Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BJ8723

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
08-09-2009
Datum publicatie
28-09-2009
Zaaknummer
SBR 08-3434
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontslag op grond van art. 94, eerste lid, aanhef en onder g, van het Barp.

Kern: ongeschiktheidsontslag wegens ongeschiktheid voor zijn functie anders dan op grond van ziel- of lichaamsgebreken. Disfunctioneren. Uitzondering. Geen aanbod verbetertraject.

Wat betreft het gedrag tegenover arrestanten is de rechtbank genoegzaam duidelijk geworden dat eiser zich herhaaldelijk schuldig heeft gemaakt aan het gebruik van fysiek en verbaal geweld. Gebleken is dat eiser herhaaldelijk arrestanten in het gezicht of tegen het hoofd heeft geslagen. Meerdere collega’s hebben daarover gedetailleerd, eenduidig en geloofwaardig verklaard. Eiser had zich moeten realiseren dat zijn gedrag tegenover arrestanten niet door de beugel kon en dat hij dit achterwegen had moeten laten. Daarbij komt dat eiser in het verleden reeds disciplinair is gestraft vanwege het slaan van een arrestant en het gebruik van veel verbaal geweld. Verweerder hoefde eiser in dit opzicht niet nog een kans te geven om zich te verbeteren. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 08/3434

uitspraak van de meervoudige kamer d.d. 8 september 2009

inzake

[eiser],

wonende te [woonplaats],

e i s e r,

en

de Korpsbeheerder van de politie Utrecht,

v e r w e e r d e r.

Inleiding

1.1 Bij besluit van 4 maart 2008 heeft verweerder eiser primair op grond van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) met onmiddellijke ingang de straf van ontslag opgelegd. Subsidiair heeft verweerder eiser op grond van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder g, van het Barp, ontslag verleend wegens ongeschiktheid voor zijn functie anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.

Bij besluit van 27 oktober 2008 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 4 maart 2008 gegrond verklaard, voor zover het is gericht tegen het ontslag op grond van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Barp. Daarmee is de primaire ontslaggrond komen te vervallen. Verweerder heeft het ontslag op de subsidiaire grond gehandhaafd en eisers bezwaar in zoverre ongegrond verklaard.

1.2 Het beroep, ingesteld tegen het handhaven van het ontslag op de subsidiaire grond, is behandeld ter zitting van 9 juli 2009, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. M.L. van der Geest, werkzaam bij Stichting Achmea Rechtsbijstand te Bilthoven. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.D.W. Smit-van Valkenhoef, werkzaam bij de politieregio Utrecht, en F.W. van der Hoeven, waarnemend hoofd Facilitaire Dienst.

Overwegingen

2.1 Eiser, geboren [1953}, is sinds 1 oktober 1978 in diverse functies werkzaam geweest bij de politie.

Met ingang van 5 november 2000 is eiser werkzaam als hoofdagent bij de Regionale afdeling arrestantenzorg, parketpolitie en transport (Rapt) te Utrecht.

Bij schrijven van 3 september 2007 is eiser door verweerder meegedeeld dat het vermoeden bestond dat hij zich schuldig had gemaakt aan plichtsverzuim als bedoeld in artikel 76 van het Barp en dat op grond daarvan een disciplinair onderzoek zou worden ingesteld door het Bureau Veiligheid en Integriteit (BVI).

Bij besluit van 1 oktober 2007 heeft verweerder eiser met toepassing van artikel 84, tweede lid, van het Barp buiten functie gesteld. Het door BVI ingestelde onderzoek is op 20 november 2007 afgerond. Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten van het BVI is het thans bestreden besluit genomen.

2.2 Blijkens het thans bestreden besluit heeft verweerder zijn conclusie dat eiser ongeschikt is voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken, doen steunen op drie afzonderlijke argumenten. Eiser wordt verweten dat hij:

1. arrestanten veelvuldig fysiek en verbaal grof, bot en denigrerend heeft bejegend en daarbij (disproportioneel) geweld niet heeft geschuwd;

2. geen aansturing en gezag van leidinggevenden accepteert en dat heeft geventileerd op een wijze die als gezagsondermijnend kan worden gekwalificeerd;

3. collega’s, advocaten en andere personen met wie hij bij de uitoefening van zijn werkzaamheden zakelijk in contact komt, onheus heeft bejegend.

