Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BK1217

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
26-10-2009
Datum publicatie
27-10-2009
Zaaknummer
16.601488-08 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot poging verkrachting en verkrachting en tot tweemaal mishandeling. Hoewel verdachte het tenlastegelegde ontkend heeft, acht de rechtbank de feiten wettig en overtuigend bewezen op grond van de aangiften van de vriendinnen van verdachte, die ondersteund worden door andere, objectieve gegevens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16.601488-08 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 26 oktober 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [1969] te [geboorteplaats] (Tunesië),

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in P.I. Utrecht, Huis van Bewaring, locatie Nieuwegein,

raadsvrouw mr. M. Ketting, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 15 juli 2009 en 12 oktober 2009, waarbij de officier van justitie, mr. W.J. Nijkerk en mr. M.J. Nijenhuis, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is op de terechtzitting van 15 juli 2009 gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: zijn vriendin [slachtoffer 1] heeft mishandeld;

Feit 2: heeft geprobeerd die [slachtoffer 1] te verkrachten;

Feit 3: zijn vriendin [slachtoffer 2] heeft mishandeld;

Feit 4: die [slachtoffer 2] heeft verkracht.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft gepleegd en baseert zich daarbij op het volgende. Op grond van de aangifte van mevrouw [slachtoffer 1], ondersteund door de medische verklaring en de verklaring van verdachte dat hij ter plaatse aanwezig was, is feit 1 bewezen. Omdat verdachte en [slachtoffer 1] een relatie hadden is er ook sprake van de strafverzwarende omstandigheid dat het geweld is toegepast tegen de levensgezel van verdachte. Er is sprake van eendaadse samenloop met het onder feit 2 primair tenlastegelegde, dat eveneens bewezen kan worden verklaard op grond van bovengenoemde stukken alsmede op grond van de bevindingen van de politie met betrekking tot het aantreffen van [slachtoffer 1] kort na het feit. Het onder feit 3 en 4 tenlastegelegde kan bewezen worden op basis van de aangifte van [slachtoffer 2], haar melding bij alarmnummer 112, gecombineerd met de op haar aangetroffen DNA-sporen van verdachte.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij op het volgende. De verklaringen die [slachtoffer 1] bij de politie en rechter-commissaris heeft afgelegd over de vermeende mishandeling en (poging tot) verkrachting door verdachte zijn inconsistent en komen niet overeen met de verklaring van getuige

[getuige 1], die heeft verklaard dat er geen sprake is geweest van gedwongen seks en dat hij geen geweld heeft gezien of gehoord tussen [slachtoffer 1] en verdachte. Ook de verklaringen van [slachtoffer 2] over de telefoon die door verdachte naar die [slachtoffer 2] zou zijn gegooid, danwel waarmee hij die [slachtoffer 2] zou hebben geslagen, zijn inconsistent en bovendien blijkt daaruit niet dat sprake is geweest van opzet van de verdachte. De verklaringen van [slachtoffer 2] over de vermeende verkrachting zijn onbetrouwbaar en niet in overeenstemming met haar gedragingen kort daarvoor. Van de op haar aangetroffen DNA-sporen kan niet worden vastgesteld dat deze van de pleegdatum zijn, aangezien verdachte en [slachtoffer 2] in dezelfde week nog op vrijwillige basis seksueel contact hebben gehad. Ook de 112-melding is geen doorslaggevend bewijs, omdat deze uit dezelfde bron afkomstig is als de aangifte. De verdediging heeft bovendien opgemerkt dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet als levensgezel van verdachte kunnen worden aangemerkt.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Feit 1 en 2

Op 19 december 2008 om 02:30 uur treffen de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], naar aanleiding van een melding bij de Gemeenschappelijke meldkamer Utrecht, een huilende vrouw aan op de [straat] in Maarssen. Zij verklaart [slachtoffer 1] te heten. De verbalisant ziet dat de kleding van de vrouw in het midden gescheurd is, dat de knopen van haar jas ontbreken en dat haar blouse in het midden gescheurd is. De vrouw verklaart dat ze de politie heeft gebeld nadat ze door haar vriend [verdachte] was geslagen. In haar nabijheid wordt ook een man aangetroffen die verklaart [verdachte] te heten en op de [adres] te Maarssen te wonen. Volgens de verbalisant spreekt de man met dubbele tong en is zeer onvast ter been.

