Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BJ8999

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
30-09-2009
Datum publicatie
01-10-2009
Zaaknummer
255382 / HA ZA 08-1961
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In strijd gehandeld met artikel 82 Wtk 1992 door bemiddelaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RF 2010, 32
JE 2010, 143
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 255382 / HA ZA 08-1961

Vonnis van 30 september 2009

in de zaak van

1. [eiser sub 1],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. J.M. van Noort,

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. R.W.A. Offermanns,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. L.H. Haarsma,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MECOL MANAGEMENT B.V.,

gevestigd te Bilthoven,

gedaagde,

niet verschenen.

Eiser sub 1 zal hierna [eiser sub 1], eiser sub 2 [eiser sub 2] en eisers gezamenlijk zullen [eisers c.s.]. worden genoemd. Gedaagde sub 1 zal hierna [gedaagde sub 1], gedaagde sub 2 Mecol en gedaagden gezamenlijk zullen [gedaagden c.s.] worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 21 januari 2009,

- het proces-verbaal van comparitie van 8 mei 2009,

- een akte overlegging producties aan de zijde van [eiser sub 1];

- een antwoordakte aan de zijde van [gedaagden c.s.]

1.2. Aanvankelijk lieten [eiser sub 1] en [eiser sub 2] zich door dezelfde raadsman bijstaan. Na de comparitie heeft [eiser sub 2] zich door een andere raadsman laten bijstaan.

1.3. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [gedaagde sub 1] is statutair bestuurder en enig aandeelhouder van Mecol. [eiser sub 1] is statutair bestuurder van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1]). [eiser sub 2] is statutair bestuurder en enig aandeelhouder van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Rohaam B.V. (hierna: Rohaam B.V.).

2.2. [gedaagde sub 1] heeft bij verschillende gelegenheden aan [eiser sub 1] en [eiser sub 2] een brochure overhandigd. De brochure draagt als titel "Propositie Investering Euro 390.000,- (100% garantie)!" (hierna: de brochure) . In de brochure is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

"In feite gaat het om een simpele deal, die is opgezet door de Londense Intermediair [A]. Er wordt geleend aan Renta Plus in Würzburg (D) een bedrag van Euro 500.000. Contractueel is Renta Plus verplicht om vijftien dagen nadat het geld door hen is ontvangen, een bedrag van Euro 1,5 miljoen terug te betalen. Wanneer ze daarbij in gebreke blijven, verkrijgen wij een eerste hypotheeek van Euro 1,5 miljoen op een wooncomplex gelegen in het centrum van de Duitse stad Halle (…). Deze hypotheek wordt ingeschreven in het Grundbuch en dan wordt de eerste hypotheek van Euro 100.000 uitgeschreven. Dit wooncomplex heeft een executiewaarde van Euro 5,6 miljoen (recent taxatierapport aanwezig). (…) Ons onderzoek via een uitstekend Nederlands recherchebureau heeft aangetoond dat alle door hen opgegeven feiten kloppen. Ons bezoek aan de heren van Rente Plus in de stad Würzburg (…) heeft aangetoond dat dit een keurige GmbH is die eigendom is van de familie [B], geboren en getogen in Würzburg, mensen met een uitstekende reputatie in die kleine stad (…). Wij ( [gedaagde sub 1], President en oprichter van International Business Consultancy Group (…) [C] van (…) en ondergetekende) hebben vorige week (…) een bezoek gebracht aan het kantoor van Renta Plus en vijf uur doorgebracht bij de notaris Boehmer (…), die een uiterst solide en zeer bekwame indruk maakt. We hebben alle contracten daar afgerond en getekend. Daarmee hebben we de hypothecaire zekerheid gecreëerd en hebben we tevens een tweede zekerheid verkregen. Die tweede zekerheid houdt in dat (… indien er niet is terugbetaald) wij in de laatste week van maart het wooncomplex kunnen kopen voor Euro 2,9 miljoen. Van die 2.9 miljoen is dan al 1,5 miljoen betaald (het niet door Renta Plus terugbetaalde bedrag), zodat er dan nog Euro 1,4 miljoen betaald zou moeten worden. Dit betekent dus, dat wij dit wooncomplex in dit geval zouden verkrijgen voor Euro 500.000 plus Euro 1,4 miljoen, is Euro 1,9 miljoen. Een pand met een executiewaarde van Euro 5,6 miljoen! Wij stelden dan ook, dat het te hopen is dat de Euro 1,5 miljoen niet wordt terugbetaald binnen 15 dagen, want dan worden we spekkoper van een uitstekend gelegen wooncomplex. (…) Na herontwikkeling zal het wooncomplex Euro 12 tot 14 miljoen opbrengen op basis van realistische aannames (…). In feite ligt er dus bij de financiers van de Euro 500.000 geen risico (ze krijgen Euro 1,5 miljoen of het pand). Het echte risico ligt bij Renta Plus. (…) Wij hebben zoveel vertrouwen in deze deal dat wij (…) zelf met een bedrag van Euro 110.000 mee doen (reeds gestort naar [gedaagde sub 1]). (…) Om deze deal binnen te halen dient spoedig de overige Euro 390.000 te worden gestort op de rekening van Mecol Management BV (…). Deze rekening is van de heer [gedaagde sub 1], welke optreedt als Trustee. (…). Vriendelijke groet, [D]"

