Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BK1569

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
23-10-2009
Datum publicatie
02-11-2009
Zaaknummer
16/710916-09 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uit de feiten en omstandigheden blijkt dat de verschillende afgeluisterde telefoonnummers, in combinatie met de aangetroffen telefoons, veelvuldig door leden van de groep zijn gebruikt gedurende een langere periode. Deze telefoons/telefoonnummers wisselden geregeld van gebruiker of gebruikers binnen de groep.

Uit de tapverslagen blijkt dat in de telefoongesprekken gebruik gemaakt wordt van een verhullende wijze van onderlinge communicatie over drugs en drugshandel. Uit de afgeluisterde telefoongesprekken, de historische verkeersgegevens en de in een aantal telefoons opgeslagen buitenlandse telefoonnummers blijkt dat door een aantal leden van de groep telefoons worden gebruikt voor het contact met buitenlandse afnemers. Met deze buitenlandse afnemers werden vervolgens afspraken gemaakt waar de overdracht van de drugs zal plaatsvinden. Door degenen die contact onderhouden met de buitenlandse afnemers wordt vervolgens gebeld naar andere leden van de groep en deze leden worden naar de afgesproken plaats gestuurd, alwaar de transactie met de buitenlandse afnemers plaatsvindt. De leden van de groep maakten gezamenlijk dan wel alleen gebruik van meerdere auto’s om naar de plekken toe te rijden waar de transacties plaatsvonden. De kentekens van deze auto’s stonden vaak op naam van een derde om herkenning te voorkomen.

Voorts werd gebruik gemaakt van meerdere locaties van waaruit of waarin transacties met betrekking tot drugs plaatsvonden.

Deze feiten en omstandigheden leiden tot de conclusie dat er sprake was van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband met het oogmerk om misdrijven te plegen, verband houdende met de handel in harddrugs. De verdachte maakte onderdeel uit van deze groep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/710916-09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 23 oktober 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1982] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Utrecht, Huis van Bewaring Nieuwegein,

raadsman mr. J.J.J.L. Maalsté, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 8 en 9 oktober 2009, waarbij de officier van justitie, mr. R.A.E. van Noort, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

De zaak van verdachte is gelijktijdig, doch niet gevoegd, behandeld met de zaken van medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4], [medeverdachte 5] en

[medeverdachte 6].

Hierna zullen verdachte en zijn medeverdachten worden aangeduid als respectievelijk

[verdachte], [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4], [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6].

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat [verdachte]:

Feit 1: met anderen voorbereidingshandelingen heeft verricht door een ander trachten te bewegen om 500 gram heroïne en/of 49,95 gram cocaïne te vervoeren;

Feit 2: met anderen hoeveelheden drugs buiten Nederland heeft gebracht;

Feit 3: deel heeft uitgemaakt van een criminele organisatie, welke organisatie tot doel had het opzettelijk buiten Nederland brengen van drugs;

Feit 4: met anderen (vuur)wapens, munitie en een busje pepperspray voorhanden heeft gehad;

Feit 5: met anderen 23,1 gram en/of 24,3 gram cocaïne aanwezig heeft gehad.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte alle ten laste gelegde feiten heeft begaan. De officier van justitie baseert zich daarbij op de tapverslagen en observaties waaruit blijkt dat [verdachte] deel uitmaakte van een groep die tot doel had om drugs te verkopen aan buitenlandse afnemers. Dit wordt bevestigd door de verklaring van [medeverdachte 3], OVC-verslagen en het aantreffen van drugs in diverse panden in Maastricht.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging voert ten eerste aan dat de mondelinge vordering tot opname van de OVC-gesprekken tussen [verdachte] en [medeverdachte 2] door de officier van justitie en het bevel tot opname hiervan van de officier van justitie onrechtmatig waren, nu sprake was van een persoonsverwisseling. Tot aan de aanhouding van [verdachte] merkte de politie zijn broer [E] aan als verdachte in het onderzoek. [verdachte] zelf was toen in het onderzoek nog niet in beeld. Ook de machtiging afgegeven door de rechter-commissaris tot het opnemen van vertrouwelijke communicatie is volgens de verdediging onrechtmatig, nu deze op naam van [E] en niet op naam van [verdachte] is gesteld en derhalve in strijd is met de algemene beginselen van een goede procesorde. Om deze reden is de raadsman van mening dat de OVC-gesprekken, waarbij [verdachte] betrokken was, moeten worden uitgesloten van het bewijs.

Daarnaast is volgens de raadsman ook het bevel observatie van 7 april 2009 onrechtmatig. Dit bevel is gegeven op naam van [E], terwijl er op dat moment onvoldoende verdenking was jegens zowel [E] als [verdachte]. De resultaten van de stelselmatige observatie dienen daarom te worden uitgesloten van het bewijs, aldus de verdediging.

De verdediging is voorts van mening dat [verdachte] van alle aan hem ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken. Het dossier biedt, aldus de raadsman, onvoldoende aanknopingspunten op grond waarvan [verdachte] bij de verweten feiten kan worden betrokken. De OVC-gesprekken, de tapgesprekken en de observaties kunnen niet leiden tot de conclusie dat [verdachte] bij drugshandel betrokken was, drugs heeft vervoerd dan wel voorhanden heeft gehad en (vuur)wapens voorhanden heeft gehad. De doorzoekingen hebben evenmin aanwijzingen opgeleverd die wijzen in de richting van [verdachte], aldus de verdediging. Dat geldt ook voor de verschillende auto’s en de verklaringen van de verschillende getuigen.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Vooroverwegingen

Gedurende het onderzoek is vertrouwelijke communicatie (OVC gesprekken) tussen een aantal verdachten opgenomen, waarvan de uitwerking/vertaling van drie gesprekken zich in het dossier bevindt. De officier van justitie heeft bij brief van 8 oktober 2009 aan de rechtbank en de raadslieden laten weten dat hij een tweede uitwerking/vertaling van de gesprekken heeft laten maken, omdat de eerste tolk zonder toestemming van het openbaar ministerie gebruik heeft gemaakt van een computerprogramma om ruis weg te filteren. Deze tweede vertaling/uitwerking van de drie OVC-gesprekken -die pas zeer kort voor de zitting gereed was- heeft de officier van justitie tijdens de zitting op 8 oktober 2009 aan de rechtbank en de raadslieden verstrekt.

Namens enkele raadslieden is aangevoerd dat deze OVC-gesprekken niet voor het bewijs mogen worden gebruikt, omdat de verschillen tussen de beide uitwerkingen te groot zijn dan wel omdat er onvoldoende tijd is geweest de beide versies met elkaar te vergelijken.

