Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BK3261

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
11-11-2009
Datum publicatie
08-09-2010
Zaaknummer
260063 / FA RK 08-7647 voorlopige voorzieningen
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

'Gedwongen' hoger beroep ter bewerkstelliging van kostenloze forensische mediation inzake verdeling zorgtaken zonder hoofdverblijfplaats.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rekestnummer:

260063 / FA RK 08-7647 voorlopige voorzieningen

263314 / FA RK 09-1160 echtscheiding

270778 / FA RK 09-4115 afwikkeling huwelijkse voorwaarden

Beschikking van 11 november 2009

in de zaak van:

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

nader te noemen de vrouw,

advocaat mr. N.P. Barské-Gelling

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder,

nader te noemen de man,

advocaat mr. M.J.V. van der List.

1. Verloop van de procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder het ter griffie ingediende verzoekschrift, het ingediende verweerschrift, tevens verzoekschrift, nog gevolgd door een verweerschrift en nadien ingekomen stukken.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 23 september 2009, in aanwezigheid van de gezinsvoogden mevrouw [X] en de heer [Y] namens Bureau Jeugdzorg

2. Vaststaande feiten

- Partijen zijn op [1994] te [geboorteplaats] op huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd.

- Hun huwelijk is duurzaam ontwricht.

- Zij hebben de Nederlandse nationaliteit.

- De minderjarige kinderen van partijen zijn:

[kind 1], geboren op [1996] te [geboorteplaats],

[kind 2], geboren op [1998] te [geboorteplaats],

[kind 3], geboren op [2000] te [geboorteplaats],

[kind 4], geboren op [2003] te [geboorteplaats],

[kind 5], geboren op [2005] te [geboorteplaats].

- Bij beschikking van de kinderrechter van 16 juni 2009 zijn alle kinderen voorlopig onder toezicht gesteld voor de duur van drie maanden. Bij beschikking van de kinderrechter van 14 september 2009 zijn alle kinderen onder toezicht gesteld voor de duur van een jaar. Er zijn thans twee gezinsvoogden bij het gezin betrokken.

3. Beoordeling van het verzochte

Op grond van de vaststaande feiten kan het verzoek tot echtscheiding worden toegewezen.

Tussen partijen is geschil omtrent de hoofdverblijfplaats van de kinderen, een regeling over de verdeling van zorg- en opvoedingstaken, een door de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen, een door de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de man, de bevoegdheid tot voortgezet gebruik van de echtelijke woning en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden.

afwikkeling huwelijkse voorwaarden

Nu tussen partijen geschil bestaat over de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, zal de rechtbank de respectieve verzoeken hieromtrent Pro Forma aanhouden, met verwijzing naar paragraaf 9 van het proces-reglement echtscheiding.

hoofdverblijfplaats kinderen / verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Zowel de vrouw als de man hebben de rechtbank verzocht te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw dan wel bij de man zal zijn.

Ter zitting is komen vast te staan dat [kind 1] thans bij de vrouw verblijft en de vier andere kinderen bij de man. Tevens is komen vast te staan dat de twee in het kader van de ondertoezichtstelling aangestelde gezinsvoogden - vooruitlopend op de beslissing omtrent de hoofdverblijfplaats van de kinderen - voor de huidige situatie een omgangsrooster hebben opgesteld. Evident is dat [kind 2] van 11 jaar een zwaarwegende factor vormt omdat hij ernstige gedragsproblemen vertoont waarvan het hele gezin last heeft. De man ontvangt ten behoeve van [kind 2] een Persoongebonden budget. Hoewel het advies voor [kind 2], na een observatieopname, klinische behandeling is geweest, is er voor het gezin terzake ambulante hulpverlening gestart omdat de man zich met voornoemd advies niet kon verenigen.

De vraag ligt thans voor welke hoofdverblijfplaats het meest in het belang van de kinderen moet worden geacht.