De vrouw verklaart bij de politie dat zij een relatie met [verdachte] heeft en dat hij haar heeft mishandeld en gedwongen heeft om seksuele handelingen te ondergaan. Zij verklaart dat zij in de nacht van 18 op 19 december 2008 door verdachte was gedwongen om in een bovenwoning in Maarssen seks te hebben met een andere man, dat verdachte haar klappen gaf om haar zover te krijgen en dat hij haar na afloop van de seks ook heeft geslagen. Zij verklaart dat zij daarna met verdachte naar zijn huis is gegaan en dat zij daar opnieuw meerdere malen door verdachte is geslagen. Verdachte wilde bovendien seks met haar hebben en zei: “Je gaat nu met me neuken!” Tijdens de worsteling die ontstond zijn haar blouse en bh stukgetrokken. Terwijl verdachte haar klappen bleef geven, was hij bezig zichzelf uit te kleden en dwong haar op een gegeven moment met kracht op het bed. Hij zoende haar in haar nek, betastte haar blote borsten, probeerde ze te kussen en ze voelde dat hij met een van zijn beide handen in haar broek en slip ging, dat hij op haar blote vagina kwam en probeerde met zijn vinger in haar vagina te gaan. Uiteindelijk is het haar gelukt om te vluchten.

De huisarts constateert bij [slachtoffer 1] op 19 december 2008 een bloeduitstorting op het linkeroor en achter het linkeroor een rode plek, een gescheurde bovenlip, links op het achterhoofd een buil, een bloeduitstorting op de rechterpols, links boven de borst een bloeduitstorting, diverse andere oppervlakkige kneuzingen en mogelijk een lichte hersenschudding.

Een vriendin van [slachtoffer 1], die als getuige wordt gehoord door de politie, verklaart dat zij van [slachtoffer 1] heeft gehoord dat zij meerdere keren door verdachte is mishandeld en dat er ook op 19 december 2008 een geweldsincident heeft plaatsgevonden. [slachtoffer 1] vertelde haar dat zij in de nacht van 18 op 19 december 2008 in de woning van een man met wie zij seks had gehad klappen had gekregen van verdachte, dat die man daarvan schrok en hen heeft weggebracht naar de woning van verdachte. Zij verklaart voorts dat ze van [slachtoffer 1] heeft gehoord dat verdachte haar in zijn woning bont en blauw heeft geslagen, haar kleding van haar lijf heeft afgerukt, waarbij haar blouse en bh stuk zijn gegaan, en dat zij er ten slotte in is geslaagd het huis uit te vluchten en 112 te bellen.

De man met wie [slachtoffer 1] seks heeft gehad, verklaart dat hij met [slachtoffer 1] op 19 december 2008 rond half één naar zijn slaapkamer is gegaan. Hij bevestigt dat hij verdachte en [slachtoffer 1] na de seks heeft weggebracht naar het huis van verdachte. Hij is meegegaan, omdat verdachte zo dronken was dat hij geholpen moest worden bij het aankleden en ondersteund moest worden bij het naar huis lopen. Hij verklaart dat [slachtoffer 1] hem vroeg om haar ook naar huis te brengen, maar dat verdachte wilde dat ze mee naar boven ging. Hij verklaart voorts dat zij dat niet wilde, dat ze begon te huilen en dat verdachte onaardig tegen haar was. Op dat moment was er volgens hem geen sprake van een beschadiging van de kleding van de vrouw of verwondingen. De man heeft hen toen samen achtergelaten. Volgens hem was de vrouw ook al eerder die avond gaan huilen, nadat ze met hem had gevreeën en weer samen met verdachte in een andere kamer was. Hij hoorde haar toen zeggen dat het niet normaal was wat verdachte zei en deed. De man verklaart dat hij toen zelf heeft gezegd dat hij het niet leuk meer vond en dat hij ermee stopte.

