Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BK1800

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
30-10-2009
Datum publicatie
30-10-2009
Zaaknummer
656836 AE VERZ 09-804
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Werknemer verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst gedurende de opzegtermijn. Werkgever had dienstverband al opgezegd na verkregen ontslagvergunning. Het verzoek is uitslutiend ingediend met als doel een vergoeding te krijgen. De mondelinge behandeling vond plaats op 29 oktober 2009. Het dienstverband eindigde door opzegging per 1 november 2009. Door het korte tijdbestek tussen behandeling en beschikking ( 1 dag) was het niet mogelijk om aanvullende informatie te krijgen in verband met het 'habe-nichts-Habe-wenig- verweer van de werkgever. Het om deze reden toekennen van een vergoeding aan werknemer doet geen recht aan de zaak. Verzoek wordt afgewezen. Werknemer heeft mogelijkheid procedure ex 7:681 BW nog.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2009-0823

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector kanton

Locatie Amersfoort

zaaknummer: 656836 AE VERZ 09-804 IV

beschikking d.d. 30 oktober 2009

inzake

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [verzoekster],

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. W.G.M.M. van Montfort,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Salto Reintegratie B.V.,

gevestigd te Amersfoort,

verder ook te noemen Salto,

verwerende partij,

gemachtigde: mr. W.H. Morselt.

1. Het verloop van de procedure

1.1. [verzoekster] heeft op 25 september 2009 een verzoekschrift ingediend.

Salto heeft een verweerschrift ingediend.

Het verzoek is ter zitting van 29 oktober 2009 behandeld.

Kort voor de zitting hebben beide partijen nog diverse stukken ingediend.

[verzoekster] is verschenen, vergezeld door haar raadsman voornoemd.

Salto is verschenen, vertegenwoordigd door haar directeur de heer [directeur] en haar raadsman. Van de mondelinge behandeling is aantekening gehouden.

Hierna is uitspraak bepaald.

2. De feiten

2.1. [verzoekster], geboren op [1951], is op 1 maart 2002 in dienst van Salto getreden als counselor. Het laatstgenoten brutoloon bedraagt € 4.683,92 per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag.

2.2. Salto heeft voor 29 werknemers ontslagvergunning aangevraagd op grond van bedrijfseconomische omstandigheden. Deze ontslagvergunning is verleend op 11 september 2009.

2.3. Salto heeft de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] bij brief van 14 september 2009 opgezegd per 1 november 2009.

3. Het verzoek en het verweer

3.1. [verzoekster] verzoekt de kantonrechter om nog voor het einde van de opzegtermijn de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens gewichtige redenen, gelegen in verandering van omstandigheden, onder toekenning van een vergoeding van € 63.233,00. [verzoekster] is van mening dat zij, op grond van het bepaalde in artikel 7:685 BW te allen tijde ontvankelijk is in haar ontbindingsverzoek.

3.2. Het is [verzoekster] bekend dat kantonrechters verschillend oordelen over de vraag of een werknemer gedurende de opzegtermijn een ontbindingsverzoek kan indienen, uitsluitend met als doel om een vergoeding te krijgen. Voor zover [verzoekster] wel ontvankelijk is, is zij van mening aanspraak te kunnen maken op een vergoeding. De oorzaak van het vervallen van haar arbeidsplaats komt voor rekening en risico van Salto. Mede vanwege haar leeftijd en specialistische opleiding is de arbeidsmarktpositie van [verzoekster] niet rooskleurig. [verzoekster] is kostwinner en heeft twee studerende kinderen. Omdat [verzoekster] als ZZP-er haar werkzaamheden zal dienen voort te zetten en als beginnend ondernemer zal dienen te investeren, heeft zij belang bij spoedige duidelijkheid. Een procedure ex artikel 7:681 BW biedt [verzoekster] op dit moment dan ook geen soelaas.

3.3. Salto stelt op de eerste plaats dat geen sprake is van wijziging van omstandigheden, die thans spoedig tot een einde van de arbeidsovereenkomst moeten leiden. Het dienstverband eindigt immers al per 1 november 2009 door opzegging. Nu de mondelinge behandeling op 29 oktober 2009 heeft plaats gevonden heeft de kantonrechter slechts één dag om te beslissen op het verzoek. Op de tweede plaats beroept Salto zich op de Habe-nichts-Habe-wenig-exceptie. Toekenning van een vergoeding leidt mogelijk tot het faillissement en het daardoor vervallen van de nog bestaande 149 arbeidsplaatsen. Ook wijst Salto op de mogelijke precedentenwerking van het toekennen van een vergoeding.

