Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BK1546

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
28-10-2009
Datum publicatie
29-10-2009
Zaaknummer
254433 / HA ZA 08-1833 ; 261077 / HA ZA 09-179
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2011:BR4200, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In de hoofdzaak staat de vraag centraal of de psychiater onzorgvuldig heeft gehandeld jegens zijn voormalig patiente (o.a. door in het kader van de therapie haar borsten en vagina aan te raken) en daarom op grond van 6:162 BW schadeplichtig is. Verhouding eerdere uitspraken van de tuchtrechter en civielrechtelijke aansprakelijkheid.

Daarnaast vrijwaringszaak waarin de psychiater een beroep doet op zijn verzekeringen voor beroepsaansprakelijkheid. Handelen in hoedanigheid van psychiater of niet. Opzetclausule.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 448
Burgerlijk Wetboek Boek 7 450
Burgerlijk Wetboek Boek 7 454
Burgerlijk Wetboek Boek 7 453
Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg
Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg 47
Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg 96
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GJ 2010/19
NJF 2009, 506

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

Vonnis in hoofdzaak en vrijwaring van 28 oktober 2009

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 254433 / HA ZA 08-1833 van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. R. Schoemaker,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. J.W.A. van Dommelen,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 261077 / HA ZA 09-179 van

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. J.W.A. van Dommelen,

tegen

1. de naamloze vennootschap

NATIONALE NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. J.M. van Noort,

2. de naamloze vennootschap

DELTA LLOYD GROEP PARTICULIEREN SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Arnhem,

gedaagde,

advocaat mr. M.C. Franken-Schoemaker.

Partijen zullen hierna [eiseres], [gedaagde], Nationale Nederlanden en Delta Lloyd genoemd worden.

1. De procedure in de hoofdzaak

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 8 april 2009;

- het proces-verbaal van comparitie van 17 september 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De procedure in de vrijwaringszaak

2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 29 april 2009;

- het proces-verbaal van comparitie van 17 september 2009.

2.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

3. De feiten

3.1. [eiseres] is voor een Dissociatieve Identiteit Stoornis (DIS) of/althans een Meervoudige Persoonlijkheidsstoornis (MPS) en langdurige incest problematiek van 1989 tot 2006 in behandeling geweest bij [gedaagde] in zijn hoedanigheid als psychiater. Vanaf 1991 paste [gedaagde] bij haar de zogenoemde tactiele bevestigingstherapie toe. Als onderdeel daarvan heeft [gedaagde] frequent de borsten en vagina van [eiseres] aangeraakt en moest

[eiseres] zijn ontblote penis vasthouden.

3.2. [eiseres] kwam gemiddeld één keer per week naar de praktijk van [gedaagde]. De behandelingen vonden meestal in de avond plaats en duurden twee tot drie uur. In totaal heeft [gedaagde] [eiseres] meer dan 3000 behandelingen gegeven. Soms behandelde hij haar gratis.

3.3. Daarnaast was [eiseres] onder behandeling van een creatieve therapeute, die samenwerkte met [gedaagde]. Haar praktijkruimte was in hetzelfde gebouw gevestigd als de praktijk van [gedaagde].

3.4. [eiseres] woont op 15 kilometer afstand van de praktijk van [gedaagde].

3.5. In 2004 is [eiseres] voor een second opinion verwezen naar mevrouw S.A. Boon, psychotherapeut en DIS-deskundige. In een brief van 15 juli 2004 schrijft zij onder meer het volgende aan [eiseres].

“Ten aanzien van de diagnostiek gaf u aan twijfel te hebben over de diagnose Dissociatieve identititeitsstoornis (DIS) en u gaf ook aan dat u zich, ondanks jarenlange behandeling eigenlijk steeds slechter gaat voelen.

(…)

De diagnose DIS:

(…) Ik kom tot de conclusie dat ik de diagnose dissociatieve identiteitsstoornis bevestig (…)

De behandeling:

U bent, met twee onderbrekingen, al jarenlang onder behandeling bij dr. [gedaagde]. Ik krijg de indruk dat er sprake is van een grote inzet van beide kanten ondanks het feit dat er zich soms forse problemen voordoen in de therapeutische relatie, waarbij door delen van u bepaalde grenzen werden overschreden.

Ik heb slechts zeer summiere informatie gekregen van uw behandelaar.

In het gesprek met u heb ik de indruk gekregen dat een aantal zeer essentiële stappen in de behandeling niet of onvoldoende hebben plaatsgevonden. Een behandeling van DIS is fasengericht en bestaat doorgaans uit verschillende, zich soms herhalende fasen. Allereerst start men altijd met een fase gericht op stabilisatie. Het belangrijkste doel in die fase is het creëren van imaginaire “veilige plekken” voor angstige en boze delen, en voor alle jongere delen die herinneringen en gevoelens bewaren over vroeger, maar nu in het dagelijkse leven soms op de voorgrond staan (o.a. tijdens herbelevingen, of als er opeens een situatie doet denken aan vroeger, of als men mensen van vroeger weer ziet etc.). Daarnaast is het van groot belang om een innerlijke samenwerking tot stand te brengen tussen u en de deelpersoonlijkheden, waarbij ook de delen die de boosheid bewaren betrokken worden. Meestal ontstaat die samenwerking nadat delen (en juist ook de delen die de boosheid bewaren) eerst een werkrelatie met de behandelaar hebben ontwikkeld, daarna kan je geleidelijk aan ook meer “met jezelf” een betere verstandhouding krijgen.

Ik heb sterk de indruk dat dit nog niet het geval is in uw situatie. U beschrijft mij dat er eigenlijk nog nauwelijks contact is tussen u en delen in uw binnenwereld. Ook vertelt u dat een aantal delen (nog) niet bij de behandeling zijn betrokken of de beleving hebben niet bij dr. [gedaagde] te mogen komen.(…)

Dr. [gedaagde] heeft mij geschreven dat er heel veel is verwerkt aan traumatische herinneringen. Ik heb de indruk dat er geen sprake is van verwerking, wel dat mogelijk veel deelpersoonlijkheden los van elkaar veel hebben verteld over vroeger en over traumatische gebeurtenissen. Maar vertellen is geen verwerken en een verwerkingsfase kan ook alleen slagen als alle delen, juist ook de delen die de boosheid bewaren hierbij betrokken zijn. Er is veel gepubliceerd over wat dan nodig is om verwerking tot stand te brengen bij cliënten met DIS. Het komt erop neer dat u samen met alle betrokken deelpersoonlijkheden als het ware de traumatische episodes en alle gevoelens op een gestructureerde manier opnieuw beleeft en de gevoelens met elkaar deelt of samenvoegt. Dit gebeurt in aanwezigheid en onder leiding van de behandelaar die tot steun is, maar ook de cliënt in het “nu” houdt. Als dat goed gebeurt, kunnen alle klachten zoals u die thans omschrijft verdwijnen (angst, paniek, woede, schuld en schaamte).

Echter veel vertellen – zonder verwerken - kan juist maken dat je je geleidelijk aan steeds slechter gaat voelen. De dissociatieve overlevingsstrategie brokkelt van binnen af, maar helaas ga je dan steeds meer voelen zonder dat de pijn, boosheid, angst echt is opgelost. En dan moet je weer meer dissociëren, maar komt er ook meer somberheid en machteloosheid.

Ik heb het vermoeden dat dat bij u aan de hand is. (…)

Ik heb begrepen dat u momenteel bezig bent met herinneringen uit de babytijd en ik moet u zeggen dat dat een ongebruikelijke werkwijze is. Het zou kunnen dat u daardoor nog sterker uit uw evenwicht raakt. Het lijkt mij van belang dit met uw behandelaar te bespreken.

Meer in het algemeen wil ik u zeggen dat de gedachten over de behandeling van DIS de laatste 15 jaar sterk zijn gewijzigd. Eind jaren tachtig waren behandelingen meer gericht op traumaverwerking dan volgens de huidige opvattingen. Er wordt thans nog niet gewerkt aan traumata uit het verleden als er niet een goede werkrelatie is met alle deelpersoonlijkheden en als de stabilisatiefase niet goed is afgerond. Veel cliënten komen nooit toe aan de fase van traumaverwerking, maar bereiken wel veel meer stabiliteit en rust en controle in het dagelijkse leven.

Ik ken uw behandelaar niet en weet niet in welke mate hij zich heeft gespecialiseerd in de behandeling van DIS en op de hoogte is van de huidige ontwikkelingen en gedachten.

Er is kort besproken of het wenselijk zou zijn dat u naar een andere therapeut zou gaan, die wellicht meer is gespecialiseerd op het gebied van de behandeling van de dissociatieve identiteitsstoornis. In Zeist bestaat een praktijk van verschillende vrouwelijke therapeuten met heel veel ervaring op dit gebied. Echter u bent erg gehecht geraakt aan

dr. [gedaagde] en dat zou betekenen dat u zou moeten wennen aan een andere therapeut en afscheid zou moeten nemen van hem. (…).

