Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BK3087

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
18-11-2009
Datum publicatie
19-11-2009
Zaaknummer
610687 AC EXPL 09-221 LH
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Werkgever ontslaat werknemer aan het eind van de rechtsgeldig overeengekomen proeftijd, omdat hij voor de functie waarin hij was aangesteld niet geschikt was bevonden. Werknemer vordert schadevergoeding omdat werkgever niet als goed werkgever zou hebben gehandeld.De kantonrechter wijst de vordering af, omdat er in dit geval geen ruimte is voor een rechterlijke toetsing van het oordeel van werkgever dat werknemer niet voldeed. Voor schadeplichtigheid op grond van artikel 7:611 BW is in een geval als dit pas sprake, indien de werkgever vanwege de onevenredigheid tussen de over en weer betrokken belangen in redelijkheid niet tot de uitoefening van de (ontslag)bevoegdheid had kunnen komen. Deze terughoudende toetsing aan de eisen van het goed werkgeverschap komen overeen met die welke in artikel 3:13 lid 2 BW wordt voorgeschreven ter bepaling of van het daar als derde genoemde geval van misbruik van bevoegdheid sprake is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2009-0872

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector kanton

Locatie Amersfoort

zaaknummer: 610687 AC EXPL 09-221 LH

vonnis d.d. 18 november 2009

inzake

[eiser],

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [eiser],

eisende partij,

gemachtigde: mr. A.J.M. Knoef,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Torex Retail B.V.,

gevestigd te Leusden,

verder ook te noemen Torex,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. B.I. van Vugt.

Verloop van de procedure

[eiser] heeft een vordering ingesteld.

Torex heeft geantwoord op de vordering.

[eiser] heeft voor repliek en Torex heeft voor dupliek geconcludeerd.

Hierna is uitspraak bepaald.

De vaststaande feiten

1.1. [eiser] is van 1 mei tot en met 27 juni 2008 als Revenue Accountant in dienst geweest van Torex, tegen een bruto loon van € 3.472,22 per maand (exclusief vakantiebijslag). De arbeidsovereenkomst was aangegaan voor onbepaalde tijd. Partijen zijn schriftelijk een proeftijd van twee maanden overeen gekomen.

1.2. Op vrijdag 27 juni 2008 heeft Torex de arbeidsovereenkomst beëindigd, omdat zij [eiser] voor de functie, waarin hij was aangesteld, niet geschikt vond.

1.3. [eiser] heeft naar aanleiding hiervan aanspraak gemaakt op een schadevergoeding, ter hoogte van twee maanden loon (vermeerderd met vakantiebijslag). Torex was niet bereid tot betaling van een schadevergoeding over te gaan.

De vordering en de standpunten van partijen

2.1. [eiser] vordert de veroordeling van Torex om aan hem te voldoen € 6.944,44 bruto, te vermeerderen met 8% vakantiebijslag, met veroordeling van Torex in de proceskosten.

2.2. [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat Torex heeft gehandeld in strijd met de eisen van het goed werkgeverschap door tot op het laatst van de proeftijd te wachten met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en doordat zij hem niet eerder heeft meegedeeld dat zijn functioneren volgens haar te wensen over liet. [eiser] meent wèl geschikt te zijn voor de functie van Revenue Accountant, maar was in zijn werk afhankelijk van de medewerking van collega’s, die deze niet steeds konden of wilden geven. Doordat [eiser] was uitgenodigd voor een bijeenkomst van 17 juni 2008 waarop zijn persoonlijke doelen (en die van zijn collega’s) werden besproken, alsmede doordat hem daags vóór het ontslag nog was verzocht een maandtrajectkaart voor het openbaar vervoer in de maand juli 2008 aan te schaffen, heeft Torex bij hem de verwachting gewekt dat hij na afloop van de proeftijd in dienst zou blijven. Torex heeft aldus de belangen van [eiser], die alleenstaand ouder is en nu plotseling en onverwacht zonder werk zat, ernstig geschaad.

3. Tortex betwist dat zij bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst tijdens de proeftijd niet als goed werkgever heeft gehandeld. [eiser] heeft voldoende begeleiding en ondersteuning van zijn leidinggevende en collega’s gehad, maar bleek niet geschikt voor de functie van Revenue Accountant. Hij stelde zich bij de vergaring van de voor de uitvoering van zijn taken benodigde gegevens te afwachtend op en was bij het verrichten van calculaties niet voldoende nauwgezet. Hij verscheen herhaaldelijk te laat op het werk en haalde de gemiste tijd niet in. Op 15 mei 2008 heeft hij een deadline laten verlopen. Zijn kennis van Excel was matig. Met [eiser] is besproken dat hij zijn functioneren diende te verbeteren, evenwel zonder voldoende resultaat.

De beoordeling van het geschil

4.1. Niet in geschil is dat de proeftijd rechtsgeldig is overeengekomen en dat Torex binnen de overeengekomen termijn van het beding gebruikt heeft gemaakt door op 27 juni 2008 aan de arbeidsovereenkomst met [eiser] een einde te maken. Torex was dan ook, ingevolge artikel 7:676 Burgerlijk Wetboek (BW), in beginsel bevoegd de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang op te zeggen.

