Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BK2992

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
11-11-2009
Datum publicatie
12-11-2009
Zaaknummer
258648 / HA ZA 08-2426
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schending bemiddelingsovereenkomst door tussenpersoon. In een dossier heeft tussenpersoon opzettelijk onjuiste voorstelling van zaken gegeven over financiele situatie van client. In ander dossier heeft tussenpersoon de identificatie-verplichtingen uit de bemiddelingsovereenkomst niet nageleefd. Bovendien heeft tussenpersoon in strijd met bemiddelingsovereenkomst gebruik gemaakt van onderbemiddelaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 258648 / HA ZA 08-2426

Vonnis van 11 november 2009

in de zaak van

de naamloze vennootschap

SNS BANK,

gevestigd te Utrecht,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. E.W. Bosch,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HYPOTHEKEN MIDDEN NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Utrecht,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. J.J. Degenaar.

Eiser in conventie zal hierna SNS genoemd worden. Gedaagden in conventie zullen gezamenlijk HMN c.s. genoemd worden, terwijl gedaagde sub 1 met HMN en gedaagde sub 2 met [gedaagde sub 2] zal worden aangeduid.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 27 mei 2009

- het proces-verbaal van comparitie van 28 augustus 2009

- de akte overlegging producties aan de zijde van HMN c.s.

- de akte overlegging producties aan de zijde van SNS.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. SNS is een kredietinstelling in de zin van de Wet op het financieel toezicht (Wft). Bij het aanbieden van haar bancaire producten, waaronder hypothecaire geldleningen, werkt zij onder meer samen met zelfstandige tussenpersonen. HMN is een assurantiebemiddelaar en financieel adviesbureau. [gedaagde sub 2] is via de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Llexis Beheer B.V. directeur en enig aandeelhouder van HMN.

2.2. SNS en HMN hebben op 15 juni 2006 een Bemiddelingsovereenkomst Hypotheken SNS Bank gesloten (hierna: de bemiddelingsovereenkomst). Door SNS is de bemiddelingsovereenkomst op 15 januari 2008 beëindigd. In de bemiddelingsovereenkomst is, onder meer, opgenomen:

"Artikel 3. Voorlichting

(…)

3. De Bemiddelaar verplicht zich jegens de Bank voorafgaande aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake een financieel product aan de Consument die informatie te verstrekken die redelijkerwijs noodzakelijk is voor een adequate beoordeling van het product. (…)

Artikel 4. Identificatie Consument

Ter voldoening aan de wettelijke verplichting en ter voorkoming van fraude dient de identiteit van de Consument te worden vastgesteld. De Bank, voorzover de Bemiddelaar op grond van wettelijke bepalingen verplicht is tot identificatie van de Consument, verleent hierbij volmacht aan de Bemiddelaar om namens haar deze identificatie uit te voeren;

1. De Bemiddelaar verplicht zich om handtekening en identiteit van de Consument zorgvuldig te controleren aan de hand van een geldig origineel legitimatiebewijs met inachtneming van de daartoe door de Bank gegeven instructies;

2. De Bemiddelaar verstrekt de Bank een kopie van bovenbedoeld legitimatiebewijs dat door de Bemiddelaar voor conformiteit met het origineel wordt getekend."

2.3. Op 22 november 2005 heeft HMN een hypothecaire geldlening aangevraagd ten behoeve van mevrouw [A] (hierna: [A]). Op 28 december 2005 heeft SNS een offerte uitgebracht. [A] heeft de offerte getekend aan SNS geretourneerd. Voor zover van belang is het volgende in de offerte opgenomen:

"Eigen middelen: Uitgangspunt bij deze offerte is dat u een bedrag van € 7.524,00 zult inbrengen aan eigen middelen. Dit bedrag wordt aangewend als storting in een beleggingsdepot. (…)

Bijzondere bepalingen

(…) Deze offerte betreft maatwerk en is gebaseerd op uw specifieke inkomens- en vermogenspositie. Aantonen eigen vermogen van minimaal E 8.524,-. (…)"

2.4. Door [A] is aan SNS een rekeningoverzicht van de Rabobank overgelegd, waaruit bleek dat op 30 december 2005 een bedrag van € 7.524,00 op haar rekening was overgemaakt. Daarnaast was op deze rekening een debetstand van maximaal € 1.000,00 toegestaan.