Ik zal een kopie van deze brief aan hem toesturen (…)”

3.6. Eind 2004 is [gedaagde] gestopt met de tactiele bevestigingstherapie en de aanrakingen bij [eiseres].

3.7. Op 13 februari 2006 heeft [eiseres] de behandelrelatie met [gedaagde] verbroken.

3.8. Het handelen van [gedaagde] is aan het Regionaal Medisch Tuchtcollege te Amsterdam voorgelegd. Dit college heeft in haar uitspraak van 15 mei 2007 bepaald dat de klacht van [eiseres] in al haar onderdelen gegrond was en heeft een levenslange schorsing aan [gedaagde] opgelegd. In de uitspraak van het Regionaal Medisch Tuchtcollege is onder meer het volgende opgenomen.

“3. Het standpunt van klaagster en de klacht.

(…)

De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerder:

1. klaagster niet heeft behandeld volgens de in de psychiatrie en psychotherapie geldende en door de beroepsgroep aanvaarde normen;

2. op onzorgvuldige wijze het medisch dossier heeft bijgehouden;

3. zich schuldig gemaakt aan seksueel grensoverschrijdend gedrag.

(...)

5. De overwegingen van het college.

Ad 1:

Vast staat dat klaagster in behandeling is gekomen bij verweerder wegens depressie en overmatig medicijngebruik. Gaandeweg is verweerder tot de overtuiging gekomen dat bij klaagster sprake was van een dissociatieve stoornis (destijds een meervoudige persoonlijkheidsstoornis (M.P.S.) genoemd). Op grond waarvan verweerder tot deze diagnose is gekomen, is het college ook na behandeling ter zitting onduidelijk gebleven. Verweerder heeft in de vele jaren dat hij klaagster onder behandeling heeft gehad geen psychiatrisch onderzoek verricht. Evenmin heeft hij bij aanvang of tijdens de behandeling een diagnose met gebruikmaking van de DSM-classificatie gesteld. (…)

Verweerder is bij zijn behandeling ervan uitgegaan dat klaagster ritueel was misbruikt en dat zij door te schrijven en te praten over de traumatische gebeurtenissen deze zou kunnen verwerken. Daarnaast leed klaagster volgens verweerder aan een affectieve verwaarlozing en een ernstige hechtingsstoornis die werd behandeld door toepassing van de tactiele bevestigingstherapie. Ook werd klaagster volgens verweerder voortdurend bedreigd en in de gaten gehouden door de daders van het rituele misbruik. Deze factoren tezamen waren volgens verweerder de reden om een veilige plek voor klaagster te creëren en haar te behandelen op de wijze waarop hij dat heeft gedaan.

Deze vorm van behandeling kan naar het oordeel van het college niet volgens de in de tachtiger en negentiger jaren geldende inzichten en evenmin naar de nu geldende professionele standaard worden aangemerkt als een adequate behandeling voor de stoornissen waaraan verweerder meende dat klaagster leed. Zowel de diagnose en de keuze van de behandeling lijken in plaats van gebaseerd op deugdelijk psychiatrisch onderzoek veeleer voort te vloeien uit de preoccupatie van verweerder met (satanisch) ritueel misbruik en de in de tachtiger en negentiger jaren ontwikkelde theorie dat slachtoffers van ritueel misbruik een meervoudige persoonlijkheidsstoornis kunnen ontwikkelen. Volgens deze (overigens altijd omstreden gebleven) theorie kunnen personen bij wie trauma’s in de kindertijd zijn ontstaan niet meer normaal functioneren wanneer zij volwassen zijn geworden. Ten einde te overleven, zouden deze personen de herinnering aan de traumatische ervaringen via het dissociatie-mechanisme afscheiden van het bewustzijn. De gedissocieerde herinneringen zouden zich vervolgens op latere leeftijd weer manifesteren in de gedaante van steeds wisselende alter ego’s.

Aan het verwijt dat de wijze waarop deze diagnose is gesteld en de keuze van de behandeling evenmin de toets der kritiek niet kunnen doorstaan, kan worden toegevoegd dat de effectiviteit van de door verweerder ingezette behandeling nooit door hem tussentijds is geëvalueerd. In zijn verweer heeft hij gesteld dat hij is afgegaan op klaagsters eigen verklaring dat zij baat had bij de therapie. Ofschoon het college erkent dat de beleving van de patiënt een redelijke graadmeter is voor het succes van een psychotherapie, kan deze subjectieve beleving echter niet van doorslaggevende betekenis zijn voor het professionele oordeel. Ervan uitgaande dat klaagster zich positief over de resultaten van de behandeling heeft uitgelaten, dan nog had het op de weg van verweerder gelegen om zelfstandig onderzoek te verrichten om zodoende objectief te kunnen beoordelen of de behandeling al dan niet aansloeg. Ook is verweerder te verwijten dat hij gedurende de vele jaren dat klaagster bij hem kwam geen initiatief heeft genomen om de ontwikkelingen in de psychiatrie en psychotherapie in het algemeen en op het gebied van behandelingsmogelijkheden voor DIS in het bijzonder bij te houden. Verweerder volgde zoals hij immers zelf heeft verklaard geen bij- of nascholing op zijn vakgebied en liet zich niet inter- of superviseren door collega-psychiaters of collega-psychotherapeuten.

Ook met betrekking tot de intensiteit van de therapie waarbij verweerder klaagster op ongebruikelijke tijden ontving, haar ook buiten de consulten toeliet in zijn praktijk, vrijwel continue telefonisch bereikbaar voor haar was haar briefkaarten stuurde wanneer een van hen met vakantie was, heeft verweerder zich ver buiten de kaders van goed hulpverlenerschap begeven en een gebrek aan professionele distantie laten zien.

Hij heeft als rechtvaardigingsgrond voor de ongebruikelijke wijze waarop hij klaagster heeft behandeld onder meer aangevoerd dat hij zich voor het dilemma van Heinz gesteld zag. Verweerder doelde hiermee op de keuze waarvoor hij zich voelde staan, te weten klaagster behandelen op een onconventionele wijze of haar in levensgevaar brengen. Verweerder heeft in dit verband gewezen op een gevaar voor suïcide en ook heeft hij gesuggereerd dat daders van ritueel misbruik het op klaagster hadden gemunt en dat hij haar hiervoor bescherming moest bieden. Het college kan verweerder hierin, gelet op de omstandigheid dat andere meer voor de hand liggende wegen voor hem openstonden, niet volgen. Bij een reëel gevaar voor zelfdoding had hij immers kunnen overwegen om klaagster, desnoods gedwongen, op te laten nemen in een psychiatrisch ziekenhuis en voor zover hij een misdrijf vreesde, had hij klaagster kunnen adviseren om de politie op de hoogte te brengen dan wel had hij dit onder omstandigheden zelf kunnen doen. Van een rechtvaardiging om klaagster te behandelen op deze zeer ongebruikelijke wijze kan dan ook geen sprake zijn. Daarnaast heeft verweerder toen hij het verslag kreeg van de second opinion van Boon de kans laten lopen om zich te beraden over zijn behandelmethode. Hij had immers contact kunnen opnemen met de DIS-deskundige Boon om met haar haar bevindingen te bespreken en haar om advies kunnen vragen. Op die wijze had hij zich toetsbaar kunnen opstellen en zijn dilemma aan haar kunnen voorleggen. Ook hier heeft verweerder een gebrek aan kritisch vermogen getoond ten opzichte van zijn eigen werk dat exemplarisch lijkt te zijn voor zijn gehele werkwijze. Verweerder is dan ook naar het oordeel van het college in de volle breedte te kort geschoten in zijn plicht jegens klaagster haar te behandelen conform de in zijn beroepsgroep aanvaarde professionele normen. Dit klachtonderdeel is derhalve gegrond.

Ad 2:

Het medisch dossier is weliswaar lijvig maar bestaat voornamelijk uit vaak slecht leesbare korte aantekeningen (soms voorzien van tekeningen) van de gesprekken die tussen klaagster en verweerder hebben plaatsgevonden. Een professionele analyse, beoordeling of diagnose ontbreekt ten enenmale. Zoals reeds onder Ad 1 is opgemerkt is er evenmin een behandelplan op schrift gesteld. Daar komt nog bij dat in de aantekeningen van enige reflectie van de worsteling, die verweerder heeft verklaard te hebben gehad met zijn naar zijn zeggen lastige claimende patiënte die storend gedrag jegens hem en anderen in zijn praktijk vertoonde waar hij zoals onder Ad 1 uiteengezet zich gesteld voelde voor een duivels dilemma, in het dossier niets terug te vinden is.

