Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BK1073

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
14-10-2009
Datum publicatie
22-10-2009
Zaaknummer
251869 / HA ZA 08-1437 en 257064 / HA ZA 08-2214
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Hoofd- en vrijwaring. Na inruil auto tegen een andere resteert restschuld eerste auto. Vordering tot nakoming toegewezen. Kopers mochten niet gerechtvaardigd vertrouwen op uitlatingen autoverkoper dat die restschuld verrekend zou worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

Vonnis in hoofdzaak en vrijwaring van 14 oktober 2009

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 251869 / HA ZA 08-1437 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MERCEDES-BENZ FINANCIAL SERVICES NEDERLAND B.V.,

thans handelend onder de naam Mercedes-Benz Charterway,

gevestigd te Nieuwegein,

eiseres,

advocaat: mr. J.M. van Noort,

tegen

1. de vennootschap onder firma

[gedaagde sub 1],

gevestigd te [[vestigingsplaats]

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats]

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat: mr. J.C.M. Bonnier,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer 257064 / HA ZA 08-2214 van251869 / HA ZA 08-1437 en 257064 / HA ZA 08-2214

1. de vennootschap onder firma

[gedaagde sub 1],

gevestigd te [vestigingsplaats]

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats],

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat: mr. M.C. van der Meij,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CHRYSLER JEEP APELDOORN B.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat: mr. G. Altena.

Partijen zullen hierna Mercedes-Benz, [gedaagden c.s.] en Chrysler genoemd worden.

De rechtbank zal in dit vonnis ten aanzien van eiseres in de hoofdzaak uitgaan van de naam zoals die in de dagvaarding staat, hoewel over de naam tijdens de comparitie namens eiseres anders is verklaard.

1. De procedure in de hoofdzaak

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

• het tussenvonnis van 19 november 2008;

• het proces-verbaal van comparitie van 28 augustus 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De procedure in de vrijwaringszaak

2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

• het tussenvonnis van 17 december 2008;

• het proces-verbaal van comparitie van 28 augustus 2009.

2.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

3. De feiten

3.1. Dhr. [gedaagde sub 2] en mw. [gedaagde sub 3] zijn vennoten van de vennootschap onder firma [gedaagde sub 1] (hierna: de vof).

3.2. Mercedes-Benz handelt onder verschillende handelsnamen waaronder Mercedes-Benz Charterway en Chrysler Finance.

3.3. Op 11 mei 2007 heeft de vof met Mercedes-Benz, onder de handelsnaam Mercedes-Benz Charterway, een overeenkomst gesloten – kredietovereenkomst genoemd – ter financiering van de aankoop van een auto, een Mercedes-Benz Vito (hierna: de Vito). In deze overeenkomst (hierna: overeenkomst 1) is onder meer het volgende opgenomen:

“Koopprijs/contantprijs inclusief BTW : € 18.612,24

Aanbetaling/inruil : € 3.000,00

Kredietsom : € 15.612,24

(…)

Kredietvergoeding : € 2.941,76

Totaal : € 18.554,00

Aantal termijnen : 36

Termijnbedrag : € 515,25

Slottermijn : € 5,00”.

3.4. Eind 2007 heeft de vof bij Chrysler een auto gekocht, een Dodge Nitro (hierna: de Dodge), waarbij de Vito werd ingeruild voor € 18.000, -.

3.5. Ter financiering van de aankoop van de Dodge heeft de vof op 11 december 2007 een overeenkomst gesloten – leaseovereenkomst genoemd – met Mercedes-Benz, onder de handelsnaam Chrysler Finance. In deze overeenkomst (hierna: overeenkomst 2) is onder meer het volgende opgenomen:

“Koopprijs contante betaling incl. BTW € 55.672,32

Aanbetaling € 18.000,00

Te financieren bedrag € 37.672,32

Financieringskosten € 10.491,68

Slottermijn € 5,00

Looptijd in maanden 60

(…)

Totaal leasebedrag per maand € 802,65”.