2.5. Op 6 februari 2006 is de hypotheekakte verleden in verband met de lening van

€ 185.460,00 van SNS aan [A]. Het recht van hypotheek werd gevestigd op het appartementsrecht van een door haar gekochte woning. Rentebetalingen werden door [A] onregelmatig gedaan en zijn op een gegeven moment gestopt. Op 14 juni 2006 is door SNS de totaal verschuldigde hypotheeksom opgeëist. De woning is uiteindelijk op 17 maart 2008 onderhands verkocht. De vordering van SNS op [A] kon niet geheel door de verkoopopbrengsten worden voldaan.

2.6. Op 23 januari 2007 heeft SNS een offerte voor een hypothecaire lening uitgebracht voor een bedrag van € 305.000,00 aan de heer [B] (hierna: [B]). Na ontvangst van de door SNS gevraagde werkgeversverklaring en taxatierapport heeft SNS de hypothecaire lening verstrekt. De hypotheekakte werd op 9 februari 2007 gepasseerd. Vanwege achterstanden in de maandelijkse termijnbetalingen is uiteindelijk de woning via een veiling verkocht. Ook hierbij waren de verkoopopbrengsten onvoldoende om de vordering van SNS te kunnen voldoen.

2.7. Later is gebleken dat met de werkgeversverklaring van [B] gefraudeerd is. De heer [C] laat op 30 maart 2007 aan de SNS onder meer het volgende weten:

"De heer [B] is niet bekend bij ons. Hij heeft nooit bij ons gewerkt. Ik ken hem niet. De heer

[B] vervalst loonstrook met ons bedrijfsnaam erop om hypotheek bij uw bank te verkrijgen. Hierbij verzoek ik u namens mij aangifte tegen [B] in te dienen wegens valsheid in geschrift".

Ook het taxatierapport blijkt vervalst te zijn. SNS heeft hierover op 18 mei 2007 aangifte gedaan bij het Fraude Meldpunt West van Justitie.

2.8. SNS heeft conservatoir derdenbeslag doen leggen onder elf verzekerings-maatschappijen dan wel financiële dienstverleners waarmee HMN een relatie heeft.

3. Het geschil

in conventie

3.1. SNS vordert, na eisvermeerdering en eiswijziging, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. HMN veroordeelt:

a) tot betaling aan SNS van de door haar geleden schade van € 222.585,11;

b) tot betaling aan SNS van de wettelijke rente van het onder a) gevorderde bedrag vanaf 5 mei 2008, subsidiair vanaf de datum van de dagvaarding, tot aan de dag van algehele betaling;

c) in de kosten van het beslag, te vermeerderen met de wettelijke rente van de dag van het vonnis tot aan de dag van algehele betaling;

2. HMN c.s. hoofdelijk, des dat de ene betalende de ander bevrijdt, veroordeelt:

d) tot betaling aan SNS van de door haar geleden schade van € 27.703,21;

e) tot betaling aan SNS van de wettelijke rente over het onder d) gevorderde bedrag vanaf 5 mei 2008, subsidiair vanaf de datum van de dagvaarding, tot aan de dag van algehele betaling;

f) tot betaling aan SNS van de gemaakte onderzoekskosten vastgesteld op € 3.500,00;

3. HMN c.s. hoofdelijk, des dat de ene betalende de ander bevrijdt, veroordeelt in de kosten van deze procedure alsmede in de kosten om dit vonnis ten uitvoer te leggen.

3.2. HMN c.s. voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.3. HMN c.s. vordert samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad SNS veroordeelt:

1. tot betaling aan HMN van de door haar geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

2. om binnen een week na betekening van het in deze te wijze vonnis de derden-beslagenen, onder wie SNS derdenbeslag heeft gelegd, schriftelijk te berichten dat HMN geen betrokkenheid heeft bij frauduleuze handelingen bij kredietaanvragen in- gediend bij SNS, onder verbeurte van een dwangsom;

3. in de kosten van deze procedure.

3.4. SNS voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. SNS stelt dat zowel bij de hypotheekaanvraag ten behoeve van [A] als die van [B] onrechtmatig dan wel frauduleus is gehandeld. Voor de schade die daardoor voor SNS is ontstaan, houdt SNS HMN c.s. aansprakelijk op grond van onrechtmatig handelen. De rechtbank zal eerst de stellingen van partijen beoordelen inzake het handelen van HMN c.s. met betrekking tot het dossier [A] en vervolgens met betrekking tot het dossier [B].