Juist bij een dergelijke langdurige behandeling is het van belang om tussentijds een samenvatting te maken van de bevindingen, deze regelmatig te evalueren en hiervan verslag te doen. Zonder dergelijke periodieke evaluaties is het medisch dossier voor eventuele opvolgende behandelaars niet of slecht toegankelijk en daardoor niet overdraagbaar. Ook van de gevoelens van tegenoverdracht die kennelijk tijdens de behandeling zijn ontstaan had aantekening moeten worden gemaakt. Al met al is de dossiervorming van verweerder volstrekt onvoldoende geweest en is verweerder ook op dit punt in zijn professionele handelen ver onder maat gebleven.

Ad 3:

Verweerder heeft erkend dat hij de vagina en borsten van klaagster heeft betast. Wat betreft de overige verweten grensoverschrijdende handelingen, de frequentie daarvan en omstandigheden waaronder deze handelingen werden verricht heeft verweerder deze onvoldoende weersproken. Dat verweerder hierbij uit compassie en niet uit passie heeft gehandeld zoals hij heeft gesteld, is niet aannemelijk geworden. Daarmee is komen vast te staan dat hij klaagster gedurende vele jaren seksueel heeft misbruikt. Deze zware kwalificatie voor het handelen van verweerder wordt ingegeven door de omstandigheid dat hij willens en wetens zich aan klaagster vergreep terwijl hij zich er van bewust was, dan wel had moeten zijn, dat klaagster zich gedurende de behandelperiode steeds sterker emotioneel afhankelijk van hem was gaan voelen. In plaats van het creëren van een professionele afstand bij de eerste signalen van deze in een psychotherapeutische verhouding ongewenste ontwikkeling, bleef verweerder te allen tijde voor haar beschikbaar en bond haar door de zogenoemde tactiele bevestigingstherapie steeds meer aan zich.

Het is het college eveneens gebleken dat gedurende de vele jaren dat klaagster in therapie was bij verweerder zij steeds verder afgedreven werd van haar gezin waarin zij de zorg had voor nog jonge kinderen. Klaagster verbleef immers vaak en op ongebruikelijke tijden in verweerders huis en leefde met een geheim mede jegens haar echtgenoot dat zij moeilijk met hem kon delen. Het college acht het eveneens onaanvaardbaar dat hij haar diep in de nacht, na vaak emotionele sessies, alleen naar haar 15 kilometer verderop gelegen huis liet gaan. Dit klemt des temeer daar hij zelf ter verdediging van zijn behandelwijze heeft aangevoerd dat klaagster naar zijn mening om verschillende redenen gevaar liep.

Het college is dan ook van oordeel dat verweerder ernstige schade heeft toegebracht aan klaagster en haar gezin en dat hij op geen enkel moment getoond heeft inzicht te hebben in de gevolgen van zijn handelswijze. Dit laatste wordt geïllustreerd door zijn slotwoord ter terechtzitting waarin hij heeft verklaard dat hij zich niet herkende in het beeld dat klaagster van hem heeft geschetst en waarin hij zijn ontkenning heeft volgehouden dat hij zijn macht als hulpverlener in zijn relatie tot zijn patiënte heeft misbruikt.

De conclusie van het voorgaande is dat de klacht in al haar onderdelen gegrond is. Verweerder heeft gehandeld in strijd met de zorg die hij ingevolge artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg jegens patiënte had behoren te betrachten.

Het college beoordeelt de grensoverschrijdende handelswijze van verweerder zodanig ernstig is dat uit het oogpunt van normbevestiging mede gelet op de overige hierboven genoemde grove tekortkomingen in het professionele handelen van verweerder alleen de na te melden maatregel passend en toereikend is te achten.

(…)

6. De beslissing.

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg haalt de algehele inschrijving van verweerder in het register ex artikel 3 van de Wet op de Beroepen in de individuele gezondheidszorg door.”

3.9. Bij brief van 18 mei 2007 heeft [eiseres] [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de uit de behandeling/behandelmethode voortvloeiende schade, maar [gedaagde] heeft deze aansprakelijkheid niet erkend.

3.10. [gedaagde] is van de beslissing van het Regionaal Medisch Tuchtcollege in hoger beroep gekomen bij het Centraal Medisch Tuchtcollege, die het oordeel van het Regionaal Medisch Tuchtcollege bij uitspraak van 1 juli 2008 heeft bevestigd. In de uitspraak van het Centraal Medisch Tuchtcollege is onder meer het volgende opgenomen.

“Beoordeling

4.4 Verweerder heeft geen gronden aangevoerd tegen de gegrondbevinding van onderdelen 1. (verweerder heeft klaagster niet behandeld volgens de in de psychiatrie en psychotherapie geldende en door de beroepsgroep aanvaarde normen) en 2. (verweerder heeft op onzorgvuldige wijze het medisch dossier bijgehouden) van de in overweging 3. van de beslissing in eerste aanleg weergegeven klacht. Het Centraal Tuchtcollege kan zich geheel vinden in hetgeen het Regionaal Tuchtcollege dienaangaande heeft overwogen. Beide klachtonderdelen zijn derhalve gegrond.

4.5 Met betrekking tot het derde klachtonderdeel –het zich schuldig maken aan seksueel grensoverschrijdend gedrag - heeft verweerder ter zitting aangevoerd dat hij dit gedrag als zodanig niet ontkent maar dat dit zijn rechtvaardiging vindt in de door hem toegepaste tactiele bevestigingstherapie en dat de beroepscode voor psychotherapeuten ook ruimte biedt voor dit gedrag. Verweerder heeft daarbij gewezen op het bepaalde aan het slot van regel II.5.3 van de beroepscode:

“Aanrakingen met een seksueel karakter (verricht in het kader van een behandeling) zullen doorgaans één of meer van deze principes schenden. Als een psychotherapeut meent dat in zijn geval de laatste zin niet geldt, dan rust op zijn schouders de verplichting om dat aannemelijk te maken”.

4.6 Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat verweerder de door hem aangehaalde passage van de beroepscode uit zijn verband trekt door geen acht te slaan op het daarvoor geformuleerde verbod. De regels II.5.1.1 tot en met II.5.3 van de beroepscode zijn opgenomen onder het kopje “Verbod van seksueel gedrag”. Regel II.5.1.2 luidt: “Het in art. II.1.1.1 genoemde verbod om een andere relatie met de cliënt te hebben dat een behandelrelatie houdt onder meer het verbod in de cliënt op een zodanige wijze verbaal of non-verbaal te bejegenen dat, naar redelijke verwachting, de cliënt en/of de psychotherapeut deze bejegening als seksueel van aard zal ervaren.”

Niet in geschil is dat het betasten van de borsten en vagina van klaagster seksuele handelingen/aanrakingen zijn welke de beroepscode verbood. Dat verweerder daarbij uit compassie en niet uit passie handelde, zoals hij zelf bij herhaling stelt, is niet relevant voor het antwoord op de vraag of verweerder in strijd met dat verbod heeft gehandeld. Aan het bepaalde in regel II.5.3 wordt niet toegekomen reeds omdat van een zogenoemd informed consent geen sprake was. Klaagster is door verweerder nimmer ingelicht over de aard van de behandeling, laat staan dat seksuele handelingen/aanrakingen daarvan deel uitmaakten. Zoals zij zelf heeft aangegeven heeft het gedrag van verweerder bij haar tot verwarring geleid, te meer nu verweerder had aangegeven dat zij er met niemand over mocht praten. Verweerder heeft dit niet weersproken.

Het Centraal Tuchtcollege is evenals het Regionaal Tuchtcollege van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat verweerder zich gedurende vele jaren schuldig heeft gemaakt aan seksueel grensoverschrijdend gedrag en dat dit gedrag als seksueel misbruik gekwalificeerd moet worden omdat verweerder zich er bewust van was, dan wel had moeten zijn, dat klaagster zich gedurende de lange behandelperiode steeds sterker emotioneel afhankelijk van hem was gaan voelen. Hetgeen verweerder in beroep heeft aangevoerd heeft voorts niet geleid tot andere bevindingen dan die door het Regionaal Tuchtcollege in zijn beslissing op dit onderdeel zijn weergegeven. Ook het derde klachtonderdeel is gegrond.

4.7 Wat de opgelegde maatregel betreft overweegt het Centraal Tuchtcollege als volgt. De ernstige tekortkomingen in het professionele handelen, de ernst en duur van de seksueel grensoverschrijdende gedragingen en het gevaar voor recidive, brengen het Centraal Tuchtcollege tot het oordeel dat de zware maatregel van doorhaling van de algehele inschrijving passend en geboden is.

Het gevaar voor recidive leidt het Centraal Tuchtcollege af uit de houding van verweerder.

Ter zitting heeft verweerder geen enkel inzicht getoond in de kwetsbare positie van klaagster als patiënte ten opzichte van hem, haar behandelaar. In zijn beleving is deze relatie een gelijkwaardige. Verweerder beschouwt zichzelf als slachtoffer en stelt dat het enige verwijt dat hem kan worden gemaakt is dat hij wat naïef is geweest. Verweerder stelt zich voorts niet toetsbaar op. Hij geeft aan dit wel te willen maar dat dit niet mogelijk is omdat er geen psychiater/psychotherapeut te vinden is die zijn behandelmethode begrijpt. Verweerder geeft er geen blijk van over kritisch vermogen te beschikken.