Om een verantwoorde beslissing daarover te geven heeft de rechtbank behoefte aan meer informatie. Het beschermingsonderzoek, dat deel uitmaakt van het dossier inzake de ondertoezichtstelling waarvan de rechtbank ambtshalve kennis heeft genomen, geeft onvoldoende uitsluitsel over de vraag waar de kinderen het beste kunnen wonen. Partijen hebben ter zitting aangegeven open te staan voor een deskundigenonderzoek met toepassing van mediation (een ouderschapsonderzoek). Indien het partijen niet lukt om in overleg tot een goede regeling over de kinderen te komen, zal de desbetreffende deskundige de rechtbank kunnen voorlichten over de redenen daarvan en daarbij advies kunnen uitbrengen over de vraag welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken het meest in het belang van de kinderen moet worden geacht. Partijen hebben echter aangegeven dat een deskundigenonderzoek financieel niet haalbaar is voor hen, reden waarom zij van een ouderschapsonderzoek afzien.

Een andere mogelijkheid om informatie in te winnen over de vraag welke hoofdverblijfplaats het meest in het belang van de kinderen moet worden geacht, is een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming. Gelet echter op de wens en de wil van ouders om zelf door middel van een ouderschapsonderzoek tot een oplossing te komen voor hun geschil over de hoofdverblijfplaats en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken van de kinderen, zal de rechtbank een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming achterwege laten. Partijen hebben ter zitting benadrukt dat zij, wat de beslissing van de rechtbank over de hoofdverblijfplaats ook moge zijn, in hoger beroep zullen gaan. Zij hebben als reden daartoe genoemd dat zij in hoger beroep gebruik kunnen maken van het door de overheid gefinancierde project ouderschapsonderzoek, dat voortkomt uit forensische mediation.

De rechtbank is met partijen van mening dat het belang van de kinderen het meest zal worden gediend indien partijen zelf, in overleg met elkaar, afspraken kunnen maken over de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Om die reden, en mede gelet op de omstandigheid dat een raadsonderzoek ruim een half jaar zal duren, waarvan de uitkomst ongewis is en waarbij de onduidelijke situatie voor de kinderen zal voortduren, zal de rechtbank reeds nu een eindbeslissing geven over de hoofdverblijfplaats. De rechtbank zal, omdat het de intentie is van partijen in hoger beroep gebruik te maken van het project ouderschapsonderzoek, de hoofdverblijfplaats van de kinderen niet wijzigen, maar aansluiten bij hun feitelijke verblijfplaats. Vooralsnog is niet aannemelijk dat de huidige situatie zo in strijd met de belangen van de kinderen is, dat daarin verandering moet worden gebracht. Dat betekent dat de hoofdverblijfplaats van [kind 1] bij de vrouw zal worden bepaald en de hoofdverblijfplaats van de vier andere kinderen bij de man. De rechtbank merkt hierbij op dat de twee bij het gezin betrokken gezinsvoogden - indien zij het nodig achten voor één of meer kinderen - vooruitlopend op het ouderschapsonderzoek de door hun noodzakelijk geachte maatregelen kunnen nemen ten aanzien van de verblijfplaats van de kinderen.

Ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, althans de contact- en zorgregeling met de niet-verzorgende ouder, gaat de rechtbank ervan uit dat partijen deze regeling in overleg met de gezinsvoogden vorm zullen geven. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de zorgregeling in overleg mede met Bureau Jeugdzorg zal plaatsvinden.

echtelijke woning

Zowel de man als de vrouw hebben gevraagd om het voortgezet gebruik van de echtelijke woning.

De rechtbank overweegt het volgende. Nu ten aanzien van vier van de vijf kinderen zal worden bepaald dat zij hun hoofdverblijfplaats bij de man hebben, en nu de vrouw samen met [kind 1] vooralsnog bij haar huidige partner terecht kan, zal de rechtbank bepalen dat aan de man het voortgezet gebruik van de echtelijke woning na de ontbinding van het huwelijk toekomt.

gebruiksvergoeding

De vrouw heeft de rechtbank gevraagd een gebruiksvergoeding ten laste van de man vast te stellen van € 500,-- per maand, indien de rechtbank beslist om het voortgezet gebruik van de echtelijke woning aan de man toe te wijzen.

