Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BK1598

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
30-10-2009
Datum publicatie
30-10-2009
Zaaknummer
272995 / JE RK 09-2115.
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2010:BM2916, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zaak 14-jarige zeilster die van is de wereld rond te zeilen. De rechtbank spreekt een ondertoezichtstelling uit tot juli 2010. Deze ondertoezichtstelling is bedoeld om te bewaken en te controleren dat Laura niet aan haar zeilreis begint wanneer dat niet verantwoord is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2009, 507

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

Zaaknummer / rekestnummer: 272995 / JE RK 09-2115

Ondertoezichtstelling

Beschikking van de meervoudige kamer van de rechtbank Utrecht van 30 oktober 2009 met betrekking tot de minderjarige:

[kind], geboren te [woonplaats], Nieuw Zeeland, op [1995]

kind van

[de vader], wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. P.A. de Lange,

en

[de moeder], wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de moeder.

1. Verloop van de procedure

Op 28 augustus 2009 en 8 september 2009 heeft de rechtbank in deze zaak eerdere beschikkingen gegeven. Voor het verloop van de procedure tot 8 september 2009 wordt verwezen naar die beschikkingen.

Daarna heeft de rechtbank de volgende stukken ontvangen:

- een verslag van de uitvoering van de voorlopige ondertoezichtstelling van Bureau Jeugdzorg van 14 oktober 2009;

- het rapport van de deskundige mevrouw drs. S.A. Moonen, gezondheidszorgpsycholoog, van 15 oktober 2009;

- het voorlopige rapport van de Raad voor de Kinderbescherming, vestiging Utrecht (hierna te noemen: de Raad) van 16 oktober 2009 en het definitieve rapport van 21 oktober 2009;

- een fax met bijlagen van mr. De Lange van 26 oktober 2009.

De behandeling is voortgezet op de zitting met gesloten deuren van 26 oktober 2009. Daar zijn verschenen:

- [kind], de vader en mr. De Lange;

- de moeder;

- mevrouw A. van Duffelen en mevrouw R. Bogers, namens de Raad;

- mevrouw H.C.L. Greuters, de heer R. Weijers en de heer P. Bolink, namens Bureau Jeugdzorg;

- als toehoorder: de heer [X], partner van de moeder.

2. Beoordeling

korte samenvatting van het voorafgaande

2.1. De ouders van [kind] zijn gescheiden in 2002. [kind] woont sindsdien bij de vader en haar jongere zusje woont bij de moeder. De ouders hebben samen het gezag.

[kind] is geboren terwijl haar ouders een zeiltocht rond de wereld maakten. [kind] zelf heeft jong leren zeilen. Zij heeft de wens opgevat om alleen een zeiltocht rond de wereld te maken.

2.2. De Raad ziet in het voornemen om de zeiltocht te maken ernstige risico’s voor [kind] zelf en haar ontwikkeling. Daarom heeft de Raad primair verzocht om het gezag van de ouders te schorsen en [kind] onder voorlopige voogdij te stellen. Subsidiair (voor het geval het primaire verzoek zou worden afgewezen) heeft de Raad gevraagd om [kind] (voorlopig) onder toezicht te stellen en om een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen.

2.3. In de beschikking van 28 augustus 2009 heeft de rechtbank het verzoek om voorlopige voogdij en om een machtiging tot uithuisplaatsing afgewezen en heeft zij [kind] voorlopig onder toezicht gesteld. Het verzoek om een definitieve ondertoezichtstelling (voor de duur van een jaar) is aangehouden. De rechtbank heeft een deskundige benoemd voor een psychologisch onderzoek naar [kind] en daarnaast heeft de Raad onderzoek gedaan.

uitgangspunt van de beoordeling

2.4. Het gaat bij de beoordeling van het verzoek van de Raad om de vraag of, in de woorden van de wet (artikel 1:254 van het Burgerlijk Wetboek) de zedelijke of geestelijke belangen of de gezondheid van [kind] ernstig worden bedreigd als zij begint aan haar voorgenomen solozeiltocht rond de wereld en zo ja, of deze ontwikkelingsbedreiging niet anders dan door middel van een ondertoezichtstelling kan worden afgewend. In het geval een ondertoezichtstelling het geëigende middel blijkt te zijn, ligt aan de rechtbank de vraag voor wat het doel van deze maatregel moet zijn.