Verweerder acht wat zijn behandelmethode betreft – de tactiele bevestigingstherapie- niet de professionele standaard maar zijn eigen intenties –compassie- maatgevend en meent daarvoor steun te vinden in de beroepscode voor psychotherapeuten. Deze houding rechtvaardigt de vrees dat verweerder op de ingeslagen weg zal doorgaan. Dat het merendeel van zijn patiënten tevreden over hem is, dat hij gestop is met de tactiele bevestigingstherapie (mede op last van de rechter-commissaris hangende het strafrechtelijk onderzoek) en dat hij voornemens is de suggesties van de Inspectie voor de Gezondheidszorg op te volgen, nemen die vrees niet weg en maken niet dat met een lichtere maatregel kan worden volstaan.

4.8 het beroep is ongegrond en zal worden verworpen.”

3.11. [gedaagde] is van 6 augustus 1985 tot 1 april 1994 tegen beroepsaansprakelijkheid verzekerd geweest bij Delta Lloyd. In de bijbehorende polisvoorwaarden is onder meer het volgende opgenomen.

“ARTIKEL 7 ALGEMENE UITSLUITINGEN

Uitgesloten is schade door of ontstaan uit:

(…)

c. opzet of met goedvinden van verzekerde, verzekeringnemer of belanghebbende.

Onder schade door opzet wordt verstaan: schade die het beoogde doel, dan wel het zekere of te verwachten gevolg, is van een bepaald handelen of nalaten.”

3.12. [gedaagde] heeft vanaf 1 april 1994 een beroepsaansprakelijkheidsverzekering gehad bij Nationale Nederlanden. Na de uitspraak van het Centraal Medisch Tuchtcollege heeft Nationale Nederlanden de polis opgezegd. In zowel de polisvoorwaarden zoals die bij het afsluiten van deze verzekering golden als de vanaf 21 mei 1997 geldende polisvoorwaarden is een opzetclausule opgenomen die als volgt luidt:

“Niet gedekt is de aansprakelijkheid van een verzekerde voor schade die voor hem het beoogde of zekere gevolg is van zijn handelen of nalaten”

3.13. [gedaagde] heeft in verband met de aansprakelijkstelling door

[eiseres] een beroep op beide verzekeringen gedaan, maar Delta Lloyd en Nationale Nederlanden hebben beiden de dekking op de polis voor beroepsaansprakelijkheid afgewezen.

4. Het geschil

in de hoofdzaak

4.1. [eiseres] vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen om aan [eiseres], tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te voldoen een bedrag van in totaal € 205.000,-, te weten € 55.000,- voor de geleden materiële schade (kosten voor therapie en reiskosten) en € 150.000,- voor de geleden immateriële schade (smartengeld), vermeerderd met de wettelijke rente over het bedrag van € 205.000,- vanaf 29 november 1998 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit geding.

4.2. [gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering.

4.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in de vrijwaringszaak

4.4. [gedaagde] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zo mogelijk gelijktijdig met het in de hoofdzaak te wijzen vonnis, Nationale Nederlanden en Delta Lloyd hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [gedaagde] van al datgene, waartoe [gedaagde], als gedaagde in de hoofdzaak tegen [eiseres], mocht worden veroordeeld, met veroordeling van Nationale Nederlanden en/of Delta Lloyd in de kosten van het geding.

4.5. Delta Lloyd en Nationale Nederlanden voeren afzonderlijk verweer en concluderen beiden tot afwijzing van de vordering.

4.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling

in de hoofdzaak

Onzorgvuldig handelen

5.1. [eiseres] heeft de aansprakelijkheid van [gedaagde] gebaseerd op de stelling dat [gedaagde] in zijn hoedanigheid van psychiater onzorgvuldig jegens haar heeft gehandeld en daarom op grond van artikel 6:162 BW schadeplichtig is. De vraag die derhalve allereerst beantwoord dient te worden is of [gedaagde] in zijn hoedanigheid van psychiater inderdaad onzorgvuldig heeft gehandeld jegens [eiseres]. Voor de beoordeling van die vraag is de maatstaf of [gedaagde] heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend psychiater in gelijke omstandigheden mocht worden verwacht (HR 9 november 1990, NJ 1991/26).

5.2. [eiseres] beroept zich allereerst op de uitspraken van het Regionaal Medisch Tuchtcollege en het Centraal Medisch Tuchtcollege, waarin is geoordeeld dat [gedaagde] in strijd heeft gehandeld met de zorg hij op grond van artikel 47 Wet BIG jegens haar had moeten betrachten. Verder betoogt zij dat [gedaagde] onzorgvuldig jegens haar heeft gehandeld doordat zijn handelen in strijd is met artikel 7:448 BW (inlichtingenplicht van de hulpverlener), artikel 7:450 BW (toestemming patiënt vereist het voor uitvoeren verrichtingen), artikel 7:454 BW (inrichten medisch dossier), artikel 7:453 BW (goed hulpverlenerschap) en artikel 96 Wet BIG (strafbepaling voor het buiten de grenzen van zijn gebied van deskundigheid treden waardoor (een aanmerkelijke kans op) schade aan de gezondheid van een ander wordt veroorzaakt).

5.3. [gedaagde] betwist dat hij in strijd met enige wettelijke bepaling heeft gehandeld. Hij betoogt dat het Centraal Medisch Tuchtcollege weliswaar heeft geoordeeld dat zijn behandelmethode in strijd is met de geldende professionele standaard, maar dat dat nog niet betekent dat de civielrechtelijke aansprakelijkheid vaststaat. De tuchtrechter toetst immers volgens hem aan een andere, tuchtrechtelijke norm. [gedaagde] verwijst (onder meer) naar het arrest van de Hoge Raad van 10 januari 2003 (NJ 2003/537) waarin volgens hem bepaald is dat de tuchtrechtelijke procedure niet tot doel heeft civielrechtelijke aansprakelijkheid van de beroepsbeoefenaar vast te stellen. Verder verwijst [gedaagde] naar de artikelen II.5.1 tot en met II.5.3 van de beroepscode van psychotherapeuten. Het laatste artikellid laat volgens hem in bijzondere gevallen ruimte voor aanraking. De aanrakingen die tijdens de behandelingen plaatsvonden vielen volgens hem onder het begrip “tactiele bevestiging”.

5.4. De rechtbank neemt bij de beantwoording van de vraag wat in dit geval het belang is van de uitspraken van het Regionaal Medisch Tuchtcollege en het Centraal Medisch Tuchtcollege het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2002 (NJ 2003/151) als uitgangspunt. In dat arrest is bepaald dat de rechter -indien hij bij de beoordeling van medisch handelen van een arts komt tot een oordeel dat afwijkt van het oordeel dat de tuchtrechter heeft gegeven naar aanleiding van een klacht over datzelfde medisch handelen- zijn oordeel zodanig dient te motiveren dat dit, ook in het licht van de beoordeling door de tuchtrechter, voldoende begrijpelijk is. Dit arrest van de Hoge Raad had betrekking op een uitspraak van de tuchtrechter onder het “oude” tuchtrecht, waarbij -overeenkomstig de toen geldende tuchtnormen- was getoetst of er door het handelen van de arts sprake was van ondermijning van het vertrouwen in de stand der geneeskundigen, ernstige schade veroorzakende nalatigheid of grove onkunde. De uitspraken van het Regionaal Medisch Tuchtcollege en het Centraal Medisch Tuchtcollege in de onderhavige zaak zijn gewezen onder het “nieuwe” tuchtrecht, waarbij is getoetst of de arts ([gedaagde]) door zijn handelen of nalaten in strijd heeft gehandeld met de zorg die van een redelijk bekwaam beroepsgenoot jegens patiënten mag worden verwacht. Deze norm is neergelegd in artikel 47 lid 1 Wet BIG. Deze norm komt veel meer dan de oude tuchtrechtelijke norm overeen met de in rechtsoverweging ?5.1 omschreven norm waaraan het handelen van een arts door de civiele rechter beoordeeld dient te worden. Strijd met de huidige tuchtrechtelijke norm leidt dan ook eerder dan voorheen tot het oordeel van civielrechtelijke aansprakelijkheid.

5.5. Hetgeen hiervoor overwogen is betekent niet dat de civiele rechter zich geen zelfstandig oordeel meer behoeft te vormen over de onzorgvuldigheid van het handelen van een arts, maar wel dat bij dit oordeel grote betekenis toekomt aan het oordeel van de tuchtrechter. Het tuchtcollege wordt immers geacht medische expertise in zich te hebben die de rechtbank (in de regel) ontbeert, maar welke expertise wel vereist is om tot een juiste oordeelsvorming te komen. Het betekent ook dat aan de stelplicht van een arts hoge eisen mogen worden gesteld wanneer een tuchtrechtelijke klacht tegen een arts gegrond verklaard is, maar die arts in de civiele procedure aanvoert dat desalniettemin van onzorgvuldig handelen geen sprake is geweest. In het licht van dat toetsingskader overweegt de rechtbank als volgt.

