Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BK0406

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
14-10-2009
Datum publicatie
16-10-2009
Zaaknummer
SBR 09-1500
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen verleende vrijstelling en bouwvergunning t.b.v. een thermencomplex in de gemeente Maarssen. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de op grond van het ontwerpbestemmingsplan op het perceel rustende bestemming “Dagrecreatie, bedrijven/organisaties in de dagrecreatieve sector (Rd(b)” en de daarbij behorende definitie, waaruit kan worden afgeleid dat op deze bestemming onder meer sauna’s en welnesscentra zijn voorzien, de mogelijkheid van een thermencomplex een ruimtelijke ontwikkeling is die in het ontwerpbestemmingsplan daadwerkelijk is voorzien en derhalve ook afgewogen. Verder wijst de rechtbank erop dat de PPC over het onderdeel van het ontwerpbestemmingsplan dat betrekking heeft op het bouwplan, positief heeft geadviseerd in haar advies van 5 juli 2007. Hoewel in dit advies door de PPC geen uitdrukkelijk advies is gegeven over het bouwplan, was de hiervoor genoemde bestemming die het perceel in het ontwerpbestemmingsplan heeft, bij de PPC bekend. Gelet hierop moet ervan worden uitgegaan dat het positieve advies van de PPC, alsmede de algemene verklaring van geen bezwaar van 11 december 2007, mede geldt voor dit onderdeel van het ontwerpbestemmingsplan. Naar het oordeel van de rechtbank is het ontwerpbestemmingsplan voorts aan te merken als een programma ter actualisering van het bestemmingsplan voor het buitengebied, als bedoeld in de hiervoor genoemde voorwaarden. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 09/1500

uitspraak van de meervoudige kamer d.d. 14 oktober 2009

in de zaak van

[eiser 1], [eiser 2], [eiser 3], [eiser 4], [eiser 5] en [eiser 6] e.a,

wonende te [woonplaats], gemeente Maarssen,

eisers,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maarssen,

verweerder.

Inleiding

1.1Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 14 april 2009 (het bestreden besluit), waarbij verweerder de bezwaren van (onder meer) eisers tegen het besluit van 22 september 2008 gedeeltelijk niet-ontvankelijk, gedeeltelijk gegrond en voor het overige ongegrond heeft verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder aan

[A] en [B], tevens handelend onder de naam Thermens Maarssen B.V. i.o. (hierna: vergunninghouders), vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het realiseren van een thermencomplex met bijbehorende voorzieningen, een verenigingsgebouw en een nieuwe entree voor het strandbad met bijbehorende voorzieningen aan de [adres] te [woonplaats], gemeente Maarssen (hierna: het perceel).

1.2 Bij brief van 16 juni 2009 heeft de rechtbank aan partijen laten weten dat zij heeft besloten het beroep met toepassing van artikel 8:52 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) versneld te behandelen.

1.3 Het beroep is behandeld ter zitting van 14 augustus 2009, waar eisers [eiser 1], [eiser 2], [eiser 3], [eiser 4], [eiser 5] en [eiser 6] in persoon zijn verschenen, bijgestaan door mr. M. Lanen, advocaat te Utrecht. Namens verweerder zijn verschenen mr. S.W.E. van Schaik, ing. M.M.L. van Heugten en ing. I. Slijkhuis, allen werkzaam bij de gemeente Maarssen. Vergunninghouders hebben zich laten vertegenwoordigen door [X], (mede-)directeur van Thermens Maarssen B.V., bijgestaan door mr. R.P.M. de Laat, advocaat te Utrecht.

Overwegingen

2.1 Vergunninghouders hebben op 17 februari 2008 een aanvraag om bouwvergunning ingediend voor een thermencomplex met bijbehorende voorzieningen, een verenigingsgebouw (een nieuw onderkomen voor de kanovereniging) en een nieuwe entree voor het strandbad op het perceel. Het perceel bevindt zich op de noord-oostoever van de Grote Maarsseveense Plas.