[A]

4.2. Door [gedaagde sub 2] is ter zitting erkend dat hij op 30 december 2005 van de rekening van HMN een bedrag van € 7.524,00 heeft overgemaakt naar de Raborekening van [A], zodat [A] aan SNS een rekeningafschrift kon tonen waaruit zou blijken dat zij over de vereiste middelen beschikte. Op 31 januari 2006 heeft [A] het bedrag van

€ 7.524,00 weer teruggestort naar de rekening van HMN.

De rechtbank constateert dat hierdoor HMN c.s. opzettelijk een onjuiste voorstelling van zaken aan SNS heeft gegeven, op grond waarvan SNS met [A] een overeenkomst is aangegaan. Door SNS is ook gesteld dat zij de hypothecaire lening niet zou hebben verstrekt indien [A] niet aan die gestelde voorwaarde in de offerte zou hebben voldaan.

De rechtbank acht het handelen van [gedaagde sub 2] uiterst laakbaar nu juist de eisen die aan een bemiddelaar worden gesteld er mede toe dienen om inzicht te verkrijgen voor zowel de geldverstrekker als de geldlener, naar de omvang van de te lopen risico's ter voorkoming van het aangaan van onverantwoorde financiële transacties.

4.3. Het verweer van [gedaagde sub 2], dat een dergelijke eis door SNS nog nooit was gesteld, het niet zo veel uitmaakt of [A] tijdelijk dit bedrag van HMN heeft geleend en het tonen van een saldo op een rekeningafschrift niets zegt over de eigen middelen van [A], maakt dit niet anders. Het staat SNS in beginsel als private contractspartij vrij, de voorwaarden te stellen waaronder zij bereid is een hypothecaire geldlening te verstrekken. Ook heeft [gedaagde sub 2] zijn bedenkingen tegen de door SNS gestelde eis inzake de aanwezigheid van een bedrag aan eigen vermogen niet bespreekbaar gemaakt met SNS. Hierdoor heeft hij SNS de mogelijkheid ontnomen om nog eens naar de gestelde eis te kijken en te bespreken of wellicht op een andere wijze aan de gestelde eis invulling kon worden gegeven. Uit de stellingen van [gedaagde sub 2] maakt de rechtbank op dat dit wellicht tot de mogelijkheden had behoord nu [A], volgens [gedaagde sub 2], beschikte over een auto en twee effectendepots. Dit alles heeft [gedaagde sub 2] niet gedaan, maar hij heeft, onder de paraplu van HMN, zijn mond gehouden en heeft een bedrag van € 7.524,00 tijdelijk geparkeerd op de rekening van [A] met geen ander doel dan om te kunnen voldoen aan de eis die SNS in de offerte had gesteld. Dit klemt temeer nu [gedaagde sub 2] ter zitting ook nog heeft verklaard nooit rechtstreeks contact te hebben gehad met [A] en dus ook helemaal geen eigen inzicht had in de financiële situatie van [A].

Het voorgaande betekent dat [gedaagde sub 2] in strijd heeft gehandeld met hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betamelijk is en derhalve onrechtmatig jegens SNS heeft gehandeld. Gelet op het erkende opzettelijke karakter van dit handelen staat de toerekenbaarheid daarvan eveneens vast. Ook staat vast dat SNS schade heeft geleden. Hierop wordt hierna nog nader ingegaan.

4.4. SNS houdt naast [gedaagde sub 2] ook HMN aansprakelijk voor het handelen van [gedaagde sub 2] op grond van artikel 6:170 BW dan wel op grond van artikel 6:171 BW. De rechtbank stelt vast dat het handelen van [gedaagde sub 2] kan worden beschouwd als werkzaamheden die in het kader van de bedrijfsuitoefening van HMN zijn verricht. HMN heeft geen inzicht gegeven in de (ondergeschiktheids-)relatie tussen HMN en [gedaagde sub 2], maar louter gewezen op het feit dan [gedaagde sub 2] alleen maar bestuurder zou zijn.

[gedaagde sub 2] heeft ter zitting erkend dat hij naast het bestuur van HMN ook actief klanten bediende en eigen dossiers behandelde. Zoals uit het voorgaande blijkt staat ook in rechte vast dat het [gedaagde sub 2] is geweest die het geld van HMN naar de rekening van [A] had overgemaakt. De rechtbank acht HMN aansprakelijk op grond van artikel 6:171 BW, nu in ieder geval kan worden vastgesteld dat tussen HMN en [gedaagde sub 2] een opdrachtrelatie heeft bestaan.

