlopige voorziening met kenmerk SBR 09/2801 en SBR 09/2801 af.

De rechtbank:

3.4 verklaart de beroepen met kenmerk SBR 09/2831 en SBR 09/2904 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven en in het openbaar uitgesproken op

13 november 2009.

De griffier: De voorzieningenrechter/De rechtbank:

mr. V.N. Sluiter mr. B.J. van Ettekoven

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen de uitspraak op het beroep kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De uitspraak van de rechtbank is bindend tussen partijen. Die binding heeft ook betekenis bij een eventueel vervolg van deze procedure, bijvoorbeeld indien het beroep gegrond wordt verklaard en verweerder een nieuw besluit moet nemen. Als een partij niet met hoger beroep opkomt tegen een oordeel van de rechtbank waarbij uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een standpunt van die partij is verworpen, staat de bestuursrechter die partij in beginsel niet toe dat standpunt in een latere fase van de procedure opnieuw in te nemen.