5.6. Uit de uitspraak van het Regionaal Medisch Tuchtcollege komt ondubbelzinnig en goed gemotiveerd naar voren dat [gedaagde] onzorgvuldig heeft gehandeld doordat:

• niet duidelijk is op grond waarvan [gedaagde] tot zijn diagnose is gekomen:

“Op grond waarvan verweerder tot deze diagnose is gekomen, is het college ook na behandeling ter zitting onduidelijk gebleven. Verweerder heeft in de vele jaren dat hij klaagster onder behandeling heeft gehad geen psychiatrisch onderzoek verricht. Evenmin heeft hij bij aanvang of tijdens de behandeling een diagnose met gebruikmaking van de DSM-classificatie gesteld”

• geen sprake was van een adequate behandeling:

“Deze vorm van behandeling kan naar het oordeel van het college niet volgens de in de tachtiger en negentiger jaren geldende inzichten en evenmin naar de nu geldende professionele standaard worden aangemerkt als een adequate behandeling voor de stoornissen waaraan verweerder meende dat klaagster leed. Zowel de diagnose en de keuze van de behandeling lijken in plaats van gebaseerd op deugdelijk psychiatrisch onderzoek veeleer voort te vloeien uit de preoccupatie van verweerder met (satanisch) ritueel misbruik en de in de tachtiger en negentiger jaren ontwikkelde theorie dat slachtoffers van ritueel misbruik een meervoudige persoonlijkheidsstoornis kunnen ontwikkelen.”

• hij de behandeling van [eiseres] nooit tussentijds heeft geëvalueerd:

“Aan het verwijt dat de wijze waarop deze diagnose is gesteld en de keuze van de behandeling evenmin de toets der kritiek niet kunnen doorstaan, kan worden toegevoegd dat de effectiviteit van de door verweerder ingezette behandeling nooit door hem tussentijds is geëvalueerd. (…) Ervan uitgaande dat klaagster zich positief over de resultaten van de behandeling heeft uitgelaten, dan nog had het op de weg van verweerder gelegen om zelfstandig onderzoek te verrichten om zodoende objectief te kunnen beoordelen of de behandeling al dan niet aansloeg.”

• hij de ontwikkelingen in zijn vakgebied niet heeft bijgehouden en niet heeft deelgenomen aan inter- of supervisie:

“Ook is verweerder te verwijten dat hij gedurende de vele jaren dat klaagster bij hem kwam geen initiatief heeft genomen om de ontwikkelingen in de psychiatrie en psychotherapie in het algemeen en op het gebied van behandelingsmogelijkheden voor DIS in het bijzonder bij te houden. Verweerder volgde zoals hij immers zelf heeft verklaard geen bij- of nascholing op zijn vakgebied en liet zich niet inter- of superviseren door collega-psychiaters of collega-psychotherapeuten.”

• hij zich buiten de kaders van goed hulpverlenerschap heeft gegeven door de intensiteit van de therapie:

“Ook met betrekking tot de intensiteit van de therapie waarbij verweerder klaagster op ongebruikelijke tijden ontving, haar ook buiten de consulten toeliet in zijn praktijk, vrijwel continue telefonisch bereikbaar voor haar was haar briefkaarten stuurde wanneer een van hen met vakantie was, heeft verweerder zich ver buiten de kaders van goed hulpverlenerschap begeven en een gebrek aan professionele distantie laten zien.”

• hij geen goed (overdraagbaar) medisch dossier heeft bijgehouden:

“Het medisch dossier is weliswaar lijvig maar bestaat voornamelijk uit vaak slecht leesbare korte aantekeningen (soms voorzien van tekeningen) van de gesprekken die tussen klaagster en verweerder hebben plaatsgevonden. Een professionele analyse, beoordeling of diagnose ontbreekt ten enenmale. Zoals reeds onder Ad 1 is opgemerkt is er evenmin een behandelplan op schrift gesteld. Daar komt nog bij dat in de aantekeningen van enige reflectie van de worsteling, die verweerder heeft verklaard te hebben gehad met zijn naar zijn zeggen lastige claimende patiënte die storend gedrag jegens hem en anderen in zijn praktijk vertoonde waar hij zoals onder Ad 1 uiteengezet zich gesteld voelde voor een duivels dilemma, in het dossier niets terug te vinden is.

Juist bij een dergelijke langdurige behandeling is het van belang om tussentijds een samenvatting te maken van de bevindingen, deze regelmatig te evalueren en hiervan verslag te doen. Zonder dergelijke periodieke evaluaties is het medisch dossier voor eventuele opvolgende behandelaars niet of slecht toegankelijk en daardoor niet overdraagbaar. Ook van de gevoelens van tegenoverdracht die kennelijk tijdens de behandeling zijn ontstaan had aantekening moeten worden gemaakt. Al met al is de dossiervorming van verweerder volstrekt onvoldoende geweest en is verweerder ook op dit punt in zijn professionele handelen ver onder maat gebleven.”

• hij zich seksueel grensoverschrijdend heeft gedragen ten opzichte van

[eiseres]:

“Verweerder heeft erkend dat hij de vagina en borsten van klaagster heeft betast. Wat betreft de overige verweten grensoverschrijdende handelingen, de frequentie daarvan en omstandigheden waaronder deze handelingen werden verricht heeft verweerder deze onvoldoende weersproken. Dat verweerder hierbij uit compassie en niet uit passie heeft gehandeld zoals hij heeft gesteld, is niet aannemelijk geworden. Daarmee is komen vast te staan dat hij klaagster gedurende vele jaren seksueel heeft misbruikt. Deze zware kwalificatie voor het handelen van verweerder wordt ingegeven door de omstandigheid dat hij willens en wetens zich aan klaagster vergreep terwijl hij zich er van bewust was, dan wel had moeten zijn, dat klaagster zich gedurende de behandelperiode steeds sterker emotioneel afhankelijk van hem was gaan voelen.”

5.7. [gedaagde] beroept zich -de rechtbank begrijpt: wat betreft dit seksueel grensoverschrijdende gedrag- op de artikelen II 5.1 tot en met II 5.3 van de beroepscode voor psychotherapeuten, welke beroepscode volgens hem in bijzondere gevallen ruimte laat voor aanraking. De artikelen van de beroepscode waar hij zich op beroept luiden als volgt.

“Verbod van seksueel gedrag

II.5.1

Het in art. II.1 genoemde verbod om een andere relatie met de cliënt te hebben dan een behandelingsrelatie houdt onder meer het verbod in de cliënt op een zodanige wijze aan te raken dat, naar redelijke verwachting, de cliënt en/of de psychotherapeut deze als sexueel van aard zal ervaren, zoals het aanraken van de genitalia of andere lichaamsdelen die normaliter met sexualiteit geassocieerd worden.

II.5.2

Het is de psychotherapeut bovendien verboden om te stimuleren of toe te laten dat in zijn aanwezigheid deze handelingen plaats vinden tussen de cliënt en anderen.

II.5.3

Het hierboven genoemde verbod laat onverlet om, als dat in het kader van de behandeling is geïndiceerd, psychotherapeutische procedures toe te passen waarin aanraking plaats kan hebben.”

5.8. Het Centraal Medisch Tuchtcollege heeft op dit punt overwogen:

“Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat verweerder de door hem aangehaalde passage van de beroepscode uit zijn verband trekt door geen acht te slaan op het daarvoor geformuleerde verbod. De regels II.5.1.1 tot en met II.5.3 van de beroepscode zijn opgenomen onder het kopje “Verbod van seksueel gedrag”. Regel II.5.1.2 luidt: “Het in art. II.1.1.1 genoemde verbod om een andere relatie met de cliënt te hebben dat een behandelrelatie houdt onder meer het verbod in de cliënt op een zodanige wijze verbaal of non-verbaal te bejegenen dat, naar redelijke verwachting, de cliënt en/of de psychotherapeut deze bejegening als seksueel van aard zal ervaren.”

Niet in geschil is dat het betasten van de borsten en vagina van klaagster seksuele handelingen/aanrakingen zijn welke de beroepscode verbood. Dat verweerder daarbij uit compassie en niet uit passie handelde, zoals hij zelf bij herhaling stelt, is niet relevant voor het antwoord op de vraag of verweerder in strijd met dat verbod heeft gehandeld. Aan het bepaalde in regel II.5.3 wordt niet toegekomen reeds omdat van een zogenoemd informed consent geen sprake was. Klaagster is door verweerder nimmer ingelicht over de aard van de behandeling, laat staan dat seksuele handelingen/aanrakingen daarvan deel uitmaakten. Zoals zij zelf heeft aangegeven heeft het gedrag van verweerder bij haar tot verwarring geleid, te meer nu verweerder had aangegeven dat zij er met niemand over mocht praten. Verweerder heeft dit niet weersproken.”

