Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BJ9361

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
05-10-2009
Datum publicatie
06-10-2009
Zaaknummer
16-500452-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft het verweer van de raadsman, dat sprake is van een verzuim in de zin van artikel 359a SV, verworpen. De officier is daarom ontvankelijk in haar vervolging. Het verweer van de raadsman dat een verbalisant meer dan een gemiddelde burger een incasseringsvermogen moet hebben tegen beledigende uitlatingen, heeft de rechtbank eveneens verworpen. Zij heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van de Hoge Raad van 22 september 2009, LJN BI5623.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/500452-08 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 5 oktober 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1972] te [geboorteplaats], Senegal

wonende te [woonplaats],

[adres],

raadsman mr. W.J. Ausma, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 21 september 2009, waarbij de officier van justitie, mr. M. Wolfrat, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: op 29 april 2008 te Utrecht [slachtoffer] heeft mishandeld;

Feit 2: in de periode van 2 januari 2009 tot en met 19 april 2009 stelselmatig [verbalisant] heeft lastig gevallen, met de bedoeling die [verbalisant] te dwingen een gesprek met hem aan te gaan;

Feit 3: in de periode van 2 januari 2009 tot en met 19 april 2009 beledigende woorden heeft geuit jegens [verbalisant].

3 De voorvragen

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De raadsman heeft aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in haar vervolging, op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. De raadsman is van mening dat sprake is van een opeenstapeling van onjuist politieoptreden. Zo is het in zijn visie disproportioneel dat verdachte vier dagen is vastgehouden en intensief is verhoord naar aanleiding van zijn aanhouding ter zake van feit 1 op 19 augustus 2008. Daarnaast was het volgens de raadsman ongepast dat de wijkagent [verbalisant], die als bemiddelaar betrokken was bij de boedelverdeling tussen verdachte en [slachtoffer], de verhoren van verdachte grotendeels op zich heeft genomen. Er was daardoor geen sprake van een onafhankelijke verbalisant. Voorts is het volgens de raadsman disproportioneel dat voor de aanhouding op 26 mei 2009 een arrestatieteam is ingezet. Dat dit grote machtsvertoon niet nodig was, blijkt wel uit het feit dat verdachte dezelfde dag nog is heengezonden, aldus de raadsman.

De rechtbank verwerpt voornoemd verweer van de raadsman. Zij is van oordeel dat van onjuist, dan wel disproportioneel politieoptreden niet is gebleken. In geval van een verdenking van een mishandeling in de relationele sfeer, is het gebruikelijk een verdachte vast te houden op het politiebureau en in verzekering te stellen. Dit is niet onrechtmatig. De rechtbank beaamt dat het wenselijker was geweest als een andere verbalisant het onderzoek met betrekking tot feit 1 op zich had genomen, gelet op de rol die [verbalisant] reeds als wijkagent in de zaak had gespeeld, doch dit levert geen vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering op. Dat de politie op 26 mei 2009 met meerdere politieambtenaren verdachte heeft aangehouden, acht de rechtbank ten slotte evenmin disproportioneel. In januari 2009 heeft verdachte laten weten voornemens te zijn een pistool te kopen. Gelet op deze uitlatingen mocht de politie er naar het oordeel van de rechtbank vanuit gaan dat mogelijk een vuurwapen in de woning van verdachte aanwezig zou zijn. Dit levert een risico op bij de aanhouding. Een aanhouding door meerdere personen op de wijze als geschied, lag daarom voor de hand. Dat een periode van enkele maanden was verstreken tussen de uitlatingen over het vuurwapen enerzijds en het moment van de aanhouding anderzijds, maakt niet dat het risico bij de aanhouding was komen te vervallen. Van een aanhouding door een arrestatieteam was overigens geen sprake. In de stukken, zoals die zich in het strafdossier bevinden, staat hierover niets vermeld.

Nu niet is gebleken van enig vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, komt de rechtbank niet toe aan de consequenties die daaraan op grond van de wet kunnen worden verbonden. De officier van justitie is daarom ontvankelijk in haar vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, behalve voor zover feit 2 het lastig vallen met e-mailberichten betreft.

Voor wat betreft feit 1 baseert de officier van justitie zich op de verklaring van aangeefster [slachtoffer], welke wordt ondersteund door de medische verklaring voor wat betreft het letsel, alsmede op de verklaring van verdachte.

Voor wat betreft feit 2 baseert de officier van justitie zich op de aangifte van [verbalisant], in combinatie met de ingediende klacht en de uitgewerkte voice-mail- en sms-berichten, alsmede op de deels bekennende verklaring van verdachte.

