Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BK0422

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
14-10-2009
Datum publicatie
16-10-2009
Zaaknummer
266543 / HA ZA 09-1031
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tussenvonnis. Geen strijd met EVRM nu de Lijst der Geldelijke Regelingen de mogelijkheid biedt voor het compenseren van financieel nadeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 266543 / HA ZA 09-1031

Vonnis van 14 oktober 2009

in de zaak van

[reclamante],

wonende te [woonplaats],

reclamante,

advocaat mr. J.G.M. Roels,

tegen

DE LANDINRICHTINGSCOMMISSIE VOOR DE HERINRICHTING

NOORDERPARK,

vertegenwoordigende de gezamenlijk rechthebbenden

in de herinrichting Noorderpark,

zetelende te Utrecht,

gereclameerde.

Partijen zullen hierna [reclamante] en LC genoemd worden.

1. Verloop van de procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende gedingstukken:

a. het door de LC ter inzage gelegde plan van toedeling voorzover betrekking hebbend op [reclamante];

b. het Begrenzingenplan, vastgesteld bij besluit van Gedeputeerde Staten van Utrecht van 3 oktober 2006;

c. de door [reclamante] ingediende bezwaarschriften, gedateerd 10 december 2006 respectievelijk 13 december 2006, alsmede het algemeen aanvullende bezwaarschrift, gedateerd 12 april 2007 (met bijlagen);

d. het proces-verbaal van behandeling van het bezwaar van [reclamante] door de LC, opgemaakt op 29 oktober 2008 (met bijlagen);

e. het proces-verbaal van de behandeling door de rechter-commissaris van

16 december 2008.

1.2. De rechter-commissaris heeft de zaak verwezen naar de zitting van de meervoudige kamer van 12 mei 2009, omdat ten aanzien van het bezwaar geschillen bleven bestaan. Vervolgens heeft [reclamante] een conclusie na verwijzing ingediend, gedateerd

27 april 2009.

1.3. Ter zitting van de meervoudige kamer op 12 mei 2009 heeft [reclamante] haar standpunt bij monde van haar raadsman toegelicht aan de hand van een pleitnota en foto’s. Ook de LC heeft zijn standpunt toegelicht aan de hand van een pleitnota. Beide pleitnota’s, alsook de foto’s bevinden zich bij de stukken.

1.4. Ten slotte heeft de rechtbank bepaald dat vonnis zal worden gewezen.

2. De feiten

2.1. [reclamante] heeft in de herinrichting Noorderpark ingebracht de percelen kadastraal bekend gemeente [woonplaats], sectie B nrs 990 en 991 met een totale oppervlakte van 21 are 45 centiare en met een inbrengwaarde van € 11.761,=.

2.2. [reclamante] krijgt volgens het door de LC opgestelde plan toegedeeld kavel 201.520 met een oppervlakte van 18 are 20 centiare en met een toedelingswaarde van

€ 11.830,=. Van de door [reclamante] ingebrachte percelen maakt onderdeel uit een weggedeelte (onderdeel van het Zandpad) met aan weerszijden een grondtalud.

Dit weggedeelte met taluds is door de LC op grond van het Begrenzingenplan buiten de toedeling van [reclamante] gelaten, aangezien toewijzing daarvan ingevolge artikel 133 Landinrichtingswet door Gedeputeerde Staten van Utrecht aan de Gemeente Breukelen heeft plaatsgevonden. De wel aan [reclamante] toegedeelde perceelsgedeelten zijn bij [reclamante] in gebruik als woning, erf en tuin.

2.3. Na overleg met de Gemeente Breukelen is de mogelijkheid geschapen het buitentalud tot op 1 meter van de weg wel aan [reclamante] toe te delen.

3. Het bezwaar en de beoordeling daarvan

Standpunt van reclamant

3.1. [reclamante] heeft twee bezwaarschriften ingediend. Beide bezwaarschriften komen inhoudelijk op hetzelfde neer en zijn ook in de bezwaarfase als één bezwaar behandeld. Het bezwaar richt zich primair tegen het niet toedelen van de eigendom van de weg met taluds. De primaire vordering strekt dan ook tot toedeling aan [reclamante] conform hetgeen zij heeft ingebracht.