Gelet op de omstandigheid dat de man met vier van de vijf kinderen van partijen in de echtelijke woning woont en tevens de omstandigheid in aanmerking nemende dat de man geen inkomen heeft, behoudens het persoonsgebonden budget dat ten behoeve van de zorg voor [kind 2] dient te worden aangewend, en nu er bovendien in de woning naar alle waarschijnlijkheid niet veel overwaarde zit (zodat niet kan worden gezegd dat de man zoals door de vrouw is gesteld ‘op het vermogen van de vrouw zit waarover zij niet kan beschikken’), ziet de rechtbank geen aanleiding om een gebruiksvergoeding vast te stellen. Dit verzoek zal dan ook worden afgewezen.

kinder- en partneralimentatie

De man heeft gevraagd als bijdrage ten behoeve van de kinderen een bedrag van € 350,-- per kind per maand vast te stellen ten laste van de vrouw vermeerderd met de kinderbijslag en een bedrag van € 1.500,-- per maand als bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud.

De man heeft gesteld dat hij niet in staat is om in zijn levensonderhoud te voorzien. De man verwijst hiertoe naar de aangifte IB 2007. Volgens de man heeft hij in 2008 in het geheel geen inkomen gerealiseerd. Bovendien heeft de man vóór 2007 altijd minder verdiend dan de vrouw omdat hij de zorg had voor de kinderen, aldus de man.

kinderalimenatie

De vrouw heeft gesteld dat zij - indien de rechtbank zal bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijf bij de man hebben - bereid is een bijdrage ten behoeve van de kinderen te betalen maar dat zij daartoe geen draagkracht heeft. Uitgaande van een netto gezinsinkomen van € 3.000,-- per maand (het inkomen dat de vrouw genereerde omdat de man niet verdiende) dient de behoefte van de kinderen, volgens de vrouw, te worden bepaald op € 200,-- per kind per maand.

De man heeft het door de vrouw genoemde netto gezinsinkomen en dientengevolge de door de vrouw gestelde behoefte weersproken. Volgens de man was het netto gezinsinkomen ten tijde van de samenleving beduidend hoger. Bovendien hebben partijen, volgens de man ingeteerd op vermogen.

De rechtbank zal uitgaan van een netto gezinsinkomen van € 3.000,-- - zijnde het inkomen dat de vrouw genereerde nu vast staat dat de man niet werkte. De behoefte van de kinderen dient op grond daarvan, gelet op de van toepassing zijnde Nibudnormen te worden bepaald op

€ 200,-- per kind per maand.

De rechtbank zal een onderzoek naar de draagkracht van de vrouw instellen met inachtneming van een behoefte van € 200,-- per kind per maand, alvorens de door de man gestelde behoefte aan een bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud te onderzoeken. De rechtbank zal daarbij de kosten van [kind 1] meenemen bij de berekening van de draagkrachtruimte hoewel hij bij de vrouw woont. Dit omdat de rechtbank over alle kinderen de resterende draagkrachtruimte wil verdelen. Dit betekent dat inzake de bijstandsnorm rekening wordt gehouden met de norm voor een alleenstaande. De resterende draagkrachtruimte zal worden gedeeld door vijf.

draagkracht

inkomen

Op grond van de salarisspecificaties over de maanden juli en augustus 2009 genereert de vrouw, gebaseerd op een diensverband van 90%, een bruto maandsalaris van € 3.996,-- per maand, exclusief vakantietoeslag. Hoewel de vrouw stelt dat zij vanwege de recessie met ingang van 1september 2009 tijdelijk 10% minder werkt waarmee zij thans € 3.596,40 bruto per maand genereert, heeft zij haar stelling niet nader onderbouwd. De rechtbank neemt als uitgangspunt dan ook een bruto maandsalaris van € 3.996,--, exclusief vakantietoeslag.