De rechtbank oordeelt -voorzover van belang ambtshalve- echter dat de OVC-gesprekken wel degelijk voor het bewijs kunnen worden gebruikt nu alle raadslieden in de gelegenheid zijn gesteld de gesprekken op dvd te beluisteren en op 8 oktober 2009 in de gelegenheid zijn gesteld om de beide versies te vergelijken en deze op 9 oktober 2009 met hun cliënten te bespreken. Daarnaast heeft de rechtbank tussen de beide versies geen wezenlijke verschillen geconstateerd. Weliswaar zijn er op detailpunten verschillen tussen de beide versies -het zou vreemd zijn als dat niet het geval was- maar deze zijn naar het oordeel van de rechtbank van ondergeschikt belang.

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging met betrekking tot de bewijsuitsluiting van de OVC-gesprekken en de resultaten van de stelselmatige observatie. Wat er ook zij van het gegeven dat in eerste instantie [E] als verdachte werd aangemerkt in plaats van [verdachte], niet is gebleken dat [verdachte] daardoor enig nadeel heeft ondervonden. De betreffende OVC-gesprekken en de resultaten van de stelselmatige observatie kunnen voor het bewijs worden gebruikt.

Bewijsoverwegingen

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat [verdachte] de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd op grond van de volgende feiten en omstandigheden.

Onderzoek naar drugshandel door [medeverdachte 1] en anderen

In de maanden november 2008 en januari 2009 komen bij de politie Utrecht diverse CIE-meldingen binnen. In deze CIE-meldingen staat dat een man genaamd [medeverdachte 1] (bijnaam [medeverdachte 1]) in de drugshandel zit. De drugs worden geregeld in Utrecht en worden verkocht in Maastricht. [medeverdachte 1] zou gebruik maken van de mobiele telefoons met de nummers [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2]. [medeverdachte 1] zou meerdere mensen voor hem hebben werken die de drugs verkopen, waaronder [medeverdachte 6] .

Op basis van de CIE-informatie wordt op 2 maart 2009 onder de naam “Comanche” een onderzoek ingesteld naar de handel in drugs door [medeverdachte 1]. De twee telefoonnummers die in de CIE-informatie genoemd worden, te weten [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] (hierna te noemen respectievelijk ‘de [telefoonnummer 1]’ en ‘de [telefoonnummer 2]’), worden vervolgens afgeluisterd .

Tijdens het onderzoek komt naar voren dat, naast de bovengenoemde telefoons, tevens met andere telefoons over drugs gesproken wordt. De volgende telefoonnummers worden daarop op verschillende tijdstippen in het onderzoek eveneens afgeluisterd:

- [telefoonnummer 3], hierna te noemen ‘de [telefoonnummer 3]’;

- [telefoonnummer 4], hierna te noemen ‘de [telefoonnummer 4]’;

- [telefoonnummer 5], hierna te noemen ‘de [telefoonnummer 5]’;

- [telefoonnummer 6], hierna te noemen ‘de [telefoonnummer 6]’;

- [telefoonnummer 7], hierna te noemen ‘de [telefoonnummer 7]’.

Uit de gesprekken, gevoerd op bovengenoemde telefoons, blijkt dat de gebruikers van deze mobiele telefoons zich bezighouden met de handel in verdovende middelen. Uit de gesprekken blijkt namelijk dat gebruik wordt gemaakt van een –voor de handel in verdovende middelen zo typische -verhullende wijze van onderlinge communicatie. Zo wordt onder andere gesproken over mika, bruno, wittie en melk, worden hoeveelheden en bedragen genoemd en gaat het over ‘handel’ die nodig is en over klanten .

Tevens blijkt uit deze gesprekken dat de gebruikers van deze telefoons drugs verkopen aan buitenlandse afnemers. Deze gesprekken worden gevoerd in de Franse of Arabische taal, waarbij de afnemers een afspraak maken met de dealers net over de grens in Nederland, te weten in Maastricht en omgeving. Meerdere buitenlandse afnemers zeggen tijdens deze gesprekken dat ze zich op dat moment nog in het buitenland bevinden en op weg zijn naar Nederland .

Naast het afluisteren van telefoonnummers observeert de politie ook diverse verdachten stelselmatig in de periode van 2 maart 2009 tot en met 2 mei 2009 .

Overige verdachten

Uit de tapverslagen en observaties komen naast [medeverdachte 1] ook andere verdachten naar voren die zich mogelijk zouden bezighouden met drugs en drugshandel.

Uit de reeds genoemde CIE-informatie zou blijken dat [medeverdachte 6] één van de drugsrunners is van [medeverdachte 1]. [medeverdachte 6] wordt door het observatieteam herkend bij de woningen aan de [adres] te Maastricht . Uit de tapverslagen van de [telefoonnummer 3] blijkt dat in de onderzoeksperiode met dit toestel drugsgerelateerde gesprekken gehouden worden . De gebruiker van dit toestel wordt meerdere keren [naam] genoemd, terwijl de voornaam van [medeverdachte 6] [naam] is .

[medeverdachte 4] wordt op 19 februari 2009 door de politie in Maastricht gecontroleerd in een VW Golf met kenteken [kenteken]. [medeverdachte 4] geeft bij deze controle de [telefoonnummer 1] op als zijnde zijn eigen nummer .

Op 31 maart 2009 vindt een observatie plaats bij de [adres] te Maastricht. Hierbij wordt [E] herkend door de verbalisanten als één van de bezoekers van de woning. Een bekende bijnaam van [E] is [naam], aldus de politie .

Uit de tapverslagen van de [telefoonnummer 6] blijkt dat in de onderzoeksperiode met dit toestel drugsgerelateerde gesprekken gehouden worden . De gebruiker van dit nummer wordt [naam] genoemd .

Na de aanhoudingen op 17 en 18 april 2009 blijkt echter dat niet [E] de verdachte in dit onderzoek kon zijn, maar zijn broer [verdachte]. Uit de verklaring van [getuige] blijkt dat naast [E] ook zijn broer [verdachte] ‘[naam]’ wordt genoemd. [getuige] wordt een foto getoond van [verdachte]. Zij herkent de persoon op de foto als zijnde ‘[naam]’, en vermeldt daarbij dat hij op 3 juni 2009 gaat trouwen . Blijkens zijn eigen verklaring bij de politie op 19 april 2009 gaat [verdachte] “binnenkort trouwen” .

Op 11 april 2009 wordt de [telefoonnummer 6] gebeld door een onbekend nummer. De [telefoonnummer 6] bevestigt dat hij ‘[naam]’ heet en dat hij de broer is van [E] .

Blijkens een door de officier van justitie ter zitting overhandigd detentieoverzicht van [E] heeft [E] van 9 december 2008 tot en met 14 april 2009 gedetineerd gezeten. Op 14 april 2009 heeft hij verlof gekregen waarvan hij niet is teruggekeerd.

Uit onderzoeksgegevens blijkt verder dat één van de verdachten met de roepnaam ‘[naam]’ verblijft in de woning aan de [adres] te Maastricht. Uit de gemeentelijke basisadministratie blijkt dat op de [adres] een zevental personen staat ingeschreven, waaronder [medeverdachte 5] .