Feit 3 en 4

Op 22 januari 2009 wordt er opnieuw een 112-melding gedaan waar de naam van verdachte in voorkomt. De meldkamer van de ambulance wordt gebeld door mevrouw [slachtoffer 2] in Nieuwegein, die verklaart dat de heer [verdachte] bij haar is en dat hij een kwartier of twintig minuten daarvoor twee complete strippen paracetamol heeft opgegeten, vermoedelijk in combinatie met alcohol. Bij het doorvragen door de medewerker van de meldkamer wordt [slachtoffer 2] emotioneel en vertelt ze dat verdachte haar even daarvoor heeft verkracht. Een dag later doet ze daarvan aangifte. Ze verklaart dan dat zij verdachte onderdak heeft verleend vanaf december 2008 en dat zij een seksuele relatie met elkaar hadden. Zij verklaart voorts dat zij ook een seksuele relatie had met een andere vriend genaamd [getuige 3] en dat verdachte daarvan op de hoogte was. Op 20 januari 2009 kregen [slachtoffer 2] en verdachte ruzie toen zij hem vertelde dat deze [getuige 3] de volgende dag bij haar zou komen en zou blijven slapen. Volgens haar werd verdachte toen erg boos, sloeg hard met zijn vuist tegen de muur, ging dreigend voor haar staan en zei dat hij degene die hem pijn deed pijn zou doen en dat hij niet voor niets zou gaan zitten. Verdachte sloeg daarbij een asbak uit [slachtoffer 2] hand en toen zij geschrokken op een stoel ging zitten, voelde ze een harde klap rechts tegen haar gezicht. Later zag ze dat er een telefoon tegen haar gezicht aan was gekomen, waardoor zij een kleine rode plek op haar rechterwang heeft (die ook door de verbalisanten die de aangifte opnemen wordt gezien). [slachtoffer 2] verklaart verder dat zij de rest van de avond ruzie bleven houden en dat zij [getuige 3] de volgende dag gesms’t heeft dat hij beter niet kon komen, omdat de situatie thuis geëscaleerd was. [getuige 3] bevestigt dat.

Verdachte bleef haar tot de volgende avond bedreigen, zo verklaart [slachtoffer 2], maar omdat haar kinderen al in bed lagen kon ze niet weggaan. In de nacht van 21 op 22 januari 2009 waren verdachte en zij naar bed gegaan. [slachtoffer 2] droeg een sweater en slip en verdachte was naakt. [slachtoffer 2] had gezegd dat ze geen seks wilde met verdachte. Verdachte probeerde echter steeds aan haar borsten te komen en pakte op een gegeven moment haar rechterhand, duwde die hand naar zijn geslachtsdeel, zei dat ze die moest vasthouden en deed hem erom heen. Ondertussen bedreigde hij haar met woorden als: “Wie mij pijn doet zal ik kapot maken!”. [slachtoffer 2] zei dat ze het niet wilde doen en was erg bang. Verdachte trok haar slip uit, duwde haar op haar rug en duwde met zijn beide knieën haar benen uit elkaar. [slachtoffer 2] waarschuwde verdachte meermalen dat hij bezig was met haar te verkrachten, maar desondanks deed verdachte zijn penis in haar vagina en tijdens de gemeenschap die volgde kwam hij klaar op haar buik. Kort daarna hoorde [slachtoffer 2] verdachte zeggen: “O mama wat heb ik gedaan?” Even later vond ze verdachte elders in huis, terwijl hij onwel was geworden door de pillen die hij heeft ingenomen.

Van het sperma op de buik van [slachtoffer 2] (tussen navel en schaamstreek) worden monsters genomen door de zedenpolitie. Het hoofdprofiel van het DNA-mengprofiel dat uit die monsters verkregen wordt, matcht met het DNA-profiel van verdachte. Het NFI concludeert dat de kans dat een willekeurig gekozen man een DNA-profiel heeft dat matcht met het afgeleide hoofdprofiel kleiner is dan één op één miljard.