woonlasten echtelijke woning

De hypotheekrente bedraagt € 1.114,-- per maand, deze wordt door de vrouw betaald en de rechtbank zal hiermee rekening houden.

bijdrage woonlast nieuwe partner

De partner van de vrouw betaalt aan hypotheekrente een bedrag van € 1.143,53 per maand en een bedrag aan levensverzekering van € 86,88 per maand. Rekening houdend met het fiscale voordeel dat de partner van de vrouw heeft in verband met hypotheekrente-aftrek acht de rechtbank een bijdrage in de woonlasten van de partner van de man van € 350,-- een redelijke woonlast nu als uitgangspunt dient dat rekening wordt gehouden met de helft van de verschuldigde woonlasten. De vrouw heeft daarnaast - door de man weersproken - een bedrag aan huur opgevoerd van € 350,-- per maand voor de huur van een kamer elders omdat zij niet de intentie heeft tot samenwoning. De rechtbank laat deze post buiten beschouwing nu een dergelijke post niet voor dient te gaan op de kinderalimentatie.

premie zorgverzekering

De premie zorgverzekering bedraagt € 119,40 per maand.

kosten omgang

Gelet op het door de gezinsvoogden voorlopig opgestelde schema houdt de rechtbank rekening met kosten omgang van € 172,-- per maand, gebaseerd op een weekeinde per veertien dagen voor 4 kinderen inclusief de helft van de reiskosten, ervan uitgaande dat partijen het halen en brengen delen.

kosten kinderopvang

De rechtbank laat de door de vrouw opgevoerde post kinderopvang voor € 500,-- per maand buiten beschouwing nu niet aannemelijk is geworden dat zij deze kosten ten behoeve van [kind 1] maakt en gelet op de omstandigheid dat de man de eigen kosten van kinderopvang moet betalen.

Het onderzoek naar de draagkracht van de vrouw leidt tot de conclusie dat zij in staat moet worden geacht om met een bedrag van € 137,-- per kind per maand bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen waarbij rekening is gehouden met het fiscale voordeel dat de vrouw geniet. Er resteert geen draagkrachtruimte om tevens een bijdrage te betalen in de kosten van levensonderhoud van de man.

Het vorenstaande betekent dat de rechtbank niet (meer) toekomt aan de beoordeling van de door de man gestelde behoefte aan een bijdrage in de kosten.

Het onderdeel van het verzoek van de man dat ziet op de kinderbijslag zal worden afgewezen nu de instantie die kinderbijslag toekent, daarover beslist.

4. Beslissing

4.1. De rechtbank spreekt uit de echtscheiding tussen partijen.

4.2. De minderjarige kinderen

[kind 2], geboren op [1998],

[kind 3], geboren op [2000],

[kind 4], geboren op [2003] en

[kind 5], geboren op [2005], zullen hun hoofdverblijfplaats bij de man hebben.

4.3. De minderjarige [kind 1] geboren op [1996], zal zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw hebben.

4.4. De zorgregeling dient in overleg met Bureau Jeugdzorg plaats te vinden.

4.5. De rechtbank bepaalt het bedrag dat de vrouw aan de man zal verstrekken als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen [kind 2], [kind 3], [kind 4] en [kind 5] op € 137,-- per kind per maand, met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand en telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

4.6. De man heeft tegenover de vrouw het recht om gedurende zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand in de woning aan de [adres] [woonplaats] te blijven wonen en de bij de woning en tot de inboedel behorende zaken te blijven gebruiken, op voorwaarde dat de man die woning op het ogenblik van inschrijving van deze beschikking bewoont.

4.7. Deze beslissing is tot zover uitvoerbaar bij voorraad, behoudens het gedeelte onder 4.1.

4.8. De rechtbank houdt de behandeling van de zaak met betrekking tot de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden Pro Forma aan tot donderdag 11 februari 2010.

4.9. Het meer of anders verzochte wordt afgewezen.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.W.A. Vonk, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. E.A.L. Klok, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 november 2009.