De betrokken panden en auto’s

Tijdens het onderzoek ontstaat, naar aanleiding van een tip van de politie Maastricht, het vermoeden dat een groep die zich met drugshandel bezighoudt, gebruik maakt van de [adres] te Maastricht als drugspand .

Zo wordt op 9 april 2009 door het observatieteam gezien dat een man de woning aan de [adres] te Maastricht betreedt. Deze persoon wordt door de verbalisanten herkend als zijnde [medeverdachte 6] .

In de buurt van de [adres] worden vanaf 31 maart 2009 tot en met 17 april 2009 diverse auto’s gezien. De inzittenden of één van de inzittenden van deze auto’s gaan / gaat vervolgens de woning aan de [adres] binnen.

Het betreft de volgende auto’s:

- VW Golf, kenteken [kenteken], hierna te noemen ‘de grijze Golf’;

- VW Polo, kenteken [kenteken] , hierna te noemen ‘de Polo’.

De grijze Golf staat op naam van [zus]. [zus] is de zus van [medeverdachte 1]. Op 26 oktober 2008 werd [medeverdachte 6] in deze auto gecontroleerd door de politie in Maastricht. Op 19 februari 2009 wordt [medeverdachte 4] in Maastricht in deze auto gecontroleerd door de politie .

De Polo staat ook op naam van [zus]. [medeverdachte 6] wordt vaak gezien als de bestuurder van de Polo. Zowel de Polo als de grijze Golf worden vaak samen gezien .

Op 7 april 2009 wordt door het observatieteam gezien dat de bestuurder van de grijze Golf stopt op de [adres] te Maastricht. De bestuurder van de auto gaat de woning aan de [adres] binnen en gaat even later weer naar buiten . Op 14 en 15 april 2009 wordt de Polo meerdere malen in de buurt van de [adres] gezien .

Op 9 april 2009 wordt door het observatieteam gezien dat de bestuurder van de Polo uit zijn auto stapt en in de richting van de [adres] te Maastricht loopt. Enige tijd later komt hij terug en stapt hij weer in de auto en rijdt weg.

Op 14 april 2009 wordt door het observatieteam gezien dat de Polo geparkeerd staat op de [adres], ter hoogte van de garageboxen 22 tot en met 24 .

Uit deze bevindingen ontstaat het vermoeden dat de groep voor de handel in drugs, naast de [adres], tevens gebruik maakt van de woning aan de [adres] te Maastricht en van één van die garageboxen aan de [adres] te Maastricht.

Actiedag

Op 17 april 2009 houdt de politie een zogenaamde ‘actiedag’. Op deze dag worden de bovengenoemde verdachten onder observatie genomen en worden de tapgesprekken direct afgeluisterd.

Uit deze observaties komt, met behulp van de uitgeluisterde telefoongesprekken, naar voren dat er die dag in Maastricht diverse deals in drugs plaatsvinden.

Zo hebben de gebruikers van de [telefoonnummer 4], de [telefoonnummer 2], de [telefoonnummer 1] en de [telefoonnummer 5] die dag contact met meerdere gebruikers van telefoons met buitenlandse nummers. Tijdens deze telefoongesprekken wordt in het Frans of het Arabisch gesproken en wordt versluierd taalgebruik gehanteerd voor drugs. Er worden vervolgens afspraken gemaakt op diverse locaties, zoals bij het station, het Novotel, Gronsveld of de Praxis. De gebruiker van de [telefoonnummer 4] wordt [G] genoemd .

Uit observatieverslagen blijkt dat op 17 april 2009 de bestuurder(s) cq inzittenden van een VW Golf met kenteken [kenteken] (hierna te noemen ‘de zwarte Golf’) en een Audi A4 met kenteken [kenteken] (hierna te noemen ‘de Audi’), diverse malen contact hebben met bestuurders van auto’s met buitenlandse kentekens .

Op 17 april 2009 te 17:11 uur en te 19:18 uur wordt door het observatieteam gezien dat een personenauto, te weten een Seat Leon met kenteken [kenteken] (hierna te noemen ‘de Seat’) stopt bij de garageboxen 22,23 en 24 gelegen tussen de [adres] en de [adres] te Maastricht, ter hoogte van de [adres] . Op 17 april 2009 te 23:55 uur wordt door het observatieteam gezien dat de Audi bij de garageboxen aan de [adres] staat .

Uit de tapverslagen wordt tevens duidelijk dat de gebruiker van de [telefoonnummer 4] op 17 april 2009 naar Utrecht zou gaan om een hoeveelheid drugs te kopen .

De gebruiker van de [telefoonnummer 4] heeft tussen 18:00 uur en 19:00 uur contact met de gebruikers van de [telefoonnummer 3], de [telefoonnummer 1] en de [telefoonnummer 5]. Uit deze tapgesprekken blijkt dat de gebruiker van de [telefoonnummer 4] op weg is naar Utrecht om ‘handel’ mee te nemen, aangezien de ‘handel’ begint op te raken .

De gebruiker van de [telefoonnummer 4] heeft tussen 17:55 uur en 21:20 uur meerdere malen contact met de gebruiker van de [telefoonnummer 6].

[medeverdachte 3] heeft bij de politie verklaard dat de [telefoonnummer 6] van hem is en dat verder niemand anders gebruik maakt van dit toestel. De gebruiker van de [telefoonnummer 6] zal verder [medeverdachte 3] worden genoemd .

De gebruiker van de [telefoonnummer 4] wordt door [medeverdachte 3] ‘[medeverdachte 1]’ genoemd. Beide personen spreken af bij een theehuis in Utrecht. De gebruiker van de [telefoonnummer 4] zegt dat [medeverdachte 3] ‘12 melk’ moet meenemen en ‘50’ erbij .

Rond 21:00 uur wordt door het observatieteam waargenomen dat [medeverdachte 1] met een onbekend persoon een ontmoeting heeft in een theehuis in Utrecht .

[medeverdachte 1] vertrekt daarna weer in de richting van Maastricht. Hij rijdt in de Polo. Door het observatieteam wordt gezien dat [medeverdachte 1] bij een stoplicht in Utrecht stil staat. Terwijl hij stil staat heeft hij door zijn openstaande raam contact met de bestuurder van een BMW 325 I met het kenteken [kenteken] (hierna te noemen ‘de BMW’).

[medeverdachte 1] wordt op 17 april 2009 te 21:48 uur door het arrestatieteam aangehouden op de Rijksweg A2 ter hoogte van hectometerpaal 106 (gemeente Hedel) . In de auto waarin [medeverdachte 1] zit, wordt de mobiele telefoon met het nummer [telefoonnummer 4] aangetroffen. In de kleding van [medeverdachte 1] blijkt een mobiele telefoon te zitten met het nummer [telefoonnummer 2] .

Uit het vorenstaande blijkt dat [medeverdachte 1] op 17 april 2009 de gebruiker is van de [telefoonnummer 4] en van de Polo. Tevens blijkt hij in het bezit te zijn van de [telefoonnummer 2]. [medeverdachte 1] wordt de ‘[medeverdachte 1]’ genoemd, hetgeen hij ook bij de politie bevestigd heeft .