2.3. Op 10 februari 2004 is een overeenkomst, aangeduid met "Loan Agreement" (hierna: Loan Agreement) tot stand gekomen. Contractspartijen zijn [gedaagde sub 1] en Renta Plus. In de aanhef staat achter de naam van [gedaagde sub 1] tussen haakjes "Trustee". [gedaagde sub 1] wordt in de Loan Agreement verder aangeduid met "Lender". Vermeld staat voorts dat [gedaagde sub 1] een bedrag van € 500.000,00 zal lenen aan Renta Plus. Renta Plus is verplicht om na vijftien dagen dit bedrag terug te betalen plus een bedrag van € 1 miljoen aan compensatie. De overeenkomst is ondertekend door [gedaagde sub 1] en de heren [E] en [B]. In welke hoedanigheid laatstgenoemde heren hebben getekend staat niet vermeld. Als "witness" hebben de onder 2.2. genoemde [D] en [C] de Loan Agreement ondertekend.

2.4. Per email van 26 maart 2004 laat [gedaagde sub 1] aan [eiser sub 2] weten dat het oorspronkelijke bedrag van € 500.000,00 is verlaagd naar € 240.000,00. In de email is voorts, voor zover van belang, vermeld:

"De betaalinstructies geef ik je onderstaand. Contractueel is afgesproken dat de Euro 240.000 driemaal terugkomt en zoals je weet houdt dat in dat de leningverstrekkers hun geld dubbel terug krijgen. Naast de derde hypotheek van Euro 1,4 miljoen, heeft de heer [F] zich ook schriftelijk persoonlijk garant gesteld voor het door jou te storten bedrag van Euro 150.000. Tevens hebben [G] en [D] voor die 150.000 zich persoonlijk garant gesteld. (…) Teneinde onze afspraak na te komen dient het geld vandaag door jou rechtstreeks te worden overgemaakt (…)".

Op diezelfde datum heeft [gedaagde sub 1] [eiser sub 2] telefonisch medegedeeld dat betaling van

€ 100.000,00 in plaats van € 150.000,00 ook afdoende was.

2.5. [eiser sub 2] heeft eind maart 2004 een bedrag van € 100.000,00 naar het rekeningnummer bij een Duitse bank overgemaakt, dat door [gedaagde sub 1] in zijn email van 26 maart 2004 was opgegeven, onder vermelding van "R. P. Beratungs-/Beteilungs GMB I.A. Herrn [gedaagde sub 1]".

2.6. [eiser sub 1] heeft op 17 februari 2004 een bedrag van € 50.000,00 overgemaakt naar de rekening van Mecol, nadat hij hierover de betalingsinstructies van [gedaagde sub 1] per email van 13 februari 2004 had ontvangen.

2.7. Op 30 juni 2004 heeft [gedaagde sub 1] van een privé-rekening een bedrag van € 10.000,00 teruggeboekt naar [eiser sub 1], onder vermelding van "retour lening".