4. De beoordeling

4.1. Allereerst is ter beoordeling de vraag of er sprake is van gewijzigde omstandigheden die de ontbinding van de arbeidsovereenkomst nog vóór 1 november 2009 rechtvaardigen.

4.2. Naar het oordeel van de kantonrechter staat het [verzoekster] vrij om aan haar verzoek dezelfde omstandigheden ten grondslag te leggen als Salto aan de aanvraag tot verlening van een ontslagvergunning heeft gelegd. Vast staat dat partijen het er over eens zijn dat de arbeidsovereenkomst moet eindigen. [verzoekster] kiest echter een andere weg dan Salto, namelijk die via de ontbindingsprocedure bij de kantonrechter, omdat zij van mening is dat aan haar een vergoeding dient te worden toegekend. Daarnaast heeft [verzoekster] de mogelijkheid om op grond van het bepaalde in artikel 7:681 BW een vergoeding te vorderen. Deze procedure is met meer waarborgen omkleedt dan de onderhavige procedure. Dit laat onverlet dat [verzoekster] tevens in de onderhavige procedure toekenning van een vergoeding kan verzoeken.

4.3. Toewijzing van het verzoek van [verzoekster] is alleen zinvol, indien aan haar een vergoeding wordt toegekend.

4.4. Salto heeft in dit verband aangevoerd dat er, gelet op de financiële situatie, geen ruimte is voor betaling van een vergoeding. Zij heeft deze stelling onderbouwd door - kort voorafgaande aan de mondelinge behandeling - een groot aantal stukken over te leggen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoekster] gesteld dat de door Salto overgelegde bedrijfseconomische en financiële stukken tardief zijn. Zij heeft dan ook bepleit om deze stukken buiten beschouwing te laten. Voor het geval dit verweer wordt gepasseerd, heeft [verzoekster] bepleit dat de overgelegde stukken geen aanleiding vormen om aan te nemen dat Salto geen enkele financiële ruimte heeft. Salto heeft op haar beurt de ernst van de financiële situatie toegelicht aan de hand van de overgelegde stukken.

4.5. Wat er verder ook van deze uiteenlopende standpunten zij, een beschikking in een procedure op grond van artikel 7:685 BW wordt in de regel gewezen op een termijn van drie weken. Deze termijn is nodig om een zaak op al haar merites te kunnen beoordelen. Nu de arbeidsrelatie tussen partijen eindigt op 1 november 2009, heeft [verzoekster] belang bij een uitspraak op een uitzonderlijk korte termijn, te weten één dag.

4.6. Dit korte tijdbestek heeft tot gevolg dat het niet mogelijk is om een volledig en juist beeld te vormen van de (ernst van de) financiële situatie van Salto. Teneinde een weloverwogen oordeel te kunnen vormen over de actuele financiële positie van Salto en de prognose op korte en middellange termijn, heeft de kantonrechter behoefte aan nadere informatie, onder meer van de accountant van Salto. Het opvragen van deze aanvullende informatie is echter, vanwege het korte tijdbestek waarop deze beschikking gewezen moet worden, niet mogelijk. De stelling van [verzoekster] inhoudende dat nu Salto het Habe-nichts-Habe-wenig-verweer onvoldoende heeft onderbouwd, dit ten voordele van [verzoekster] uitgelegd moet worden, wordt verworpen. Naar het oordeel van de kantonrechter doet een geforceerde beslissing ten faveure van [verzoekster] geen recht aan de zaak. Bovendien is het niet uit te sluiten dat het toekennen van een vergoeding aan [verzoekster], precedentenwerking zal hebben. Evenmin kan worden uitgesloten dat het toekennen van de verzochte vergoeding nadelige gevolgen kan hebben voor een of meerdere arbeidsplaatsen bij Salto. Al deze, nu nog onderbelichte, aspecten kunnen wel uitgebreid aan de orde komen in een eventuele 7:681 BW-procedure.

4.7. Nu er geen vergoeding wordt toegekend, heeft [verzoekster] geen belang meer bij toewijzing van de verzochte ontbinding.

4.8. Gelet op de aard van de procedure worden de proceskosten gecompenseerd.

5. De beslissing

De kantonrechter:

5.1. wijst het verzoek af;

5.2. bepaalt dat elke partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. I.M. Vanwersch, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2009.