3.6. Van het totaal verschuldigde bedrag op grond van overeenkomst 1 is € 13.055,64 niet door de vof aan Mercedes-Benz voldaan.

3.7. Bij brief van 23 juni 2008 aan de vof heeft Mercedes-Benz overeenkomst 1 gedeeltelijk opgezegd dan wel ontbonden.

3.8. Mercedes-Benz heeft in plaats van € 37.672,32, het te financieren bedrag in overeenkomst 2, aan Chrysler

€ 13.055,64 minder overgemaakt, te weten € 24.616,68.

4. Het geschil

in de hoofdzaak

4.1. Mercedes-Benz vordert samengevat - veroordeling van [gedaagden c.s.] tot betaling van de restschuld uit overeenkomst 1 ad € 13.055,64, alsmede € 130,56 als contractuele vergoeding van 1 % en € 1.752,45 aan buitengerechtelijke incassokosten, totaal € 14.938,65, vermeerderd met rente en kosten.

4.2. [gedaagden c.s.] voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in de vrijwaringszaak, in conventie

4.3. [gedaagden c.s.] vorderen samengevat - dat Chrysler wordt veroordeeld om aan [gedaagden c.s.] te betalen al hetgeen waartoe [gedaagden c.s.] jegens Mercedes-Benz in de hoofdzaak mochten worden veroordeeld, met veroordeling van Chrysler in de kosten van de hoofdzaak en de vrijwaring.

4.4. Chrysler voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

In de vrijwaringszaak, in reconventie

4.5. Voor zover de vordering in de hoofdzaak wordt afgewezen dan wel eiseres in de hoofdzaak niet ontvankelijk wordt verklaard vordert Chrysler – samengevat – hoofdelijke veroordeling van [gedaagden c.s.] tot betaling van € 13.018,32, vermeerderd met rente en kosten.

4.6. [gedaagden c.s.] voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling

in de hoofdzaak

5.1. Gebleken is dat Mercedes-Benz een bedrag ter grootte van de restschuld uit overeenkomst 1 in mindering heeft gebracht op het bedrag dat zij in het kader van overeenkomst 2 aan Chrysler diende te betalen. Tijdens de comparitie van partijen – die in de hoofdzaak en de vrijwaringszaak gelijktijdig zijn gehouden waardoor dit feit vanuit de vrijwaringszaak ook in de hoofdzaak aan de orde kwam – is door Mercedes-Benz medegedeeld dat het bedrag bij haar op een tussenrekening staat met de vermelding dat het wordt overgemaakt aan Chrysler als [gedaagden c.s.] hebben betaald. [gedaagden c.s.] hebben naar aanleiding van deze mededeling gesteld dat Mercedes-Benz geen belang heeft bij haar vordering, nu zij het geld al op één van haar rekeningen heeft staan.

5.2. De rechtbank is van oordeel dat Mercedes-Benz voldoende belang heeft, als bedoeld in artikel 3: 303 BW, bij haar rechtsvordering. Hoewel zij er, door verrekening van de restschuld uit overeenkomst 1 met het bedrag dat ten behoeve van [gedaagden c.s.] aan Chrysler betaald moest worden op grond van overeenkomst 2, in is geslaagd € 13.055,64 te verkrijgen en in die zin het bedrag niet meer tekort komt, heeft zij er wel belang bij vastgesteld te krijgen of zij recht op nakoming heeft zoals gevorderd. Zeker nu er drie partijen bij deze kwestie zijn betrokken is het vaststellen van de rechtsverhouding voor Mercedes-Benz van belang, onder andere ter voorkoming van verdere procedures.

5.3. Mercedes-Benz stelt dat [gedaagden c.s.] de restschuld uit overeenkomst 1 nog moeten betalen. Het feit dat de Vito voor € 18.000, - is ingeruild bij de aankoop van de Dodge laat de restschuld ten aanzien van de Vito onverlet. Een eventuele afspraak tussen [gedaagden c.s.] en Chrysler raakt Mercedes-Benz niet. Weliswaar heeft Mercedes-Benz overeenkomst 2 goedgekeurd, maar dit betekent niet dat het nog openstaande bedrag verrekend zou zijn, zoals [gedaagden c.s.] stellen. Tijdens de comparitie is namens Mercedes-Benz nog aangevoerd dat [gedaagden c.s.] wisten hoeveel restschuld er nog op de Vito zat, hoeveel de Dodge na inruil van de Vito kostte en dan dus ook konden weten dat de restschuld nog betaald moest worden.