2.8. Terugbetaling van de door [eisers c.s.]. overgemaakte bedragen en de in de Loan Agreement genoemde compensatie heeft niet plaatsgevonden. In de periode vanaf begin mei 2004 tot medio september 2004 worden door [gedaagde sub 1] talloze emails gestuurd naar [eiser sub 1] en [eiser sub 2], waarin hij telkens naar redenen verwijst waarom terugbetaling nog niet mogelijk is. In de emails spreekt [gedaagde sub 1] ook telkens zijn vertouwen uit dat terugbetaling, zij het met vertraging, nog wel zal plaatsvinden. Uit doorgestuurde emails blijkt dat [gedaagde sub 1] email contact heeft gehad met [A] en [D] (zie 2.2).

2.9. Op 9 augustus 2004 heeft [eiser sub 2], mede namens [eiser sub 1], [C], en [D], [gedaagde sub 1] ingebreke gesteld. [eiser sub 2] deelt met dat de bedragen van de leningen, inclusief de boetebetaling, uiterlijk op 12 augustus 2004 op hun diverse rekeningen moet staan. Op gelijke datum stuurt [gedaagde sub 1] per fax een ingebrekestelling naar Renta Plus ten name van [F]. Hierin is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

"As the duly appointed trustee of the "lenders" I have to inform you as follows. During the first quarter of 2004 the "lenders" lent you in several stages a total amount of € 240.000. Contractually you were obliged to re-pay the loan, plus bonus, interest en costs on or before the 21st of April 2004. On the 22nd of April 2004, I mailed you that you were in default. Since that date we have spoken and written many, many times about your contractual obligation to pay back the loan. (…) You are now more then three and a half months in default, I must tell you that the time is over. The lenders have sent me a letter of notice that they hold me responsible for the total repayment. The consequences is that we have to execute our rights on the 16th of august, if at that date the total amount due is not in my bank account."

2.10. [eisers c.s.]. heeft diverse conservatoire beslagen gelegd.

3. Het geschil

3.1. [eisers c.s.]. vordert, na eisvermeerdering, samengevat dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagden c.s.] veroordeelt:

1) tot betaling aan [eiser sub 1] van een bedrag van € 40.000,00, vermeerderd met de wettelijke handelsrente, althans de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 dagen na 26 maart 2004, althans vanaf 4 dagen na 9 augustus 2004, althans vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening, althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;

2) tot betaling aan [eiser sub 2] van een bedrag van € 100.000,00, vermeerderd met de wettelijke handelsrente, althans de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 dagen na 26 maart 2004, althans vanaf 4 dagen na 9 augustus 2004, althans vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening, althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;

3) om binnen twee dagen na betekening van het vonnis, juiste, niet misleidende, volledige en verifieerbare informatie te verstrekken betreffende, en rekening en verantwoording af te leggen over de wijze waarop [gedaagde sub 1], samengevat, de opdracht inzake de beoogde transactie met Renta Plus heeft uitgevoerd, onder verbeurte van een dwangsom;

4) in de kosten van deze procedure, inclusief de beslagkosten.

3.2. [gedaagden c.s.] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [gedaagden c.s.] stelt dat [eisers c.s.]. niet ontvankelijk in hun vorderingen moeten worden verklaard, nu er geen rechtsgeldige cessie door [bedrijf 1] en Rohaam B.V. van hun vorderingen op [gedaagden c.s.] heeft plaatsgevonden aan respectievelijk [eiser sub 1] en [eiser sub 2]. Volgens [gedaagden c.s.] zijn de overgedragen vorderingen onvoldoende bepaalbaar en kan het doen van een mededeling niet rechtsgeldig door middel van dagvaarding plaatsvinden.

De rechtbank constateert dat door [eiser sub 1] en [eiser sub 2] aktes in het geding zijn gebracht waaruit de levering van de vorderingen aan hen van respectievelijk [[bedrijf 1] en Rohaam B.V. op [gedaagden c.s.] blijkt. In beide aktes zijn de overgedragen vorderingen in voldoende mate bepaald, in die zin dat kan worden vastgesteld om welke vordering het gaat. Artikel 3:94 lid 1 BW schrijft ten aanzien van de mededeling geen vormvoorschrift voor. Mededeling kan in elke vorm geschieden, dus ook door vermelding in een dagvaarding. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen van [bedrijf 1] en Rohaam B.V. rechtsgeldig aan [eiser sub 1] en [eiser sub 2] zijn overgedragen.