3.2. In de eerste plaats heeft [reclamante] daartoe aangevoerd dat artikel 133 Landinrichtingswet ten onrechte is toegepast, aangezien de bepaling uitsluitend ziet op toewijzing van wegen en waterlopen, die ingevolge het Landinrichtingsplan nieuw zijn aangelegd of althans met betrekking tot dat plan en zijn doelstellingen enige relevantie hebben, hetgeen volgens [reclamante] niet het geval is.

3.3. Voor het standpunt, dat artikel 133 Landinrichtingswet uitsluitend ziet op wegen en waterlopen, die in het kader van de herinrichting worden aangelegd, valt noch in de wet noch in de totstandkoming van de wet enig aanknopingspunt te vinden. Voorts is voor een afweging omtrent de relevantie van de toewijzing van het onderhavige weggedeelte voor de herinrichting, behoudens hetgeen hierna in 3.12 en 3.13 wordt overwogen, geen plaats, aangezien die afweging door Gedeputeerde Staten is gemaakt en die afweging, zoals die heeft plaats gevonden, niet aan de LC en evenmin aan de rechtbank ter beoordeling staat.

3.4. [reclamante] is voorts van mening, dat artikel 133 Landinrichtingswet onverbindend is wegens strijd met het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM), meer in het bijzonder met artikel 1 Eerste Protocol (EP) en met artikel 6/13 EVRM, alsmede wegens strijd met artikel 14 Grondwet en/of enig algemeen rechtsbeginsel, waaronder het verbod van willekeur, aangezien artikel 133 Landinrichtingswet onteigening toestaat, zelfs dwingend voorschrijft, zonder dat daaraan enige (rechterlijke) toetsing aan het algemeen belang voorafgaat en in casu die toetsing ook achterwege is gebleven. Bovendien wordt volgens [reclamante] door artikel 133 lid 5 Landinrichtingswet schadeloosstelling categorisch uitgesloten voor te onteigenen particulieren. Voorts is er sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel, aangezien reclamante zonder rechtvaardiging anders wordt behandeld dan de eigenaren van percelen aan het Zandpad, die ook gelegen zijn in de Gemeente Breukelen of Gemeente Maarssen, maar buiten het plangebied van de herinrichting vallen en derhalve niet worden “onteigend”.

Standpunt van de Landinrichtingscommissie

3.5. De Landinrichtingscommissie heeft in het kader van verweer er op gewezen, dat het weggedeelte met de bermen (taluds) aan de Gemeente Breukelen is toegewezen ingevolge het Begrenzingenplan en mitsdien geen onderdeel uitmaakt van de voor het plan van toedeling beschikbare gronden en dat de LC geen bevoegdheid toekomt die grenzen aan te passen. Het toewijzingsbesluit is genomen door Gedeputeerde Staten en dat besluit kan in deze procedure niet worden aangetast op grond van strijd met het EVRM en/of de Grondwet.

De beoordeling

3.6. De rechtbank overweegt met betrekking tot het bezwaar gebaseerd op schending van het EVRM als volgt. Artikel 1 EP (EVRM) luidt:

“Iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen, behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en de algemene beginselen van internationaal recht”.

3.7. De legitimiteit van de ontneming van het door [reclamante] ingebrachte weggedeelte met taluds is gelegen in artikel 133 Landinrichtingswet en heeft derhalve een wettelijke grondslag. Hoewel het in de wet niet expliciet tot uitdrukking is gebracht, kan de eigendomsontneming van wegen en waterlopen en de toewijzing daarvan aan openbare lichamen, zoals gemeenten en waterschappen, in het algemeen belang worden geacht. Er bestaan immers – zo valt zonder meer aan te nemen – redelijke gronden voor de wetgever om uit een oogpunt van algemeen belang eigendom, beheer en onderhoud van (veelal openbare) wegen en waterlopen in één hand (overheid) te brengen en niet te laten bij tientallen individuele en aan wisseling onderhevige (veelal particuliere) eigenaren. Dat om dit doel te bereiken in de Landinrichtingswet de mogelijkheid van ontneming is voorzien naast de door de Onteigeningswet geboden mogelijkheden, leidt niet tot een ander oordeel.

