Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BK2694

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
30-10-2009
Datum publicatie
09-11-2009
Zaaknummer
16/604184-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beslissing onthouding kennisneming processtukken van geluidsopnamen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2010, 41

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer(s): 16/604184-08

Rolnummer: RK09/1674

Datum uitspraak: 30 oktober 2009

Beslissing op bezwaarschrift ex artikel 32 Wetboek van Strafvordering

De arrondissementsrechtbank te Utrecht, in raadkamer vergaderd;

Gelet op het bezwaarschrift onthouding kennisneming van processtukken als bedoeld in artikel 32 van het Wetboek van Strafvordering d.d. 20 oktober 2009 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

domicilie kiezende ten kantore van zijn raadsvrouw: [adres].

De rechtbank heeft d.d. 29 oktober 2009 het bezwaarschrift behandeld ter gelegenheid waarvan de officier van justitie en de raadsvrouw mr. M. Hoekzema zijn gehoord.

Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de volgende geluidsopnamen aan de verdediging ter beschikking dienen te worden gesteld en niet kan worden volstaan met het beluisteren van deze geluidsopnamen bij de politie of het openbaar ministerie.

Het betreft de volgende geluidsopnamen:

- de opname van de aangifte van [aangeefster] d.d. 26 juni 2008;

- de opname van twee telefoongesprekken op 11 mei 2008 tussen de moeder van aangeefster, [naam moeder], en verdachte;

- de opnamen van de verhoren van verdachte bij de politie d.d. 22 en 23 september 2008.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft meegedeeld in raadkamer dat voornoemde opnamen zijn te beschouwen als processtukken in de zin van artikel 30 van het Wetboek van Strafvordering. Tevens heeft het openbaar ministerie – weliswaar niet schriftelijk – maar impliciet geweigerd om deze processtukken aan de raadsvrouw te verstrekken.

Ten aanzien van de opnamen van de verhoren van verdachte zal het openbaar ministerie thans alsnog deze verstrekken.

Ten aanzien van de andere geluidsopnamen wegen de belangen van het slachtoffer zwaarder dan de belangen van de verdediging om een kopie van die opnamen te verstrekken. De rechten van de verdediging worden voldoende gecompenseerd door de verdediging de

mogelijkheid te geven om bedoelde geluidsopnamen al dan niet in aanwezigheid van verdachte bij de politie af te luisteren.

De rechtbank overweegt als volgt:

Nu de officier van justitie in raadkamer heeft bevestigd dat voornoemde geluidsopnamen als processtukken kunnen worden beschouwd in de zin van artikel 30 van het Wetboek van Strafvordering, zal de rechtbank dit als gegeven aannemen.

Voorts heeft de officier van justitie bevestigd dat sprake is geweest van een ‘impliciete’ weigering voornoemde stukken aan de raadsvrouw te verstrekken en dat het bezwaarschrift, na het telefonisch onderhoud tussen officier van justitie en raadsvrouw d.d. 20 oktober 2009, tijdig is ingediend.

De rechtbank volgt daarin het standpunt van de officier van justitie en is van oordeel dat verdachte ontvankelijk is in zijn bezwaarschrift.

Nu de officier van justitie heeft toegezegd dat de geluidsopnamen van de verhoren van verdachte d.d. 22 en 23 september 2008 alsnog aan de raadsvrouwe zullen worden verstrekt, is naar het oordeel van de rechtbank in strafvorderlijke zin op dit punt thans geen belang meer aanwezig en kan dit onderdeel onbesproken blijven.

De rechtbank stelt allereerst vast dat de wet aan verdachte het recht toekent om van processtukken kennis te nemen en verdachte op grond van artikel 34 van het Wetboek van Strafvordering een afschrift kan ontvangen. Echter, dit is gezien de jurisprudentie van de Hoge Raad op dit punt geen ongeclausuleerd recht.

De rechtbank is van oordeel dat omstandigheden gelegen in het specifieke geval kunnen maken dat aan de verdediging geen afschrift, dan wel een kopie van audio-(of video-)

materiaal wordt verstrekt. De rechtbank zal telkenmale moeten afwegen in hoeverre de geboden wijze van kennisname als genoegzaam kan gelden. Naast het belang van het onderzoek en de belangen van de verdediging dienen daarbij naar het oordeel van de rechtbank ook de eventuele belangen van derden worden betrokken.