4.2. Door [gedaagden c.s.] is bezwaar gemaakt tegen de vermeerdering van eis (onderdeel 3 van 3.1), omdat uit niets blijkt dat er een overeenkomst bestaat tussen [eiser sub 1], [eiser sub 2] en [gedaagde sub 1]. Op grond van artikel 130 Rv is een eiser bevoegd zijn eis te vermeerderen, zolang geen eindvonnis is gewezen. De gedaagde is bevoegd hiertegen bezwaar te maken in geval de vermeerdering in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Het door [gedaagden c.s.] gemaakte bezwaar is daarop niet gericht. Daarbij komt dat ter comparitie uitvoerig de informatieverstrekking door [gedaagde sub 1] aan [eiser sub 1] en [eiser sub 2] is besproken. Dit heeft ertoe geleid dat [gedaagde sub 1] bereid is gebleken om op het kantoor van de raadsman van (thans) [eiser sub 1] stukken te verstrekken en inzage te geven in de bankafschriften van Mecol. Uit de na de comparitie overgelegde aktes blijkt dat deze bespreking heeft plaatsgevonden. [gedaagden c.s.] heeft zich bij akte vervolgens uitgelaten over de door [eiser sub 1] overgelegde stukken. Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat de eisvermeerdering niet in strijd is met de goede procesorde nu [gedaagden c.s.] zelf bereid is gebleken [eiser sub 1] van informatie te voorzien en heeft kunnen reageren op de door [eiser sub 1] genomen akte die genomen is na de informatieverstrekking door [gedaagde sub 1].

4.3. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] leggen primair onrechtmatig handelen van [gedaagden c.s.] aan hun vorderingen ten grondslag en subsidiair een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de tussen hen en [gedaagden c.s.] gesloten overeenkomsten. Door het onrechtmatig handelen dan wel toerekenbaar tekortschieten van [gedaagden c.s.] hebben [eiser sub 1] en [eiser sub 2] schade geleden doordat zij hun inleg van respectievelijk € 40.000,00 en € 100.000,00 hebben verloren.

Het onrechtmatig handelen ziet erop dat [gedaagden c.s.] in strijd heeft gehandeld met het toenmalige artikel 7 Wet toezicht effectenverkeer (Wte), omdat hij als effectenbeheerder en/of vermogensbeheerder niet beschikte over een vergunning. Voorts heeft [gedaagden c.s.] in strijd gehandeld met het toenmalige artikel 82 lid 1 Wet toezicht kredietwezen 1992 (Wtk 1992). Daarnaast bestaat het onrechtmatig handelen van [gedaagden c.s.] volgens [eisers c.s.]. uit het hen overtuigen te participeren in een uiterst risicovol investeringsproject door, naar later is gebleken, naar niet bestaande zekerheden te verwijzen. Dit terwijl [gedaagden c.s.] wist of heeft moeten weten dat [eisers c.s.]. alleen bereid waren in een project te investeren voorzover een redelijke mate van zekerheid bestond dat zij hun inleg niet zouden verliezen.

4.4. Het verweer van [gedaagden c.s.] komt er samengevat op neer dat [gedaagde sub 1] stelt niet als effectenbeheerder dan wel vermogensbeheerder te hebben gehandeld, maar uitsluitend als penvoerder en coördinator van het project te hebben opgetreden. Het feit dat hij de Loan Agreement heeft getekend houdt, volgens [gedaagden c.s.], verband met het volgende. Tussen Renta Plus en [D] en [G] was op 28 december 2003 een leningsovereenkomst gesloten, met een vergelijkbare strekking als de Loan Agreement. Aangezien [D] en [G] er niet in slaagden het investeringsbedrag bijeen te krijgen, had [D] [gedaagde sub 1] benaderd om behulpzaam te zijn bij het realiseren van het project. Tijdens het bezoek van [gedaagde sub 1], [D] en [C] aan [F} in Würzburg op 10 februari 2004 (zie 2.4) werd tot het vormen van een "investeringsclubje" besloten en diende een nieuwe overeenkomst gesloten te worden. [F] wenste [D] niet als contractspartij omdat hij de eerdere leningsovereenkomst niet was nagekomen. [C] kon als partner van een Nederlands advocatenkantoor ook geen contractspartij worden. [gedaagde sub 1] was toen de enige aanwezige mogelijke contractspartij. Louter om die reden heeft [gedaagde sub 1], in een rol van penvoeder en coördinator, de Loan Agreement getekend. Een en ander blijkt ook uit de bij conclusie van antwoord overgelegde verklaring van [C]. Voorts wijst [gedaagden c.s.] erop dat de investeringspropositie niet door hem maar door [G] en [D] is geëntameerd. Daarnaast hadden [eiser sub 1] en [eiser sub 2] zelf onderzoek moeten doen naar de risico's van het Renta Plusproject. Het verwijt ten aanzien van de niet bestaande zekerheden kan [gedaagden c.s.] niet plaatsen nu er een hypotheek op zijn naam staat in relatie tot het project. Van een tekortkoming kan geen sprake zijn nu er geen overeenkomst bestaat tussen [gedaagden c.s.] en [eiser sub 1] en [eiser sub 2].

