Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BK2137

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
04-11-2009
Datum publicatie
05-11-2009
Zaaknummer
264299 / HA ZA 09-680
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gevorderd wordt verwijdering van een balkon en vensters in een gevel die binnen twee meter van een erfgrens staat. Vordering verwijdering balkon afgewezen omdat erfdienstbaarheid van overbouw is gevestigd. Vordering tot verwijdering vensters afgewezen, wel blindering van de vensters toegewezen. Beroep op verjaring afgewezen omdat de verjaringstermijn nog niet is gaan lopen ten aanzien van vensters in door brand verwoest gebouw. Pas na herbouw sprake van situatie als bedoeld in art. 5:50 BW. Geen misbruik van bevoegdheid door beroep op 5:50 BW, ookal is het deel van het perceel van eisers waarop de vensters uitkijken een braak liggend stuk grond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2009, 200

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 264299 / HA ZA 09-680

Vonnis van 4 november 2009

in de zaak van

1. [eiseres sub1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiseres sub2],

wonende te [woonplaats],

eiseressen,

advocaat mr. P.A.W. Eskens,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde],

gevestigd te [vestigingsplaats],

gedaagde,

advocaat mr. J.A. Huijgen.

Partijen zullen hierna [eiseressen] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 27 mei 2009

- het proces-verbaal van comparitie van 30 september 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiseressen] is eigenaresse van een gedeelte van het oorspronkelijke landgoed [landgoed] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [gemeente], [nummer]. [gedaagde] is eigenaresse van het aangrenzende gedeelte van het landgoed [landgoed], kadastraal bekend gemeente [gemeente], [nummers], waarop zich een koetshuis bevindt waarvan de zuidmuur grenst aan het perceel van [eiseressen]

2.2. Het genoemde koetshuis is in 1976 getroffen door een brand waarbij de kapverdieping volledig is afgebrand. Na de brand is het koetshuis gedurende geruime tijd verwaarloosd en niet bewoond geweest. In 2007 is, nadat hiervoor een bouw- en monumentenvergunning was verkregen, begonnen met de restauratie van het koetshuis.

2.3. Bij verkoop en levering van een deel van het landgoed op 16 mei 1978 is in de notariële akte onder meer het volgende bepaald:

‘…ten behoeve van het bij deze verkochte en ten laste van het perceel kadastraal bekend gemeente [gemeente] [nummer], wordt gevestigd:

(a) een erfdienstbaarheid van overbouw en onderbouw voor wat betreft het afgebrande bouwhuis en er aan vastzittende muur lopende in westelijke richting,

(b) een erfdienstbaarheid van licht, uit te oefenen door de bestaande vensters in de zuidmuur van het bouwhuis. De ramen zullen van ondoorzichtig glas worden voorzien tot de hoogte van twee meter.’

3. Het geschil

3.1. [eiseressen] vordert samengevat - een bevel aan [gedaagde] om het balkon en de vensters weg te halen uit de zuidelijke gevel van het koesthuis, althans het balkon weg te halen en de vensters te blinderen onder verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.

3.2. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [eiseressen] legt aan haar vordering ten grondslag dat zij geen toestemming heeft gegeven aan [gedaagde] voor het aanbrengen van het balkon en de vensters. Zij stelt dat het aanbrengen van het balkon en de vensters in strijd is met artikel 5:50 BW.

4.2. Ten aanzien van de vensters overweegt de rechtbank als volgt. [gedaagde] voert aan dat de vordering van [eiseressen] tot verwijdering van de vensters verjaard is. Zij verwijst daarbij naar de artikelen 3:306 en 3:314 BW op grond waarvan opheffing van een onrechtmatige toestand na verloop van twintig jaren nadat de onrechtmatige toestand is aangevangen en opheffing daarvan had kunnen worden gevraagd, niet meer kan worden gevorderd. Volgens [gedaagde] heeft het koetshuis met de drie ramen er al sinds 1978, het moment van splitsing van het landgoed waardoor het koetshuis en het belendend perceel in verschillende handen kwamen, gestaan en begon op dat moment de onrechtmatige toestand, voorzover aanwezig, waartegen nu geageerd wordt.

4.3. De rechtbank verwerpt het beroep van [gedaagde] op verjaring. Gezien het feit dat het koetshuis bij de brand in 1976 blijkens de overgelegde foto’s grotendeels verwoest was en onbewoonbaar was, is totdat het koetshuis door de restauratie bewoonbaar is geworden, geen sprake geweest van de aanwezigheid van vensters als bedoeld in artikel 5:50 BW. De oude kozijnen in de muren die nog overeind stonden kunnen niet worden aangemerkt als vensters in de zin van artikel 5:50 BW. Er kon tot de restauratie dan ook geen sprake zijn van een uitzicht (als bedoeld in het genoemde artikel) waardoor de privacy, die artikel 5:50 BW beoogt te beschermen, in het geding was. Er was tot die tijd dan ook geen sprake van een onrechtmatige toestand waarvan [eiseressen] eerder opheffing had moeten of kunnen vragen.