3.8. Uit de EVRM-rechtspraak volgt, dat naast de eis van een algemeen belang tevens de eis van proportionaliteit wordt gesteld. Voorzover de proportionaliteitseis betekent dat tegenover de ontneming een geldelijke compensatie moet worden verleend, biedt de Landinrichtingswet zelf via de Lijst der Geldelijke Regelingen – zoals ook door de LC gesteld – de mogelijkheid om voor het nadeel van de ontneming op te komen. Die procedure moet worden geacht voldoende mogelijkheden te bieden om aan redelijke eisen tot schadevergoeding tegemoet te komen. Anders dan [reclamante] kennelijk meent, staat artikel 133 lid 5 Landinrichtingswet daaraan niet in de weg. Dit artikel ziet slechts op het in beginsel niet toekennen van financiële compensatie aan het openbaar lichaam, dat met de eigendom, het beheer en het onderhoud van het toegewezene wordt belast.

3.9. De overige stellingen van [reclamante] op grond waarvan zij van mening is, dat de ontneming van de betreffende perceelsgedeelten niet in het algemeen belang is, worden niet met succes voorgedragen. Een inhoudelijke toetsing van het algemeen belang tegenover het belang van particulieren, zoals door [reclamante] bepleit uit een oogpunt van ruimtelijke ordening en herinrichtingsbelang, kan in deze procedure van bezwaar tegen het plan van toedeling niet plaats vinden. Ook een vergelijking met de situatie van eigenaren, die aan het Zandpad in Breukelen wonen en wier percelen niet binnen de herinrichting Noorderpark vallen, is niet aan de orde. Het behoort niet tot de bevoegdheid van de civiele rechter in deze procedure het Begrenzingenplan van Gedeputeerde Staten van 3 oktober 2006 en het daarop gebaseerde toewijzingsbesluit inhoudelijk te toetsen. Bovendien is Gedeputeerde Staten in deze procedure niet betrokken en kan daarin door de rechtbank ook niet worden betrokken, hetgeen betekent dat Gedeputeerde Staten in deze procedure niet kan worden gedwongen een ander besluit te nemen.

3.10. [reclamante] heeft voorts gesteld dat de toetsing of het algemeen belang in een concreet geval de ontneming van de eigendom rechtvaardigt door een onafhankelijke rechter dient te geschieden en dat – wegens het ontbreken van de mogelijkheid tegen het Begrenzingenplan beroep te doen op de rechter – dit schending van artikel 6/13 EVRM oplevert. Deze stelling komt de rechtbank juist voor. Weliswaar kunnen belanghebbenden op de voet van artikel 77 lid 1 Landinrichtingswet zienswijzen en bedenkingen tegen het voorontwerp van het Landinrichtingsplan naar voren brengen en kunnen belanghebbenden tevens ingevolge artikel 80 Landinrichtingswet bezwaar tegen het ontwerp-Landinrichtingsplan bij Gedeputeerde Staten indienen, doch tegen het vaststellen van het Landinrichtingsplan en de verdere uitvoering van de daarin aangekondigde voornemens tot toewijzing van wegen en waterlopen aan openbare lichamen staat geen mogelijkheid open voor de betrokken eigenaren de ontneming door de rechter te laten toetsen. Voorts zijn in de Algemene Wet bestuursrecht de hier aan de orde zijnde besluiten van bezwaar en beroep uitgesloten. Ook dit kan [reclamante] in deze procedure echter niet baten en leidt niet tot het alsnog toedelen van de betreffende perceelsgedeelten. Zoals hiervoor in 3.9 reeds is overwogen, is de civiele rechter in deze procedure daartoe niet bevoegd.