4.5. Voor de beoordeling van het geschil dient eerst te worden vastgesteld in welke hoedanigheid [gedaagden c.s.] ten opzichte van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] heeft gehandeld. De gedragingen van [gedaagden c.s.] dienen te worden vastgesteld aan de hand van de ten tijde van de door [eiser sub 1] en [eiser sub 2] gedane betalingen vigerende regelgeving. Relevant daarbij is Wtk 1992, welke met ingang van 1 januari 2007 is ingetrokken bij de inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht (Wft).

4.6. Artikel 82 lid 1 Wtk 1992 verbiedt een ieder a) bedrijfsmatig opvorderbare gelden van het publiek aan te trekken, ter beschikking te krijgen of te hebben en b) in enigerlei vorm te bemiddelen terzake van het bedrijfsmatig van het publiek aantrekken of ter beschikking krijgen van opvorderbare gelden. [gedaagden c.s.] heeft louter aangevoerd dat hij slechts als penvoeder en coördinator bij het project betrokken is geweest en dat zijn rol slechts een voortzetting betrof van eerder door [G] en [D] geïnitieerde afspraken met Renta Plus, zonder daarbij aan te geven welke juridische betekenis hieraan volgens hem moet worden gegeven in verband met het door [eisers c.s.]. gestelde handelen in strijd met artikel 82 lid 1 Wtk 1992.

4.7. Uit de eigen stellingen van [gedaagden c.s.] volgt dat na het bezoek op 10 februari 2004 in Würzburg tot het vormen van een "investeringsclubje" werd besloten. Vervolgens heeft [gedaagden c.s.] een actieve rol gespeeld in het benaderen dan wel doen benaderen van investeerders in het project. Onweersproken is door [eiser sub 1] en [eiser sub 2] gesteld, dat zij tijdens een bijeenkomst van [gedaagde sub 1], waarbij dan wel [eiser sub 1] dan wel [eiser sub 2] aanwezig was, ieder een brochure (zie 2.2) inzake het project hebben ontvangen. [gedaagde sub 1] heeft zowel aan [eiser sub 1] en [eiser sub 2] betaalinstructies gegeven ten aanzien van de door hen te investeren gelden. [eiser sub 1] heeft het investeringsbedrag overgemaakt op een bankrekening van Mecol, waarna, zo is in de naderhand overgelegde akte onweersproken door [eiser sub 1] gesteld, door Mecol een bedrag van € 40.000,00 is overgeboekt naar Renta Plus. [eiser sub 2] heeft een bedrag van € 100.000,00 overgemaakt naar een bankrekening die hij van [gedaagden c.s.] had opgekregen.

4.8. Uit de in de vorige overweging weergegeven vastgestelde feiten volgt dat [gedaagde sub 1] al dan niet via zijn vennootschap handelingen heeft verricht die moeten worden aangemerkt als bemiddeling in de zin van artikel 82 lid 1 Wtk 1992. De door [gedaagden c.s.] uitgevoerde activiteiten kunnen onder het in de rechtspraak ruim uitgelegde begrip bemiddeling worden begrepen. [gedaagden c.s.] heeft immers activiteiten verricht in relatie tot het totstandbrengen van geldleningovereenkomsten op naam van een derde.