5.4. [gedaagden c.s.] beroepen zich, ter afwering van de vordering van Mercedes-Benz, op een afspraak die zij met de verkoper van Chrysler zouden hebben gemaakt. Zij hebben aangevoerd dat zij tegen de verkoper van Chrysler hebben gezegd dat de Vito nog niet was afbetaald, dat zij deze wel graag wilden inruilen tegen de Dodge en dat zij hebben gevraagd of dat kon voor een maandbedrag van maximaal € 800, -. Het antwoord van de verkoper van Chrysler zou zijn geweest dat het kon voor € 802,65 per maand. Volgens [gedaagden c.s.] heeft de verkoper van Chrysler gezegd dat hij ervoor zou zorgen dat de openstaande vordering met Mercedes-Benz geregeld zou worden, dat dit bedrag intern verrekend zou worden met Mercedes-Benz. Ook is door hen gesteld dat de verkoper zou zorgdragen voor de verdere aflossing van het krediet op de Vito. Tijdens de comparitie is door dhr. en mw. [gedaagden c.s.] verklaard dat de verkoper gezegd zou hebben: “Wij betalen de Vito af”.

5.5. De rechtbank overweegt dat de juridische grondslag van het verweer van [gedaagden c.s.] niet geheel duidelijk is gesteld. De gestelde uitspraken van de verkoper van Chrysler dat hij het met Mercedes-Benz zou regelen en dat dit intern met Mercedes-Benz verrekend zou worden lijken te wijzen op een afspraak die door Chrysler námens Mercedes-Benz werd gemaakt. Dit terwijl de gestelde uitspraken dat de verkoper zou zorgdragen voor de verdere aflossing van de Vito en “wij betalen de Vito af” eerder lijken te wijzen op een afspraak met Chrysler zélf.

5.6. Een eventuele afspraak van [gedaagden c.s.] met Chrysler zelf raakt Mercedes-Benz niet. Als het verweer van [gedaagden c.s.] op deze grondslag berust, dient het alleen daarom al verworpen te worden.

5.7. Uit de feitelijke stellingen van [gedaagden c.s.] maakt de rechtbank op dat zij zich vooral gericht hebben op het te betalen bedrag per maand, dat niet meer mocht zijn dan € 800,-, en dat zij dachten dat daar dan niet alleen de financiering van de Dodge, maar ook de restschuld van de Vito in betrokken was. Als [gedaagden c.s.] het zo hebben begrepen zou de gestelde afspraak door de verkoper van Chrysler namens Mercedes-Benz gemaakt moeten zijn. In dat geval is de vraag of de verkoper van Chrysler bevoegd was een dergelijke afspraak namens Mercedes-Benz te maken. Uit de stellingen van Mercedes-Benz maakt de rechtbank op dat dit niet het geval is en door [gedaagden c.s.] is niet gesteld dat dit wel zo is.

5.8. Vervolgens komt de vraag aan de orde of [gedaagden c.s.] er, ondanks het feit dat deze vertegenwoordigingsbevoegdheid ontbrak, toch gerechtvaardigd op mochten vertrouwen dat deze wel bestond. Hiervoor is vereist een verklaring of gedraging van Mercedes-Benz op grond waarvan [gedaagden c.s.] hebben aangenomen, en dat redelijkerwijze ook mochten doen, dat aan (de verkoper van) Chrysler een toereikende volmacht was verleend om een dergelijke financiële afspraak namens haar te maken.

