Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BK1541

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
28-10-2009
Datum publicatie
29-10-2009
Zaaknummer
SBR 09-448 VV en SBR 09-139
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bodemzaak + vovo; bouwplan La Sabbia; beroep ongegrond, verzoek afgewezen; besluiten dienen te worden opgevat als samenstellende bestanddelen van de in heroverweging volledig beslissing op bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummers: SBR 09/448 VV en SBR 09/139

uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 oktober 2009 op het verzoek om voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak

inzake

1. [eisers sub 1] en [eisers sub 1], wonende te [woonplaats],

2. Stichting Openbaar Primair Onderwijs Utrecht, gevestigd te Utrecht,

3. Stichting Montessori-onderwijs Monton, gevestigd te Amersfoort,

4. Saartje Kinderopvang B.V., gevestigd te Utrecht,

eisers,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht,

verweerder.

Inleiding

1.1 Het verzoek heeft betrekking op het besluit van verweerder van 2 december 2008 waarbij aan HSB Ontwikkeling B.V. (hierna: vergunninghouder) vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en bouwvergunning is verleend voor het oprichten van een fitnesscentrum, een horecagelegenheid, twaalf appartementen en een parkeergarage (plan ‘La Sabbia’) op het perceel Leidsche Rijn, Het Zand, scherf 7.6, te Utrecht.

1.2 Het verzoek is op 1 april 2009 ter zitting behandeld, waar eisers sub 1 t/m 4 zich hebben laten vertegenwoordigen door mr. W.J. Bosma, advocaat te Breda. Namens eiseres sub 2 is voorts [A] verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.P. de Keijzer en ing. C. Mesman, beiden werkzaam bij de gemeente Utrecht. Als getuige-deskundige voor verweerder was voorts aanwezig R. Linschoten, hoofd afdeling ruimte en mobiliteit van de Grontmij.

Namens vergunninghouder zijn verschenen [B] en [C], bijgestaan door mr. E.M. Vos, advocaat te Nijmegen.

1.3 Met toepassing van artikel 8:83, eerste lid, derde volzin jo artikel 8:64 van de Awb is het onderzoek ter zitting geschorst en is partijen de gelegenheid geboden te reageren op het daags voor de zitting door verweerder ingediende rapport van de Grontmij van 26 maart 2009. Van die gelegenheid is door partijen gebruik gemaakt. Nadien heeft verweerder nog een aanvullende reactie van de Grontmij van 28 april 2009 ingediend. Op 28 september 2009 hebben eisers een rapport van Oranjewoud van 28 september 2009 ingediend.

1.4 Het verzoek is op 30 september 2009 opnieuw ter zitting behandeld. Daarbij waren aanwezig: mr. W.J. Bosma, [A], mr. H.P. de Keijzer, ing. C. Mesman,

R. Linschoten, [B], [C] en mr. E.M. de Vos, als voornoemd. Voorts was [D] namens eiseres sub 2 aanwezig.

Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is voorts bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, deze onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. Deze situatie doet zich hier voor.

Ten aanzien van het beroep (SBR 09/139):

2.3 Op 10 april 2007 heeft vergunninghouder een aanvraag bouwvergunning ingediend voor het onderhavige bouwplan, waarna bij besluit van 9 januari 2008 door verweerder binnenplanse vrijstelling en bouwvergunning is verleend. Op het door eisers sub 1, 2 en 4 ingediende verzoek om een voorlopige voorziening heeft de voorzieningenrechter bij uitspraak van 14 april 2008 beslist (SBR 08/563, SBR 08/602 en SBR 08/629), waarbij het besluit van 9 januari 2008 is geschorst.

Bij besluit van 27 juni 2008 heeft verweerder naar aanleiding van de ingediende bezwaren het besluit van 9 januari 2008 herroepen. Vervolgens heeft verweerder op 2 december 2008 het bestreden besluit genomen.

besluit van 2 december 2008, primair besluit of besluit op bezwaar?

2.4 Met betrekking tot de vraag of het bestreden besluit dient te worden aangemerkt als een primair besluit of als een besluit op bezwaar, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Uit het karakter van de bezwaarschriftprocedure vloeit voort dat indien het bestuursorgaan na heroverweging tot de conclusie komt dat het aangevochten besluit niet in stand kan blijven, dit orgaan niet kan volstaan met (gedeeltelijke) gegrondverklaring van het bezwaarschrift, maar voor het onjuist bevonden besluit een nieuw besluit in de plaats moet stellen.