Verweerder is van mening dat eiser, nu hij herhaaldelijk op zijn gedrag is aangesproken, geen verdere kans op verbetering behoeft te worden gegund. Doorslaggevend daarbij is geweest, niet alleen de aard, ernst en duur van het door eiser gepleegde plichtsverzuim, maar ook eisers houding en gedrag tijdens en na het disciplinaire onderzoek. Daarbij is in aanmerking genomen dat eiser de werkcultuur die bij het Rapt heerste geenszins verkeerd achtte en hij heeft laten zien niet te beschikken over zelfinzicht of zelfreflexie. Dat eiser al ruim 30 jaar in dienst is, is voor verweerder geen reden geweest om tot een andere conclusie te komen.

Ter zitting is daaraan door de gemachtigde van verweerder nog toegevoegd dat eiser in het verleden (in 2001) reeds disciplinair is gestraft, vanwege fysiek en verbaal geweld ten overstaan van een arrestant.

2.3 In beroep heeft eiser aangevoerd dat ten onrechte wordt gesteld dat hij niet vatbaar is voor aansturing en dat de stelling van verweerder dat de kans op herhaling groot is, niet op feiten is gestoeld. Verder heeft eiser gewezen op de goede personeelsbeoordelingen die over hem zijn uitgebracht en dat hij, waar nodig, openstaat voor een verbetertraject, hetgeen hem ook dient te worden gegund. Eiser heeft daarbij gesteld dat hij mogelijk wel eens te ver is gegaan, maar dat van mishandeling nimmer sprake is geweest.

2.4 Ingevolge artikel 94, eerste lid, aanhef en onder g, van het Barp, kan de ambtenaar worden ontslagen op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.

2.5 Ongeschiktheid als hiervoor bedoeld moet zich uiten in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn en worden aangetoond aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar.

Naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (zie de uitspraken van 6 januari 2005, LJN: AS2575, 17 februari 2005, LJN: AS6582 en van 6 maart 2003, LJN: AK8392, zoals deze zijn gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) zal van eervol ontslag wegens ongeschiktheid voor het vervullen van de functie anders dan wegens ziekte of gebreken, zoals bedoeld in artikel 94, eerste lid, onder g, van het Barp, in het algemeen niet eerder sprake kunnen zijn dan nadat de ambtenaar door het bevoegd gezag op zijn functioneren of gedrag is aangesproken en in de gelegenheid is gesteld dit te verbeteren. Op dit uitgangspunt laat de jurisprudentie uitzonderingen zien in gevallen waarin de ambtenaar dusdanig blijk heeft gegeven niet over de vereiste eigenschappen, mentaliteit of instelling te beschikken dat het bevoegd gezag zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het bieden van een verbeterkans niet zinvol is. Die laatste conclusie mag echter slechts in bijzonder sprekende gevallen worden getrokken.

2.6 Wat betreft de aan eiser verweten functioneringsproblemen, blijkt uit het door het BVI ingestelde onderzoek dat eiser wordt gezien als iemand die inhoudelijk goed werk afleverde, maar zich eigenzinnig opstelde en niet of slecht aanspreekbaar was door zijn leidinggevenden. Voldoende is komen vast te staan dat eiser zijn functie naar eigen inzicht en voorkeur bleef invullen, dat hij zich weinig aan zijn leidinggevenden gelegen liet liggen en dat hij geen dan wel weinig respect voor hen had. Daarnaast is gebleken dat eiser zich ook tegenover andere personen binnen en buiten de organisatie op onbetamelijke wijze heeft gedragen en daarbij veelal normoverschrijdend gedrag vertoonde. Zo is gebleken dat eiser zich in de uitoefening van zijn functie meermalen onheus heeft gedragen tegenover collega’s, advocaten en andere personen

2.6.1 Hetgeen op dit punt aan kritiek naar voren is gekomen, wijst in de richting dat eiser niet beschikt over de eigenschappen, mentaliteit en instelling die nodig zijn voor het op goede wijze uitoefenen van zijn functie als medewerker van de parketpolitie. Voor een ongeschiktheidsontslag op die grond is echter tevens vereist dat eiser door zijn leidinggevenden concreet met de hem verweten tekortkomingen is geconfronteerd, op een zodanige wijze dat hem redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat bij gebreke van verbetering ontslag dreigde en op een zodanig tijdstip dat hij nog een reële kans had om de gewenste verbetering in zijn functioneren tot stand te brengen. Aan deze voorwaarde is niet voldaan.