4.4. In het hierboven onder 2.4 opgenomen deel van de notariële akte is ten aanzien van vensters in de zuidmuur bepaald dat deze tot een hoogte van twee meter van ondoorzichtig glas zouden moeten worden voorzien. [gedaagde] heeft in haar conclusie van antwoord erkend dat wanneer de rechtbank een beroep op verjaring zou verwerpen, de onderste ramen in de zuidmuur tot een hoogte van twee meter ondoorzichtig moeten worden gemaakt. De rechtbank zal het deel van de vordering dat ziet op het ondoorzichtig maken van de vensters toewijzen tot een hoogte van twee meter. De meer verstrekkende vordering tot verwijdering van de vensters zal, gezien het verleende recht van erfdienstbaarheid alsmede het bepaalde in artikel 5:51 BW, niet worden toegewezen.

4.5. Ten aanzien van het balkon overweegt de rechtbank als volgt. In de akte van levering uit 1978 is een erfdienstbaarheid van overbouw verleend aan de eigenaar van het (toen nog verwoeste) koetshuis. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat de bedoeling van partijen bij het opstellen van de akte was dat het koetshuis zou worden gerenoveerd en dat daarom de erfdienstbaarheid van overbouw moet worden gezien als toestemming in de zin van artikel 5:50 BW. [eiseressen] voert aan dat het recht van erfdienstbaarheid van overbouw niet impliceert dat toestemming in de zin van artikel 5:50 BW gegeven is en dat hooguit bedoeld is om toestemming te geven voor de aanleg van een brandtrap. De rechtbank is van oordeel dat ook wanneer deze uitleg gevolgd wordt dit meebrengt dat uitzicht op haar perceel toegestaan is. Een brandtrap is immers alleen functioneel als deze toegankelijk is en dat betekent dat ook wanneer in de akte uit 1978 bedoeld was een brandtrap toe te staan, daarmee toegang tot de brandtrap werd toegestaan en werd toegestaan dat er uitzicht vanaf de brandtrap was op het perceel van [eiseressen] Zoals [gedaagde] met juistheid heeft aangevoerd, is er in de akte van levering geen beperking aan de mate of vorm van de overbouw opgenomen. De rechtbank zal gezien het bovenstaande het deel van de vordering dat ziet op het weghalen van het balkon, afwijzen.

4.6. [gedaagde] heeft nog aangevoerd dat [eiseressen] geen belang heeft bij haar vordering omdat artikel 5:50 BW de privacy van een eigenaar van onroerend goed beschermt en, gezien het feit dat het dienend erf een braak liggend stuk grond betreft, van aantasting van de privacy van [eiseressen] geen sprake is. [gedaagde] heeft aangevoerd dat haar belang bij het handhaven van de bestaande situatie groot is vanwege de kosten die met aanpassing gepaard gaan en vanwege het aangezicht van het koetshuis. Ter comparitie heeft [eiseressen] hiertegen ingebracht dat zij zich over haar hele perceel in privacy wil kunnen bewegen en bovendien de oude moestuin, die oorspronkelijk naast het koetshuis lag, weer in gebruik wil nemen.

De rechtbank is van oordeel dat het enkele feit dat een dienend erf een braak liggend stuk grond is, niet meebrengt dat de eigenaar geen belang heeft bij een vordering in de zin van artikel 5:50 BW. Een beroep op misbruik van bevoegdheid bij de uitoefening van artikel 5:50 BW kan enkel slagen wanneer in een enkel geval de regeling als absurd of bijzonder kwellend moet worden aangevoeld. De rechtbank is van oordeel dat niet is gesteld of gebleken dat de kosten van het ondoorzichtig maken van de ramen zo hoog zijn dat dat dient te leiden tot het oordeel dat [eiseressen] misbruik van haar bevoegheid maakt. Het aangezicht van het koetshuis wordt anders dan het nu is wanneer de bedoelde ramen ondoorzichtig worden gemaakt, maar dit aangezicht kan vanaf het perceel van [gedaagde] niet of nauwelijks worden gezien, waardoor niet kan worden aangenomen dat [gedaagde] een zodanig belang heeft bij het handhaven van het huidige aangezicht dat hiervoor het belang van [eiseressen] moet wijken.

4.7. Ten aanzien van de gevorderde dwangsom oordeelt de rechtbank als volgt. [gedaagde] heeft zich bereid verklaard vrijwillig de veroordeling na te komen. Redelijkerwijs mag verwacht worden dat zij zich daaraan zal houden. Dit brengt mee dat oplegging van een dwangsom achterwege kan blijven.

4.8. [eiseressen] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- vast recht 262,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.166,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. gebiedt [gedaagde] om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis de vensters tot een hoogte van twee meter ondoorzichtig te maken,

5.2. veroordeelt [eiseressen] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op EUR 1.166,00,

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door M.S. Koppert-van Beek en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2009.?

MSK