In dit geval heeft verweerder geoordeeld dat de verleende binnenplanse vrijstelling niet toereikend was om tot verlening van de bouwvergunning te komen, en heeft het besluit van 9 januari 2008 herroepen, zonder daarbij een nieuwe beslissing op de aanvraag te nemen, hetgeen strijdt met het bepaalde in artikel 7:11 van de Awb.

Tussen de herroeping van het besluit van 9 januari 2008 op 27 juni 2008 enerzijds en de op

2 december 2008 alsnog verleende vrijstelling en bouwvergunning anderzijds bestaat naar het oordeel van de voorzieningenrechter een onverbrekelijke samenhang. De desbetreffende besluiten dienen te worden opgevat als de samenstellende bestanddelen van de in heroverweging gegeven volledige beslissing op bezwaar, waartegen het beroep wordt geacht te zijn gericht.

bevoegdheid toepassing artikel 19, tweede lid, van de WRO?

2.5 Ter plaatse geldt het bestemmingsplan Leidsche Rijn Utrecht 1999 inclusief Eerste Herziening Leidsche Rijn, waarin op de grond waarop het bouwplan is gesitueerd de bestemming “Gemengde doeleinden (uit te werken)” rust.

Ingevolge artikel 9, lid B, onder 1, van de planvoorschriften mag in de gebieden waar sprake is van een uit te werken bestemming slechts worden gebouwd volgens een onherroepelijk uitwerkingsplan.

Ingevolge artikel 9, lid C, van de planvoorschriften kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bepaalde in lid B onder 1 ten behoeve van het oprichten van bouwwerken en/of ten behoeve van het wijzigen van het gebruik voordat de bestemming overeenkomstig lid A is uitgewerkt en onherroepelijk is geworden mits:

1. (…);

2. de op te richten bebouwing in overeenstemming is met een reeds vastgestelde uitwerking of met een daarvoor gemaakt ontwerp, ofwel met een document, zoals een concept-uitwerkingsplan, waaruit de inpasbaarheid in de integrale uitwerking redelijkerwijs overzienbaar is, en

3. belanghebbenden in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijzen tegen het ontwerp van de uitwerking dan wel het bouwplan schriftelijk kenbaar te maken, en

4. vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen dat ze geen bezwaar hebben tegen het verlenen van de vrijstelling; een verklaring van geen bezwaar wordt niet aan gedeputeerde staten gevraagd, indien:

- (…)

- (…)

en bovendien niet, indien:

- het bouwwerken betreft waarvoor burgemeester en wethouders op grond van artikel 19, leden 2 en 3 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, bevoegd zijn vrijstelling te verlenen.

Daarmee ziet de voorzieningenrechter zich gesteld voor de beantwoording van de vraag of verweerder bevoegd was ten behoeve van het bouwplan vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO te verlenen.

2.6 In artikel 19, tweede lid, van de WRO is het volgende bepaald:

Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

2.7 In de circulaire van de Provincie Utrecht van 4 juli 2006 over de toepassing van artikel 19 van de WRO is onder meer een zogenoemde limitatieve lijst opgenomen van gevallen waarin burgemeester wethouders zonder voorafgaande verklaring van geen bezwaar vrijstelling kunnen verlenen.

Uit paragraaf 3.1.2, onder B. Stedelijke gebied, onderdeel a, volgt dat realisering, verandering, vervanging en uitbreiding van woningen/woongebouwen, ongeacht de maatvoering tot een maximum van 100 woningen in de hoofdkernen van de gemeenten Utrecht, Amersfoort, Veenendaal, Woerden, Houten en Nieuwegein en een maximum van 30 in de overige kernen, is toegestaan.

Uit paragraaf 3.1.2, onder B. Stedelijk gebied, onderdeel c, volgt dat realisering van nieuwe werk- en detailhandelsvoorzieningen, zoals winkels, kantoren en bedrijven op buurt en wijkniveau is toegestaan. Bij een omzetting naar wonen geldt een maximum aantal woningen als genoemd in onderdeel a.

Uit paragraaf 3.1.2, onder B. Stedelijk gebied, onderdeel d, volgt dat het oprichten van gebouwen en andere bouwwerken ten behoeve van sport, maatschappelijke doeleinden, recreatie of cultuur, is toegestaan, mits deze bebouwing en het beoogde gebruik daarvan in relatie tot de omgeving niet hinderlijk van aard is.

