Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BK3192

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
12-10-2009
Datum publicatie
13-11-2009
Zaaknummer
16-600167-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van één en twintig maanden. Dit voor het in vereniging met een ander telkens opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600167-09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 12 oktober 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1969] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

gedetineerd in het Huis van Bewaring Wolvenplein te Utrecht.

raadsman mr. S. Schuurman, advocaat te Breukelen

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 28 september 2009, waarbij de officier van justitie, mr. F. Rethmeier, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is ter terechtzitting op 13 mei 2009 gewijzigd en is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan medeplegen van handel in harddrugs en voorts het bezit van harddrugs.

3. De voorvragen

Ontvankelijkheid Officier van Justitie

Aan verdachte is onder 3 tenlastegelegd de handel in dan wel het in het bezit hebben van een hoeveelheid cocaïne op 3 augustus 2008. Dit feit vormt een integraal onderdeel van hetgeen aan verdachte reeds onder 1 is tenlastegelegd. Nu zulks zich niet verdraagt met de geest van het in artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht voorgeschrevene, zal de rechtbank het Openbaar Ministerie met betrekking tot het onder 3 tenlastegelegde niet-ontvankelijk verklaren.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft gepleegd hetgeen hem is tenlastegelegd.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank slechts tot een bewezenverklaring kan komen van het onder 1 en 2 tenlastegelegde gedurende de periode van ongeveer 1 jaar.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de handel in cocaïne. Anders dan verdachte is de rechtbank daarbij van oordeel dat verdachte dit heeft gedaan gedurende de gehele ten laste gelegde periode, te weten van 1 januari 2007 tot 13 februari 2009, waarbij vanaf 4 augustus 2008 de medeverdachte, [medeverdachte 1], bij deze handel betrokken is geweest.

De rechtbank baseert zich daarbij op de navolgende bewijsmiddelen:

De bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting dat hij zich - alleen handelend -

gedurende de periode van eind december 2008 tot en met 13 februari 2009 heeft schuldig gemaakt aan handel in cocaïne en voorts op de navolgende getuigenverklaringen waarvan de inhoud hieronder kort en zakelijk is weergegeven.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

[betrokkene 1] heeft tegenover de rechter commissaris verklaard dat hij [verdachte] (de rechtbank begrijpt dat hier en ook hierna [verdachte] bedoeld wordt) kent sedert het voorjaar van 2007 en dat hij toen voor het eerst cocaïne bij hem in [plaats] in de buurt van discotheek [bedrijf] kocht. Vanaf zomer 2008 kocht hij de cocaïne op het huisadres van [verdachte] (de rechtbank begrijpt dat dit in [plaats] was). [medeverdachte 1] (de rechtbank begrijpt dat hier en ook hierna [medeverdachte 1] bedoeld wordt) liet hem wel eens binnen wachten tot [verdachte] er was. Gemiddeld kocht hij vier keer in de maand cocaïne.

[betrokkene 2] is een paar keer met haar vriend [betrokkene 1] mee geweest om drugs te kopen. Zij heeft [betrokkene 1] in mei 2007 leren kennen en is een maand later met hem meegegaan naar [plaats], nabij discotheek [bedrijf] waar zij zag dat [betrokkene 1] drugs kocht van een man die [verdachte] heette. Zij is een keer of tien met [betrokkene 1] mee geweest en hij kocht steeds van diezelfde [verdachte] cocaïne. Zij is ook een keer naar de woning van die [verdachte] op de [straat] in [plaats] geweest. [betrokkene 1] ging gemiddeld om de twee weken cocaïne halen. Meestal gingen ze via de achterdeur de woning in en zij heeft gezien dat als [verdachte] er niet was, dit is ongeveer drie keer gebeurd, de vrouw van [verdachte] dan zelf de cocaïne ergens vandaan pakte en dit verkocht aan [betrokkene 1]. De vrouw liep altijd naar boven om het te halen.

[betrokkene 3] kocht twee jaar lang cocaïne bij [verdachte]. Hij kocht niets anders dan cocaïne en dat was meestal bij discotheek [bedrijf]. Hij is vier à vijf keer bij [verdachte] thuis geweest om drugs te kopen.

[medeverdachte 1] merkte dat [verdachte] zich ergens in 2007 vreemd begon te gedragen. Zij vermoedde dat de mensen aan de deur voor drugs kwamen. Zij heeft ook wel eens een pakje voor [verdachte] moeten afgeven. Het pakje was een vierkant wit pakje en ze snapte heel goed dat er cocaïne in zat. Vanaf augustus 2008 toen [verdachte] werd aangehouden voor het bezit van drugs kreeg zij in de gaten dat [verdachte] drugs verkocht vanuit haar woning.

Verdachte is op 4 augustus 2008 aangehouden voor handel in verdovende middelen.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

Op 13 februari 2009 heeft een observatie plaatsgehad rondom de woning [straat] te [plaats]. Daarbij werd waargenomen dat diverse mensen bij voormelde woning aan de deur kwamen en binnen enkele minuten weer buiten stonden en dat aan de hand van deze waarneming bij verbalisant de indruk ontstond dat vanuit deze woning veelvuldig in verdovende middelen wordt gehandeld. Een aantal van deze bezoekers is aangehouden en heeft een verklaring afgelegd.