Ook de erkenning van [gedaagde sub 1] ter zitting dat hij voor het begeleiden van de deal een bedrag van € 55.000,00 van [D] zou ontvangen, wijst onmiskenbaar op een eigen betrokkenheid bij het project, die als bemiddeling kan worden gekwalificeerd. Opgemerkt zij, dat in de jurisprudentie wordt aangenomen, dat het ontvangen van provisie overigens geen vereiste is om van bemiddeling in de zin van artikel 82 lid 1 Wtk 1992 te kunnen spreken. In de jurisprudentie is tevens aangenomen dat niet vereist is dat het bemiddelen bedrijfsmatig plaatsvindt. Dit in tegenstelling tot het aantrekken van gelden van het publiek, waarvoor wel geldt dat dit bedrijfsmatig dient te geschieden. De handelingen van [gedaagde sub 1], ook als deze niet via Mecol zijn verlopen, zijn overigens hoe dan ook als bedrijfsmatig te beschouwen, nu het ging om louter zakelijk contacten.

4.9. De door [gedaagden c.s.] destijds verrichte handelingen inzake Renta Plus, kunnen worden aangemerkt als bemiddeling ter zake van het aantrekken of ter beschikking krijgen van gelden van het publiek. [gedaagden c.s.] heeft hieromtrent geen verweer gevoerd. Uit de feiten valt af te leiden dat [gedaagden c.s.] op zoek gegaan is naar een "investeringsclubje" zonder dat daarbij enig onderscheid werd gemaakt. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een besloten kring (zie artikel 1 en 3 Beleidsregel kernbegrippen markttoetreding en handhaving Wtk 1992, Staatscourant 10 juli 2002, nr. 129). Uit de Beleidsregels kernbegrippen markttoetreding en handhaving Wtk 1992 volgt tevens dat zowel [eiser sub 1] als [bedrijf 1] als [eiser sub 2] en Rohaam B.V. als publiek hebben te gelden in de zin van artikel 82 lid 1 Wtk 1992. Uit het feitencomplex leidt de rechtbank overigens af dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] als particuliere personen bij het project betrokken zijn geraakt en uitsluitend de betaling via hun respectievelijke vennootschappen hebben laten lopen. Niet gesteld of gebleken is dat deze vennootschappen professionele marktpartijen zijn in de zin van de Wtk 1992.

4.10. Op grond van de brochure is kenbaar dat de geïnvesteerde bedragen al dan niet op termijn opvorderbaar zijn. De opvorderbaarheid wordt door [gedaagden c.s.] ook niet ontkend. Niet gesteld of gebleken is dat [gedaagden c.s.], dan wel degene ten behoeve van wie hij bemiddelde, een geregistreerde kredietinstelling was. Evenmin is gesteld of gebleken dat [gedaagden c.s.] beschikte over een bemiddelingsvergunning uit hoofde van de Wte 1995 , hetgeen tot een vrijstelling van het bemiddelingsverbod van artikel 82 Wtk 1992 had geleid (artikel 7 lid 2 Vrijstellingsregeling Wtk 1992).

4.11. Door [gedaagde sub 1] zijn geen stellingen aangedragen waaruit zou kunnen worden afgeleid dat hij niet de volledige zeggenschap over het beleid van Mecol had, over het beheer van de op de rekening van Mecol gestorte gelden, hij niet bekend kon zijn dat Mecol in strijd met de Wtk handelde. Hierover is niets door [gedaagden c.s.] gesteld. Dit betekent dat [gedaagden c.s.] in strijd heeft gehandeld met artikel 82 Wtk 1992.

4.12. Het in strijd handelen door [gedaagden c.s.] met artikel 82 lid 1 Wtk 1992 levert, volgens [eiser sub 1] en [eiser sub 2], een onrechtmatige daad jegens hen op. Onder verwijzing naar rechtbank Arnhem (1 december 2004, JOR 2005/65) betogen [eiser sub 1] en [eiser sub 2] dat de geschonden norm mede strekt tot bescherming van hun belangen. De rechtbank sluit zich aan bij dit oordeel, dat in hoger beroep door het hof Arnhem (23 januari 2007, JOR 2007/93) is bevestigd, waarin is bepaald dat aan het relativiteitsvereiste is voldaan, nu de Wtk 1992 mede tot doel heeft de bescherming van het publiek dat geld ter beschikking heeft gesteld, zoals in casu is gebeurd.