2.5. Voor de beoordeling van deze vragen baseert de rechtbank zich op het onderzoek dat de Raad heeft gedaan, waarbij de Raad gebruik heeft gemaakt van de kennis van een ervaren zeiler. Daarnaast baseert de rechtbank zich op de bevindingen van de door de haar aangezochte deskundige, de psychologe mevrouw drs. Moonen, en op wat [kind], de advocaat, haar vader en moeder ter zitting naar voren hebben gebracht.

2.6 De Raad heeft, mede op grond van de bevindingen van de psychologe, zes punten van zorg aan zijn verzoek ten grondslag gelegd die hierna zullen worden besproken. Het gaat om de sociale, emotionele en identiteitsontwikkeling, de cognitieve ontwikkeling, de veiligheid op reis en de zogenoemde copingsvaardigheden van [kind].

beoordeling van de sociale, emotionele en identiteitsontwikkeling

2.7 Uit het psychologisch onderzoek van Moonen komt [kind] naar voren als een meisje dat in veel opzichten functioneert als een gemiddelde 14-jarige. Zo beschikt zij over gemiddelde cognitieve capaciteiten. Er zijn geen aanwijzingen gevonden die wijzen in de richting van neurologisch en/of fysiologisch disfunctioneren. [kind] heeft wel een aantal opvallende persoonlijkheidskenmerken.

- Wat betreft de sociale ontwikkeling concludeert de psychologe dat deze redelijk adequaat verloopt, maar dat [kind] geneigd is onafhankelijk te opereren en haar eigen gang te gaan, waardoor vriendschappen een wat functioneel karakter krijgen en niet geheel op wederkerigheid (op basis van wederzijdse interesses) lijken te berusten. De Raad voorziet dat de solozeiltocht een bedreiging vormt voor haar verdere sociale ontwikkeling omdat zij lange periodes van sociaal contact verstoken zal zijn en alleen oppervlakkige en functionele contacten zal kunnen aangaan.

- Wat betreft de emotionele ontwikkeling stelt Moonen vast dat deze wordt gekenmerkt door enige mate van scheefgroei op basis van vlakheid en weinig emotionele raakbaarheid. De deskundige vermoedt dat [kind] emoties als angst of verdriet afweert. Zij is zeer rationeel ingesteld en altijd gericht op het zoeken naar praktische oplossingen. De gevoelsmatige kant is (nog) weinig geïntegreerd in haar persoonlijkheidsontwikkeling. De Raad is van mening dat wanneer [kind] haar solotocht gaat uitvoeren, de scheefgroei zal leiden tot een ontwikkelingsbedreiging omdat zij niet in de gelegenheid zal zijn om aan de ontwikkeling van haar gevoelsmatige kant toe te komen.

- Wat betreft de identiteitsontwikkeling constateert de psychologe dat deze nog gaande is. Opvallend is dat [kind] (zoals wel verwacht zou kunnen worden in deze leeftijdsfase) weinig belang hecht aan acceptatie door haar peergroup, zelfgenoegzaam is en grote tevredenheid met zichzelf laat zien. [kind] lijkt haar identiteit vooral te ontlenen aan hoe zij erin slaagt haar leven op een voor haar zo plezierig/nuttig mogelijke wijze in te vullen en het verbeteren van haar competenties, los van wat anderen (uitgezonderd haar vader) daarvan denken. De Raad maakt zich zorgen dat een tweejaar durende zeiltocht de identiteitsontwikkeling van [kind] in het gedrang zal brengen aangezien zij haar leeftijdgenoten nodig heeft om tot een gezonde ontwikkeling te komen.