In een erratum van 27 februari 2007 hebben GS opgemerkt dat er onduidelijkheid bestaat omtrent de uitleg van de zinsnede ‘de realisering van nieuwe werk- en detailhandelsvoorzieningen op buurt- en wijkniveau’ uit onderdeel B. Stedelijk gebied, onderdeel c. van de limitatieve lijst. Daarbij hebben GS het volgende laten weten:

‘(...)

Onze intentie bij het vaststellen van de circulaire is geweest dat deze regel zo moet worden verstaan dat vestiging of uitbreiding van functies de bestaande schaal van de wijk niet te boven mag gaan, dan wel dat de wijk als gevolg daarvan niet volledig van (functie)kleur mag verschieten; dat houdt dus in dat nieuwvestiging van bedrijven op bestaande bedrijventerreinen, alsmede nieuwvestiging van horeca binnen de kernen daar inderdaad ook onder kunnen vallen.

(...)’

Met betrekking tot het begrip ‘hoofdkernen’ uit onderdeel B. Stedelijk gebied, onderdeel a van de limitatieve lijst hebben GS - voor zover hier van belang - laten weten dat bedoeld is dat in de gemeente Utrecht, die uit meerdere voormalige kernen is samengesteld, maar wel begrensd is door één rode contour, bouwplannen tot 100 woningen zonder tussenkomst van de provincie kunnen worden afgewikkeld.

2.8 Het betoog dat verweerder verplicht was om een verklaring van geen bezwaar bij GS aan te vragen, faalt. Het bouwplan is gesitueerd binnen de rode contouren (onderdeel B.a) en het aantal te realiseren woningen is kleiner dan 100. Het fitnesscentrum behoort tot de categorie gebouwen ten behoeve van sport, maatschappelijke doeleinden, recreatie of cultuur (onderdeel B.d). Gelet op de door GS gegeven toelichting in het erratum van 27 februari 2007 is een nieuwvestiging van horeca toegestaan. Niet aannemelijk is dat door de vestiging van een categorie D-horecavoorziening de (functie)kleur van de wijk verschiet. Daarbij is van belang de aard en uitstraling van de voorziening, en het gegeven dat sprake is van de lichtste horecacategorie binnen de gemeente Utrecht.

Verweerder was derhalve bevoegd ten behoeve van het bouwplan vrijstelling te verlenen op de voet van het bepaalde in artikel 19, tweede lid, van de WRO.

ruimtelijke onderbouwing

2.9 Voor het gebied Het Zand geldt dat in augustus 2001 een Stedenbouwkundig Programma van Eisen is opgesteld. Vervolgens heeft de gemeenteraad in september 2003 het Stedenbouwkundig Plan vastgesteld. Dit Stedenbouwkundig Plan is nadien bij besluit van

8 februari 2006 van de wethouder Leidsche Rijn aangepast om de functie “wonen” mogelijk te maken op de onderhavige locatie en om te voorzien in de ontsluiting van de ondergrondse parkeergarage.

Op 2 juni 2008 is een partiële aanpassing van het Stedenbouwkundig Plan Sport- en dansschool Het Zand/Leidsche Rijn vastgesteld.

In de ruimtelijk onderbouwing van het onderhavige bouwplan van 4 juni 2008 wordt verwezen naar het aangepaste Stedenbouwkundig Plan, het inrichtingsplan voor de openbare ruimte, de parkeerbalans van mei 2008, de luchtrapportage van 16 juni 2008, het windtunnelonderzoek van 16 oktober 2007 en een bezonningsstudie, welke stukken als bijlage onderdeel uitmaken van die onderbouwing. Gelet hierop, alsmede op hetgeen hierna wordt overwogen, faalt de beroepsgrond van eisers dat de ruimtelijke onderbouwing van het bouwplan tekort schiet.

archeologische betekenis

2.10 Dat de archeologische betekenis van het betreffende gebied in de weg staat aan het verlenen van vrijstelling voor het bouwplan is niet aannemelijk geworden. Deze beroepsgrond is door eisers summier onderbouwd. Gebleken is dat het bouwplan niet ziet op het beschermde deel van Park Groot Zandveld dat is aangeduid als gebied met bijzondere archeologische waarden. Deze grond faalt derhalve.

schaduwwerking, uitzicht, privacy

2.11 Eisers hebben aangevoerd dat de schaduwwerking op de schoolgebouwen aanzienlijk is. Uit de bezonningsstudie blijkt dat de schoolgebouwen midden in de winter minder zon krijgen in de ochtenduren en rond het middaguur. In de andere jaargetijden is de invloed van het bouwplan op de bezonning veel minder. De schaduwwerking is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet zodanig dat verweerder om die reden had moeten afzien van het verlenen van zijn medewerking aan het bouwplan.