De rechtbank kan dit oordeel van het Centraal Medisch Tuchtcollege geheel onderschrijven. Verwijzend naar deze overwegingen, die de rechtbank tot de hare maakt, wordt het beroep van [gedaagde] op dit punt dan ook verworpen.

5.9. [gedaagde] heeft zijn stelling dat hij niet onzorgvuldig jegens

[eiseres] heeft gehandeld verder niet onderbouwd. Dit had wel op zijn weg gelegen gezien hetgeen is overwogen onder ?5.5 van dit vonnis.

5.10. Daarmee heeft hij evenmin een verdere onderbouwing gegeven voor zijn stelling dat de rechtbank de uitspraken van het Regionaal Medisch Tuchtcollege en het Centraal Medisch Tuchtcollege niet als grondslag voor het vaststellen van zijn aansprakelijkheid jegens [eiseres] mag hanteren. Nu de rechtbank ook geen andere redenen zijn gebleken op grond waarvan deze uitspraken op dit punt terzijde geschoven zouden dienen te worden concludeert de rechtbank dat [gedaagde] niet heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend psychiater in gelijke omstandigheden mocht worden verwacht. Daarmee heeft [gedaagde] onrechtmatig jegens [eiseres] gehandeld.

Toerekenbaarheid

5.11. Voorts dient de vraag beantwoord te worden of het onzorgvuldig handelen van [gedaagde] hem kan worden toegerekend. [gedaagde] stelt dat die vraag ontkennend moet worden beantwoord omdat hij zich voor de dilemma van Heinz geplaatst zag. Hij betoogt dat hij gegronde reden had te vrezen dat [eiseres] zich van het leven zou beroven als hij deze behandeling zou nalaten, alsmede dat hij gegronde reden had haar verhaal te geloven dat ze beschermd moest worden tegen daders van ritueel misbruik. [eiseres] heeft betwist dat het onzorgvuldig handelen [gedaagde] niet toegerekend kan worden.

5.12. De rechtbank is van oordeel dat het onzorgvuldig handelen van [gedaagde] hem kan worden toegerekend en gaat voorbij aan deze door hem opgeworpen stelling. De rechtbank sluit daarbij aan bij hetgeen het Regionaal Medisch Tuchtcollege hieromtrent in haar uitspraak overwogen heeft:

“Hij heeft als rechtvaardigingsgrond voor de ongebruikelijke wijze waarop hij klaagster heeft behandeld onder meer aangevoerd dat hij zich voor het dilemma van Heinz gesteld zag. Verweerder doelde hiermee op de keuze waarvoor hij zich voelde staan, te weten klaagster behandelen op een onconventionele wijze of haar in levensgevaar brengen. Verweerder heeft in dit verband gewezen op een gevaar voor suïcide en ook heeft hij gesuggereerd dat daders van ritueel misbruik het op klaagster hadden gemunt en dat hij haar hiervoor bescherming moest bieden. Het college kan verweerder hierin, gelet op de omstandigheid dat andere meer voor de hand liggende wegen voor hem openstonden, niet volgen. Bij een reëel gevaar voor zelfdoding had hij immers kunnen overwegen om klaagster, desnoods gedwongen, op te laten nemen in een psychiatrisch ziekenhuis en voor zover hij een misdrijf vreesde, had hij klaagster kunnen adviseren om de politie op de hoogte te brengen dan wel had hij dit onder omstandigheden zelf kunnen doen. Van een rechtvaardiging om klaagster te behandelen op deze zeer ongebruikelijke wijze kan dan ook geen sprake zijn.”

Ook dit oordeel van het Centraal Medisch Tuchtcollege kan de rechtbank geheel onderschrijven. Dit verweer van [gedaagde] kan dan ook niet slagen.

Causaal verband en schade

5.13. Voorts dient de vraag te worden beantwoord of [eiseres] door het onzorgvuldig handelen van [gedaagde] schade heeft ondervonden.

[eiseres] stelt, onder verwijzing naar de uitspraak van het Regionaal Medisch Tuchtcollege, dat dit het geval is. [gedaagde] betwist dat zijn behandelingen verergerende gevolgen voor (de klachten over) de psychische toestand van

[eiseres] hebben gehad. Hij stelt dat [eiseres] al een zeer uitgebreid en ernstige psychische voorgeschiedenis had toen ze bij hem in behandeling kwam. Voorts betoogt hij dat hij er weliswaar niet in geslaagd is haar klachten met de therapie weg te nemen, maar dat hij deze wel heeft kunnen afvlakken. Bovendien voert hij aan, dat [eiseres] zelf al die jaren aan hem heeft laten weten baat te hebben bij de therapie. Verder stelt [gedaagde] dat het tuchtrechtelijke oordeel

[eiseres] wat betreft de causaliteit niet kan baten, omdat juridische causaliteit voor de tuchtrechter geen aandachtspunt is. Ten slotte geeft [gedaagde] aan dat er geen medische verklaring door [eiseres] is overgelegd, waaruit volgt dat er een verband bestaat tussen de verergering van de klachten van [eiseres] en de behandeling door [gedaagde].

5.14. De rechtbank neemt bij de beoordeling van de vraag of [eiseres] door het onzorgvuldig handelen van [gedaagde] schade heeft ondervonden de volgende omstandigheden in overweging. Allereerst heeft het Regionaal Medisch Tuchtcollege expliciet in haar uitspraak overwogen dat [gedaagde] ernstige schade heeft toegebracht aan [eiseres] (en haar gezin):

“In plaats van het creëren van een professionele afstand bij de eerste signalen van deze in een psychotherapeutische verhouding ongewenste ontwikkeling, bleef verweerder te allen tijde voor haar beschikbaar en bond haar door de zogenoemde tactiele bevestigingstherapie steeds meer aan zich.

Het is het college eveneens gebleken dat gedurende de vele jaren dat klaagster in therapie was bij verweerder zij steeds verder afgedreven werd van haar gezin waarin zij de zorg had voor nog jonge kinderen. Klaagster verbleef immers vaak en op ongebruikelijke tijden in verweerders huis en leefde met een geheim mede jegens haar echtgenoot dat zij moeilijk met hem kon delen. (…)Het college is dan ook van oordeel dat verweerder ernstige schade heeft toegebracht aan klaagster en haar gezin”

Ten tweede heeft ook mevrouw Boon in haar brief van 15 juli 2004 geschreven dat zij vermoedt dat [eiseres] zich door de behandeling van [gedaagde] (veel vertellen zonder verwerken) steeds slechter is gaan voelen:

“u gaf ook aan dat u zich, ondanks jarenlange behandeling eigenlijk steeds slechter gaat voelen.

(…)

Er is veel gepubliceerd over wat dan nodig is om verwerking tot stand te brengen bij cliënten met DIS. Het komt erop neer dat u samen met alle betrokken deelpersoonlijkheden als het ware de traumatische episodes en alle gevoelens op een gestructureerde manier opnieuw beleeft en de gevoelens met elkaar deelt of samenvoegt. Dit gebeurt in aanwezigheid en onder leiding van de behandelaar die tot steun is, maar ook de cliënt in het “nu” houdt. Als dat goed gebeurt, kunnen alle klachten zoals u die thans omschrijft verdwijnen (angst, paniek, woede, schuld en schaamte).

Echter veel vertellen – zonder verwerken - kan juist maken dat je je geleidelijk aan steeds slechter gaat voelen. De dissociatieve overlevingsstrategie brokkelt van binnen af, maar helaas ga je dan steeds meer voelen zonder dat de pijn, boosheid, angst echt is opgelost. En dan moet je weer meer dissociëren, maar komt er ook meer somberheid en machteloosheid.

Ik heb het vermoeden dat dat bij u aan de hand is.”

Ook wijst mevrouw Boon [eiseres] in die brief erop, dat zij door het ophalen van herinneringen uit de babytijd bij de behandeling nog sterker uit haar evenwicht kan raken:

“Ik heb begrepen dat u momenteel bezig bent met herinneringen uit de babytijd en ik moet u zeggen dat dat een ongebruikelijke werkwijze is. Het zou kunnen dat u daardoor nog sterker uit uw evenwicht raakt. Het lijkt mij van belang dit met uw behandelaar te bespreken.”

Op derde plaats is niet goed meer vast te stellen wat de psychische toestand van

[eiseres] was toen zij bij [gedaagde] in behandeling kwam doordat [gedaagde] geen goed (overdraagbaar) medisch dossier heeft bijgehouden. Dit mag niet voor rekening en risico van [eiseres] komen. Naar het oordeel van de rechtbank moet het er op grond van deze omstandigheden dan ook voor gehouden worden dat [eiseres] door het onzorgvuldig handelen van [gedaagde] schade heeft ondervonden.