Voor wat betreft feit 3 baseert de officier van justitie zich eveneens op de aangifte van

[verbalisant] en de bekennende verklaring van verdachte.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de ten laste gelegde feiten.

Voor feit 1 is volgens de raadsman onvoldoende bewijs aanwezig, zodat vrijspraak moet volgen. Verdachte ontkent [slachtoffer] te hebben mishandeld. De aanwezige getuigen zijn hierover ook niet gehoord. Bovendien kan de medische verklaring niet als bewijs dienen voor het letsel, nu deze is gedateerd op 7 augustus 2008. Hieruit kan niet worden afgeleid dat de arm van [slachtoffer] uit de kom is geraakt door het voorval met verdachte.

Van feit 2 dient verdachte in de visie van de raadsman eveneens te worden vrijgesproken. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een diepgaande inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [verbalisant], hetgeen wel vereist is om vast te kunnen stellen dat het lastig vallen een zekere mate van indringendheid, duur en frequentie heeft.

Ten slotte is de raadsman van mening dat voor feit 3 eveneens vrijspraak moet volgen. Volgens hem moet een agent meer dan een gemiddelde burger een incasseringsvermogen hebben tegen dergelijke uitlatingen. Bovendien zijn de uitlatingen niet in het openbaar geuit.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten. De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de navolgende bewijsmiddelen zijn vervat. Zij overweegt daartoe als volgt.

Ten aanzien van feit 1:

Op basis van de aangifte van [slachtoffer], alsmede op basis van de verklaring van verdachte zoals door hem ter terechtzitting afgelegd, stelt de rechtbank vast dat op

29 april 2008 tussen beiden een confrontatie heeft plaatsgevonden bij de woning van verdachte te Utrecht. Volgens aangeefster heeft verdachte haar met veel kracht bij haar arm gepakt en haar aan haar arm naar buiten getrokken. Zij voelde daarbij een enorme pijn. Buiten heeft zij verdachte een klap gegeven, waarna verdachte haar meteen een klap teruggaf tegen haar gezicht . Verdachte heeft ter terechtzitting bevestigd dat de confrontatie tussen hem en [slachtoffer] een negatief karakter had. Hij heeft bekend dat hij [slachtoffer] heeft vastgepakt en haar buiten heeft gezet. Ten overstaan van de politie heeft hij echter verklaard dat hij op dat moment ‘out of control’ was en dat hij niet weet of hij bij het naar buiten zetten van [slachtoffer] te veel kracht heeft gebruikt . Tevens heeft hij ter zitting bevestigd dat hij de dag na het incident een sms-bericht naar [slachtoffer] heeft gezonden waarin hij aangeeft ‘out of control’ te zijn geweest. De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat verdachte de mogelijkheid dat hij aangeefster op voornoemde wijze buiten heeft gezet, niet uitsluit. Nu de verklaring van aangeefster wat dat betreft helder en concreet is, volgt de rechtbank haar op dit punt. Nu aangeefster bovendien eerlijk heeft verklaard dat zij de eerste was die een klap heeft gegeven, acht de rechtbank haar aangifte ook in zoverre voldoende geloofwaardig om als bewijsmiddel te gebruiken. De rechtbank is daarmee van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte aangeefster [slachtoffer] heeft mishandeld op de wijze als hierna onder bewezenverklaring vermeld.

De uitleg van aangeefster over het aan haar arm rondslingeren, acht de rechtbank onvoldoende duidelijk. Ook blijkt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende dat door toedoen van verdachte de arm van aangeefster uit de kom is geraakt. In de medische verklaring, die is gedateerd op 7 augustus 2008, wordt weliswaar geconstateerd dat bij aangeefster van voornoemd letsel sprake is, doch deze verklaring biedt geen uitsluitsel over het ontstaansmoment hiervan. Nu uit het dossier volgt dat de arm van aangeefster reeds eerder uit de kom is geweest en dit letstel daardoor makkelijk opnieuw kan optreden, acht de rechtbank een verklaring over het ontstaansmoment wel van belang. Indien direct na de mishandeling in het ziekenhuis was gebleken dat de arm van aangeefster uit de kom was geraakt, had hiervan bewijs aan het dossier gevoegd moeten worden.