Met betrekking tot de door eisers sub 1 genoemde inbreuk op hun uitzicht en privacy, wordt geoordeeld dat het bouwplan op aanzienlijke afstand van de woning van deze eisers is gesitueerd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat van een onaanvaardbare aantasting van hun uitzicht en privacy geen sprake is.

luchtkwaliteit, verkeersmodel

2.12 Desgevraagd hebben eisers ter zitting van 1 april 2009 hun standpunt laten vallen dat niet de Wet van 11 oktober 2007 tot wijziging van de Wet milieubeheer maar het Besluit luchtkwaliteit 2005 op het bestreden besluit van toepassing is.

Verweerder heeft ervoor gekozen het effect van het bouwplan op de verkeersintensiteiten van de aan- en omliggende wegvakken en straten te bepalen met het verkeersmodel VRU 2.0 UTR 1.0. Eisers menen dat dit model de werkelijke verkeersintensiteit onderschat.

De voorzieningenrechter overweegt dat het aan verweerder is bij de besluitvorming als hier aan de orde een rekenprogramma of model te kiezen dat naar zijn oordeel een reële prognose kan geven van de te verwachten situatie na realisering van het bouwplan. Daarbij is van belang dat verkeersmodellen uitgaan van een abstractie van de werkelijkheid. De validiteit van een model wordt eerst aangetast wanneer de berekeningen op basis van een model te zeer afwijken van de werkelijkheid, dan wel van de uitkomsten bij het hanteren van andere gangbare modellen.

Het Bestuur Regio Utrecht heeft op 31 mei 2007 een nieuw verkeersmodel VRU 2.0 2002-2020 vastgesteld. Dit model is gebruikt als basis voor het model VRU 2.0 UTR 1.0. In laatstgenoemd model is de Utrechtse situatie qua ruimtelijke ontwikkelingen (woningen, kantoren, bedrijven en voorzieningen) meer gedetailleerd en geactualiseerd opgenomen.

Eisers hebben aangetoond noch aannemelijk gemaakt dat het door verweerder gehanteerde verkeersmodel niet valide is. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen eisers hebben aangevoerd dan ook geen aanleiding om te oordelen dat verweerder dit verkeersmodel bij het voorbereiden en nemen van het vrijstellingsbesluit niet heeft mogen gebruiken.

Bij de met genoemd verkeersmodel berekende verkeersintensiteit is rekening gehouden met de toekomstige ontwikkelingen in de hele wijk ’t Zand, inclusief alle voorzieningen. Uit de door verweerder gemaakte berekeningen volgt dat het bouwplan niet leidt tot het overschrijden van enige grenswaarde van de Wet milieubeheer. Eisers hebben hier geen rapport tegenovergesteld dat doet twijfelen aan de juistheid van de door verweerder getrokken conclusie. Deze beroepsgrond faalt derhalve.

(geluids)overlast

2.13 Voor zover eisers hebben betoogd dat het bouwplan tot onevenredige (geluids)overlast leidt, wordt overwogen dat het bestemmingsplan de vestiging van een horecabedrijf (horecacategorie A t/m D) ter plaatse toelaat en dat bij deze besluitvorming een belangenafweging heeft plaatsgevonden over de aanvaardbaarheid van de combinatie van verschillende voorzieningen, ook wat betreft de milieutechnische gevolgen ervan.

Bij het vrijstellingsbesluit heeft verweerder de vestiging van horeca in La Sabbia beperkt tot categorie D, de lichtste categorie horecabedrijven.

Op de exploitatie van het fitnesscentrum en het horecabedrijf is het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit) van toepassing. Niet aannemelijk is geworden dat het fitnesscentrum en het horecabedrijf niet kunnen voldoen aan het Besluit. Voor zover eisers vrezen dat in de toekomst de bij het Besluit gestelde normen zullen worden overschreden, wordt overwogen dat dit een handhavingsaspect betreft dat buiten het toetsingskader van de vrijstelling valt en derhalve in deze procedure geen rol kan spelen.