5.15. Het feit dat [eiseres] zelf al die jaren aan [gedaagde] heeft laten weten baat te hebben bij de therapie, zoals [gedaagde] stelt, maakt dat niet anders. Het Regionaal Medisch Tuchtcollege heeft op dit punt terecht als volgt overwogen:

“In zijn verweer heeft hij gesteld dat hij is afgegaan op klaagsters eigen verklaring dat zij baat had bij de therapie. Ofschoon het college erkent dat de beleving van de patiënt een redelijke graadmeter is voor het succes van een psychotherapie, kan deze subjectieve beleving echter niet van doorslaggevende betekenis zijn voor het professionele oordeel. Ervan uitgaande dat klaagster zich positief over de resultaten van de behandeling heeft uitgelaten, dan nog had het op de weg van verweerder gelegen om zelfstandig onderzoek te verrichten om zodoende objectief te kunnen beoordelen of de behandeling al dan niet aansloeg.”

5.16. Uit het vorenstaande volgt dat [gedaagde] veroordeeld dient te worden tot het betalen van de door [eiseres] geleden schade die het gevolg is van zijn onrechtmatig handelen.

Hoogte van de schade

5.17. [eiseres] heeft allereerst de gemaakte kosten voor de therapie bij [gedaagde] gevorderd. Zij stelt dat die kosten in de duizenden euro’s lopen, maar dat het exacte bedrag niet meer te achterhalen is. Zij heeft de schade begroot op in totaal € 45.000,-. [gedaagde] heeft tijdens de comparitie van partijen op 17 september 2009 aangegeven dat hij heeft berekend dat [eiseres] zelf € 34.000,- aan hem heeft betaald en dat de ziektekostenverzekeraars het overige hebben betaald. [eiseres] heeft op de zitting aangegeven, dat dat zo zou kunnen zijn. Verder betoogt [gedaagde] dat niet elke behandeling onrechtmatig was, omdat -zo begrijpt de rechtbank zijn betoog- niet bij elke behandeling aanrakingen hebben plaatsvonden tussen [eiseres] en [gedaagde].

5.18. De betalingen die [eiseres] aan [gedaagde] heeft gedaan voor de therapie zijn in beginsel niet als schade aan te merken, omdat deze betalingen zijn gedaan voor verleende diensten op grond van de tussen partijen geldende behandelingsovereenkomst. Deze overeenkomst is niet ontbonden, zodat geen verplichting tot ongedaanmaking (terugbetaling) is ontstaan. Dit kan anders zijn, als de diensten waarvoor betaald wordt op zichzelf een onrechtmatig karakter krijgen. Betaling ontvangen voor dergelijke onrechtmatige gedragingen is als maatschappelijk onzorgvuldig aan te merken. De rechtbank heeft hiervoor reeds geoordeeld dat [gedaagde] op verschillende gronden onzorgvuldig (en derhalve onrechtmatig) heeft gehandeld bij de therapie van [eiseres]. De rechtbank zal daarom de door [eiseres] gevorderde kosten voor de therapie tot een bedrag van € 34.000,- toewijzen. De rechtbank zal niet het totaal gevorderde bedrag van € 45.000,- toewijzen, omdat [eiseres] op de zitting heeft aangegeven, dat het zo zou kunnen zijn -zoals [gedaagde] stelt- dat zij zelf een bedrag van € 34.000,- aan [gedaagde] heeft betaald en dat de ziektekostenverzekeraars het overige hebben betaald. De rechtbank gaat voorbij aan het betoog van [gedaagde] dat niet elke behandeling onrechtmatig was, omdat de aanrakingen niet bij elke behandeling hebben plaatsgevonden. Dat is niet relevant, nu duidelijk is dat [eiseres] schade heeft ondervonden doordat [gedaagde]

-op het punt van het seksueel grensoverschrijdend gedrag- zich frequent onzorgvuldig jegens haar heeft gedragen. Bovendien heeft de rechtbank geoordeeld dat [gedaagde] zich ook op verschillende andere gronden onzorgvuldig jegens haar heeft gedragen.

5.19. Voorts heeft [eiseres] € 10.000,- gevorderd voor de door haar gemaakte reiskosten. Hoewel dat abusievelijk niet in het proces-verbaal van de zitting van 17 september 2009 is opgenomen, heeft [gedaagde] de hoogte van deze schadepost ter zitting betwist. [eiseres] heeft naar aanleiding daarvan de hoogte van dit bedrag -ook desgevraagd- niet nader onderbouwd. Nu [gedaagde] ter zitting niet heeft betwist dát [eiseres] reiskosten heeft gemaakt om naar de therapie en de praktijk van [gedaagde] te gaan, zal de rechtbank de door [eiseres] gemaakte en door [gedaagde] te vergoeden reiskosten begroten op een bedrag van

€ 3.000,-.

5.20. Verder heeft [eiseres] een immateriële schadevergoeding (smartengeld) gevorderd ter hoogte van € 150.000,-. Zij stelt dat deze schadevergoeding weliswaar hoog is, maar dat het ook een zeer uitzonderlijke situatie betreft. Daarbij wijst zij allereerst op haar uitermate trieste verhaal, waarin [gedaagde] over een lange periode van 15 jaar de seksuele relatie heeft gecontinueerd en haar in een volledig afhankelijke rol heeft gebracht. Voorts is volgens haar van belang dat [gedaagde] bij het Regionaal Medisch Tuchtcollege en het Centraal Medisch Tuchtcollege geen enkele blijk heeft gegeven van inkeer of moreel besef. Verder voert zij aan, dat de therapie van geen waarde is gebleken zodat zij nogmaals een intensieve therapie zal moeten ondergaan om niet alleen haar eigen jeugdtrauma’s een plaats te geven, maar ook het trauma dat zij heeft opgelopen van 15 jaar seksueel misbruik door en afhankelijk zijn van [gedaagde]. Ten slotte wijst zij erop, dat [gedaagde] door zijn manier van handelen in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft gehandeld doordat hij het privé leven van [eiseres] en haar familie- en gezinsleven volkomen respectloos heeft gelaten.

5.21. [gedaagde] betoogt allereerst dat alleen [eiseres] vorderingsgerechtigd is en niet haar kinderen en echtgenoot. Verder is hij van mening dat er geen sprake is van “aantasting in de persoon”, zoals dat vereist is in artikel 6:106 lid 1 onder b BW, omdat niet naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel als gevolg van het handelen van [gedaagde] is of had kunnen worden vastgesteld. Een verklaring van de huisarts, zoals overlegd bij productie 8 bij dagvaarding, is volgens hem niet voldoende om dit te kunnen aannemen. Voorts wijst [gedaagde] erop, dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat het in de rede ligt dat de rechter bij zijn begroting let op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De bestaande rechtspraak biedt volgens hem veel lagere vergoedingen dan die door

[eiseres] is gevorderd.

5.22. In artikel 6:106 lid 1 onder b BW is kort gezegd bepaald dat een benadeelde die lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast, recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen (immateriële) schadevergoeding. Het staat vast dat [eiseres] in ieder geval door het seksueel grensoverschrijdend gedrag van [gedaagde] tijdens de therapie in haar persoon is aangetast. In dit verband zijn naar het oordeel van de rechtbank de volgende omstandigheden van belang:

- het seksueel grensoverschrijdende gedrag vond met grote regelmaat plaats gedurende een periode van ruim 13 jaar;

- [gedaagde] heeft [eiseres] in een zeer afhankelijk positie gebracht;

- het privé leven en huwelijk van [eiseres] heeft jarenlang onder druk gestaan doordat zij door de heftigheid van de therapie de dag daarna niet in staat was tot “normaal”functioneren in haar gezin en zij bovendien een geheim (het seksueel grensoverschrijdende gedrag) met zich meedroeg, dat zij moeilijk kon delen met haar echtgenoot;

- [eiseres] bevindt zich, sinds zij de behandelrelatie met [gedaagde] heeft verbroken, opnieuw in de hulpverlening;

- [gedaagde] heeft op geen enkel moment, niet bij het Regionaal Medisch Tuchtcollege en het Centraal Medisch Tuchtcollege en ook niet tijdens de zitting van de onderhavige zaak op 17 september 2009, laten blijken, dat hij tot moreel besef of inkeer is gekomen of dat hij inziet welke schade hij heeft toegebracht aan [gedaagde] en haar gezin. Dit is voor [eiseres] (en haar echtgenoot) zeer krenkend.

Gelet op vergelijkbare gevallen, alsmede de hierboven genoemde omstandigheden acht de rechtbank een vergoeding van € 25.000,- voor immateriële schade (smartengeld) billijk. Dat slechts een klein gedeelte van de door [eiseres] gevorderde immateriële schadevergoeding wordt toegewezen, betekent niet dat de rechtbank haar leed (of het handelen van [gedaagde]) bagatelliseert, maar slechts dat aansluiting wordt gezocht bij de toegewezen bedragen in vergelijkbare eerdere gevallen.