4.2. Onder omstandigheden kan het verlenen (of nemen) van ontslag tijdens de proeftijd leiden tot schadeplichtigheid, indien daarbij is gehandeld in strijd met de verplichting om zich als goed werkgever (of goed werknemer) in de zin van artikel 7:611 BW te gedragen. Partijen twisten over de vraag of Torex in dit geval overeenkomstig de eisen van het goed werkgeverschap heeft gehandeld.

4.3. Indien [eiser] mocht hebben willen betogen dat Torex bij hem het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat hij na afloop van de proeftijd in dienst zou blijven, volgt de kantonrechter hem daarin niet. Uit de enkele uitnodiging voor de bijeenkomst van 17 juni 2008 en het verzoek, nog kort vóór het ontslag gedaan, om voor de maand juli 2008 een maandtrajectkaart te kopen, heeft [eiser] redelijkerwijs niet mogen afleiden dat Torex van het proeftijdbeding geen gebruik zou maken. [eiser] diende er daarentegen, juist gezien dat beding, rekening mee te houden dat hij binnen de proeftijd, op z’n laatst nog op 30 juni 2008, kon worden ontslagen. Dat Torex met het ontslag tot eind juni 2008 heeft gewacht, kan haar niet worden verweten, nu de keerzijde van de strikte begrenzing van de proeftijd is dat de werkgever die gehele periode, in dit geval twee maanden, mag benutten om zich erover te beraden of hij ook na afloop van de proeftijd jegens de werknemer gebonden wil zijn.

4.4. De kern van het geschil heeft betrekking op de beweegredenen die Torex voor het verleende ontslag heeft aangevoerd. De kantonrechter overweegt daaromtrent het volgende. Blijkens de wetsgeschiedenis ligt aan het bepaalde in artikel 7:676 BW de gedachte ten grondslag dat partijen desgewenst de gelegenheid moeten hebben om, alvorens voor de toekomst gebonden te zijn, zich gedurende een - met het oog op de belangen van de werknemer beperkte - periode proefondervindelijk op de hoogte te stellen van elkaars hoedanigheden en van de geschiktheid van de werknemer voor de bedongen arbeid. Partijen zijn het erover eens dat Torex, door [eiser] te ontslaan op grond van haar mening dat hij niet voldeed, haar bevoegdheid om de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang binnen de proeftijd te beëindigen, heeft gebruikt voor het doel waarvoor deze is verleend. Partijen verschillen er slechts over van mening of Torex heeft kunnen concluderen dat [eiser] de geschiktheid voor zijn functie miste.

4.5. De aard van de bevoegdheid van de werkgever om de werknemer tijdens de proeftijd te ontslaan, brengt mee dat een werkgever, die van die bevoegdheid gebruik maakt omdat de werknemer niet over de verlangde vaardigheden of capaciteiten beschikt, eerst dàn op grond van artikel 7:611 BW schadeplichtig wordt indien hij, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang van de werkgever bij de opzegging en het belang van de werknemer dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot uitoefening van die bevoegdheid had kunnen komen. Deze terughoudende toetsing aan de eisen van het goed werkgeverschap in de zin van artikel 7:611 BW komt in een dergelijk geval overeen met die welke in het tweede lid van artikel 3:13 BW wordt voorgeschreven ter bepaling of van het aldaar als derde genoemde geval van misbruik van bevoegdheid sprake is.

4.6. De bedoelde toets brengt mee dat in een geval als het onderhavige, waarin proeftijdontslag wordt verleend op de grond dat de werknemer niet voldoet (en waarin geen sprake is van de bedoeling om de ander te schaden, noch van discriminatie), slechts onder bijzondere omstandigheden van schadeplichtigheid sprake is. Dergelijke bijzondere omstandigheden hebben zich hier niet voorgedaan, zodat aan Torex de vrijheid moet worden gelaten de geschiktheid van [eiser] te beoordelen. Aan de strekking van artikel 7:676 BW zou afbreuk worden gedaan, indien de rechterlijke toetsing van een (aldus gemotiveerd) proeftijdontslag zich in een geval als het onderhavige mede zou uitstrekken tot de vraag of de werkgever op goede gronden heeft gemeend dat de werknemer de geschiktheid voor de functie miste. In het door [eiser] verdedigde, andersluidende standpunt zou de ontslagbescherming, waarop hij zich eerst na het verstrijken van de proeftijd had kunnen beroepen, ook binnen de proeftijd gelding hebben. Dat strookt niet met de bijzondere positie die de proeftijd in ons ontslagrecht inneemt.

4.7. Op grond van het voorgaande is er geen ruimte voor een rechterlijke toetsing van het oordeel van Torex dat [eiser] voor de functie van Revenu Accountant niet geschikt was. Ook indien Torex, zoals [eiser] stelt, haar kritiek op zijn functioneren niet eerder dan op 27 juni 2008 met hem zou hebben besproken, leidt dat niet tot schadeplichtigheid aan de zijde van Torex, omdat uit het goed werkgeverschap niet voortvloeit dat zij [eiser] in de proeftijd tijdig in de gelegenheid diende te stellen zijn functioneren te verbeteren. Torex mocht haar oordeel laten afhangen van de houding die [eiser] eigener beweging, zonder inmenging van anderen, in zijn werk ten toon spreidde.

4.8. Het voorgaande leidt ertoe dat de vordering wordt afgewezen. [eiser] wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de proceskosten.

Beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Torex, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 500,-- aan salaris gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J.M. de Laat, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 18 november 2009.