Uit de tapverslagen blijkt dat [medeverdachte 3] tussen 17 april 2009 te 23:09 uur en 18 april 2009 te 00:40 uur meerdere malen contact heeft met de gebruiker(s) van de [telefoonnummer 5].

[medeverdachte 3] is onderweg naar Maastricht en moet volgens de gebruiker van de [telefoonnummer 5] opschieten en groot licht geven zodra hij in de buurt van het tankstation is. De ‘[medeverdachte 1]’ is verdwenen, aldus de gebruiker van de [telefoonnummer 5]. De gebruiker van de [telefoonnummer 5] wordt door [medeverdachte 3] ‘[medeverdachte 4]’ genoemd .

[medeverdachte 3] wordt op 18 april 2009 om 00:32 uur ook nog gebeld door de gebruiker van de [telefoonnummer 3]. Deze persoon vraagt aan [medeverdachte 3] of hij nog iets te eten wil bij de MC Donald’s .

Door de gebruiker van de [telefoonnummer 3] wordt later in de nacht van 18 april 2009 nog diverse malen geprobeerd telefonisch contact te zoeken met [medeverdachte 3].

Op 18 april 2009 te 00:55 uur wordt de bestuurder van de BMW aangehouden op de Rijksweg A2 ter hoogte van hectometerpaal 227,8 (gemeente Echt-Susteren). De bestuurder van deze auto blijkt [medeverdachte 3] te zijn. In de auto wordt de mobiele telefoon met het nummer [telefoonnummer 6] aangetroffen . In de auto worden twee zakken met beide 1000 gram bruin poeder aangetroffen . Dit blijkt later een mengsel van coffeïne en paracetamol te zijn . In de auto wordt tevens een zak met 500 gram bruin poeder aangetroffen . Het bruine poeder blijkt later heroïne te bevatten . Tijdens de insluitingfouillering van [medeverdachte 3] wordt op zijn kleding nog een zakje met 49,95 gram poeder aangetroffen . Dit blijkt later cocaïne te bevatten .

Door de verbalisanten die [medeverdachte 3] aanhouden wordt vervolgens de BMW overgebracht naar Maastricht via de Rijksweg A2. Nadat deze auto de Seat passeert bij het Esso tankstation, rijdt de Seat achter de BMW aan, waarop de Seat aan de kant wordt gezet. De inzittenden van de Seat worden vervolgens op 18 april 2009 om 01:05 uur aangehouden op de Rijksweg A2 ter hoogte van hectometerpaal 235. De drie inzittenden van de Seat blijken te zijn genaamd:

- [medeverdachte 2];

- [medeverdachte 4];

- [verdachte] .

In de Seat worden drie mobiele telefoons met de nummers [telefoonnummer 8], [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 6] aangetroffen. Tijdens de insluitingfouillering van [verdachte] wordt op zijn kleding de [telefoonnummer 9] aangetroffen .

Tijdens de fouillering van [medeverdachte 2] is in zijn jas een zakje met 2,65 gram bruin poeder aangetroffen . Het bruine poeder blijkt later heroïne te bevatten .

Doorzoekingen

Op 18 april 2009 te 02:09 uur doorzoekt de politie onder leiding van de rechter-commissaris de woning aan de [adres] te Maastricht .

Hier worden onder andere de volgende goederen in beslag genomen :

- weegschaal en koffiemolen cq mixer;

- een bedrag van € 5.000,-, voornamelijk in briefjes van € 20,00 en € 50,00;

- boterhamzakjes met poeder:

* 24,4 gram van een stof bevattende heroïne;

* 0,14 gram van een stof bevattende cocaïne ;

- een gebruiksaanwijzing voor een vuurwapen, te weten een Umarex, Colt Double Eagle;

- een verblijfsdocument, kentekenbewijzen en verzekeringsbewijzen op naam van [medeverdachte 2];

- CJIB-documentatie op naam van [medeverdachte 1];

- een bekeuring op naam van [medeverdachte 6].

Op 18 april 2009 te 01:18 uur doorzoekt de politie onder leiding van de rechter-commissaris de woning aan de [adres]. In deze woning worden twee personen aangehouden, te weten [medeverdachte 5] en [F] .

Hier worden onder andere de volgende goederen in beslag genomen :

- 3 weegschaaltjes;

- zakje met wiet;

- basepijp;

- mixers;

- in totaal drie zakjes met poeder:

* 1 zakje, netto 205,31 gram van een stof bevattende heroïne;

* 1 zakje, netto 17,81 gram van een stof bevattende heroïne;

* 1 zakje, netto 7,9 gram van een stof bevattende heroïne en cocaïne .

Op 18 april 2009 om 01:43 uur doorzoeken verbalisanten een garagebox nr. 23 aan de [adres] te Maastricht. De verbalisanten van het observatieteam constateren dat nummer 23 voorzien is van een extra gelaste plaat op het sluitwerk, waarna zij besluiten juist deze garagebox te doorzoeken .

In de garagebox worden onder andere de volgende goederen in beslag genomen :

- één zwarte vuilniszak met daarin zakjes met wit en bruin poeder:

* 1001,55 gram = coffeïne en paracetamol;

* 242,66 gram = coffeïne en paracetamol;

* 706,35 gram = coffeïne en paracetamol ;

- een tas van Dirk van den Broek, met daarin drie op een vuurwapen gelijkende voorwerpen, met patronen:

* een gasrevolver, merk Kimar, model Python, wapennummer C97013;

* een pistool (merk Sapl, model GC27, wapennummer 100484);

* een gaspistool (merk Umarex, model Colt Combat Commander, wapennummer D35150805) ;

- een spuitbus pepperspray (merk Sapl) ;

- munitie van het merk PTS, Umatex en Sellier & Bellot;

- zakjes met wit poeder en pillen:

* 23,1 gram; van een stof bevattende cocaïne positief;

* 24,3 gram; van een stof bevattende cocaïne positief ;

- 2 persen;

- diverse peuken.

De weegschalen die bij de [adres] en de [adres] in beslag zijn genomen en de koffiemolen die op de [adres] in beslag is genomen, zijn getest op opiaten. Deze testen zijn positief .

Op een aantal peuken die in de garagebox aan de [adres] zijn gevonden is speeksel met DNA-materiaal gevonden. Dit DNA-materiaal is vergeleken met het DNA-materiaal van de verdachten [verdachte], [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 6] en [medeverdachte 4]. Op twee peuken is de kans dat het aangetroffen DNA-materiaal afkomstig is van iemand anders dan van [medeverdachte 2], kleiner dan 1 op 1 miljard . Op vier peuken is de kans dat het aangetroffen DNA-materiaal afkomstig is van iemand anders dan [medeverdachte 6], kleiner dan 1 op 1 miljard .