[getuige 2], een vriendin van [slachtoffer 2] die haar kort na het gebeuren heeft gesproken, verklaart bovendien dat ze van [slachtoffer 2] heeft gehoord dat ze door verdachte is verkracht, dat er voorafgaand daaraan ruzie was ontstaan tussen verdachte en [slachtoffer 2] en dat [slachtoffer 2] de avond voor de verkrachting had gedoucht .

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen, tezamen en in onderlinge samenhang beschouwd, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan zoals hierna aangegeven. De rechtbank overweegt dat verdachte heeft gesteld dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] beide een motief hebben om hem erbij te lappen: [slachtoffer 1] omdat ze jaloers is en [slachtoffer 2] omdat ze financieel gebruik van hem wil maken. De rechtbank kan verdachte daarin niet volgen. De rechtbank betrekt daarbij ten aanzien van de aantijgingen jegens [slachtoffer 2] dat verdachte ook heeft verklaard dat [slachtoffer 2] zijn beste vriendin was en zij hem juist met heel veel zaken hielp. Wat daarvan ook zij, feit is dat de verklaringen van beide aangeefsters op essentiële punten gestaafd worden door andere, objectieve, feiten en omstandigheden.

Zo wordt schade aan de kleding van [slachtoffer 1] geconstateerd door de verbalisanten die haar op straat tegenkomen, terwijl door de man die [slachtoffer 1] en verdachte op 19 oktober 2009 tot verdachtes huis heeft begeleid, is verklaard dat [slachtoffer 1] tot op het moment dat hij wegging onbeschadigde kleding droeg. Het letsel van [slachtoffer 1] dat door een arts wordt geconstateerd past bij het geweld zoals dat door [slachtoffer 1] bij haar aangifte is omschreven. Met betrekking tot dit letsel heeft de man die [slachtoffer 1] en verdachte tot verdachtes huis heeft begeleid verklaard dat er tot op het moment dat hij wegging geen verwondingen te zien waren bij [slachtoffer 1]. Hij heeft voorts bevestigd dat verdachte dronken was, dat er een ruzieachtige sfeer bestond toen hij hen achterliet en dat hij [slachtoffer 1] al eerder die avond had horen huilen en had horen zeggen dat het niet normaal was wat verdachte zei en deed.

Verbalisanten hebben ook geconstateerd dat [slachtoffer 2] een kleine verwonding op haar rechterjukbeen heeft. Daarnaast heeft [getuige 3], de andere vriend van [slachtoffer 2], verklaard dat hij van [slachtoffer 2] heeft gehoord dat zij een klap of een telefoon in haar gezicht had gekregen van verdachte. Uit genoemde verklaringen en de door [slachtoffer 2] geschetste opeenvolgende gebeurtenissen, namelijk een verdachte die boos werd, tegen de muur aansloeg, verbaal en non-verbaal dreigend gedrag vertoonde, een asbak uit haar handen sloeg en kort daarna een telefoon gooide, leidt de rechtbank af dat verdachte de opzet had om met het gooien van de telefoon [slachtoffer 2] te raken. Met het onder genoemde omstandigheden op korte afstand van [slachtoffer 2] een telefoon gooien richting een muur, terwijl zij zich tussen verdachte en deze muur bevond, heeft verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij [slachtoffer 2] met die telefoon zou raken.

[getuige 3] verklaart voorts dat [slachtoffer 2] hem kort na het incident met de telefoon heeft verteld dat verdachte haar had verkracht. Haar verklaring met betrekking tot de verkrachting vindt bovendien steun in de verklaring van [getuige 2] en in het op [slachtoffer 2] aangetroffen DNA-materiaal dat past bij het DNA-profiel van verdachte. Tegenover de verklaring van verdachte dat dit spoor betrekking kan hebben op een vrijpartij die enkele dagen voor het tenlastegelegde heeft plaatsgevonden, staat de verklaring van [slachtoffer 2] dat zij de avond voor het tenlastegelegde plaatsvond nog heeft gedoucht met zeep en sop. Dit gegeven wordt door de verklaring van getuige [getuige 2] bevestigd.