2.8 Uit het voorgaande blijkt dat de Raad de door de psychologe geconstateerde kenmerken op het gebied van sociale, emotionele en identiteitsontwikkeling als zorgelijk betitelt. De Raad concludeert dat deze, wanneer [kind] op reis gaat, tot een ernstige bedreiging van haar ontwikkeling zullen leiden.

2.9 De rechtbank kan de Raad wel volgen in de vaststelling dat er redenen zijn tot zorg maar niet in de conclusie dat ten aanzien van de hiervoor genoemde gebieden sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging.

In dit verband is allereerst van belang dat de psychologe vaststelt dat de wens van [kind] om op de jonge leeftijd die zij heeft de zeilreis te maken primair een keuze van haar zelf lijkt te zijn. Hier moet wel aan toegevoegd worden dat deze wens niet los gezien kan worden van het zeilverleden van haar ouders, met de sterke identificatie met haar vader (inclusief zijn passie voor boten en zeilen) en de contacten die zij onderhoudt met andere jongeren die deze wens hebben of al hebben verwezenlijkt.

2.10 Wat betreft [kind]’s ontwikkeling lijkt de emotionele scheefgroei die Moonen heeft geconstateerd de grootste zorg te zijn. De Raad verwacht dat deze tijdens de zeiltocht zal uitgroeien tot een ernstige bedreiging. Het ligt naar het oordeel van de rechtbank voor de hand dat de sterke kanten van [kind], haar wilskracht, vastberadenheid en doorzettingsvermogen tijdens de tocht zullen worden versterkt en dat de gevoelsmatige kant minder zal worden aangesproken. Dat daardoor de ontwikkeling zo eenzijdig wordt als de Raad veronderstelt, kan echter niet uit de rapportage van Moonen worden afgeleid. Het is bovendien, zoals ook de psychologe rapporteert, de vraag of die scheefgroei waarvan nu in enige mate sprake is, kan of zal worden omgebogen als [kind] afziet van de solozeiltocht. In haar dagelijkse leven ervaart noch [kind] zelf noch haar omgeving, inclusief haar moeder, namelijk op dit punt problemen.

In haar identiteitsontwikkeling wijkt [kind] weliswaar enigszins af van wat gebruikelijk is voor kinderen in haar leeftijdsfase - zij spiegelt zich niet zozeer aan leeftijdsgenoten maar aan wat ze doet en kan bereiken - maar daaruit volgt niet dat haar eigenzinnige ontwikkelingsgang een bedreiging voor haar vormt. Zij zal minder last hebben van het feit dat zij op reis zich nauwelijks kan spiegelen aan peers, dan bij een gemiddeld kind het geval zou zijn geweest. Haar onafhankelijke opstelling leidt wellicht tot een eenzijdige ontwikkeling als zij op reis zou gaan maar ook ten aanzien hiervan geldt niet, dat deze een ernstige ontwikkelingsbedreiging in zich draagt.

De rechtbank komt ten aanzien van de geconstateerde emotionele scheefgroei en de identiteitsontwikkeling in combinatie met de sociale ontwikkeling tot de slotsom dat onvoldoende is komen vast te staan dat deze nu in de thuissituatie of op de eventuele solozeiltocht een ernstige bedreiging voor de ontwikkeling van [kind] opleveren.

beoordeling cognitieve ontwikkeling

2.11. Een volgend punt van zorg dat de Raad naar voren heeft gebracht, is [kind]’s cognitieve ontwikkeling. Zij zit nu in 3-Havo, en daar doet zij het goed. Wanneer zij twee jaar op reis gaat, zal zij via de Wereldschool verder kunnen leren. Zij zal daarvoor veel discipline aan de dag moeten leggen omdat de begeleiding op afstand via internet plaatsvindt.