[B]

4.5. Tussen partijen staat vast dat de heer [D], dan wel via zijn onderneming All Finance (hierna gezamenlijk in enkelvoud: [D]), [B] bij HMN heeft aangebracht. Over de kwalificatie van de relatie tussen HMN en [D] ten tijde van het aanbrengen van het dossier [B] heeft HMN tegenstrijdige standpunten ingenomen. Zoals uit het hiernavolgende zal blijken is deze kwalificatie voor de beoordeling van aansprakelijkheid van HMN niet relevant, zodat dit in het midden kan blijven.

4.6. Ten aanzien van [B] geldt dat HMN op grond van de bemiddelingsovereenkomst jegens SNS gehouden was om de identiteit van de consument vast te stellen, de consument te informeren, informatie van de consument te vergaren en een inkomenstoets uit te voeren.

Uit de door SNS, niet door HMN weersproken, overgelegde brief van 8 juli 2008 van de advocaat van [B], blijkt dat [B] een 24-jarige voltijds student is, leeft van € 408,00 per maand aan studiefinanciering en € 186,00 per week bijverdient in een restaurant, ontkent dat hij een woning heeft gekocht dan wel zijn medewerking daaraan heeft verleend en ontkent een koopovereenkomst te hebben getekend. Alles lijkt erop te wijzen dat [B] slachtoffer is geworden van frauduleus handelen en oplichtingspraktijken van derden in welk kader een strafrechtelijk onderzoek is opgestart.

4.7. Gebleken is dat HMN zelf geen contact met [B] heeft gehad, maar dat de contacten louter via [D] zijn verlopen. De stelling van HMN dat zij [D] op de hoogte had gesteld van de eisen die SNS aan haar stelde bij het aanbrengen van klanten, acht de rechtbank niet relevant. Ook ontslaat een en ander HMN niet van haar eigen verplichtingen jegens SNS. Van enig toezicht op [D] of hij aan de door SNS aan HMN opgelegde verplichtingen heeft voldaan is niet gebleken. Integendeel, HMN heeft verklaard inhoudelijk niets met het dossier [B] van doen te hebben gehad, en uitsluitend het dossier [B] onder haar naam bij SNS te hebben aangebracht. Dit is des te ernstiger nu door HMN een bedrijfsstempel heeft gezet op een kopie van het paspoort van [B] dat naar SNS is verzonden, met de geparafeerde vermelding "origineel gezien", zonder dat HMN c.s. het originele paspoort had gezien. Door deze werkwijze is HMN ernstig tekortgeschoten in de verplichtingen die in de bemiddelingsovereenkomst zijn opgenomen.

4.8. In het bijzonder heeft HMN niet voldaan aan de verplichting van artikel 4 van de bemiddelingsovereenkomst ter zake de identificatie van, in dit geval, [B]. Zoals door SNS terecht naar voren is gebracht, volgt uit artikel 3:64 BW in samenhang gelezen artikel 4 van de bemiddelingsovereenkomst, dat HMN geen bevoegdheid toekwam om als gevolmachtigde de aan haar gegeven volmacht inzake de identificatieverplichtingen aan [D], kennelijk als onderbemiddelaar, te verlenen. Geen van de in artikel 3:64 BW genoemde gevallen doet zich immers hier voor. Het verweer van HMN c.s. dat onderbemiddeling niet was uitgesloten in de bemiddelingsovereenkomst faalt derhalve.

Het enkele verweer van HMN dat SNS bekend was dat HMN werkte met onderbemiddelaars, hetgeen uitdrukkelijk door SNS wordt ontkend, kan naar het oordeel van de rechtbank in het midden blijven. Zelfs indien veronderstellenderwijs ervan wordt uitgegaan dat SNS bekend was met het feit dat HMN onderbemiddelaars inschakelde, doet dit niets af aan de verplichting van HMN om aan de eisen die de bemiddelingsovereenkomst stelt ten aanzien van identificatie en informatie bij het aanbrengen van cliënten bij SNS, hoe dan ook te voldoen.