Ten aanzien van feit 2:

De rechtbank acht eveneens wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verbalisant [verbalisant] heeft in zijn aangifte d.d. 8 mei 2009 verklaard dat hij veelvuldig met oproepen op zijn diensttelefoon, dan wel via sms-berichten door verdachte is lastig gevallen. Op 2 januari 2009 heeft verdachte hem zes maal proberen te bellen en meermalen een voice-mailbericht ingesproken. Daarin ging hij verbaal tekeer, aldus aangever. Op

20 januari 2009 belde verdachte hem opnieuw, met de mededeling dat hij met hem wilde praten. Na de verbinding te hebben verbroken, werd hij nog meermalen door verdachte gebeld, waarbij verdachte wederom de voice-mail insprak. Verdachte gaf hierbij aan dat hij maar bij hem langs moest komen . Op 18 april 2009 probeerde verdachte opnieuw met hem in contact te komen, aldus aangever. Na een poging hem te bellen, stuurde verdachte elf sms-berichten met beledigende uitlatingen. Ook merkte hij dat verdachte hem in die berichten aan het uitdagen was en dat hij wilde dat hij bij hem langs zou komen .

In het dossier zijn de teksten van een groot aantal van de hiervoor bedoelde sms-berichten opgenomen. In een sms-bericht dat verdachte op 2 januari 2009 stuurt, schrijft hij onder meer: “Wees jij ook een man met ballen en de waarheid vertellen” (01:41:36 uur) . In een sms-bericht d.d. 20 januari 2009 (22:50:48 uur) besluit verdachte zijn sms-bericht met de woorden: “Jouw antwoord A.U.B!” In een sms-bericht dat hij kort daarna op

21 januari 2009 (00:08:14 uur) stuurt, zegt hij: “Je wil geen schriftelijke sporen achterlaten, daarom geen reactie terug op mijn sms”. En tot slot schrijft hij in dit bericht; “Wacht niet zo lang” . In een sms-bericht d.d. 18 april 2009 (23:33:11 uur) vraagt verdachte aan [verbalisant] waarom hij zijn telefoon niet opneemt. In sms-bericht aan [slachtoffer] d.d. 18 april 2009 (23:11:10 uur en 23:43:29 uur) en 19 april 2009 (01:13:03 uur) laat hij opnieuw weten dat hij [verbalisant] heeft gebeld, maar dat deze zijn telefoon niet opneemt. Ook laat hij [slachtoffer] in het sms-bericht d.d. 19 april 2009 weten dat hij [verbalisant] aan het confronteren is .

De rechtbank is van oordeel dat uit de inhoud van voormelde sms-berichten valt op te maken dat verdachte steeds probeerde [verbalisant] te dwingen een gesprek met hem aan te gaan en dat hij daarop het oogmerk heeft gehad. De rechtbank gaat ervan uit dat de voicemail-berichten die aan de sms-berichten vooraf gingen dezelfde strekking hadden en dat verdachte telkens met hetzelfde doel trachtte aangever te bellen. Dit leidt de rechtbank ook af uit een e-mailbericht aan aangever d.d. 9 juli 2008, waarin een collega wijkagent al meldt dat verdachte in contact met hem wenst te komen . Alle pogingen aangever te bereiken in de periode vanaf 2 januari 2009, kunnen als verlengstuk van dit e-mailbericht worden gezien. Gelet op het grote aantal telefoontjes, voicemail-berichten en sms-berichten, heeft het lastigvallen met stelselmatigheid plaatsgevonden, zodat sprake is van het onder 2 ten laste gelegde strafbare feit.

Ten aanzien van feit 3:

De rechtbank stelt vast dat verdachte in de periode van 18 tot en met 19 april 2009 sms-berichten aan [verbalisant] heeft gestuurd met daarin de bewoordingen ‘klootzak’, ‘mafkees’, ‘idioot’, ‘volgens mij heb je een IQ van een koe’, ‘mother fucker’ en ‘imbeciel’. [verbalisant] heeft hiervan aangifte gedaan en verdachte heeft dit ten overstaan van de politie bekend .

De rechtbank gaat ervan uit dat [verbalisant] zich op het moment dat hij de berichten las op zijn standplaats te Zeist, dan wel elders in het arrondissement Utrecht bevond.

De rechtbank is van oordeel dat voornoemde sms-berichten kunnen worden aangemerkt als beledigingen in de zin van de artikelen 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht. Bewoordingen hoeven niet in het openbaar te zijn geuit om een beledigend karakter te hebben. De beledigende bewoordingen zijn in het onderhavige geval door middel van schriftelijke teksten rechtstreeks aan [verbalisant] gezonden, zodat sprake is van een belediging in tegenwoordigheid van de beledigde. De rechtbank gaat hiermee voorbij aan het betoog van de raadsman. Het verweer van de raadsman dat politieagenten een zeker incasseringsvermogen ten aanzien van dergelijke opmerkingen moeten hebben, wordt eveneens verworpen. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat een dergelijke opvatting onjuist is en geen steun vindt in het recht .