5.9. In de fase voor of bij het sluiten van de overeenkomsten (aankoop Dodge met financiering) zou de volgende omstandigheid hierbij een rol kunnen spelen. Kennelijk staat Mercedes-Benz het Chrysler toe met klanten te spreken over de mogelijkheid van een financiering bij Mercedes-Benz waarbij ook concrete maandbedragen mogen worden berekend. De rechtbank is echter van oordeel dat [gedaagden c.s.] hieruit nog niet mochten afleiden dat Chrysler dan ook bevoegd zou zijn om namens Mercedes-Benz financierings-afspraken te maken. Een financieringsovereenkomst moet immers eerst worden goedgekeurd door Mercedes-Benz, waarna deze op schrift wordt gesteld en wordt ondertekend onder meer door Mercedes-Benz zelf.

5.10. Daar komt bij dat de afbetaling van de Vito de verantwoordelijkheid van [gedaagden c.s.] was. Daarom had het op hun weg gelegen, ook als de verkoper van Chrysler de gestelde uitspraken zou hebben gedaan, te informeren bij Mercedes-Benz hoe hun betalings-verplichtingen uit overeenkomst 1 dan verder afgewikkeld zouden worden. Sowieso had het op hun weg gelegen om contact op te nemen met Mercedes-Benz , alleen al omdat zij op grond van overeenkomst 1 de Vito niet zonder schriftelijke toestemming van Mercedes-Benz mochten verkopen, zoals Mercedes-Benz terecht heeft opgemerkt. Als zij dit gedaan hadden was meteen gebleken dat de aankoop van de Dodge tegen inruil van de Vito voor een maandbedrag van € 802,65 onder dezelfde voorwaarden niet mogelijk was.

5.11. Ook is de rechtbank van oordeel dat [gedaagden c.s.] zelf hadden kunnen en ook moeten bedenken, in ieder geval aan de hand van de op schrift gestelde overeenkomst 2, dat de restschuld uit overeenkomst 1 hierin niet geregeld was. In de opsomming van de bedragen in overeenkomst 2 (zie 3.5) is te zien dat bij de inruilwaarde van de Vito het volle bedrag van € 18.000, - staat vermeld, dus dat daar de restschuld niet is afgetrokken. En vervolgens valt te zien dat het te financieren bedrag voor de aankoop van de Dodge (koopprijs min inruil) niet is vermeerderd met de restschuld. De restschuld was ruim € 13.000, - en dat is, in het licht van de andere bedragen, ook zo substantieel dat het op moest vallen dat dit in de berekening van overeenkomst 2 niet was meegenomen.

5.12. [gedaagden c.s.] voeren nog omstandigheden aan die na het sluiten van de overeenkomsten hebben gespeeld, namelijk dat zij een overzicht van Mercedes-Benz hebben ontvangen d.d. 10 april 2008 waaruit valt af te leiden dat de restschuld van de Vito is voldaan en dat zij ook het vrijwaringsbewijs van de Vito hebben gekregen. Dit is door Mercedes-Benz niet weersproken en tijdens de comparitie is erkend dat een overschrijvings-bewijs, waarmee een vrijwaringsbewijs kan worden verkregen, door hen pas wordt afgegeven als de auto helemaal is afbetaald. Het een en ander lijkt het administratieve gevolg te zijn van de door Mercedes-Benz toegepaste verrekening. Volgens [gedaagden c.s.] mochten zij er, na ontvangst van deze stukken, vanuit gegaan dat de restschuld van de Vito inderdaad was voldaan, zoals de verkoper van Chrysler had gezegd.