2.2 Verweerder heeft in het bestreden besluit de bezwaren van de personen vermeld op een op 21 november 2008 door verweerder ontvangen handtekeningenlijst, niet-ontvankelijk verklaard, omdat deze lijst buiten de termijn is ingediend.

2.3 Eisers hebben niet betwist dat deze handtekeningenlijst buiten de termijn is ingediend, maar hebben zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een bijzondere omstandigheid, aangezien verweerder hen onvoldoende duidelijk heeft gemaakt dat na het sluiten van de termijn geen aanvullende handtekeningenlijsten meer konden worden aangeboden. Dit klemt te meer nu eisers in hun bezwaarschrift van 4 november 2008 hebben aangekondigd nog meer handtekeningen te zullen nazenden.

2.4 Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb wordt het bezwaar- of beroepschrift ondertekend en bevat dit ten minste de naam en het adres van de indiener.

Ingevolge artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb kan het bezwaar of beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep.

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2.5 Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat in de door eisers aangevoerde omstandigheden geen redenen zijn gelegen om de termijnoverschrijding ten aanzien van de op 21 november 2008 ingediende handtekeningenlijst verschoonbaar te achten. Dat verweerder niet heeft gereageerd op de aankondiging van eisers in het bezwaarschrift van

4 november 2008, maakt dit niet anders. Hiertoe overweegt de rechtbank dat het bezwaarschrift van 4 november 2008 voldeed aan de vormvoorschriften zoals genoemd in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb, zodat voor verweerder geen reden bestond om een herstelmogelijkheid te bieden. Verweerder was niet gehouden de indieners van het bezwaarschrift te waarschuwen dat na ommekomst van de bezwaartermijn gemaakte bezwaren niet-ontvankelijk zijn. Het lag op de weg van de betreffende eisers om binnen de geldende termijn de aanvullende handtekeningenlijsten over te leggen.

Gelet hierop heeft verweerder de bezwaren van de personen die zijn genoemd op de op

21 november 2008 nagezonden handtekeningenlijst, terecht niet-ontvankelijk verklaard.

2.6 Ter zitting is gebleken dat het beroep moet worden geacht te zijn ingesteld door

[eiser 1], [eiser 2], [eiser 3], [eiser 4], [eiser 5] en [eiser 6].

2.7 Verweerder heeft in het bestreden besluit de bezwaren van onder meer [eiser 3],

[eiser 4], [eiser 5] en [eiser 6] niet-ontvankelijk verklaard, aangezien zij niet zijn aan te merken als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bij het besluit van 22 september 2008. In dat kader heeft verweerder geconcludeerd dat zij op een afstand groter dan 200 meter van het bouwplan wonen en dat zij geen zicht hebben op het bouwplan omdat de beoogde locatie van de thermen verscholen ligt achter een groene zone van bomen met een gemiddelde hoogte van 20 meter. Voorts is uit het onderzoek naar indirecte (geluids)hinder van de Milieudienst Noord-West Utrecht gebleken dat het verkeer naar de thermen binnen een paar honderd meter in het wegbeeld zal zijn opgenomen. Genoemde personen worden daarom niet in een dermate specifiek belang getroffen dat hen dit onderscheidt van de overige bewoners aan de [adres], [adres], [adres] en [adres].

2.8 Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat ook de personen die verder dan 200 meter van het bouwplan wonen, belanghebbende zijn bij het besluit van 22 september 2008. In dat kader hebben eisers gewezen op de te verwachten sterke verkeerstoename van en naar het thermencomplex, waarvan ook deze personen hinder in de vorm van verkeeroverlast en mogelijk parkeeroverlast zullen ondervinden.

2.9 Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.10 Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon volgens vaste rechtspraak een voldoende objectief bepaalbaar, eigen, persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

2.11 Gelet op de hiervoor in 2.7 genoemde door verweerder bij het bestreden besluit betrokken omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet ten onrechte de grens voor het hebben van een rechtstreeks en persoonlijk belang bij het besluit van

22 september 2008 heeft gesteld op een afstand van 200 meter van het bouwplan. Niet is in geschil dat [eiser 3], [eiser 4], [eiser 5] en [eiser 6] op een grotere afstand wonen dan 200 meter. Gelet hierop heeft verweerder hun bezwaren terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep voor zover namens hen ingesteld is daarom ongegrond.