Op de (vuur)wapens die in de garagebox aan de [adres] zijn gevonden zijn vingerafdrukken aangetroffen. Eén vingerafdruk op een vuurwapen komt overeen met de vingerafdruk van [medeverdachte 6] .

Afnemers

Op 17 april 2009 houdt de politie zes buitenlandse verdachten aan op verdenking van het afnemen van drugs van de bestuurder van de Audi.

Uit tapverslagen blijkt dat de gebruiker van het Franse telefoonnummer [telefoonnummer 10] op

17 april 2009 tussen 17:29 uur en 17:59 uur meerdere malen contact heeft met de gebruiker(s) van de [telefoonnummer 5] en de [telefoonnummer 1]. Er wordt een afspraak gemaakt bij Gronsveld. De gebruiker van het Franse nummer wordt [X] genoemd .

Om 18:20 uur ziet het observatieteam dat de bestuurder van de Audi contact heeft met de inzittenden van een Peugeot 205 met het Franse kenteken [kenteken]. Er wordt gezien dat deze personen iets uitwisselen .

Bovengenoemde Peugeot 205 wordt op 17 april 2008 te 18:30 uur door de politie aan de kant gezet en de inzittenden worden aangehouden. De inzittenden zijn genaamd: [X] en [Y]. In de auto wordt 114,1 gram heroïne en 3 gram cocaïne aangetroffen .

[X] verklaart dat zij ongeveer twee maanden drugs afneemt bij haar dealer. Het telefoonnummer van haar dealer is de [telefoonnummer 5]. Zij heeft ongeveer 4 à 5 keer bij deze dealer gekocht. Zij herkent mogelijk foto A3 en A6 als haar dealers .

De persoon op foto A3 is [medeverdachte 4] en de persoon op foto A6 is [medeverdachte 6] .

Uit tapverslagen blijkt dat de gebruiker van het Franse telefoonnummer [telefoonnummer 11] op

17 april 2009 tussen 13:21 uur en 18:51 uur meerdere malen contact heeft met de gebruiker(s) van de [telefoonnummer 5] en de [telefoonnummer 1]. De gebruiker van het Franse nummer wordt [Z] genoemd. Hij komt rond 7 uur aan en belt vanuit Luik .

Om 19:05 uur ziet het observatieteam dat de bestuurder van een Peugeot 406 met het Franse kenteken [kenteken] contact heeft met de bestuurders van de Audi en van de zwarte Golf .

Bovengenoemde Peugeot 406 wordt op 17 april 2008 te 20:41 uur door de politie aan de kant gezet en de inzittenden worden aangehouden. De inzittenden zijn genaamd [A] en [Z]. In de auto wordt 53,1 gram heroïne aangetroffen en 1,1 gram cocaïne .

[A] verklaart dat hij al anderhalf jaar cocaïne en heroïne koopt bij een dealer die zichzelf [G] noemt. Hij belt [G] als hij bij Luik is. Ze spreken af bij een tankstation in de buurt van een garage van de Mercedes-Benz. [A] verklaart dat hij daar de neef van [G] heeft ontmoet. Hij stapt bij de neef van [G] in en ze rijden naar een woning toe, waar hij de drugs krijgt.

[A] herkent de persoon op foto A3 (waarop [medeverdachte 4] staat afgebeeld) als [G] en de persoon op foto A6 (waarop [medeverdachte 6] staat afgebeeld) als de neef van [G] ) .

[Z], een reisgenoot van [A] bevestigt zijn verhaal. Hij herkent foto A6 als de neef van [G] .

Uit tapverslagen blijkt voorts dat de gebruiker van het Luxemburgse telefoonnummer [telefoonnummer 12] op 17 april 2009 tussen 19:41 uur en 20:12 uur meerdere malen contact heeft met de gebruiker(s) van de [telefoonnummer 1]. Er wordt een afspraak gemaakt rond negen uur bij het station.

Om 19:43 uur belt de gebruiker van de [telefoonnummer 1] naar de gebruiker van de [telefoonnummer 3]. De gebruiker van de [telefoonnummer 1] zegt dat iemand uit Luxemburg met een Mercedes komt, maar hij weet nog niet hoeveel hij moet hebben. De gebruiker(s) van de [telefoonnummer 1] en de [telefoonnummer 3] hebben die avond nog meerdere malen contact met elkaar waarbij gesproken wordt over ene “[B]” of “[B]”. Daarbij wordt in versluierd taalgebruik gesproken over drugs en de te betalen bedragen .

Om 21:19 uur ziet het observatieteam dat een Mercedes-Benz met het Luxemburgse kenteken [kenteken] in de buurt van het Centraal Station in Maastricht rijdt. De bestuurder en de inzittenden van de Mercedes hebben contact met de bestuurder van de Audi. Samen rijden zij in de Audi in de richting van de woning aan de [adres] te Maastricht. Door het observatieteam wordt gezien dat een drietal personen later de woning verlaat en dat zij met de Audi naar de Mercedes terugrijden. Twee personen stappen uit de Audi, stappen vervolgens in de (Luxemburgse) Mercedes en rijden weg.

De Mercedes wordt op 17 april 2008 te 22:42 uur door de politie aan de kant gezet en de inzittenden worden aangehouden. De inzittenden zijn genaamd [B] en [C]. In de auto wordt 133,3 gram heroïne aangetroffen .

[B] verklaart dat hij ongeveer 4 à 5 maanden geleden in Maastricht werd aangesproken door ene [H]. Hij heeft toen cocaïne gekocht bij [H]. Het telefoonnummer van [H] heeft hij in zijn telefoon opgeslagen onder [naam]. Dit moest van [H]. Hij heeft op 17 april 2009 heroïne gekocht van [H]. [H] reed in een Audi. Hij is achter hem aangereden naar een huis. In dit huis zat een blanke man.

[B] herkent [medeverdachte 5] van een foto als zijnde die blanke man in de woning. Hij heeft 100 gram heroïne gekocht voor € 650,-. In de telefoon van [B] staat het telefoonnummer [telefoonnummer 1] onder de naam “[naam]” .

Op 21 april 2009 wordt [medeverdachte 6] aangehouden in Maastricht . [medeverdachte 6] rijdt op dat moment in de Audi . Tijdens de aanhouding worden bij [medeverdachte 6] vier mobiele telefoons in beslag genomen. Eén van deze mobiele telefoons betreft een Nokia, type 1600 met Imeinummer [imeinummer] . Later blijkt dat bij het toestel met bovengenoemd Imeinummer het telefoonnummer [telefoonnummer 3] hoort .

Verklaring van [medeverdachte 3] bij de politie

[medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij op 17 april 2009 rond 18:00 uur gebeld wordt om drugs te halen in Rotterdam. Hierna wordt [medeverdachte 3] gebeld door iemand met de bijnaam ‘[medeverdachte 1]’. Hij spreekt met [medeverdachte 1] af bij een theehuis in Utrecht. [medeverdachte 1] geeft hem vervolgens € 8.000,- om drugs te halen. [medeverdachte 3] gaat dan naar Rotterdam en koopt daar de drugs. [medeverdachte 3] gaat vervolgens, weer terug naar Utrecht en vervolgens, in opdracht van [medeverdachte 1], met de drugs naar Maastricht. Voor dit transport heeft [medeverdachte 3]

€ 150,- gekregen. [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij ook wel [medeverdachte 3] genoemd wordt.

[medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij de drugs naar [verdachte], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] in Maastricht moest brengen, de jongens in de Seat. De echte naam van [medeverdachte 2] is [medeverdachte 2]. Onderweg naar Maastricht toe wordt [medeverdachte 3] gebeld door [medeverdachte 4] uit Maastricht. Het telefoonnummer van [medeverdachte 4] begint met

[telefoonnummer 5]. Het volledige nummer van de [telefoonnummer 5] is als gezegd [telefoonnummer 5]. [medeverdachte 4] zegt dat ze de [medeverdachte 1] kwijt zijn. [medeverdachte 3] geeft aan dat hij de drugs in zijn auto heeft en niet de [medeverdachte 1]. Volgens [medeverdachte 4] moet [medeverdachte 3] vervolgens de N-wegen volgen.

Onderweg wordt [medeverdachte 3] ook nog gebeld door [naam]. Als [medeverdachte 3] het over [naam] heeft dan bedoelt hij [verdachte]. [medeverdachte 3] wordt ook nog gebeld door [medeverdachte 6] die vraagt of hij nog wat wilde eten.

[medeverdachte 3] heeft wisselend verklaard over eventuele eerdere opdrachten om drugs te halen. Hij heeft ongeveer twee tot zes keer eerder drugs gehaald voor [medeverdachte 1]. Hij kent al die jongens nog van Kanaleneiland. Al die jongens gebruiken verschillende telefoons en ze gebruiken ook de telefoons van elkaar .

Verklaring van [medeverdachte 5] bij de politie

[medeverdachte 5] heeft verklaard dat hij de bewoner is van de [adres]. Sinds drie weken woont een jongen genaamd [H] bij hem. [medeverdachte 5] dacht dat [H] alleen wiet verkocht aan anderen vanuit de [adres]. De wiet verkocht hij onder andere aan Franstalige klanten. De heroïne die in de koelkast is gevonden, is van [H]. Het telefoonnummer van [H] is de [telefoonnummer 3] .

[medeverdachte 5] herkent [medeverdachte 6] van een foto als zijnde de persoon die hij kent als [H] .

Verdachten en hun bijnamen

Van de aangehouden verdachten zijn foto’s gemaakt.

Foto verdachte 1 = [medeverdachte 1]. Foto verdachte 2 = [medeverdachte 4].

Foto verdachte 3 = [verdachte] Foto verdachte 4 = [medeverdachte 2]

Foto verdachte 5 = [medeverdachte 6] Foto verdachte 6 = [medeverdachte 3] .

[getuige] heeft verklaard dat zij een relatie heeft met [medeverdachte 4]. De bijnaam van [medeverdachte 4] is [medeverdachte 4]. Zij herkent de persoon op foto 1 als [medeverdachte 1] en foto 2 als [medeverdachte 4]. Foto 3 is [verdachte], hij zou op 3 juni 2009 gaan trouwen. Foto 4 is [medeverdachte 2]. Foto 5 is [medeverdachte 6], hij heeft als bijnaam [medeverdachte 6]. Foto 6 is [medeverdachte 3] .

De politie heeft de telefoons die bij de aanhouding van de verdachten in beslag zijn genomen, uitgelezen.

Bij de contactgegevens van de [telefoonnummer 2], [telefoonnummer 4] en de [telefoonnummer 5] stonden meerdere Franse telefoonnummers vermeld .

In de contactgegevens van de in beslag genomen telefoons, te weten de [telefoonnummer 1], de [telefoonnummer 4], de [telefoonnummer 5], de [telefoonnummer 3], de [telefoonnummer 6], de [telefoonnummer 6], de [telefoonnummer 8] en de [telefoonnummer 9], komen steeds één of meer van voornoemde telefoonnummers terug .

Zo komt de naam [medeverdachte 6] of een variatie daarvan voor bij de [telefoonnummer 3], de naam [medeverdachte 4] bij de [telefoonnummer 2], de naam [naam] bij de [telefoonnummer 6], de naam [verdachte] of [verdachte] bij de [telefoonnummer 6] en de naam [medeverdachte 1] of [medeverdachte 1] bij de [telefoonnummer 4].

De naam [medeverdachte 2] komt voor bij het telefoonnummer [telefoonnummer 8], de naam [verdachte] bij [telefoonnummer 9] en de naam [medeverdachte 5] bij [telefoonnummer 13]. Deze telefoonnummers worden hierna, indien van belang, respectievelijk de [telefoonnummer 8], de [telefoonnummer 9] en de [telefoonnummer 13] genoemd.

De criminele organisatie (feit 3)

Uit bovengenoemde feiten en omstandigheden blijkt dat de gebruikers van de afgeluisterde telefoons samen een groep vormen met het oogmerk om misdrijven te plegen, verband houdende met de handel in harddrugs.

Vaststaat immers dat de verschillende afgeluisterde telefoonnummers, in combinatie met de aangetroffen telefoons, veelvuldig door leden van de groep zijn gebruikt gedurende een langere periode. In de contactgegevens van de in beslag genomen telefoonnummers komen één of meerdere nummers van de telefoons terug. Deze telefoons/telefoonnummers wisselden geregeld van gebruiker of gebruikers binnen de groep.

Uit de tapverslagen blijkt dat in de telefoongesprekken gebruik gemaakt wordt van een verhullende wijze van onderlinge communicatie over drugs en drugshandel. Uit de afgeluisterde telefoongesprekken, de historische verkeersgegevens en de in een aantal telefoons opgeslagen buitenlandse telefoonnummers blijkt dat door een aantal leden van de groep telefoons worden gebruikt voor het contact met buitenlandse afnemers. Met deze buitenlandse afnemers wordt vervolgens een afspraak gemaakt waar de overdracht van de drugs zal plaatsvinden. Door degenen die contact onderhouden met de buitenlandse afnemers wordt vervolgens gebeld naar andere leden van de groep en deze leden worden naar de afgesproken plaats gestuurd, alwaar de transactie met de buitenlandse afnemers plaatsvindt. De leden van de groep maakten gezamenlijk dan wel alleen gebruik van meerdere auto’s om naar de plekken toe te rijden waar de transacties plaatsvonden. De kentekens van deze auto’s stonden vaak op naam van een derde om herkenning te voorkomen.

Voorts werd gebruik gemaakt van meerdere locaties van waaruit of waarin transacties met betrekking tot drugs plaatsvonden. Dit blijkt onder andere uit de hoeveelheden drugs die bij de woningen aan de [adres] en [adres] te Maastricht in beslag zijn genomen en uit de verklaringen van de afnemers die door enkele leden van de groep naar deze locaties toegebracht werden.