Bovendien bevindt zich in het dossier de cd met de opname van de 112-melding van [slachtoffer 2] die door de rechtbank ter terechtzitting is beluisterd. De rechtbank merkt op dat [slachtoffer 2] in de melding in eerste instantie niets zegt over de verkrachting, dat zij op een bepaald moment geëmotioneerd raakt en dat zij -pas na doorvragen van de telefoniste- vertelt dat zij kort daarvoor door verdachte is verkracht en dat zij daarvan geen aangifte wil doen. De rechtbank overweegt dat de inhoud van deze melding geen blijk geeft van het de verdachte ‘een hak willen zetten’, maar veeleer van een -tegen wil en dank- toegeven wat er kort tevoren tussen haar en verdachte heeft plaatsgevonden. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank niet alleen tot het wettig bewijs van de tenlastegelegde feiten, maar ook tot de stellige overtuiging dat verdachte deze feiten heeft begaan.

De rechtbank overweegt ten slotte dat zij het bestanddeel ‘levensgezel’ in de feiten 1 en 3 niet bewezen acht, aangezien daarvoor is vereist dat sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen verdachte en de slachtoffers, vergelijkbaar met die van echtgenoten of geregistreerde partners. Gelet op de duur van de relaties en hetgeen over de relatie door hetzij verdachte, hetzij het slachtoffer wordt verklaard - in het geval van [slachtoffer 1] zegt verdachte dat het een seksrelatie betrof en in het geval van [slachtoffer 2] noemt [slachtoffer 2] verdachte een huisgenoot waarmee ze een seksrelatie had - concludeert de rechtbank dat van een nauwe persoonlijke betrekking zoals tussen echtgenoten en geregistreerde partners, geen sprake is.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 19 december 2008 te Maarssen, opzettelijk mishandelend [slachtoffer 1] meermalen

heeft gestompt en geslagen, waardoor voornoemde [slachtoffer 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

Primair

op 19 december 2008 te Maarssen ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om door geweld en een andere feitelijkheid en door bedreiging met een feitelijkheid [slachtoffer 1] te dwingen tot het ondergaan van handelingen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, opzettelijk

-die [slachtoffer 1] meermalen heeft geslagen en

-haar heeft vastgegrepen en

-haar (daarbij) de woorden heeft toegevoegd: `je gaat nu met me neuken', en

-haar blouse heeft stuk getrokken en haar BH heeft stuk getrokken en

-zelf zijn kleding aan het uittrekken was en

-haar met kracht op een bed heeft geduwd en

-haar met haar rug tegen een muur heeft gedrukt en/of gedrukt heeft gehouden en

-haar in de nek heeft gezoend en haar blote borsten heeft betast en poogde haar borsten te kussen en met één van zijn beide handen haar broek en slip in is gegaan en gepoogd heeft zijn vinger in haar vagina te brengen, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

3.

op 20 januari 2009 te Nieuwegein, opzettelijk mishandelend [slachtoffer 2] een telefoon tegen het gezicht heeft gegooid en/of geslagen, waardoor voornoemde [slachtoffer 2] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

4.

op 22 januari 2009 te Nieuwegein door geweld en een andere feitelijkheid en

door bedreiging met geweld bestaande uit

-het duwen van haar hand tegen en/of om zijn geslachtsdeel en

-het haar (meermalen) toevoegen van woorden als: `wie mij pijn doet zal ik

kapot maken', en

-het uittrekken van haar slip en

-het op haar gaan liggen en

-het met zijn knieën haar benen uit elkaar duwen en

-het vastpakken van haar handen,

[slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die hebben

bestaan uit of mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het

lichaam, immers heeft hij zijn penis in haar vagina gebracht.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

4.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1 en 3(telkens): Mishandeling

Feit 2: Poging tot verkrachting

Feit 4: Verkrachting

4.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie voert aan dat uit de verklaringen van de slachtoffers en de rapportage het beeld van een manipulerende en dwingende persoonlijkheid van verdachte naar voren komt, met gedrag dat bovendien sterk beïnvloed wordt door het alcoholgebruik van verdachte. De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar met aftrek van de periode die verdachte reeds heeft doorgebracht in voorarrest, met de bijzondere voorwaarde de verplichting voor verdachte om zich te houden aan de aanwijzingen van de reclassering, ook als dit inhoudt een ambulante behandeling in verband met alcohol en/of agressie.