2.12 Van [eiser 1] en [eiser 2] is niet gebleken van beletselen om hen in hun beroep te ontvangen.

2.13 Artikel 44 van de Woningwet (Ww) - voor zover thans van belang - bepaalt dat een bouwvergunning slechts mag en moet worden geweigerd indien het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, de bouwverordening, het bouwbesluit of redelijke eisen van welstand.

2.14 Het perceel is begrepen in het bestemmingsplan “Landelijk Gebied” (hierna: het bestemmingsplan). Het bouwplan is gelegen op gronden die op grond van de bij dit bestemmingsplan behorende plankaart de bestemming “lig- en zonneweide” hebben.

Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan in strijd is met de doeleindenomschrijving van deze bestemming. Daarnaast overschrijdt het bouwplan het binnen deze bestemming maximaal te bebouwen oppervlakte van 100 m². Voor het verlenen van bouwvergunning is dan ook vrijstelling vereist.

2.15 Op 1 juli 2008 is in werking getreden de Wet ruimtelijke ordening. Ingevolge het overgangsrecht opgenomen in artikel 9.1.10, tweede lid, van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening (Stb. 2008, 180) blijft het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing ten aanzien van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste of tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), waarvan het verzoek is ingediend voor dat tijdstip. Nu de aanvraag om bouwvergunning, zoals hiervoor is gebleken, in dit geval is ingediend op 17 februari 2008, dient te worden getoetst aan de WRO.

2.16 Ingevolge artikel 46, derde lid, van de Ww wordt een aanvraag om bouwvergunning die slechts kan worden ingewilligd na vrijstelling als bedoeld in de artikelen 15, 17 of 19 van de WRO, mede geacht een verzoek om zodanige vrijstelling in te houden.

2.17 Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in de door Gedeputeerde Staten (G.S.) in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. G.S. kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van Gedeputeerde Staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing. In artikel 19, eerste lid, van de WRO is bepaald dat onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk, intergemeentelijk of regionaal structuurplan wordt verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

2.18 G.S. van Utrecht hebben op 4 juli 2006 de circulaire Artikel 19 WRO (hierna: de circulaire) vastgesteld, die op 1 september 2006 in werking is getreden. De rechtbank stelt vast dat G.S. op 11 december 2007 op grond van deze circulaire en een advies 5 juli 2007 van de Provinciale planologische commissie (hierna: PPC) een algemene verklaring van geen bezwaar hebben verleend voor vrijstellingen die in overeenstemming zijn met het ontwerpbestemmingsplan “Maarsseveense Plassen”, met uitzondering van de planonderdelen die betrekking hebben op de permanente bewoning van de verblijfsrecreatieve objecten, de parkeerplaatsen (artikel 10.A.1.e) en de uitbreidingsmogelijkheden van niet-agrarische en agrarisch aanverwante bedrijven (artikel 22 B.I.b en artikel 23 B.I.b.). Deze algemene verklaring van geen bezwaar geldt voor een periode van twee jaar.

2.19 Op grond van de plankaart bij het ontwerpbestemmingsplan “Maarsseveense Plassen” (hierna: het ontwerpbestemmingsplan) heeft het perceel de bestemming “Dagrecreatie, bedrijven/organisaties in de dagrecreatieve sector (Rd(b)”.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 19, van de bij dit bestemmingsplan behorende voorschriften wordt onder bedrijven/organisaties in de dagrecreatieve sector verstaan

bedrijven/organisaties die een duidelijke relatie hebben met de recreatieve en sportieve sector, met uitzondering van horecabedrijven. Het betreft bedrijven/organisaties die:

a. de recreatieve activiteit ondersteunen, zoals bijvoorbeeld bezoekerscentra, VVV-kantoren, fiets-, skeeler- en kanoverhuurbedrijven;

b. een recreatieve activiteit aanbieden, zoals sauna’s/welnesscentra, duikscholen, surfscholen, survivalactiviteiten, zwembaden, indoorskicentra, fitnessbedrijven en sportscholen.