De garagebox aan de [adres] werd gebruikt als opslagplaats voor de drugs.

Deze feiten en omstandigheden leiden tot de conclusie dat er sprake was van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband met het oogmerk om misdrijven te plegen, verband houdende met de handel in harddrugs. Op grond hiervan is sprake van een criminele organisatie in de zin van artikel 11a van de Opiumwet. Vraag is of [verdachte] onderdeel uitmaakte van deze groep, en zo ja, welke rol hij speelde in deze criminele organisatie.

Zoals reeds hierboven is overwogen, blijkt dat de bijnaam van [verdachte] ‘[verdachte]’ is. De naam [verdachte] komt in de contactgegevens van diverse mobiele telefoons bij het telefoonnummer [telefoonnummer 6] voor. Uit de afgeluisterde gesprekken met het toestel [telefoonnummer 6] blijkt dat tussen 7 april 2009 en 15 april 2009 meerdere malen dit toestel wordt opgenomen met de naam [verdachte] of [verdachte] . Dat het hier om de verdachte [verdachte] gaat, blijkt eveneens uit het feit dat zijn broer [E] tot en met 14 april 2009 gedetineerd heeft gezeten. De telefoon met het nummer [telefoonnummer 6] is op 18 april 2008 in de Seat Leon aangetroffen.

[verdachte] is één van de inzittenden van deze auto. Op de kleding van [verdachte] wordt op 18 april 2009 de telefoon met het nummer [telefoonnummer 9] aangetroffen. De naam ‘[verdachte]’ staat ook in de contactgegevens van een mobiele telefoon bij het telefoonnummer [telefoonnummer 9].

Uit de afgeluisterde telefoongesprekken met de [telefoonnummer 6] en de [telefoonnummer 9] blijkt dat met die nummers in de onderzoeksperiode meerdere malen op verhullende wijze gesproken is over drugs en drugshandel. Nu aantoonbaar is dat [verdachte] op diverse momenten in de onderzoeksperiode in het bezit is geweest van deze toestellen, is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] (in elk geval een deel van) deze drugsgerelateerde gesprekken heeft gevoerd. [verdachte] heeft deze gesprekken gevoerd met de gebruikers van andere toestellen die gebruikt werden door de criminele organisatie.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] samen met [medeverdachte 1], [medeverdachte 4], [medeverdachte 3], [medeverdachte 6], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] deel uitmaakte van de criminele organisatie en daaraan een substantiële bijdrage heeft geleverd.

Uit de afgeluisterde gesprekken blijkt dat [verdachte] door de gebruikers van de [telefoonnummer 4], de [telefoonnummer 2] en de [telefoonnummer 5] wordt aangestuurd om naar de met de buitenlandse afnemers afgesproken plaatsen te gaan. Hier vinden dan vervolgens de drugsdeals plaats.

Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat hij heeft deelgenomen aan een ‘criminele organisatie’ en dat zijn deelname uit door hemzelf verrichte feitelijke handelingen bestond. Artikel 11a van de Opiumwet in samenhang met artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht zijn bij uitstek artikelen die betrekking hebben op deelneming. Er kan dan ook geen twijfel over bestaan dat de feitelijke handelingen, zoals ten laste zijn gelegd, door verdachte en/of zijn mededaders zijn begaan. De rechtbank merkt het ontbreken van de woorden “en/of zijn mededaders” dan ook aan als een kennelijke verschrijving.

Periode

In tegenstelling tot de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat slechts bewezen kan worden verklaard dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan deelneming aan de criminele organisatie in de periode van 2 maart 2009 tot en met 17 april 2009. Op

2 maart 2009 is het onderzoek gestart tegen de verdachten en zijn de verdachten geobserveerd en hun telefoons getapt. Hoewel er, gelet op de mate van professionaliteit en de hoeveelheid afnemers, sterke aanwijzingen zijn dat de groep reeds eerder zich bezighield met de handel in drugs, leidt dit echter niet tot het wettig en overtuigend bewijs van een pleegperiode zoals ten laste is gelegd.

Ten aanzien van feit 1

[medeverdachte 3] verklaart dat hij op 17/18 april 2009 drugs in Maastricht moest afleveren bij [verdachte], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2]. Dit zijn de jongens in de Seat Leon. [medeverdachte 3] wordt onderweg naar Maastricht gebeld door [verdachte] en [medeverdachte 4]. Uit deze gesprekken blijkt dat [verdachte] en [medeverdachte 4] op de hoogte zijn van het feit dat [medeverdachte 3] de harddrugs in Maastricht bij hen komt afleveren. Dit blijkt ook uit het feit dat de Seat Leon met daarin [verdachte] achter de auto van [medeverdachte 3] aanrijdt, op het moment dat deze hen passeert.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] met anderen voorbereidingshandelingen heeft verricht om [medeverdachte 3] trachten te bewegen om harddrugs te vervoeren.

Ten aanzien van feit 2

Uit bovengenoemde feiten en omstandigheden volgt dat de criminele organisatie harddrugs verkocht aan buitenlandse afnemers, net over de grens in Nederland. Deze buitenlandse afnemers namen meerdere malen reeds contact op met de verdachten terwijl de afnemers zich nog in het buitenland bevonden.

Gezien de grote hoeveelheden drugs (soms meer dan 100 gram) die de verdachten aan hen verkochten, was het volstrekt duidelijk dat de drugs niet voor eigen gebruik waren dan wel in zijn geheel in Nederland geconsumeerd zouden worden maar dat de afnemers deze drugs meenamen naar het buitenland.

Uit de wettekst en uit de daarop gebaseerde jurisprudentie blijkt dat het begrip "buiten het grondgebied van Nederland brengen" extensief moet worden geïnterpreteerd .

De rechtbank is van oordeel dat, indien men als verkopende partij op de hoogte is van het feit dat de harddrugs bestemd zijn om vervoerd te worden naar het buitenland, er sprake is van het ‘buiten het Nederlandse grondgebied brengen’ van drugs.

De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] door deel te nemen aan de criminele organisatie die tot doel had om harddrugs te verkopen aan buitenlandse afnemers, zich schuldig heeft gemaakt aan het samen met anderen buiten het Nederlandse grondgebied brengen van harddrugs. De rechtbank betrekt hierbij dat [verdachte] naar de plaatsen werd gestuurd waar de drugsdeals met de buitenlandse afnemers plaatsvonden.

Ook hier acht de rechtbank bewezen dat dit feit werd gepleegd in de periode van

2 maart 2009 tot en met 17 april 2009.

Ten aanzien van feit 4 en 5

Uit de OVC-gesprekken blijkt dat [verdachte] op de hoogte was van de garage aan de [adres] te Maastricht en van de spullen die in deze garage lagen. [verdachte] spreekt tegen [medeverdachte 4] over de garage en ook over de inhoud hiervan, te weten de persen en de pistolen. In de garagebox aan de [adres] zijn onder andere (vuur)wapens en persen aangetroffen.