[betrokkene 4] heeft de cocaïne die hij bij zich droeg gekregen van [verdachte] (de rechtbank begrijpt: [verdachte]) omdat hij diens huis aan de [straat] te [plaats] heeft opgeknapt.

[betrokkene 5] heeft de zojuist bij hem aangetroffen vier pakjes cocaïne zojuist in [plaats] gekocht van [verdachte].

[betrokkene 1] heeft de bij hem aangetroffen halve gram cocaïne bij [verdachte] in de woning [straat] te [plaats] gekocht en naast [verdachte] was ook diens vrouw aanwezig.

[betrokkene 3] heeft op 13 februari 2009 een halve gram cocaïne gekocht van [verdachte] en [verdachte] met zijn vrouw en twee kinderen waren in de woning aanwezig.

Uit de voorgaande bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte vanaf 1 januari 2007 bezig was met de handel in cocaïne. Daarbij werd telkens op diverse plekken afgesproken. In de loop van de tijd - afgaande op de diverse getuigenverklaringen gaat de rechtbank er van uit dat dit vanaf 4 augustus 2008 is geweest - is verdachte ook vanuit zijn huisadres gaan handelen. Diverse malen is zijn vrouw daarbij aanwezig geweest en zij heeft ook zelf cocaïne verstrekt als verdachte zelf niet thuis was. De intensiteit van de handel lijkt in de loop van de ten laste gelegde periode te zijn toegenomen, waarbij ook de kring van klanten uitgebreider werd.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft gepleegd hetgeen hem onder 1 en 2 is tenlastegelegd, met dien verstande dat

1.

hij in de periode van 1 januari 2007 tot en met 3 augustus 2008 te Utrecht en/of Bunnik alleen en in de periode van 4 augustus 2008 tot en met 13 februari 2009 te

Houten en/of Utrecht tezamen en in vereniging met een ander telkens opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op 13 februari 2009 te Houten tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte - onder meer - op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden met aftrek van de preventieve hechtenis, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft bepleit aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van maximaal 1 jaar.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich in eerste instantie alleen en later samen met zijn partner gedurende in totaal een lange periode systematisch schuldig gemaakt aan handel in harddrugs. Harddrugs zijn schadelijk voor de volksgezondheid. In dit geval wordt de ernst van de feiten versterkt

door enerzijds de lange duur ervan en anderzijds door de omstandigheid dat verkoop van harddrugs deels plaatsvond vanuit de woning waar buiten verdachte en zijn partner ook hun beider kinderen verbleven, terwijl de handel ook in hun aanwezigheid plaatsvond.

Uit de justitiële documentatie betreffende verdachte blijkt dat hij zich niet eerder wegens handel in harddrugs is veroordeeld.

Uit het uitgebrachte voorlichtingsrapport blijkt dat door de reclassering de kans op recidive klein wordt geacht en dat hulp en steun aan verdachte niet nodig wordt geacht.

Teruggave in beslag genomen goederen:

Met betrekking tot de in beslag genomen voorwerpen, te weten die, welke zijn vermeld onder de nummers 13b, 16, 17 en 28 op de als bijlage II aan dit vonnis gehechte lijst van in beslag genomen voorwerpen, zal de rechtbank de teruggave gelasten aan verdachte, bij wie deze voorwerpen in beslag zijn genomen.

Verbeurdverklaring:

De overige op de aan dit vonnis gehechte lijst vermelde in beslag genomen voorwerpen, die aan verdachte toebehoren, zullen worden verbeurd verklaard, aangezien deze voorwerpen geheel of grotendeels door middel van het bewezen verklaarde zijn verkregen, dan wel met

betrekking tot deze voorwerpen het bewezen verklaarde is begaan, dan wel met behulp van deze voorwerpen het bewezen verklaarde is begaan of voorbereid.

Met betrekking tot de in beslaggenomen personenauto, merk Renault, type Laguna, overweegt de rechtbank dat uit verdachtes eigen verklaring op bladzijde 40 van het

PV PL0920/08-012278 kan worden afgeleid dat verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde de eigenaar was van deze auto en voorts deze auto toen gebruikte en dat aldus met behulp van deze auto het bewezen verklaarde is begaan.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 33b en 57 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10 van de Opiumwet.

8. De beslissing

De rechtbank:

Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde:

- verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in zijn vervolging.

Ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde:

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de hierboven onder 5.1 vermelde strafbare feiten oplevert;

- verklaart verdachte strafbaar;

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van ÉÉN EN TWINTIG MAANDEN.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot ZEVEN MAANDEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast de teruggave van de in beslag genomen voorwerpen, te weten die, welke zijn vermeld onder de nummers 13b, 16, 17 en 28 op de als bijlage II aan dit vonnis gehechte lijst van in beslag genomen voorwerpen, aan verdachte.

Verklaart verbeurd de overige op die lijst vermelde voorwerpen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.P. Schotman, voorzitter, mr. D.A.C. Koster en

mr. Y.A.T. Kruijer, rechters, in tegenwoordigheid van F.P.L. van der Lee, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 12 oktober 2009.

Mr. Kruyer is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.