5.13. Hoewel deze administratieve afwikkeling van de verrekening door Mercedes-Benz zeker niet heeft bijgedragen aan het scheppen van duidelijkheid, is de rechtbank van oordeel dat Mercedes-Benz hiermee niet achteraf alsnog de schijn heeft gewekt dat de verkoper van Chrysler een toereikende volmacht had om een dergelijke financiële afspraak over de restschuld van overeenkomst 1 te maken. Zoals hiervoor overwogen hadden [gedaagden c.s.] voor of bij het sluiten van de overeenkomsten al zelf moeten informeren bij Mercedes-Benz naar de afwikkeling van overeenkomst 1 en zelf moeten zien dat de restschuld uit overeenkomst 1 niet bij overeenkomst 2 betrokken was. Ook blijkt uit de verklaring van dhr. en mw. [gedaagden c.s.] tijdens de comparitie dat de verkoper van Chrysler hen later had gebeld om te zeggen dat hij een fout had gemaakt en dat er vervolgens problemen ontstonden omdat Mercedes-Benz kennelijk geen genoegen nam met enkel het maandbedrag van € 802,65. Onder deze omstandigheden kan de ontvangst van voormelde stukken niet gezien worden als een gedraging van Mercedes-Benz op grond waarvan [gedaagden c.s.] redelijkerwijs mochten aannemen dat aan (de verkoper van) Chrysler een toereikende volmacht was verleend om een dergelijke financiële afspraak te maken.

5.14. Gezien voorgaande overwegingen verwerpt de rechtbank het verweer van [gedaagden c.s.] en zal de vordering van Mercedes-Benz ten aanzien van de restschuld uit overeenkomst 1 ad € 13.055,64 worden toegewezen.

5.15. Mercedes-Benz stelt verder dat zij overeenkomst 1 bij brief van 23 juni 2008 heeft opgezegd wegens het niet voldoen aan de betalingsverplichtingen door [gedaagden c.s.] en dat [gedaagden c.s.] haar nu, zoals overeengekomen in artikel 4.3 van haar algemene kredietvoorwaarden, een direct opeisbare vergoeding van 1% van het opeisbare bedrag verschuldigd is, te weten € 130,56. Als onweersproken en niet ongegrond zal dit onderdeel van de vordering worden toegewezen.

5.16. Ook vordert Mercedes-Benz een bedrag aan buitengerechtelijke inningskosten die zij op grond van artikel 7 van haar algemene kredietvoorwaarden heeft berekend op € 1.752,45. In artikel 7 staat: “Alle gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten die DCFS moet maken tot verhaal van haar vordering(en) op de Cliënt, zijn geheel voor rekening van de Cliënt. De buitengerechtelijke kosten worden berekend volgens het Incassotarief van de Nederlandse Orde van Advocaten met een minimum van € 250, -.” Gezien de hoofdsom van € 13.055,64 met daarbij opgeteld de vergoeding van 1%, komt de rechtbank op grond van het betreffende incassotarief uit op een bedrag van € 904, -. Mercedes-Benz heeft niet uitgelegd hoe zij het gevorderde bedrag van € 1.752,45 heeft berekend. Daarom zal de rechtbank de buitengerechtelijke incassokosten toewijzen tot € 904,- omdat het meerdere dat gevorderd is haar ongegrond voorkomt.

5.17. Tot slot vordert Mercedes-Benz op grond van artikel 3.3 van de algemene kredietvoorwaarden een vertragingsrente van 1,5% per maand over de restschuld vanaf

10 juni 2008. Als onweersproken en niet ongegrond kan ook dit onderdeel van de vordering worden toegewezen.

5.18. [gedaagden c.s.] zullen, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Mercedes-Benz worden begroot op:

- dagvaarding EUR 71,80

- vast recht 330,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.305,80

in de vrijwaringszaak, in conventie

5.19. Nu in de hoofdzaak de vordering tegen [gedaagden c.s.] vrijwel geheel wordt toegewezen dient de vrijwaringszaak beoordeeld te worden. [gedaagden c.s.] stellen dat

Chrysler gehouden is hen te vrijwaren voor hun veroordeling in de hoofdzaak. Zij beroepen zich hierbij, overeenkomstig hun verweer in de hoofdzaak, op een afspraak die zij met de verkoper van Chrysler zouden hebben gemaakt. Voor een weergave van het standpunt van [gedaagden c.s.] verwijst de rechtbank naar hetgeen hierover in de hoofdzaak is opgenomen.

5.20. Een eventuele afspraak die (de verkoper van) Chrysler námens Mercedes-Benz met [gedaagden c.s.] zou hebben gemaakt, bindt Chrysler zelf niet. Als de vordering van [gedaagden c.s.] op deze grondslag berust, dient deze daarom afgewezen te worden.