4.9. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat HMN ernstig is tekort geschoten in de nakoming van bemiddelingsovereenkomst en zij daardoor de fraudeurs uitdrukkelijk in de kaart heeft gespeeld. De daarmee in verband staande schade van SNS komt in beginsel voor vergoeding door HMN in aanmerking. De rechtbank zal hierna ingaan op de schade die SNS stelt geleden te hebben in relatie tot de dossiers [A] en [B].

In het kader van de aansprakelijkheidsvraag heeft HMN nog naar voren gebracht dat ook in het geval HMN niet het originele paspoort zou hebben gezien en de door haar aan SNS overgelegde gestempelde kopie van het afschrift niet overeenkomt met het origineel, haar geen verwijt treft. Immers, op het moment van het verlijden van de hypotheekakte was de notaris ook verplicht de identiteit van [B] vast te stellen en is dat kennelijk niet goed gebeurd. Juist is dat het zeer opmerkelijk is dat ook door de notaris kennelijk ernstige fouten zijn gemaakt in het vaststellen van de identiteit van [B]. Wat hier ook van zij, het disculpeert HMN jegens SNS niet in het verzaken van haar eigen verplichtingen jegens SNS onder de bemiddelingsovereenkomst.

Schade [A]

4.10. SNS vordert als schade een bedrag van € 27.703,21, zijnde het resterende bedrag van de vordering van SNS op [A], dat niet door de verkoop van de woning, de verkoop van aan haar verpande effectendepots en door verrekening van de door [A] aangehouden spaarrekening kon worden gedekt. HMN c.s. stelt primair dat het causale verband tussen de overboeking van HMN en het niet nakomen door [A] van de verplichtingen uit de hypothecaire geldleningsovereenkomst ontbreekt. Zoals uit het voorgaande blijkt deelt de rechtbank deze opvatting van HMN c.s. niet. Immers, indien [gedaagde sub 2] geen onjuiste voorstelling van zaken had gegeven over de financiële positie van [A], dan had SNS de hypothecaire geldlening niet aan [A] verstrekt en was SNS niet geconfronteerd geweest met de schade die zij stelt thans geleden te hebben. De rechtbank merkt op dat SNS voldoende de mogelijkheid tot schade aannemelijk heeft gemaakt.

4.11. Door HMN c.s. zijn diverse bezwaren geuit tegen de schadeopstelling van SNS. Een aantal daarvan zijn ter zitting besproken en hebben een vervolg gekregen doordat de rechtbank in overleg met beide partijen SNS heeft toegestaan alsnog het betalingsoverzicht inzake het dossier [A] (en [B]) te overleggen, zodat SNS daarmee het door HMN c.s. gevraagde inzicht in het betalingsverloop van [A] heeft verschaft. Uit het overzicht blijkt, zoals ook door SNS ter zitting is betoogd, dat opeising op 14 juni 2006 heeft plaatsgevonden en dat op zichzelf er wel enige bedragen zijn afgelost. Het bezwaar dat HMN c.s. heeft gemaakt tegen het maar laten oplopen van de betalingsachterstanden door de woning eerst op 17 maart 2008 te verkopen, is door SNS ter zitting onweersproken weerlegd door te stellen dat besloten is tot een onderhandse verkoop omdat dit meer opbrengt dan een veilingverkoop. SNS heeft, eveneens onweersproken, naar voren gebracht dat het inderdaad juist is dat het aantal achterstandstermijnen oploopt, maar dat dit wordt goedgemaakt door een hogere opbrengst vanwege de onderhandse verkoop.

4.12. Ter zitting is door SNS verklaard dat de afdeling bijzonder beheer nog bezig is om gelden van [A] te achterhalen. SNS zal in de gelegenheid worden gesteld om bij akte hierover meer inzicht te verschaffen zodat beoordeeld kan worden in hoeverre de door SNS achterhaalde bedragen op het gevorderde schadebedrag in mindering dienen te worden gebracht. Voorts is door HMN c.s. gesteld dat [A] op enig moment haar inkomen uit arbeid is verloren en dat in een dergelijke situatie een uitkering van € 350,00 per maand zou plaatsvinden, zo blijkt uit de door HMN c.s. overgelegde geaccepteerde aanvraag SNS Woonlastenverzekering. Ook hierover dient SNS nader inzicht te verschaffen. Daarnaast dient SNS het opgevoerde bedrag van € 23.402,50 aan rente en kosten nader te specificeren, nu door HMN c.s. naar voren is gebracht dat zij daardoor niet in staat is om vast te stellen welk bedrag aan rente openstond. HMN c.s. zal vervolgens op de door SNS genomen akte kunnen reageren.