2.12. Uit de informatie die de deskundige van de school gekregen heeft, blijkt dat [kind] een behoorlijke intelligentie heeft; ze is een harde werker, gedisciplineerd, serieus en heeft doorzettingsvermogen. Zij houdt zich aan haar eigen planning van het schoolwerk en zij haalt zonder veel moeite goede cijfers. In beginsel lijkt zij in staat om inderdaad zonder toezicht een schoolprogramma te volgen. Deze observaties komen overeen met de resultaten uit het onderzoek van Moonen. Volgens deze heeft [kind] doorzettingsvermogen, toont zij wilskracht en is zij gedisciplineerd. Zij moet om die redenen in principe in staat worden geacht om door middel van zelfstudie zorg te dragen voor haar scholing. Hoewel nu moeilijk is in te schatten in hoeverre zij gedurende de zeiltocht de schooltaken kan volbrengen, heeft zij daarvoor wel de vereiste capaciteiten en instelling.

2.13. Een bedreiging van de cognitieve ontwikkeling is gelegen in het feit dat wanneer [kind] op dit moment af zou reizen er geen concrete afspraken zijn gemaakt met de Wereldschool, waardoor begeleiding van die kant niet mogelijk is. Hoe het onderwijsprogramma, het profiel en de begeleiding er feitelijk uit kunnen gaan zien, is dan ook niet duidelijk. Of ze van de Wereldschool kan profiteren, hangt bovendien af van de vraag of de leerplichtambtenaar toestemming geeft tot het volgen van onderwijs via de Wereldschool zolang [kind] ingeschreven staat bij de gemeentelijke basisadministratie.

De rechtbank is daarom van oordeel dat thans sprake is van een ernstige bedreiging van de cognitieve ontwikkeling van [kind] als zij spoedig zou uitvaren, omdat de Wereldschool niet in staat is haar nu te begeleiden.

beoordeling van de veiligheid en copingsvaardigheden

2.14. Dat [kind] heel goed kan zeilen staat, ook voor de Raad, niet ter discussie. De Raad heeft, in navolging van de hem geraadpleegde zeildeskundige, met betrekking tot een aantal veiligheidsaspecten zorgen geuit. Deze zorgen worden door de rechtbank gedeeld. Zo zijn er twijfels over haar solozeilervaring. Op zitting is duidelijk geworden dat haar zogenoemde single-handed ervaring bestaat uit zeilen op Nederlandse binnenwateren, op het IJsselmeer, de Waddenzee en de Noordzee en naar het buitenland een keer de oversteek naar Engeland en terug. Gelet op de tocht die [kind] voor ogen heeft, is deze ervaring van beperkte omvang. Ook ten aanzien van de kennis van [kind] over medische zaken zijn vraagtekens gerezen. [kind] heeft geen EHBO-cursus gevolgd of op andere wijze ervaring op dit vlak opgedaan. Daarnaast is komen vast te staan dat [kind] geen ervaring met slaapmanagement heeft opgebouwd, terwijl ze op zee ’s nachts niet zou kunnen doorslapen, maar met enige regelmaat wakker zou moeten worden om te zien of alles nog in orde is. Verder is gebleken dat er geen volledig uitgewerkt veiligheidsplan is. Er ontbreekt een lijst met vluchthavens, een plan voor de communicatie met de wal, een overzicht van de stappen ter daadwerkelijke waarborging van de veiligheid in de havens en er is onduidelijkheid over de aanwezigheid van een secundaire stroomvoorziening.

2.15. In verband met de veiligheid is aan de psychologe gevraagd naar het ontwikkelingsniveau van de copingsvaardigheden van [kind], de vaardigheid om met verschillende problemen om te gaan. Moonen rapporteert daarover dat [kind] gezien haar wilskracht, vastberadenheid en doorzettingsvermogen in staat lijkt te zijn om op actieve wijze praktische problemen het hoofd te bieden en naar oplossingen te zoeken. Maar ook dat gezien [kind]’s ontkenning van de problemen, dit niet aan ervaringen kan worden getoetst. [kind] heeft namelijk in de gesprekken met de psychologe weinig inzicht gegeven of kunnen geven in hoe zij reageert op problematische situaties. De Raad concludeert dat uit het feit dat risico’s en problemen onvoldoende bespreekbaar zijn gebleken, het de vraag is of de risico’s door [kind] wel voldoende worden onderkend en/of [kind] wel voldoende handelingsalternatieven tot haar beschikking heeft. De rechtbank deelt deze conclusie van de Raad en is van oordeel dat de genoemde zorgen over de veiligheid én de zorg om de copingsvaardigheden - wanneer deze in relatie tot de genoemde zorgen over de veiligheidaspecten wordt bezien - een ernstig risico vormen voor de geestelijke belangen en de gezondheid van [kind].