Nu [verdachte] deel uitmaakte van de criminele organisatie en de garagebox door deze organisatie gebruikt werd als opslagplaats voor de drugs en (vuur)wapens, is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] de drugs, (vuur)wapens en munitie op 18 april 2009 opzettelijk voorhanden heeft gehad.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte]

1.

op 18 april 2009 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, om een feit bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervoeren van 500 gram heroïne en 49,95 gram cocaïne, voor te bereiden, anderen heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen,

hebbende verdachte en zijn mededaders

-met elkaar telefonisch contact gehad en

-afspraken gemaakt en

-ontmoetingen en besprekingen gehad en

-een geldbedrag van EUR 8.000,- verschaft om de heroïne en cocaïne te kopen en

-een beloning van EUR 150,- voor het vervoer van de heroïne en cocaïne in het vooruitzicht gesteld en

-zich op een bepaalde locatie beschikbaar gesteld en gehouden om heroïne en cocaïne overgedragen te krijgen;

2.

op tijdstippen in de periode van 2 maart 2009 tot en met 17 april 2009 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, hoeveelheden cocaïne en heroïne;

3.

in de periode van 2 maart 2009 tot en met 17 april 2009 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie die werd gevormd door hem, verdachte, en [verdachte], [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2], [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne en heroïne, bestaande die deelneming

hierin dat verdachte en/of zijn mededaders:

-telefonische contacten legde en onderhield met andere deelnemers van de organisatie en

-cocaïne en heroïne heeft vervoerd en afgeleverd en

-informatie aan andere deelnemers aan de organisatie heeft verschaft en

-aanwijzingen van andere deelnemers aan de organisatie heeft uitgevoerd en

-opdrachten heeft gegeven tot bepaalde gedragingen van anderen, verband houdende met de handel in cocaïne en heroïne;

4.

op 18 april 2009 te Maastricht in een garagebox (nummer 23) aan de [adres] aldaar, tezamen en in vereniging met anderen,

meerdere wapens van categorie III Wet wapens en munitie, te weten

- een gasrevolver (merk Kimar, model Python, wapennummer C97013) en

- een pistool (merk SAPL, model GC27, wapennummer 100484) en

- een gaspistool (merk UMAREX, model Colt Combat Commander, wapennummer

D35150805),

en munitie van categorie III Wet wapens en munitie, te weten

- 8 gaspatronen merk PTS en

- 40 knalpatronen (merk UMATEX) en

- 20 knalpatronen (merk Sellier en Bellot)

en een wapen van categorie II Wet wapens en munitie, te weten

- spuitbus pepperspray (merk SAPL)

voorhanden heeft gehad;

5.

op 18 april 2009 te Maastricht tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad in een garagebox (nummer 23) aan de [adres] aldaar, 23,1 gram en 24,3 gram van een materiaal bevattende cocaïne.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. [verdachte] zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. [verdachte] is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid

4.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

Feit 1: medeplegen van het misdrijf om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden door een ander trachten te bewegen om dat feit mede te plegen;

Feit 2: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

Feit 3: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid van de Opiumwet;

Feit 4: medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met een wapen van categorie II en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd;

Feit 5: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

4.2 De strafbaarheid van verdachte

[verdachte] is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de onrechtmatigheden met betrekking tot de OVC-gesprekken en het bevel tot stelselmatige observatie moeten leiden tot strafvermindering.

De verdediging verzoekt de rechtbank om [verdachte] bij strafoplegging te veroordelen tot een gevangenisstraf waarbij het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het tot nu toe ondergane voorarrest.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft - bij het opleggen van de straf - rekening gehouden met de ernst van de bewezenverklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd heeft de rechtbank in het bijzonder het navolgende overwogen.

[verdachte] heeft met zijn mededaders actief meegewerkt aan het instandhouden van een netwerk waarbinnen grote hoeveelheden harddrugs werden verhandeld. Dat deze drugs grote schade teweegbrengen aan de gezondheid van personen, behoeft geen betoog.

[verdachte] heeft er bovendien voor gezorgd door met zijn mededaders te opereren in de grensstreek, dat veelal buitenlandse kopers van drugs deze afnamen en daartoe vanuit Frankrijk, Luxemburg of Duitsland naar Nederland kwamen. Zulks leidt tot spanningen in het grensgebied zelf en zet tevens de internationale betrekkingen onder druk.

Daar komt nog bij dat gebleken is dat de verkochte en geleverde hoeveelheden drugs van dien omvang waren, dat niet gesproken kan worden van hoeveelheden voor eigen gebruik. Zo werden regelmatig hoeveelheden van honderd gram of meer geleverd. Hierdoor hebben [verdachte] en zijn mededaders ook het handelen in en verkopen van drugs in het buitenland -met alle schadelijke neveneffecten van dien- gefaciliteerd.

Nu de rechtbank reeds heeft geoordeeld dat verdachte geen nadeel heeft ondervonden als gevolg van de onjuiste tenaamstelling op de vorderingen en machtigingen met betrekking tot de OVC-gesprekken en van het bevel tot stelselmatige observatie, zal de rechtbank daarmee in de strafmaat ook geen rekening houden.

Uit het reclasseringsrapport d.d. 9 juli 2009 blijkt dat de reclassering geen mogelijkheden ziet voor toezicht door de reclassering, nu [verdachte] aangeeft dat hij hier niet voor gemotiveerd is. De rechtbank zal hier bij de strafoplegging rekening mee houden.

De rechtbank heeft bij de op te leggen straf rekening gehouden met de iets geringere rol die [verdachte] had in de organisatie in vergelijking met andere leden. [verdachte] heeft zelf geen leidinggevende rol in de organisatie gehad. Hij werd door anderen aangestuurd om naar de afgesproken plaatsen te rijden, alwaar de drugsdeals plaatsvonden. Hij heeft zelf geen telefonisch contact gehad met buitenlandse afnemers.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie.

6 Het beslag

6.1 De verbeurdverklaring

De rechtbank acht het hierna genoemde in beslag genomen voorwerp vatbaar voor verbeurdverklaring, te weten:

- een mobiele telefoon, merk Nokia 6300, telefoonnummer [telefoonnummer 9].

Gebleken is dat dit voorwerp aan verdachte toebehoorde en de strafbare feiten begaan zijn met behulp van dit voorwerp.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 10a en 11a van de Opiumwet en artikel 55 van de Wet wapens en munitie zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1: medeplegen van het misdrijf om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden door een ander trachten te bewegen om dat feit mede te plegen;

Feit 2: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

Feit 3: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid van de Opiumwet;

Feit 4: medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met een wapen van categorie II en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd;

Feit 5: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart verbeurd het volgende inbeslaggenomen voorwerp, te weten:

- een mobiele telefoon, merk Nokia 6300, telefoonnummer [telefoonnummer 9].

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Bender, voorzitter, mr. J.W. Veenendaal en mr. V. van Dam, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.B. Spaargaren, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 23 oktober 2009.