3.11. Het vorenstaande betekent dat het bezwaar tegen het plan van toedeling niet wegens schending van het EVRM tot toewijzing van het primair gevorderde kan leiden. Voorzover betoogd is, dat artikel 133 Landinrichtingswet in strijd is met de Grondwet, kan dit evenmin tot toewijzing leiden, aangezien het de rechter niet vrij staat de wet aan de Grondwet te toetsen. De schending van een beginsel van internationaal recht, dat tot toewijzing van het bezwaar zou kunnen leiden, is – voorzover door [reclamante] gesteld – door [reclamante] niet nader toegelicht en daarvan is ook niet gebleken.

3.12. Het uitgangspunt in deze procedure is derhalve, dat het aan de Gemeente Breukelen toegewezen weggedeelte met taluds niet voor toedeling aan [reclamante] beschikbaar is. Voor een uitzondering op dat uitgangspunt zou wellicht plaats zijn, indien inmiddels zou komen vast te staan dat bepaalde delen van de aan de Gemeente Breukelen toegewezen weggedeelten (zoals bijvoorbeeld taluddelen) absoluut onnodig blijken te zijn voor het doel waarvoor de toewijzing heeft plaats gevonden.

In overleg met de Gemeente Breukelen is op die grond het buitentalud tot op één meter van de wegverharding wel beschikbaar gekomen voor toedeling aan [reclamante]. Met betrekking tot het binnentalud is eveneens de vraag gerezen in hoeverre het talud uit een oogpunt van onderhoud, beheer en verkeersveiligheid benodigd is. De subsidiaire vordering van [reclamante] is daarop ook gebaseerd en zij heeft gevorderd de grens van het binnentalud te bepalen pal langs de wegverharding. Daarbij heeft zij er op gewezen dat ook elders langs het Zandpad die grens (voor weggedeelten binnen het plangebied) pal langs de weg ligt. De LC heeft gesteld dat de grens van het binnentalud is bepaald aan de hand van de regels zoals opgenomen in het Begrenzingenplan. In Hoofdstuk “wegen” is daarover bepaald dat de grens ligt op de huidige topografische afscheiding dan wel wordt de grens van het naastliggende perceel voortgezet. Bij een aanwezige, niet primaire watergang ligt de grens halverwege de watergang.

3.13. De rechtbank is van oordeel dat inmiddels – gelet op de door de LC gehanteerde binnentaludgrens op de voet van het Begrenzingenplan, leidende tot een situatie waarbij de breedte van het binnentalud per perceel kan variëren – zou kunnen blijken dat in bepaalde gevallen de topografische grens tot een ontneming van eigendom leidt, die – achteraf bezien – absoluut onnodig is en derhalve in strijd komt met fundamentele beginselen van (onteigenings)recht (Vergelijk artikel 61 Onteigeningswet). Met het oog daarop acht de rechtbank het wenselijk dat de LC de Gemeente Breukelen verzoekt gemotiveerd aan te geven op welke breedte de grens van het binnentalud minimaal vastgesteld dient te worden, zulks uit een oogpunt van doelmatig beheer en onderhoud, alsmede uit een oogpunt van verkeersveiligheid.

3.14. De LC zal worden verzocht het antwoord van de Gemeente aan de rechtbank te doen toekomen, met daarbij tevens het standpunt van de LC ten aanzien van dat antwoord met het oog op de door de rechtbank te nemen beslissing. Aan [reclamante] zal vervolgens de gelegenheid worden gegeven op het antwoord van de Gemeente en de nadere standpuntbepaling van de LC te reageren.

4. Beslissing

De rechtbank:

4.1. verzoekt de LC datgene te doen, zoals overwogen in 3.13.

4.2. bepaalt dat de LC het antwoord van de Gemeente Breukelen, voorzien van haar eigen nadere standpuntbepaling uiterlijk op 11 november 2009 bij de rechtbank dient in te dienen.

4.3. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Schepen, mr. A van Maanen en

mr. J.P.H. van Driel van Wageningen en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2009.

WT