tussenconclusie

2.16. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat het uitvaren van [kind] wat betreft haar sociale, emotionele en identiteitsontwikkeling geen ernstige ontwikkelingsbedreiging oplevert. Dit ligt anders op het gebied van de veiligheidsaspecten van de reis, inclusief de in dat verband noodzakelijke copingsvaardigheden van [kind], alsmede op het gebied van [kind]’s cognitieve ontwikkeling. Op deze gebieden zijn de zorgen op dit moment zo groot dat wel gesproken kan worden van een ernstige bedreiging van [kind]’s belangen indien zij zou uitvaren.

recente ontwikkelingen

2.17. Sinds kort zijn er ontwikkelingen ten aanzien van de plannen, die de vraag opwerpen of voor deze ontwikkelingsbedreigingen reeds op dit moment een ondertoezichtstelling dient te worden opgelegd.

2.18. Ten eerste kreeg de rechtbank tijdens de zitting van 26 oktober 2009 te horen dat [kind], in plaats van op zeer korte termijn, op zijn vroegst in april/mei 2010, maar waarschijnlijk pas na afronding van dit schooljaar zal vertrekken. Dit komt neer op juli 2010. Zij wil de tussenliggende periode gebruiken onder meer voor het maken van gedegen afspraken met de Wereldschool, het aanvullen van het veiligheidsplan op de punten zoals genoemd door de door de Raad ingeschakelde zeildeskundige en het trainen van solo-zeilvaardigheden met gebruikmaking van de nieuwe veiligheids- en navigatieapparatuur die in de boot is of nog wordt ingebouwd. Daarnaast heeft [kind] ter zitting te kennen gegeven dat zij zelf ook de noodzaak inziet om een EHBO-cursus voor watersporters te volgen en dat zij van plan is dit ook in de komende tijd te gaan doen. Verder heeft [kind] ook de lacune in de voorbereiding met betrekking tot het slaapmanagement onderkend en heeft zij gezegd van plan te zijn om dat te trainen door gedurende 24 uur om de tien minuten de wekker te zetten en om dan sommetjes te maken.

Ten tweede is gebleken dat er plannen zijn om [kind] op haar gehele tocht te laten begeleiden door een boot. De advocaat heeft begin oktober jl. aan de Raad bericht over het voornemen een ervaren (zee)zeiler, de heer [Y], met zijn gezin in het kielzog van [kind] mee te laten varen. Dat wil zeggen: in iedere haven zal [kind] als eerste vertrekken, het gezin van [Y], dat een snellere boot vaart dan [kind], zal haar vervolgens inhalen, waarna [Y] haar in de volgende haven weer zal opwachten. Op de lange trajecten wil het gezin halverwege een stukje met haar meezeilen, zodat zij ’s nachts wat meer kan slapen. Daarnaast is gesproken over de begeleiding van een eventueel walteam.

Ten derde is gebleken dat door toedoen van de heer [Y] er nog verschillende apparatuur in de boot van [kind] is ingebouwd en wellicht nog meer zal worden aangebracht, om deze nog beter toe te rusten. [kind] zal daar de nodige ervaring mee moeten opdoen, alvorens zij kan vertrekken op wereldreis.