5.2 Het standpunt van de verdediging

In het geval de rechtbank tot strafoplegging komt heeft de verdediging verzocht om een voorwaardelijke strafoplegging, met de bijzondere voorwaarden zoals vermeld in de rapportage van de reclassering.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Voor wat betreft de feiten door verdachte gepleegd tegen het slachtoffer [slachtoffer 1], overweegt de rechtbank dat de handelwijze van verdachte getuigt van een grove veronachtzaming van de gevoelens van het slachtoffer. Nadat het slachtoffer heeft deelgenomen aan een langdurige seksuele setting die sterk de indruk wekt van een bewust misbruik maken van de kwetsbaarheid van het slachtoffer [slachtoffer 1] door verdachte, wil verdachte haar ook zelf nog eens gebruiken voor zijn seksuele behoeften. Wanneer het slachtoffer haar grenzen aangeeft, probeert hij haar te dwingen aan zijn behoeften te voldoen door veel geweld te gebruiken. Dit alles leidt ertoe dat het slachtoffer [slachtoffer 1] uiteindelijk in mensonterende omstandigheden -met een opengescheurde blouse en stukgetrokken bh- op straat komt te staan met diverse verwondingen. De rechtbank overweegt dat het niet het gevolg van de handelwijze van verdachte is, dat het uiteindelijk bij een poging tot verkrachting is gebleven.

Het gedrag dat verdachte vertoont is enerzijds zeer dwingend en manipulatief en anderzijds theatraal en zelfs kinderlijk te noemen. Dit is duidelijk waarneembaar in de handelwijze van verdachte richting het slachtoffer [slachtoffer 2]. Terwijl zij duidelijk aan verdachte kenbaar maakt dat zij geen seks met hem wil, respecteert hij op geen enkele wijze de door haar aangegeven grenzen, maar dwingt haar tot het ondergaan van geslachtsgemeenschap met hem. Wanneer tot hem doordringt wat hij daarmee heeft gedaan, neemt hij op geen enkele wijze verantwoordelijkheid voor zijn daden maar probeert zich een slachtofferrol aan te meten door te huilen en pillen in te nemen en zichzelf in zo’n toestand te brengen dat het slachtoffer [slachtoffer 2] zelfs genoodzaakt is voor hem de hulpdiensten in te schakelen.

De rechtbank merkt op dat het feit dat verdachte zich op dat moment in een schorsing van de voorlopige hechtenis bevond voor de (soortgelijke) feiten onder 1 en 2 tenlastegelegd, voor hem kennelijk ook geen beletsel vormde om door te gaan met het plegen van strafbare feiten.

De rechtbank acht het buitengewoon zorgelijk dat de houding van verdachte, ook tijdens de terechtzitting, van zo weinig zelfinzicht getuigt. Stuitend acht de rechtbank het dat verdachte zelfs zo ver gaat in het omdraaien van de rollen dat hij de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ‘actrices’ durft te noemen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van

36 maanden noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Wel ziet de rechtbank aanleiding een deel daarvan, te weten 8 maanden, voorwaardelijk op te leggen. Deze voorwaardelijke straf maakt een verplichte begeleiding door de Reclassering mogelijk.

6 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 45, 57, 242, 300 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

7 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1 en 3 (telkens): Mishandeling

Feit 2: Poging tot verkrachting

Feit 4: Verkrachting

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering, ook als dit inhoudt het volgen van een ambulante behandeling in verband met alcohol- en/of agressieproblematiek;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.P. Schotman, voorzitter, mr. J.W. Veenendaal en

mr. V. van Dam, rechters, in tegenwoordigheid van E.M. Scheffer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 26 oktober 2009.

Mr. Van Dam is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.