Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BK3138

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
30-10-2009
Datum publicatie
12-11-2009
Zaaknummer
16-500550-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 180 uren. Dit voor verduistering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/500550-05 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 30 oktober 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren [1973] te [geboorteplaats] (Suriname)

wonende te [woonadres], [woonplaats]

raadsman mr. J. Zevenboom, advocaat te Breukelen

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 18 juli 2008 en

16 oktober 2009, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: samen met een ander geldbedragen van zijn werkgever heeft verduisterd;

Feit 2: een sim-kaart van zijn werkgever heeft verduisterd.

3. De beoordeling van het bewijs

3.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

3.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de feiten bewezen kunnen worden geacht maar doet een beroep op psychische overmacht en verzoekt derhalve ontslag van rechtsvervolging.

3.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de verduistering in functie heeft begaan. De rechtbank baseert zich daarbij op het volgende:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de zitting van 16 oktober 2009 , waarin hij zijn verklaring bevestigt die hij heeft afgelegd bij de politie d.d. 19 april 2005 ;

- de aangifte door [aangever 1] namens [bedrijf 1] te [plaats] d.d. 23 februari 2004 van verduistering in dienstbetrekking van in totaal € 174.538,02 .

Ten aanzien van het ten laste gelegde medeplegen overweegt de rechtbank dat zij op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting geen duidelijkheid heeft gekregen omtrent de samenwerking met een ander. Naast de verklaring van verdachte is niet gebleken van objectief steunbewijs waaruit die samenwerking blijkt, zodat verdachte voor dit gedeelte van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken.

Ook de verduistering in functie van de sim-kaart kan wettig en overtuigend bewezen worden. De rechtbank baseert zich daarbij op het volgende:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de zitting van 16 oktober 2009 , waarin hij zijn verklaring bevestigt die hij heeft afgelegd bij de politie d.d. 13 april 2005 ;

- de aangifte door [aangever 1] namens [bedrijf 1] te [plaats] d.d. 23 februari 2004 .

Aan het verweer van de verdediging dat sprake is van psychische overmacht, gaat de rechtbank voorbij. Niet aannemelijk is geworden dat op verdachte dwang werd uitgeoefend, waaraan hij redelijkerwijs geen weerstand kon en hoefde te bieden. Buiten zijn eigen verklaring is er geen objectieve andere verklaring waaruit dit blijkt. De verklaring die zijn echtgenote in dit kader heeft afgelegd heeft enkel betrekking op feiten en omstandigheden van na de ten laste gelegde periode, waardoor deze niet als ondersteuning voor de verklaring van verdachte kan dienen.

3.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op tijdstippen in de periode van 28 november 2003 tot en met 12 januari 2004 te De Meern, gemeente Utrecht, telkens opzettelijk meerdere geldbedragen (tot een totaalbedrag van € 174.538,02), die telkens toebehoorden aan verzekeringsmaatschappij [bedrijf 2] en/of de firma [bedrijf 1], en welke goederen verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als medewerker van de afdeling crediteurenadministratie van de firma [bedrijf 1] onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

2.

op een tijdstip in de periode van 19 oktober 2003 tot en met 14 januari 2004 te

De Meern, gemeente Utrecht, opzettelijk een sim-kaart (telefoonnummer 06-51596520), die toebehoorde aan [bedrijf 1], en welk goed verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als medewerker van de afdeling crediteurenadministratie van de firma [bedrijf 1] onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De strafbaarheid

4.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1: Verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd

Feit 2: Verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft.

4.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5. De strafoplegging

5.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar. De officier van justitie heeft daarnaast een werkstraf gevorderd voor de duur van 180 uur, te vervangen door hechtenis voor de duur van 90 dagen indien de veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht, met aftrek van het voorarrest.

5.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ontslag van rechtsvervolging bepleit.

5.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft in totaal een groot geldbedrag en een sim-kaart verduisterd door misbruik te maken van het vertrouwen dat aan hem als medewerker van de afdeling crediteurenadministratie werd gegeven. De verdachte heeft dit vertrouwen bij zijn werkgever in ernstige mate geschonden.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d.

17 augustus 2009, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Bij de bepaling van de hierna te noemen straf heeft de rechtbank overeenkomstig het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, rekening gehouden met de omstandigheid, dat verdachte op 5 november 2007 is veroordeeld tot een geldboete in verband met overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet en nu opnieuw wordt schuldig verklaard aan misdrijven voor de hierboven genoemde datum gepleegd.

Bovendien heeft de rechtbank bij haar beoordeling betrokken dat, hoewel het onderzoek al in maart 2006 was afgerond, de zaak door de officier van justitie eerst op 18 juli 2008 bij de rechtbank ter berechting is aangebracht. Voor dit lange tijdsverloop is geen afdoende rechtvaardiging gegeven. De rechtbank ziet ook in deze omstandigheid aanleiding om bij haar strafoplegging af te wijken van de straf welke door de officier van justitie is geëist.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van

3 maanden passend is, maar dat deze geheel voorwaardelijk zal worden opgelegd met een proeftijd van 1 jaar. Met deze voorwaardelijke straf wordt beoogd verdachte er van te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank acht de bewezenverklaarde feiten te ernstig om te kunnen volstaan met een voorwaardelijke straf. Aan verdachte zal derhalve tevens een werkstraf worden opgelegd van 180 uur, te vervangen door 90 dagen hechtenis, indien de werkstraf niet naar behoren wordt uitgevoerd, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

6. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63, 321 en 322 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

7. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1: Verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd;

Feit 2: Verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 180 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.P. Schotman, voorzitter, mr. A.G. van Doorn en

mr. V. van Dam, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.A.B. Kleemans, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 30 oktober 2009.

Mr. Van Dam is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.