Ten vierde is de moeder pas onlangs inhoudelijk bij de zeilplannen van [kind] betrokken geraakt. Zij heeft op de zitting verklaard dat [kind] met de heer [Y] bij haar thuis is geweest om een en ander door te spreken. Zij heeft vertrouwen in de intenties van de heer [Y] en in de wijze waarop hij nu te werk gaat. Het standpunt van de moeder over de zeilplannen van [kind] is nu dat zij toestemming geeft voor de reis, mits zij voldoende zekerheid heeft over de veiligheidsmaatregelen. Op dit moment zijn die wat haar betreft onvoldoende. Zij wil zekerheid hebben over het feit dat [kind] begeleid zal worden op haar zeiltocht.

2.19. Hoewel deze ontwikkelingen invloed kunnen hebben op de vraag of op het moment van uitvaren (april, mei, juni of juli 2010) nog steeds sprake is van een ernstige bedreiging van de belangen van [kind], zijn de ontwikkelingen en de effecten daarvan op dit moment te onduidelijk, te weinig concreet en te onzeker om daar nu al op vooruit te lopen. Zo heeft de rechtbank onder meer geen duidelijkheid kunnen verkrijgen over een belangrijk onderdeel als de omvang, de samenstelling en de werkwijze van het eventuele walteam, zijn de plannen omtrent de begeleiding door de heer [Y] niet verder uitgewerkt, zijn de voornemens om een EHBO-cursus te volgen en om te oefenen met het slaapmanagement nog niet erg concreet en is daarbij bovendien niet duidelijk geworden of de vader die steunt. Ook op andere punten bestaat nog veel onduidelijkheid, zoals de inhoud van de afspraken met de Wereldschool, de samenwerking en noodzakelijke afstemming met de moeder, de uitwerking en vervolmaking van het veiligheidsplan, inclusief een lijst met vluchthavens, het opstellen van een communicatieplan en de verder nog te treffen veiligheidsmaatregelen. Anders gezegd: er kan nu niet met een voldoende mate van zekerheid gezegd worden dat de ernstige ontwikkelingsbedreigingen op het moment van daadwerkelijk uitvaren zijn weggenomen. Dit wordt nog eens versterkt door uitspraken van de vader op de zitting van augustus 2009 dat [kind] in alle opzichten klaar was om in september 2009 op reis te gaan en hij ook nu nog vindt dat [kind] eigenlijk niets meer te leren heeft. Op basis van andere informatie en de bij [kind] kennelijk thans wel gevoelde noodzaak om de reis uit te stellen, is echter duidelijk geworden dat [kind] er nog niet klaar voor is.

conclusie

2.20. Dit leidt tot de conclusie dat een ondertoezichtstelling op dit moment op zijn plaats is. Gezien het bijzondere karakter van deze zaak zal dit ook een bijzonder type toezicht moeten zijn, dat erop gericht is te bewaken en te beoordelen of de reis voldoende wordt voorbereid en er voor te zorgen dat [kind] niet vertrekt wanneer dat niet verantwoord is, met andere woorden zolang het vertrek haar belangen nog ernstig bedreigt. De rechtbank zal [kind] daarom, en met dit doel, onder toezicht stellen voor de periode tot aan de ter zitting genoemde uiterlijke vertrekdatum, zijnde tot aan het einde van het schooljaar, dat wil zeggen tot 1 juli 2010. Uiteraard kan Bureau Jeugdzorg (of op grond van art. 1:265 lid 2 BW de Raad) zo nodig verlenging vragen als BJZ (of de Raad) dat op dat moment nog noodzakelijk vindt; evenzo kunnen de ouders tussentijds opheffing vragen als zij met BJZ geschil hebben over de vraag of uitvaren op een moment voor afloop van de ondertoezichtstelling al dan niet verantwoord is.

3. Beslissing

De rechtbank:

- stelt [kind] onder toezicht van de Stichting Bureau Jeugdzorg tot 1 juli 2010;

- verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af hetgeen anders of meer is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.C. Oostendorp, voorzitter, en mr. E. Bongers en mr. A.C. van den Boogaard, leden, allen tevens kinderrechter, in aanwezigheid van mr. N.I. Ganzevoort, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2009.?