4.13. Het voorgaande betekent dat [gedaagden c.s.] gehouden is de schade die [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben geleden te vergoeden. De rechtbank verstaat de verwijzingen van [gedaagden c.s.] naar het verzuimen van een eigen onderzoeksplicht van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] als een beroep op artikel 6:101 BW. Ingevolge dit artikel kan de vergoedingsplicht worden verminderd indien de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend. Verdeling vindt plaats in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen.

4.14. Ten aanzien van de mate van eigen schuld van [eiser sub 1] acht de rechtbank het volgende relevant. Ter zitting is door [eiser sub 1] verklaard dat hij [gedaagde sub 1] al jaren kende en hem beschouwde als een betrouwbaar en kundig man op financieel terrein. Bij een bedrijfsovername door [eiser sub 1] heeft [gedaagde sub 1] een bemiddelende rol gespeeld. [eiser sub 1] heeft tevens verklaard dat hij op grond van vertrouwen op het voorstel, inclusief de brochure, van [gedaagde sub 1] is ingegaan. Nadat hij het voorstel met [C] had besproken is [eiser sub 1] in het project gestapt.

Bij het doen van een investering als de onderhavige kan van een potentiële investeerder worden verwacht dat hij zich in zekere mate ervan vergewist welke risico's aan het voorgespiegelde plan kleven. Dit is zeker het geval bij een plan als het onderhavige, waarin extreem hoge rendementen werden voorgespiegeld. Ook de weergave van de propositie in de brochure, zonder dat daarbij uitgebreide documentatie inzake de geschetste zekerheden was gevoegd, kan als hoogst discutabel worden beschouwd en zou reden moeten zijn geweest tot het stellen van nadere vragen. Dit heeft [eiser sub 1] allemaal niet gedaan. Hij is, louter op basis van vertrouwen, in het project is gestapt.

4.15. Ten aanzien van de mate van eigen schuld van [eiser sub 2] acht de rechtbank het volgende relevant. Uit de stukken blijkt, hetgeen ook door [eiser sub 2] ter zitting is bevestigd, dat hij argwaan had ter zake het voorstel. [eiser sub 2] is zelfs naar Halle gereden om zich te laten informeren over de voorgespiegelde zekerheid. Nadat hij informatie had ingewonnen, is [eiser sub 2] tot de conclusie gekomen dat het rendement te onzeker was en heeft hij kenbaar gemaakt dit niet als zekerheid te accepteren. Vervolgens heeft hij een brief van Renta Plus ontvangen waarin een garantstelling ten aanzien van € 100.000,00 was opgenomen. Ook die heeft [eiser sub 2] niet geaccepteerd. Door [eiser sub 2] is getracht via een bank inlichtingen te verkrijgen over Renta Plus. Op grond van het bankgeheim zijn hem geen inlichtingen verschaft. Door [gedaagde sub 1] is toen verklaard dat hij over garantiestellingen van [D] en [G] beschikte. [eiser sub 2] kende [G] en vertrouwde erop dat hij garant kon staan. Door de tijdsdruk die op het project lag heeft hij zijn investering van € 100.000,00 overgemaakt, omdat [gedaagde sub 1] had - ten onrechte zo bleek uit de bevestiging van [gedaagde sub 1] ter zitting - toegezegd dat er schriftelijke garantiestellingen waren. Nadat hij het geld had overgemaakt bleken die garantiestellingen er niet te zijn. [eiser sub 2] heeft dus ondanks zijn hevige twijfel, desondanks geld overgemaakt voordat hij verifieerbare zekerheden in handen had gekregen.

4.16. De rechtbank is na afweging van de hiervoor weergegeven omstandigheden, van oordeel, dat de schade mede het gevolg is van aan hen toe te rekenen omstandigheden en dat zowel [eiser sub 1] als [eiser sub 2] door desondanks toch in het project te gaan investeren voor 50% aan hun eigen schade hebben bijgedragen.