windhinder

2.14 Aan het bestreden besluit ligt het Windtunnelonderzoek van 16 oktober 2007 ten grondslag. Uit dat onderzoek blijkt dat het windklimaat op vrijwel alle meetpunten goed is. Op de meetpunten waar een matig tot slecht windklimaat wordt verwacht, zullen bij de inrichting van het terrein begroeiingen en (halfdoorlatende) schermen worden geplaatst. Op 29 september 2009 heeft verweerder besloten alle benodigde windafschermende maatregelen te realiseren na oplevering van La Sabbia en de kosten daarvan ten laste van de gemeente Utrecht te laten komen. Hoewel het windklimaat ook na het treffen de voornoemde windafschermende maatregelen op enkele plaatsen niet ideaal zal zijn, is het niet zodanig dat dit verweerder noopte geen gebruik te maken van zijn vrijstellingsbevoegdheid.

verkeer, parkeren

2.15 Daags voor de zittingen van 1 april 2009 en 30 september 2009 zijn rapporten ingediend ter zake van de gevolgen voor de verkeer- en parkeerdruk door het bouwplan. Partijen hebben over en weer betoogd dat deze handelwijze in strijd is met de goede procesorde en dat daardoor het verdedigingsbeginsel is geschonden.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen reden is om genoemde rapporten niet bij zijn oordeelsvorming te betrekken, en overweegt daartoe het volgende.

Ten aanzien van het op 27 maart 2009 door verweerder ingediende rapport van de Grontmij van 26 maart 2009, is partijen na de zitting van 1 april 2009 gelegenheid geboden op dat rapport te reageren. Van de geboden gelegenheid is ook gebruik gemaakt. Hierdoor is strijd met de goede procesorde voorkomen en is het verdedigingsbeginsel niet geschaad.

Met betrekking tot het op 28 september 2009 door eisers ingediende rapport van Oranjewoud verdient vermelding dat zowel door verweerder als door vergunninghouder ter zitting inhoudelijk is gereageerd op dat rapport.

Deze partijen hebben desgevraagd ter zitting aangegeven dat met deze reactie kan worden volstaan, dat zij geen behoefte hebben aan een verdere verlenging van het onderzoek en dat zij prijs stellen op een snel, materieel oordeel van de voorzieningenrechter.

Uit de gedingstukken, waaronder de rapporten van Grontmij en Oranjewoud, en het verhandelde ter zitting blijkt dat sprake is van een wijk in ontwikkeling waarbij nog niet alle voorzieningen en infrastructuur zijn gerealiseerd. Verder blijkt daaruit dat de huidige verkeer- en parkeersituatie in de wijk niet ideaal is.

In beroep hebben eisers betoogd dat de realisering van La Sabbia leidt tot een zodanige verslechtering van die verkeer- en parkeersituatie, dat verweerder de benodigde vrijstelling had moeten weigeren.

De gemeente Utrecht heeft voor het voorzieningencluster ’t Zand in mei 2008 een parkeerbalans opgesteld. Daarbij is uitgegaan van de in 2004 door de gemeente Utrecht vastgestelde parkeernormen. In 2008 heeft nog een partiële herijking van deze parkeernormen plaatsgevonden. Daarbij zijn onder meer de normen voor horecafuncties, crèches, peuterspeelzalen, kinderdagverblijven, basisonderwijs en buitenschoolse opvang vervangen door indicatieve kengetallen om meer maatwerk mogelijk te maken.

Het voorzieningencluster ’t Zand valt volgens de gebiedsindeling van de gemeente Utrecht voor de parkeernormering onder het gebied schil/Leidsche Rijn-stad. De basis voor de nieuwe parkeernormen van de gemeente Utrecht is gelegen in de normen uit eigen onderzoek en in een combinatie van publicatie 182 ‘Parkeerkencijfers – Basis voor parkeernormering’ van het CROW. Deze kencijfers zijn onder andere tot stand gekomen op basis van benchmarkonderzoek en praktijkervaringen in de grootstedelijke gebieden van Nederland. Conform deze CROW-publicatie wordt bij de Utrechtse parkeernormen onderscheid gemaakt naar binnenstad, schil en overige gebieden.

CROW-publicatie 182 geeft parkeerkencijfers voor gebieden, welke zijn ingedeeld naar stedelijkheidsgraad (zeer sterk, sterk, matig, weinig en niet stedelijk) en stedelijke zone (centrum, schil/overloopgebied, rest bebouwde kom).