Derhalve moet worden geoordeeld dat, zolang niet een verbetertraject is doorlopen, de situatie waarin op deze gronden ongeschiktheidsontslag kan worden verleend wegens disfunctioneren als medewerker van de parketpolitie zich niet voordoet. Dit betekent dat de wijze van functievervulling ook niet, naast het aan eiser verweten gedrag tegenover arrestanten, als aanvullende grond voor een ongeschiktheidsontslag kon worden gebruikt. Namens verweerder is ter zitting erkend dat er onderscheid gemaakt kan worden tussen het functioneren van eiser naar zijn leidinggevenden en collega’s enerzijds en zijn gedrag naar arrestanten anderzijds. Indien eiser zich niet schuldig zou hebben gemaakt aan grensoverschrijdend gedrag jegens arrestanten, dan zou hem mogelijk nog een verbeterkans zijn geboden, aldus verweerder.

2.7 Wat betreft het gedrag van eiser tegenover arrestanten is de rechtbank genoegzaam duidelijk geworden dat eiser zich jegens hen in zijn functie als medewerker bij de parketpolitie herhaaldelijk schuldig heeft gemaakt aan het gebruik van fysiek en verbaal geweld. Met uitzondering van het geval dat door eiser zelf is gekwalificeerd als het uitdelen van een corrigerende tik, heeft eiser, ook ter zitting van de rechtbank, volhard in zijn ontkenning fysiek geweld te hebben gebruikt tegenover arrestanten. De stellingen van eiser op dit punt staan echter haaks op de verklaringen afgelegd door verschillende (ex)collega’s van eiser. Hier kan worden verwezen naar - onder meer - de zich in het procesdossier bevindende verklaringen van [A], [B], [C], [D] en [E], die ieder afzonderlijk, gedetailleerd, eenduidig en geloofwaardig omtrent eisers gedrag hebben verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding om te veronderstellen, zoals eiser ter zitting heeft betoogd, dat genoemde verklaringen tendentieus zijn of in strijd met de waarheid zijn afgelegd. De rechtbank kent aan die verklaringen dan ook een grotere betekenis toe, dan aan de lezing van eiser. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich, gelet op deze verklaringen, dan ook terecht op het standpunt gesteld dat is gebleken dat eiser herhaaldelijk arrestanten in het gezicht of tegen het hoofd heeft geslagen.

Verweerder heeft deze handelwijze van eiser terecht bestempeld als onacceptabel gedrag. De rechtbank onderschrijft voorts de opvatting van verweerder dat eiser, gezien zijn positie binnen de organisatie, zich had moeten realiseren dat zijn gedrag tegenover arrestanten niet door de beugel kon en dat hij dit achterwege had moeten laten. Daarbij komt dat eiser in het verleden reeds disciplinair is gestraft vanwege het slaan van een arrestant en het gebruik van veel verbaal geweld. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn betoog dat verweerder hem in dit opzicht nog een kans had moeten geven om zich te verbeteren. Verweerder mocht zich op het standpunt stellen dat eiser zich als gevolg van dit gedrag binnen de organisatie definitief als medewerker van de parketpolitie had gediskwalificeerd.

2.8 Een en ander brengt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder op goede gronden heeft aangenomen dat eiser, blijkens zijn gedrag jegens arrestanten, niet beschikt over de eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het bekleden van zijn functie zijn vereist. Derhalve is sprake van ongeschiktheid voor die functie en was verweerder bevoegd tot het verlenen van het in geding zijnde ontslag.

2.9 In hetgeen eiser heeft aangevoerd is onvoldoende grond gelegen voor het oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot het besluit om van die bevoegdheid gebruik te maken, dan wel dat verweerder daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

2.10 Nu het beroep niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit dient het ongegrond te worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank Utrecht,

recht doende,

3.1 verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven als voorzitter en mr. H.AE. Uniken Venema en mr. J.R. van Es-de Vries als leden en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2009.

De griffier: De voorzitter van de meervoudige kamer:

W.B. Lakeman mr. B.J. van Ettekoven

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.

Let wel:

De uitspraak van de rechtbank is bindend tussen partijen. Die binding heeft ook betekenis bij een eventueel vervolg van deze procedure, bijvoorbeeld indien het beroep gegrond wordt verklaard en verweerder een nieuw besluit moet nemen. Als een partij niet met hoger beroep opkomt tegen een oordeel van de rechtbank waarbij uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een standpunt van die partij is verworpen, staat de bestuursrechter die partij in beginsel niet toe dat standpunt in een latere fase van de procedure opnieuw in te nemen.