Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BK3016

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
11-11-2009
Datum publicatie
12-11-2009
Zaaknummer
253042 / HA ZA 08-1611
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid; externe oorzaak faillissement voldoende aannemelijk gemaakt

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 10
Burgerlijk Wetboek Boek 2 248
Burgerlijk Wetboek Boek 2 394
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2010/283
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 253042 / HA ZA 08-1611

Vonnis van 11 november 2009

in de zaak van

MR. JEROEN MARTIJN ROMMES Q.Q.

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Casey Management B.V., Casey Automatisering B.V., Casey Maintenance and Technology B.V. en Casey Group B.V.,

wonende te Houten,

eiser,

advocaat mr. A.J. Kwaaitaal- Robbers,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

wonende te Amsterdam,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te Limmen,

3. [gedaagde sub 3],

wonende te Rotterdam,

gedaagden,

advocaat mr. J.D. van Vlastuin.

Partijen zullen hierna de curator en gedaagden (en afzonderlijk [gedaagde sub 1] [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3]) genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 12 november 2008

- de processen-verbaal van comparitie van 15 januari 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Bij vonnissen van respectievelijk 3 september 2003, 17 september 2003 en 24 december 2003 zijn de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Casey Automatisering B.V., Casey Maintenance and Technology B.V. en Casey Management B.V. failliet verklaard, en is mr. P. van Duijvenvoorde als curator aangesteld. Voormelde vennootschappen zullen hierna worden aangeduid als: CA, CMT en CM.

2.2. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn bestuurders geweest van CA en CMT. Van CM is [gedaagde sub 1] statutair bestuurder geweest.

2.3. Op 2 november 2004 is mr. Van Duijvenvoorde ontslagen als curator van voormelde vennootschappen en is eiser benoemd als opvolgend curator.

2.4. Bij vonnis van 10 augustus 2005 is de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Casey Group B.V. failliet verklaard en is eiser aangesteld als curator. Van deze vennootschap zijn [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] bestuurders geweest.

3. Het geschil

3.1. De curator vordert samengevat - het volgende:

- dat de rechtbank voor recht verklaart dat gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het tekort van de boedels van de door hen bestuurde vennootschappen, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

- dat gedaagden veroordeeld worden als voorschot op de nader vast te stellen schade aan de boedel de in de dagvaarding opgenomen bedragen te betalen;

- dat gedaagden veroordeeld worden in de kosten van het geding.

3.2. Gedaagden voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De rechtbank constateert dat de procedures tegen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] ter gelegenheid van de comparitie van partijen van 15 januari 2009 op verzoek van de curator zijn doorgehaald wegens de faillietverklaring van [gedaagde sub 1] en het bereiken van een schikking met [gedaagde sub 3]. Dit betekent dat thans slechts ter beoordeling staat of de tegen [gedaagde sub 2] ingestelde vordering toewijsbaar is.

4.2. Ter onderbouwing van zijn tegen [gedaagde sub 2] ingestelde vordering heeft de curator aangevoerd dat [gedaagde sub 2] aansprakelijk is voor het volledige tekort van de boedels van de door hem bestuurde vennootschappen op grond van het bepaalde in artikel 2:248 BW, aangezien hij zich schuldig heeft gemaakt aan onbehoorlijk bestuur van deze vennootschappen en het onbehoorlijke bestuur een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement van deze vennootschappen. Volgens de curator is in de door [gedaagde sub 2] bestuurde vennootschappen een gebrekkige administratie gevoerd in de zin van artikel 2:10 BW, alsmede zijn de jaarstukken later gedeponeerd dan voorgeschreven wordt door artikel 2:394 BW.

4.3. Zoals de curator onweersproken heeft gesteld is [gedaagde sub 2] alleen bestuurder geweest van CA en CMT. Dit betekent dat de beoordeling door de rechtbank van het verwijt van onbehoorlijk bestuur aan de zijde van [gedaagde sub 2] zich zal beperken tot deze twee vennootschappen.

4.4. Vaststaat tussen partijen dat CA en CMT hun jaarstukken in de drie jaren voorafgaande aan hun faillietverklaring later hebben gedeponeerd dan vereist is door artikel 2:394 BW. Daarmee staat, op grond van het bepaalde in artikel 2:248 lid 2 BW, vast dat [gedaagde sub 2] zijn taak in zoverre kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld, alsmede wordt vermoed dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement.