In het rapport van de Grontmij van 26 maart 2009 is aangegeven dat het invloedsgebied en de bebouwingsgraad rondom het voorzieningencluster ’t Zand het best aansluit bij de CROW-typering: 1. stedelijke zone: schil/overloopgebied; 2. stedelijkheidsgraad: matig tot sterk stedelijk. De door de gemeente gehanteerde parkeernormen voor de schil/Leidsche Rijn-stad zijn passend binnen de bandbreedte van de CROW-parkeerkencijfers voor matig/sterk stedelijk, en derhalve realistisch, aldus het rapport van de Grontmij. Bij toepassing van deze normen is sprake van een parkeeroverschot, zo blijkt uit de 24 uurs parkeerscenario’s in het rapport.

In het rapport van Oranjewoud van 28 september 2009 is voor het berekenen van het benodigde aantal parkeerplaatsen als gevolg van het bouwplan en voor de toekomstige functies gebruik gemaakt van de CROW-parkeerkencijfers. Oranjewoud heeft het voorzieningencluster ’t Zand geclassificeerd als ‘rest bebouwde kom/sterk stedelijk’. Bij toepassing van deze kencijfers is er geen sprake van een parkeeroverschot, aldus de conclusie in het rapport van Oranjewoud.

Het verschil in inzicht tussen genoemde verkeerskundigen, die over en weer waardering uitspreken voor elkaars rapporten, is te verklaren door het hanteren van verschillende parkeerkencijfers. Dat hangt samen met een verschil in typering van de stedelijke zone en stedelijkheidsgraad.

Gelet op de rapporten van Grontmij en op de daarop ter zitting gegeven toelichting is er geen aanleiding voor het oordeel dat Grontmij, gegeven haar deskundigheid, niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot de gebezigde typering. Het enkele feit dat een andere verkeerskundige komt tot een andere typering is onvoldoende om te oordelen dat verweerder de rapporten van de Grontmij niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen.

Ook in de uitkomsten van de onderzoeken wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat verweerder geen gebruik had mogen maken van zijn bevoegdheid vrijstelling te verlenen. Niet aannemelijk is geworden dat realisering van het bouwplan zal leiden tot een relevante verslechtering van de parkeer- en verkeerssituatie ter plaatse.

Daarbij is van belang dat met de komst van La Sabbia 48 extra parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Deze extra parkeerplaatsen leveren een bijdrage aan het verlichten van de parkeerdruk met name in de ochtenduren, zo blijkt uit de rapportages van zowel de Grontmij als van Oranjewoud. In de ochtenduren is de parkeerdruk hoog, vanwege het aantal ouders/verzorgers dat kinderen met de auto wegbrengt naar de schoolvoorzieningen ter plaatse. Niet aannemelijk is dat in de avonduren een tekort aan parkeerplaatsen zal ontstaan als gevolg van het bouwplan. Dit hangt samen met het feit dat de scholen dan niet in bedrijf zijn en voor de bewoners van La Sabbia is voorzien in parkeerplaatsen in de te realiseren parkeergarage.

Dit een en ander leidt tot de slotsom, dat hoewel aannemelijk is geworden dat ter plaatse niet een ideale verkeerssituatie bestaat en dat met name in de ochtenduren sprake is van een belaste parkeersituatie, niet kan worden geoordeeld dat het door het bouwplan gegenereerde verkeer zal leiden tot een relevante toename van verkeer- en parkeerdruk ter plaatse.

2.16 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder de gevraagde vrijstelling niet in redelijkheid heeft kunnen verlenen.

Hetgeen door eisers in beroep is aangevoerd kan niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Onder deze omstandigheden wordt geen aanleiding gezien om verweerder te veroordelen in de proceskosten.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening (SBR 09/448 VV ):

2.17 Gelet op de beslissing in de hoofdzaak is het treffen van een voorlopige voorziening niet vereist. De voorzieningenrechter ziet evenmin aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

Ten aanzien van het beroep:

3.1 verklaart het beroep ongegrond

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening:

3.2 wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven en in het openbaar uitgesproken op

28 oktober 2009.

De griffier: De voorzieningenrechter:

A. Heijboer mr. B.J. van Ettekoven

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen de uitspraak op het beroep kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De uitspraak van de rechtbank is bindend tussen partijen. Die binding heeft ook betekenis bij een eventueel vervolg van deze procedure, bijvoorbeeld indien het beroep gegrond wordt verklaard en verweerder een nieuw besluit moet nemen. Als een partij niet met hoger beroep opkomt tegen een oordeel van de rechtbank waarbij uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een standpunt van die partij is verworpen, staat de bestuursrechter die partij in beginsel niet toe dat standpunt in een latere fase van de procedure opnieuw in te nemen.