4.17. De rechtbank is van oordeel dat [eisers c.s.]. geen belang meer hebben bij de derde vordering, zodat deze zal worden afgewezen. Ter zitting heeft [gedaagde sub 1] aangeboden om aan de raadsman van (toen nog) [eiser sub 1] en [eiser sub 2] inzage te geven in de aanwezige documenten met betrekking tot het Renta Plus-project, inclusief bankafschriften. Uit de na de comparitie genomen akte is door [eiser sub 1] gesteld dat [gedaagde sub 1] de enige stukken waarover hij beschikte heeft afgegeven aan de raadsman van [eiser sub 1], die ze vervolgens in het geding heeft gebracht. In de akte is niet door [eiser sub 1] aangegeven dat er meer documenten zouden zijn. [eiser sub 1] heeft, onder verwijzing naar de bij de akte overgelegde stukken, uitsluitend zijn standpunt, dat door [gedaagde sub 1] uiterst onzorgvuldig is gehandeld, nader kracht bijgezet. Op ontbrekende informatie waarop de derde vordering ziet, is niet meer ingegaan, hetgeen het belang aan toewijzing van de derde vordering ontneemt.

4.18. Tegen de gevorderde wettelijke rente en de respectievelijke ingangsdata is geen verweer gevoerd. De rechtbank constateert dat op 9 augustus 2004 door [eiser sub 2], mede namens [eiser sub 1], [gedaagden c.s.] ingebreke is gesteld onder vermelding van een termijn van uiterste betaling, te weten 12 augustus 2004. De rechtbank zal derhalve de rente toewijzen vanaf vier dagen na 9 augustus 2004, zoals gevorderd. De rechtbank constateert voorts dat [eisers c.s.]. onvoldoende hebben gesteld om van de wettelijke handelsrente te kunnen uitgaan. Toegewezen wordt de wettelijke rente.

4.19. [eisers c.s.]. vordert [gedaagden c.s.] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in art. 706 Rv toewijsbaar. Het opgevoerde vast recht voor het beslagrekest zal echter worden afgewezen, omdat dit vast recht al is verrekend met het vast recht dat in deze zaak verschuldigd is. De beslagkosten worden begroot op EUR 968,33 voor verschotten en EUR 894,00 voor salaris advocaat (1 rekest x EUR 894,00). De rechtbank zal [gedaagden c.s.] veroordelen tot betaling van de helft van de beslagkosten aan De Croock en de andere helft aan [eiser sub 2].

4.20. [gedaagden c.s.] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat een aanzienlijk deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen, begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van [eiser sub 1] op basis van het toegewezen bedrag op:

- dagvaarding EUR 42,72

- overige explootkosten 0,00

- vast recht 1.845,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 1.130,00 (2,5 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 3.017,72

4.21. [gedaagden c.s.] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat een aanzienlijk deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen, begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van [eiser sub 2] op basis van het toegewezen bedrag op:

- dagvaarding EUR 42,72

- overige explootkosten 0,00

- vast recht 1.845,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 1.788,00 (2,0 punten × tarief EUR 894,00)

Totaal EUR 3.675,72

Omdat [eiser sub 2] inmiddels met een toevoeging procedeert, zal dit bedrag aan de griffier moeten worden betaald.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt [gedaagden c.s.] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [eiser sub 1] te betalen een bedrag van EUR 20.000,00 (twintig duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf vier dagen na 9 augustus 2004 tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt [gedaagden c.s.] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [eiser sub 1] te betalen de beslagkosten, tot op heden begroot op EUR 931,17,

5.3. veroordeelt [gedaagden c.s.] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van [eiser sub 1] tot op heden begroot op EUR 3.017,72,

5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. wijst ten aanzien van [eiser sub 1] het meer of anders gevorderde af,

5.6. veroordeelt [gedaagden c.s.] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [eiser sub 2] te betalen een bedrag van EUR 50.000,00 (vijftig duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf vier dagen na 9 augustus 2004 tot de dag van volledige betaling,

5.7. veroordeelt [gedaagden c.s.] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [eiser sub 2] te betalen de beslagkosten, tot op heden begroot op EUR 931,17,

5.8. veroordeelt [gedaagden c.s.] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van [eiser sub 2] tot op heden begroot op EUR 3.675,72, te voldoen aan de griffier,

5.9. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.10. wijst ten aanzien van [eiser sub 2] het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Ch.E. Bethlem en in het openbaar uitgesproken op

30 september 2009.

ChB/GB