4.5. Ten aanzien van de door de vennootschappen gevoerde administratie heeft de curator aangevoerd dat hij slechts een deel van de administratie heeft onder ontvangen, namelijk:

- de jaarrekeningen over 2002

- archiefdozen en orders met bankgegevens over de jaren 2001, 2002 en 2003, alsmede

- een beperkt deel van de grootboekmutaties over 2002.

Volgens de curator ontbreken:

- de jaarrekeningen over de overige jaren

- het overgrote deel van de achterliggende gegevens alsmede

- de volledige administratie van alle vennootschappen over het jaar 2003.

4.6. [gedaagde sub 2] heeft primair als verweer aangevoerd dat de curator de afwezigheid van bepaalde stukken niet aan hem kan tegenwerpen, omdat deze klaarblijkelijk zoekgeraakt zijn bij de vorige curator, mr. Van Duijvenvoorde. Subsidiair stelt [gedaagde sub 2] zich op het standpunt dat de administraties van de vennootschappen hebben voldaan aan het bepaalde in artikel 2:10 BW.

4.7. Naar het oordeel van de rechtbank kan in het onderhavige geval de juistheid van het aan [gedaagde sub 2] gemaakte verwijt van het voeren van een gebrekkige administratie in het midden blijven. Immers, ook indien dit verwijt terecht is, kan dit op grond van hetgeen hierna zal worden overwogen, niet tot toewijzing van de vorderingen jegens [gedaagde sub 2] leiden. In het navolgende zal er daarom veronderstellenderwijze vanuit gegaan worden dat de administraties van CA en CMT niet voldeden aan het bepaalde in artikel 2:10 BW.

4.8. De omstandigheid dat artikel 2:248 lid 2 BW spreekt van een wettelijk vermoeden dat het te laat deponeren en het voeren van een gebrekkige administratie belangrijke oorzaken zijn van het faillissement, impliceert dat de bestuurder dit vermoeden kan ontzenuwen. Volgens de Hoge Raad (arrest van HR 30 november 2007, NJ 2008, 91) is voor het ontzenuwen van dit vermoeden voldoende dat de aangesproken bestuurder aannemelijk maakt dat andere feiten of omstandigheden dan zijn onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest. Stelt de bestuurder daartoe een van buiten komende oorzaak en wordt de bestuurder door de curator verweten dat hij heeft nagelaten het intreden van die oorzaak te voorkomen, dan zal de bestuurder (tevens) feiten en omstandigheden moeten stellen en zo nodig aannemelijk maken waaruit blijkt dat dit nalaten geen onbehoorlijke taakvervulling oplevert. Als hij daarin slaagt, ligt het op de weg van de curator op de voet van art. 2:248 lid 1 BW aannemelijk te maken dat nochtans de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling mede een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest, aldus de Hoge Raad in voormeld arrest.

4.9. [gedaagde sub 2] heeft gesteld dat een van buiten komende oorzaak, en niet zijn onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. Hij heeft in dit kader aangevoerd dat de door hem bestuurde vennootschappen, en de groep waarvan deze vennootschappen deel uitmaakten, werkzaam waren in de ICT-sector en dat deze sector na september 2001 een moeilijke periode heeft doorgemaakt doordat investeringen in die sector werden uitgesteld en veel ondernemingen die in die sector werkzaam waren, failliet gingen. Daardoor werden grote vorderingen oninbaar.

Daarnaast heeft de zogenaamde Harteveld Groep zich eind 2003 teruggetrokken uit een samenwerking die tussen partijen was ontstaan. De Harteveld Groep zou, aldus [gedaagde sub 2], de verkoop van de door de Casey-groep ontwikkelde producten ter hand nemen, waardoor het succes van de groep in hoge mate afhing van de resultaten van die samenwerking.

Voor CMT geldt in aanvulling op deze algemene ontwikkelingen met betrekking tot de Casey-groep dat een belangrijke medewerker in 2001 was overleden, diens opvolger opdrachtgevers van CMT heeft meegenomen naar een eigen onderneming, en CMT er niet in slaagde om op korte termijn voldoende technische en leidinggevende knowhow aan te trekken om nieuwe opdrachten te genereren.