In het onderhavige geval heeft de raadsvrouw een kopie gevraagd van een geluidsopname van het getuigenverhoor van een 18-jarige aangeefster. Gedurende dit verhoor heeft aangeefster onder meer verklaard over intieme seksuele handelingen die verdachte tegen haar wil met haar zou hebben verricht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft zij gezien deze omstandigheden vanuit het in artikel 8 EVRM gegarandeerde recht op eerbiediging van haar persoonlijke levenssfeer een gerechtvaardigd belang dat de bandopnamen, waarop naast voormelde bijzonder privacygevoelige informatie ook haar stemgeluid, niet verder worden verspreid dan strikt noodzakelijk. De rechtbank merkt daarbij op dat verspreiding van een geluidsband met daarop de stem (of de beeltenis) van een bepaalde persoon in het algemeen als een meer indringende, want verdergaande, wijze van inbreuk op de persoonlijke levenssfeer wordt ervaren, dan de openbaarmaking van een tekst op papier. In zedenzaken kan daarbij in het bijzonder ook meespelen dat het voor aangevers extra belastend kan zijn dat bepaalde aspecten van hun persoonlijkheid, zoals hun stem en/of afbeelding, ook fysiek in handen komen van de verdachte.

De rechtbank merkt daarbij op dat ook het EHRM meermalen heeft benadrukt dat de bijzondere positie van onder meer aangevers van zedenmisdrijven, alsook artikel 8 EVRM met zich kan brengen dat zekere beperkingen aan de rechten van de verdediging worden gesteld. In deze gevallen zullen dan wel zo veel mogelijk compensatoire maatregelen moeten worden getroffen om het eventuele daardoor ontstane nadeel zoveel mogelijk te neutraliseren.

In dit licht constateert de rechtbank dat de verdediging een uitgewerkte tekst van het verhoor van de getuige op schrift heeft ontvangen, alsook dat de verdediging meermalen in de gelegenheid is gesteld de juistheid van deze uitwerking te controleren door de bandopname zelf te beluisteren. De rechtbank merkt daarbij op dat het daarbij gaat om één, niet bijzonder lang verhoor, dat bovendien geheel in de Nederlandse taal heeft plaatsgevonden. Het nadeel dat de raadsvrouw derhalve zal ondervinden van het niet op haar kantoor kunnen beluisteren van de geluidsopname is daardoor beperkt. Ook de verdere omstandigheden waaronder de raadsvrouw de band zal kunnen afluisteren, waarbij op voorhand door de officier van justitie geen restricties zijn gesteld aan bijvoorbeeld het aantal malen dat de band zal kunnen worden beluisterd, maken het door de raadsvrouw kennisnemen van de band op een andere locatie dan haar kantoor niet bijzonder bezwarend.

Aangezien de raadsvrouw van verdachte kantoor houdt te Utrecht en in die plaats ook de banden kunnen worden uitgeluisterd behoeft de door de raadsvrouw eveneens aangesneden kwestie van de niet-vergoeding van de extra reistijd en reiskosten van de raadsvrouw naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval geen nadere bespreking.

Gezien bovenstaande feiten en omstandigheden is de rechtbank dan ook van oordeel dat, hoewel het bij de politie c.q. het parket uitluisteren van de geluidsopname voor de raadsvrouw enige extra belasting met zich zal brengen, deze extra belasting in het onderhavige geval niet opweegt tegen het hiervoor weergegeven belang van de aangeefster dat haar persoonlijke levenssfeer zo veel mogelijk wordt geëerbiedigd. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de door de officier van justitie aan de verdediging geboden wijze van kennisname van de geluidsopname van het betreffende verhoor in het onderhavige geval dient te worden aangemerkt als (een voldoende genoegzame wijze van) kennisname als bedoeld in de artikelen 30 en 31 van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank zal op het punt van de geluidsopname van het verhoor van aangeefster het bezwaarschrift ongegrond verklaren.

Ten aanzien van de geluidsopnamen, inhoudende twee telefoongesprekken op 11 mei 2008 tussen de moeder van aangeefster, [moeder aangeefster], en verdachte is naar het oordeel van de rechtbank het belang van aangeefster in veel mindere mate aan de orde. Bovendien bevatten deze opnamen, waarbij de rechtbank acht heeft geslagen op het proces-verbaal waarin de gesprekken woordelijk zijn uitgewerkt, met name verklaringen van verdachte zelf. Om die reden is het verstrekken van een kopie van deze geluidsopnamen naar het oordeel van de rechtbank niet aan restricties gebonden.

De rechtbank zal op het punt van voornoemde geluidsopname het bezwaarschrift gegrond verklaren.

Beslissing

Verklaart het bezwaarschrift ongegrond met betrekking tot de geluidsopname van het verhoor van aangeefster d.d. 26 juni 2008;

Verklaart het bezwaarschrift gegrond met betrekking tot de geluidsopnamen inhoudende twee telefoongesprekken op 11 mei 2008 tussen de moeder van aangeefster en verdachte;

Beveelt dat de officier van justitie binnen twee weken na deze beslissing aan de raadsvrouwe een kopie van laatstgenoemde geluidsopnamen verstrekt.

Aldus gedaan te Utrecht op 30 oktober 2009 door mrs. A. Kuijer, voorzitter,

Z.J. Oosting en I. Bruna, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. van Beek als griffier.

Deze beslissing is door mr. Z.J. Oosting en de griffier ondertekend.