Wettelijke rente

5.23. Op de zitting van deze zaak op 17 september 2009 heeft [eiseres] aangegeven, dat zij haar eis betreffende de wettelijke rente in die zin wijzigt dat die wettelijke rente gevorderd wordt vanaf de datum ingang van het Nieuw Burgerlijk Wetboek (1 januari 1992). In artikel 130 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is bepaald, dat de eiser bevoegd is zijn eis of de gronden daarvan schriftelijk, bij conclusie of akte ter rolle, te veranderen of te vermeerderen. Nu [eiseres] haar eis niet bij conclusie of akte heeft vermeerderd, gaat de rechtbank uit van de eis van

[eiseres], zoals die is weergegeven in de dagvaarding.

5.24. In de dagvaarding heeft [eiseres] de wettelijke rente gevorderd vanaf 29 november 1998. Zij heeft echter niet onderbouwd waarom de wettelijke rente op die datum zou moeten ingaan. De rechtbank zal bij de ingangsdatum van de door [gedaagde] te betalen wettelijke rente derhalve aansluiting zoeken bij het moment waarop de behandelrelatie tussen [eiseres] en [gedaagde] is geëindigd, namelijk op 13 februari 2006.

5.25. Het door [gedaagde] gevoerde verweer behoeft gezien dit oordeel geen verdere beoordeling.

Proceskosten

5.26. [gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden op basis van het toegewezen bedrag begroot op:

- dagvaarding EUR 85,44

- vast recht 4.784,00

- salaris advocaat 1.788,00 (2,0 punt × tarief EUR 894,00)

Totaal EUR 6.657,44

in de vrijwaringszaak

5.27. [gedaagde] stelt dat op Nationale Nederlanden en/of Delta Lloyd de verplichting rust hem de schade, ter grootte van het bedrag waartoe hij op grond van een in gewijsde rechterlijke uitspraak wordt veroordeeld, te vergoeden nu hij zich tegen beroepsaansprakelijkheid bij hen heeft verzekerd in de periode waarin in de visie van [eiseres] schade toebrengende gebeurtenissen hebben plaatsgevonden.

Hoedanigheid

5.28. Door Delta Lloyd en Nationale Nederlanden wordt gesteld, dat [gedaagde] bij hen verzekerd was voor schade veroorzaakt door handelingen in zijn hoedanigheid van psychiater en dat de handelingen/gedragingen waarop hij in de hoofdzaak wordt aangesproken, niet vallen aan te merken als handelingen/gedragingen verricht in hoedanigheid van psychiater. De schade die [gedaagde] zou lijden bij een veroordeling in de hoofdzaak valt volgens beide verzekeraars dan ook niet onder de dekking van de polis.

5.29. [gedaagde] heeft dit alles betwist en betoogt dat de handelingen/gedragingen waarop hij in de hoofdzaak wordt aangesproken wel degelijk door hem zijn verricht in zijn hoedanigheid als psychiater. Hij wijst daarbij op het feit dat hij in de strafzaak ook als arts veroordeeld is.

5.30. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de onzorgvuldige gedragingen van [gedaagde] jegens [eiseres] plaatsgevonden in zijn hoedanigheid als psychiater. Immers, alle onzorgvuldige gedragingen, inclusief het seksueel grensoverschrijdend gedrag, vonden tijdens en als onderdeel van de therapie plaats. Het feit dat het Regionaal Medisch Tuchtcollege en het Centraal Medisch Tuchtcollege hebben geoordeeld dat er sprake was van seksueel grensoverschrijdend gedrag, wat als seksueel misbruik gekwalificeerd kan worden, alsmede dat deze colleges hebben geoordeeld dat [gedaagde] op een aantal andere gronden in strijd heeft gehandeld met artikel 47 lid 1 Wet BIG, maakt dat niet anders. Ook een eventuele onherroepelijke veroordeling van [gedaagde] wegens het handelen in strijd met de artikelen 242, 243, 246, 249 en 257 van het Wetboek van Strafrecht, brengt geen verandering in het oordeel dat de onzorgvuldige gedragingen van [gedaagde] jegens [eiseres] hebben plaatsgevonden in zijn hoedanigheid als psychiater.

Opzet

5.31. Voorts moet de vraag beantwoord worden of de vordering van [gedaagde] dient te worden afgewezen op grond van de opzetclausule, zoals Delta Lloyd en

Nationale Nederlanden stellen.

5.32. [gedaagde] betwist dat er zekerheidsbewustzijn was en hij betwist dat hij wist of had moeten weten dat deze behandeling tot schade zou leiden.

5.33. De rechtbank stelt voorop dat in het kader van opzetclausule niet relevant is of de oude of nieuwe polisvoorwaarden van Nationale Nederlanden van toepassing zijn op de verzekeringsovereenkomst. De inhoud van de opzetclausule is immers exact hetzelfde in de oude en nieuwe polisvoorwaarden. De rechtbank laat om die reden in het midden welke polisvoorwaarden van toepassing zijn.

5.34. Voorts overweegt de rechtbank dat de ‘opzet’ in de polisvoorwaarden van Nationale Nederlanden strikter is geformuleerd dan in de polisvoorwaarden van

Delta Lloyd. Bij Nationale Nederlanden valt onder het ‘opzet’ alleen oogmerk (het willens en wetens veroorzaken van schade) en zekerheidsbewustzijn (het veroorzaken van schade terwijl het voor de dader zeker is dat dit het gevolg van zijn handelen of nalaten zal zijn). Bij Delta Lloyd valt onder opzet ook het veroorzaken van schade terwijl het voor de dader te verwachten is dat dit het gevolg van zijn handelen of nalaten zal zijn.

5.35. De ernstige tekortkomingen in het handelen van [gedaagde] op diverse gronden gedurende zeer lange tijd en meer in het bijzonder de lange duur en frequentie waarmee hij [eiseres] tijdens de behandelingen blootstelde aan seksueel grensoverschrijdend gedrag, alsmede het feit dat hij als psychiater ervan op de hoogte moet zijn geweest dat mensen die aan dit gedrag worden blootgesteld daar schade van ondervinden, brengt de rechtbank tot het oordeel dat er bij [gedaagde] sprake was van zekerheidsbewustzijn. De rechtbank zal om die reden de vordering van [gedaagde] jegens zowel Delta Lloyd als Nationale Nederlanden afwijzen, nu zij met succes een beroep doen op de opzetclausule.

Proceskosten

5.36. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Delta Lloyd worden begroot op:

- vast recht 4.784,00

- salaris advocaat 1.788,00 (2,0 punt × tarief EUR 894,00)

Totaal EUR 6.572,00

5.37. De kosten aan de zijde van Nationale Nederlanden worden begroot op:

- vast recht 4.784,00

- salaris advocaat 1.788,00 (2,0 punt × tarief EUR 894,00)

Totaal EUR 6.572,00

Tegen de door Nationale Nederlanden gevorderde wettelijke rente over de proceskosten is door [gedaagde] geen verweer gevoerd, zodat ook deze wordt toegewezen.

5.38. Nationale Nederlanden heeft daarnaast gevorderd [gedaagde] te veroordelen in de nakosten procureur ad € 131,00 bij niet-betekening door de deurwaarder en € 199,00 bij betekening door de deurwaarder. Dit is door [gedaagde] niet betwist. De rechtbank zal deze vordering derhalve toewijzen, met dien verstande dat de kosten van betekening slechts verschuldigd zijn als [gedaagde] na betekening van dit vonnis 14 dagen de tijd heeft gehad om alsnog in der minne aan dit vonnis te voldoen.

6. De beslissing

De rechtbank

in de hoofdzaak

6.1. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van EUR 62.000,00 (tweeënzestigduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag vanaf 13 februari 2006 tot de dag van volledige betaling,

6.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van

[eiseres] tot op heden begroot op EUR 6.657,44,

6.3. verklaart dit vonnis in deze zaak tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.4. wijst het meer of anders gevorderde af,

in de vrijwaringszaak

6.5. wijst de vorderingen af,

6.6. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Delta Lloyd tot op heden begroot op EUR 6.572,00,

6.7. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van

Nationale Nederlanden tot op heden begroot op EUR 6.572,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 14 dagen na dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

6.8. veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten aan de zijde van Nationale Nederlanden, begroot op EUR 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen onder de voorwaarde dat betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden en [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan dit vonnis heeft voldaan, met een bedrag van

EUR 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van de betekening van de uitspraak, vermeerderd met de wettelijke rente over de verschuldigde nakosten met ingang van

14 dagen na dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

6.9. verklaart dit vonnis in deze zaak wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Maanen en in het openbaar uitgesproken op

28 oktober 2009.?

JvdL