2.20 Eisers hebben, zo begrijpt de rechtbank, aangevoerd dat de door G.S. verleende algemene verklaring van geen bezwaar in strijd met de in de circulaire genoemde voorwaarden is verleend, nu in het besluit van 11 december 2007 van G.S., noch in het schrijven van 5 juli 2007 van de PPC, wordt gesproken over het thermencomplex. Daarbij hebben eisers er tevens op gewezen dat in de toelichting op het ontwerpbestemmingsplan zoals dat luidde op 17 januari 2007, evenmin sprake was van het thermencomplex.

2.21 Op grond van paragraaf 3.1.1 van de circulaire gelden voor het verlenen van een algemene verklaring van geen bezwaar, voor zover hier van belang, onder meer de volgende voorwaarden:

- De algemene verklaring geldt slechts voor de ruimtelijke ontwikkelingen die in het plan of de beleidsvisie daadwerkelijk zijn afgewogen.

- De provinciale planologische commissie (PPC) heeft over het plan of het beleidsstuk op het onderdeel waarop het project betrekking heeft een onverdeeld positief advies uitgebracht.

- Indien het structuurplan of beleidsdocument (mede) betrekking heeft op het landelijk gebied, mag het bestemmingsplan niet ouder zijn dan tien jaar of moet de gemeenteraad een programma hebben vastgesteld ter actualisering van het bestemmingsplan of de -plannen voor het buitengebied.

2.22 De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de op grond van het ontwerpbestemmingsplan op het perceel rustende bestemming “Dagrecreatie, bedrijven/organisaties in de dagrecreatieve sector (Rd(b)” en de daarbij behorende definitie, waaruit kan worden afgeleid dat op deze bestemming onder meer sauna’s en welnesscentra zijn voorzien, de mogelijkheid van een thermencomplex een ruimtelijke ontwikkeling is die in het ontwerpbestemmingsplan daadwerkelijk is voorzien en derhalve ook afgewogen. Verder wijst de rechtbank erop dat de PPC over het onderdeel van het ontwerpbestemmingsplan dat betrekking heeft op het bouwplan, positief heeft geadviseerd in haar advies van 5 juli 2007. Hoewel in dit advies door de PPC geen uitdrukkelijk advies is gegeven over het bouwplan, was de hiervoor genoemde bestemming die het perceel in het ontwerpbestemmingsplan heeft, bij de PPC bekend. Gelet hierop moet ervan worden uitgegaan dat het positieve advies van de PPC, alsmede de algemene verklaring van geen bezwaar van 11 december 2007, mede geldt voor dit onderdeel van het ontwerpbestemmingsplan. Naar het oordeel van de rechtbank is het ontwerpbestemmingsplan voorts aan te merken als een programma ter actualisering van het bestemmingsplan voor het buitengebied, als bedoeld in de hiervoor genoemde voorwaarden.

2.23 Voor zover eisers hebben aangevoerd dat in de toelichting op het ontwerpbestemmingsplan, zoals dat luidde op 17 januari 2007, geen sprake was van het thermencomplex, overweegt de rechtbank dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) de op de plankaart aangegeven bestemming en de daarbij behorende voorschriften beslissend zijn voor het antwoord op de vraag, of het bouwplan al dan niet in strijd is met het bestemmingsplan. De toelichting heeft in dit verband in zoverre betekenis dat deze over de bedoeling van de planwetgever meer inzicht kan geven indien de bestemming en de bijbehorende voorschriften waaraan moet worden getoetst op zichzelf noch in hun samenhang duidelijk zijn. Deze situatie doet zich naar het oordeel van de rechtbank niet voor.