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 29 april 2008 te Utrecht, opzettelijk mishandelend [slachtoffer] tegen haar

hoofd heeft geslagen en die [slachtoffer] met kracht bij haar arm heeft vastgepakt en

vervolgens met kracht heeft getrokken aan die arm, waardoor voornoemde [slachtoffer]

pijn heeft ondervonden;

2.

in de periode van 02 januari 2009 tot en met 19 april 2009 te Zeist wederrechtelijk

stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van

[verbalisant] (wijkagent bij politie Utrecht, district Binnensticht) met het oogmerk die

[verbalisant] lastig te vallen met telefoontjes en sms-berichten en voicemail-berichten,

immers

- heeft hij, verdachte, meermalen/frequent opzettelijk die [verbalisant] op een mobiel

telefoontoestel benaderd, welke benadering van die [verbalisant] door hem,

verdachte, telkens het oogmerk had die [verbalisant] te dwingen een gesprek met hem,

verdachte, aan te gaan;

3.

in de periode van 18 april 2009 tot en met 19 april 2009 op verschillende tijdstippen in het arrondissement Utrecht, opzettelijk beledigend, een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, genaamd [verbalisant] (wijkagent van politie Utrecht, district Binnensticht), per sms-bericht de volgende woorden heeft toegevoegd:

"Klootzak" en "Mafkees" en "Idioot" en "Je hebt het IQ van een koe"

en "Motherfucker" en "Imbeciel".

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1: Mishandeling;

Feit 2: Belaging;

Feit 3: Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

De raadsman heeft als subsidiair verweer gevoerd dat verdachte ontoerekeningsvatbaar is en daarom dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De rechtbank is van oordeel dat niet gebleken is van een omstandigheid die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. De raadsman heeft zijn stelling hieromtrent onvoldoende onderbouwd. De verdachte is dus strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen vervangende hechtenis, en twee maanden voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaren, met als bijzondere voorwaarde dat hij direct noch indirect contact mag hebben met de heer [verbalisant].

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de opeenstapeling van het onjuiste politieoptreden, indien dat geen grond voor niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie oplevert, tot toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, dan wel tot strafvermindering moet leiden.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zijn ex-vriendin op vervelende wijze mishandeld en de verbalisant, die als wijkagent tussen beiden heeft bemiddeld, veelvuldig lastig gevallen. Hij heeft deze agent daarbij ook beledigd. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij een geschil in de relationele sfeer op deze wijze heeft laten escaleren. Hij heeft aangeefster [slachtoffer] pijn en vrees aangejaagd. Wijkagent [verbalisant] heeft hij door zijn gedrag gedwongen zijn diensttelefoon uit te schakelen. Door de stelselmatige inbreuk die verdachte op zijn persoonlijke levenssfeer maakte, was hij niet meer in staat zijn functie zonder angst uit te oefenen. Bovendien voelde [verbalisant] zich door de uitlatingen van verdachte in zijn eer en goede naam aangetast. Verdachte heeft zijn gezag ernstig ondermijnd.

De rechtbank merkt de handelingen van verdachte aan als nare strafbare feiten. Zij is echter van oordeel dat deze, gelet ook op het blanco strafblad van verdachte, niet ernstig genoeg zijn voor de oplegging van een gevangenisstraf, ook niet in de voorwaardelijke vorm. De rechtbank zal daarom een werkstraf opleggen die hoger is dan door de officier van justitie is geëist. Net als de officier van justitie ziet de rechtbank wel aanleiding een deel daarvan voorwaardelijk op te leggen. Met deze voorwaardelijke straf beoogt de rechtbank verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Gelet op hetgeen de rechtbank in het kader van de ontvankelijkheid van de officier van justitie heeft overwogen, komt zij niet toe aan toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, dan wel aan strafvermindering.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 2.581,50 voor feit 1.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij toewijsbaar is tot een bedrag van € 250,-- ter zake van immateriële schade. Voor het overige dient de vordering in de visie van de officier van justitie niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 150,-- een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, ter zake van immateriële schade, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen. De rechtbank is van oordeel dat de overige kosten in een te ver verwijderd verband staan ten opzichte van het bewezenverklaarde, dan wel onvoldoende zijn onderbouwd. Voor het overige deel van de vordering acht de rechtbank de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk in haar vordering omdat de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 36f, 57, 266, 267, 285b en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1: Mishandeling;

Feit 2: Belaging;

Feit 3: Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 200 uren, subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis, waarvan 50 uren, subsidiair 25 dagen vervangende hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van deze werkstraf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van

€ 150,-- ter zake van immateriële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], € 150,-- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 3 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.G. van Doorn, voorzitter, mr. A. Wassing en

mr. V. van Dam, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.W.M. Maase-Raedts, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 5 oktober 2009.

Mr. A. Wassing is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.