Schade [B]

4.13. Voor het dossier [B] geldt eveneens dat SNS in voldoende mate de mogelijkheid tot schade aannemelijk heeft gemaakt. Ook ten aanzien van de schadeopstelling inzake [B] heeft HMN een aantal bezwaren geuit. Ook hier heeft HMN gewezen op het feit dat SNS de achterstanden te lang op haar beloop heeft gelaten waardoor de schade alleen maar is toegenomen. Uit het naderhand overgelegde betalingsoverzicht blijkt inderdaad dat [B] geen enkele termijn heeft betaald. De rechtbank is van oordeel dat SNS onvoldoende inzicht heeft gegeven waarom het executietraject zo lang heeft geduurd. SNS zal derhalve in de gelegenheid worden gesteld om bij akte hierover nader inzicht te verschaffen. Tevens zal SNS het opgevoerde bedrag van € 21.109,44 aan rente en kosten nader dienen te specificeren. Voorts dient SNS inzicht te verschaffen wat de consequenties zijn voor haar schadeopstelling van de in de hypothecaire geldleningsovereenkomst genoemde verpanding van de rechten uit een levensverzekering van [B] bij Winterthur verzekeringen. Tot slot dient SNS zich uit te laten over de invloed van het door HMN genoemde depotbedrag van € 20.000,00 op de schadeopstelling van SNS. HMN zal vervolgens op de door SNS genomen akte kunnen reageren.

in reconventie

4.14. De vordering in reconventie van HMN c.s. ziet op de schade die HMN c.s. gesteld geleden te hebben door de in haar ogen onterecht gelegde beslagen. Daarnaast zou SNS de goede naam van HMN bij de derden-beslagenen hebben geschaad door de indruk te wekken dat HMN zich bij het aanvragen van kredieten met frauduleuze handelingen zou hebben ingelaten.

4.15. Uit de beoordeling in conventie volgt dat HMN c.s. onrechtmatig heeft gehandeld en in beginsel aansprakelijk is voor de schade die SNS daardoor heeft geleden. Dit betekent dat geen sprake is van een situatie waarin onrechtmatige beslaglegging heeft plaatsgevonden. Anders dan HMN c.s. stelt volgt niet uit het verzoek tot het leggen van de conservatoire derdenbeslagen dat HMN c.s. zich zelf met frauduleuze handelingen zou hebben ingelaten. Wel wordt, net als in de dagvaarding, melding gemaakt van het tekortschieten van HMN in met name de controleverplichtingen die op grond van de bemiddelingsovereenkomst op haar rusten. Nu HMN c.s. geen andere gronden aanvoert waaruit het wekken van die door HMN c.s. gestelde indruk heeft kunnen ontstaan, wordt ook dit deel van de vordering afgewezen.

in conventie en reconventie

4.16. Door HMN c.s. is ter zitting verzocht tussentijds hoger beroep open te stellen in het geval er een tussenvonnis zal worden gewezen. Dit is het geval. Uit artikel 337 Rv volgt dat hoger beroep van andere tussenvonnissen dan die waarbij een voorlopige voorziening wordt getroffen of geweigerd, hetgeen hier niet het geval is, slechts openstaat voor tussentijds hoger beroep indien de rechter dit bepaalt. De rechtbank constateert dat het verzoek van HMN c.s. tot het openstellen van tussentijds hoger beroep niet door haar is gemotiveerd. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding om van de hoofdregel van artikel 337 lid 2 Rv af te wijken. Het oneens zijn met de in dit tussenvonnis genomen beslissing acht de rechtbank geen omstandigheid die het openstellen van tussentijds hoger beroep in het onderhavige geval rechtvaardigt. Het verzoek wordt derhalve afgewezen.

4.17. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie en reconventie

5.1. De rechtbank verwijst de zaak naar de rol van woensdag 9 december 2009 voor het nemen van een akte, door SNS als eerste, waarbij SNS zich dienen uit te laten over hetgeen in de rechtsoverwegingen 4.12 en 4.13 is vermeld;

5.2. iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

Dit vonnis is gewezen door mr. Ch.E. Bethlem en in het openbaar uitgesproken op

11 november 2009.?