2.24 Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank, anders dan eisers hebben betoogd, voldaan aan de in de circulaire genoemde voorwaarden voor het verlenen van een algemene verklaring van geen bezwaar. Verweerder was in beginsel dan ook bevoegd om vrijstelling te verlenen met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO.

2.25 Eisers hebben aangevoerd dat de ruimtelijke onderbouwing die verweerder aan zijn besluit om vrijstelling te verlenen ten grondslag heeft gelegd, onvoldoende is. In dat kader hebben eisers met name gesteld dat verweerder in zijn onderzoeken is uitgegaan van onjuiste bezoekersaantallen en verkeersbewegingen als gevolg van het bouwplan.

2.26 De rechtbank constateert dat verweerder op 6 maart 2008, aangepast op 22 september 2008, een uitgebreide ruimtelijke onderbouwing heeft opgesteld, waarin op alle relevante aspecten van het bouwplan is ingegaan en waarin alle naar aanleiding van het bouwplan ingediende zienswijzen uitvoerig zijn besproken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deze ruimtelijke onderbouwing ten grondslag kunnen leggen aan de verleende vrijstelling.

2.27 De rechtbank wijst er voorts op dat in opdracht van verweerder diverse onderzoeken door deskundigen zijn uitgevoerd, waarin de effecten van het bouwplan op de omgeving zijn onderzocht. Onder deze onderzoeken bevinden zich een (aanvullende) notitie van 25 februari 2008 van Bureau Waardenburg B.V. over de effecten van de ontwikkeling van dagrecreatieve voorzieningen in de westhoek van de Grote Maarsseveense Plas op de natuurwaarden, een rapport van 15 februari 2008 van accountantskantoor Foederer DFK betreffende de verwachte bezoekersstromen van de thermen, een verkeerskundig onderzoek van 28 februari 2008 van Delft Infra Advies, een advies van 2 september 2008 van de Milieudienst Noord-West Utrecht met betrekking tot wegverkeerslawaai en een notitie van 25 maart 2009 van DGMR Bouw B.V. betreffende de beoordeling van trillingen door bestemmingsverkeer.

Anders dan eisers hebben betoogd is de rechtbank van oordeel dat verweerder in de verkeers- en parkeeronderzoeken terecht is uitgegaan van de reëel te verwachten bezoekersaantallen, waarbij (theoretische) piekmomenten buiten beschouwing zijn gelaten en is gemiddeld tussen de bezoekersaantallen in de zomer en de winter. De rechtbank acht in dit kader voorts van belang dat Delft Infra Advies, naar aanleiding van de ingediende zienswijzen van onder meer eisers, in een aanvullende rapportage van 22 augustus 2008 een nieuwe berekening heeft uitgevoerd, waarbij de door eisers aangedragen cijfers als uitgangspunt zijn gebruikt (het zogenoemde ‘bezwaarmakersscenario’). Ook uit deze herberekening komt naar voren dat in alle scenario’s de ontsluitende wegen voldoende capaciteit hebben om de verkeersproductie als gevolg van de thermen te kunnen verwerken, dat de verkeersveiligheid niet in geding is en dat er ten aanzien van parkeren voldoende capaciteit beschikbaar is, indien gebruik wordt gemaakt van het beschikbare openbare parkeerterrein. Voor het gebruik van het openbare parkeerterrein heeft verweerder bij het bestreden besluit ontheffing verleend op grond van artikel 2.5.30, vierde lid, sub b, van de Bouwverordening.

2.28 De rechtbank ziet, mede gelet op het feit dat eisers geen contra-expertises hebben overgelegd waaruit zou kunnen worden afgeleid dat bovenstaande onderzoeken onzorgvuldig zijn geweest of de uitkomsten onjuist zijn, geen aanknopingspunten om te concluderen dat verweerder niet heeft mogen uitgaan van de juistheid van deze rapporten en deze in redelijkheid niet ten grondslag heeft mogen leggen aan zijn besluit om vrijstelling te verlenen.