Voor CA geldt dat deze vennootschap werkzaam was op het gebied van IT-detachering en dat de markt daarvoor erg slecht was in de jaren voorafgaande aan het faillissement. Het aantrekken van twee ervaren accountmanagers heeft niet gebaat om de opdrachtportefeuille te verbeteren, aldus [gedaagde sub 2].

4.10. De curator heeft zich tegen dit betoog verweerd met de stelling dat onduidelijk is hoe de beleidswijziging van de Harteveld Groep kan hebben geleid tot het faillissement van de vennootschappen en dat de grond voor de kredietopzegging waarschijnlijk haar oorzaak vond in onbehoorlijk bestuur en een slechte financiële en administratieve organisatie.

4.11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de curator met dit verweer het betoog van [gedaagde sub 2] ten aanzien van de externe oorzaak van de faillissementen van CA en CMT onvoldoende gemotiveerd betwist. De combinatie van de door [gedaagde sub 2] aangevoerde omstandigheden, te weten in het bijzonder een belangrijke terugval in de ICT-branche in 2001 en het terugtreden van een essentiële samenwerkingspartner, kunnen gelden als belangrijke externe oorzaken voor een faillissement. Dit betekent dat [gedaagde sub 2] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat andere feiten of omstandigheden dan zijn onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest.

4.12. De curator heeft vervolgens niet - zoals door de Hoge Raad in het arrest van 30 november 2007 wordt geëist - (voldoende onderbouwd) gesteld dat [gedaagde sub 2] heeft nagelaten het intreden van die externe oorzaak te voorkomen, noch (voldoende onderbouwd) gesteld dat de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling mede een belangrijke oorzaak was van het faillissement. Nu hij dit heeft nagelaten, moet de conclusie zijn dat niet geoordeeld kan worden dat kennelijk onbehoorlijk bestuur van [gedaagde sub 2] een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement van de door hem bestuurde vennootschappen, zodat hij op die grond niet aansprakelijk kan worden gehouden voor het tekort van de boedels van die vennootschappen. De daartoe strekkende vorderingen dienen dan ook - voor zover deze op deze grond zijn ingesteld - te worden afgewezen.

4.13. Daarnaast heeft de curator aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat [gedaagde sub 2] onrechtmatig jegens de crediteuren heeft gehandeld door het doen van selectieve betalingen kort voor het faillissement van de vennootschappen.

4.14. Ook de juistheid van deze stelling kan naar het oordeel van de rechtbank in het midden blijven. Zo al sprake zou zijn van een onrechtmatige daad van [gedaagde sub 2] op dit punt, dan leidt dit er alleen toe dat hij de door deze selectieve betalingen geleden schade moet vergoeden. De door de curator ingestelde vorderingen strekken daar evenwel niet toe, maar enkel tot aansprakelijkheid voor het boedeltekort, en het betalen van een voorschot op het te verwachten boedeltekort. Dit betekent dat de vorderingen ook op deze grond niet toewijsbaar zijn.

4.15. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de curator voor de onderbouwing van zijn stelling met betrekking tot de selectieve betalingen heeft volstaan met een verwijzing naar de volledige aanwezige administratie van de betreffende vennootschappen, die hij als productie 13 in geding heeft gebracht. Hij heeft nagelaten aan te geven welk deel van deze zeer omvangrijke productie (een pak papier van bijna 4 centimeter dik) strekt ter onderbouwing van welk deel van de door hem gestelde selectieve betalingen. Daartoe is hij op grond van vaste rechtspraak van de Hoge Raad (vgl. Hoge Raad 23 november 1992, NJ 1992, 814) wel gehouden. Ook op deze grond zou een vordering met betrekking tot de gestelde selectieve betalingen niet toewijsbaar zijn geweest.

4.16. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de tegen [gedaagde sub 2] ingestelde vorderingen van de curator dienen te worden afgewezen.

4.17. De curator zal als de in het ongelijk gestelde partij in de door [gedaagde sub 2] gemaakte proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten worden begroot op:

- vast recht EUR 382,67 (1/3x EUR 1.148,00)

- salaris advocaat 1.720,00 (2,0 punten × 1/3 × tarief EUR 2.580,00)

Totaal EUR 2.085,47

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt de curator in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde sub 2] tot op heden begroot op EUR 2.085,47,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. van Rens en in het openbaar uitgesproken op 11 november 2009.? WV