5.21. Voor zover [gedaagden c.s.] bedoeld hebben een afspraak met Chrysler zélf ten grondslag te leggen aan hun vordering overweegt de rechtbank het volgende. Als vast zou komen te staan – hetgeen door Chrysler nadrukkelijk is betwist – dat de verkoper van Chrysler de door [gedaagden c.s.] gestelde uitspraken heeft gedaan en dit door [gedaagden c.s.] is opgevat als een afspraak met Chrysler zelf, komt deze afspraak erop neer dat Chrysler bereid was de restschuld van de Vito voor haar rekening te nemen. Uit de stellingen van Chrysler valt op te maken dat zij deze afspraak niet heeft willen maken, zodat er dan dus sprake is geweest van een verklaring van Chrysler die niet overeenstemt met haar wil. Tegen de discrepantie tussen wil en verklaring kunnen [gedaagden c.s.] beschermd worden – op grond van artikel 3: 35 BW – als zij er gerechtvaardigd op mochten vertrouwen dat wil en verklaring wel overeenkwamen.

5.22. De rechtbank neemt aan dat [gedaagden c.s.] daadwerkelijk hebben gedacht dat in het maandbedrag van

€ 802,65 niet alleen de financiering van de Dodge maar ook de restschuld van de Vito betrokken was, omdat zij zich vooral hebben gericht op het voor hen maximaal haalbare bedrag per maand. Zoals in de hoofdzaak al is overwogen onder 5.10 en 5.11 is de rechtbank van oordeel dat [gedaagden c.s.] zelf bij Mercedes-Benz hadden moeten informeren naar de afwikkeling van overeenkomst 1 en zelf hadden moeten zien dat de restschuld uit overeenkomst 1 niet bij overeenkomst 2 betrokken was. Als zij voor zichzelf de verschillende bedragen – inruilwaarde Vito, restschuld Vito, koopprijs Dodge en te financieren bedrag voor de Dodge – beter op een rijtje hadden gezet, hadden zij begrepen dat de afspraak erop neer zou komen dat Chrysler dan de restschuld van de Vito voor haar rekening zou nemen. Nu dit een bedrag van ruim € 13.000, - betreft hadden [gedaagden c.s.] dan ook moeten begrijpen dat dat niet de bedoeling van Chrysler kon zijn. Daarom is de rechtbank van oordeel dat het vertrouwen van [gedaagden c.s.] niet gerechtvaardigd is geweest. Nu de gestelde afspraak niet tot toewijzing van de vordering van [gedaagden c.s.] in de vrijwaringszaak kan leiden, is bewijslevering op dit punt niet nodig.

5.23. [gedaagden c.s.] zullen, als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten, worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Chrysler worden begroot op:

- vast recht 330,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.234,00

in de vrijwaringszaak, in reconventie

5.24. Omdat de vordering in de hoofdzaak is afgewezen, is de voorwaarde waaronder de reconventionele vordering in de vrijwaringszaak is ingesteld niet in vervulling gegaan. Daarom hoeft deze vordering niet beoordeeld te worden.

6. De beslissing

De rechtbank

in de hoofdzaak

6.1. veroordeelt [gedaagden c.s.] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan Mercedes-Benz te betalen een bedrag van EUR 14.090,20 (veertienduizendnegentig euro en twintig eurocent), vermeerderd met de contractuele rente van 1,5% per maand over het bedrag van EUR 13.055,64 vanaf 10 juni 2008 tot de dag van volledige betaling,

6.2. veroordeelt [gedaagden c.s.] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van Mercedes-Benz tot op heden begroot op EUR 1.305,80,

6.3. verklaart dit vonnis in deze zaak tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.4. wijst het meer of anders gevorderde af,

in de zaak in vrijwaring

6.5. wijst de vorderingen af,

6.6. veroordeelt [gedaagden c.s.] in de proceskosten, aan de zijde van Chrysler tot op heden begroot op EUR 1.234,00,

6.7. verklaart dit vonnis in deze zaak wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr J.M. Eelkema en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2009.

JE