2.29 Eisers hebben voorts aangevoerd dat verweerder onderzoek had moeten doen naar de vraag of voor het bouwplan ontheffing nodig is op grond van de Flora- en faunawet, dan wel op grond van de Natuurbeschermingswet 1998. Daarbij hebben eisers gewezen op een brief van 21 april 2009 van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). In die brief wijst de Minister verweerder erop dat het verwijderen van riet aan de oever van de plas in verband met het bouwplan, gekwalificeerd kan worden als een overtreding van artikel 11 van de Flora- en faunawet, waarvoor ontheffing nodig is.

2.30 Volgens vaste jurisprudentie van de ABRvS, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 4 juni 2008 (www.rechtspraak.nl, LJN: BD3097), komt de vraag of voor de uitvoering van een project een ontheffing of vrijstelling nodig is op grond van de Flora- en faunawet, en zo ja, of deze ontheffing of vrijstelling kan worden verleend, aan de orde in een eventueel te voeren procedure op grond van de Flora- en faunawet. Dit doet er niet aan af dat het college geen vrijstelling voor een project kon verlenen voor zover het op voorhand in redelijkheid ervan moest uitgaan dat de Flora- en faunawet aan de uitvoerbaarheid ervan in de weg zou staan. Voorts moet niet ieder plan dat tot gevolg heeft dat een beschermde diersoort zich moet aanpassen aan de veranderde omgeving reeds daarom worden aangemerkt als een opzettelijke verontrusting in de zin van de Flora- en faunawet.

2.31 In dit geval heeft de Minister van LNV bij brief van 19 juni 2009 aan verweerder meegedeeld dat, anders dan was meegedeeld in de eerdere brief van 21 april 2009, de aanleg van de steiger als onderdeel van het bouwplan, geen problemen oplevert voor de functionaliteit van de rust- en verblijfplaats van de ringslang en dat voor het bouwplan geen ontheffing op grond van artikel 75 van de Flora- en faunawet benodigd is. Nu van overige belemmeringen niet is gebleken, is de rechtbank gelet hierop van oordeel dat de Flora- en faunawet niet aan de uitvoerbaarheid van het bouwplan in de weg staat.

2.32 Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder voorts een brief van 14 juli 2009 van de Afdeling Vergunningverlening van de provincie Utrecht overgelegd. In deze brief wordt, onder verwijzing naar de eerdergenoemde door Bureau Waardenburg B.V. uitgevoerde verslechterings- en verstoringstoets Natuurbeschermingswet 1998, geconcludeerd dat de uitbreiding van de omvang en de verbetering van de kwaliteit van het leefgebied voor de in het Natura 2000-gebied “de Oostelijke Vechtplassen” voorkomende soorten door de realisatie en ingebruikname van het thermencomplex niet in de weg wordt gestaan. Voor de bouw en het in gebruik nemen van de thermen is dan ook geen vergunning op grond van artikel 19d, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 noodzakelijk.

2.33 De stelling van eisers ter zitting dat verweerder ten onrechte de grensoverschrijdende, externe werking die (de toename van het verkeer als gevolg van) het bouwplan op het Natura 2000-gebied heeft, niet heeft meegewogen bij het verlenen van vrijstelling, volgt de rechtbank, gelet op voornoemde brief van 14 juli 2009 van de provincie Utrecht, niet. Blijkens deze brief zijn de (externe) effecten van het bouwplan op het nabij gelegen Natura 2000-gebied wel degelijk onderzocht en is voor het bouwplan geen vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 noodzakelijk. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten om daarover een ander oordeel te vellen.

2.34 De door eisers aangevoerde beroepsgronden kunnen gelet op het voorgaande niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Het beroep is ongegrond. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen.

Beslissing

De rechtbank Utrecht,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven als voorzitter en mr. M.N. Noorman en

mr. J.R. van Es-de Vries als leden, en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2009.

De griffier: De voorzitter:

mr. K. de Waard mr. B.J. van Ettekoven

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.