Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BJ8119

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
24-08-2009
Datum publicatie
21-09-2009
Zaaknummer
16-500394-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/500394-08 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 24 augustus 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1986] te [geboorteplaats]

wonende te [Woonadres], [Woonplaats]

raadsman mr. J.C. Spigt, advocaat te Rotterdam

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 10 augustus 2009, waarbij de officier van justitie, mr. W.J. Nijkerk, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair: samen met anderen brand heeft gesticht aan een bestelauto waardoor personen en goederen in gevaar werden gebracht;

subsidiair: samen met anderen brand heeft gesticht aan een doek waardoor personen en goederen in gevaar werden gebracht;

meer subsidiair: samen met anderen schuld heeft aan het ontstaan van brand waardoor personen en goederen in gevaar werden gebracht.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste heeft begaan en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en heeft vrijspraak bepleit.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

De vindplaatsvermeldingen die in de navolgende bewijsoverwegingen voorkomen, verwijzen naar het in wettelijke vorm ambtsedig opgemaakte proces-verbaal, genummerd 08-015688 A dossier.

De rechtbank acht de primair ten laste gelegde brandstichting wettig en overtuigend bewezen, gelet op het navolgende.

Op 28 februari 2008 omstreeks 05:27 uur krijgen meerdere surveillance eenheden van de politie Utrecht de melding om te gaan naar de [adres] te Utrecht. Ter plaatse gekomen treffen de betreffende verbalisanten een brandende bestelbus aan. De vlammen uit de bestelbus reiken tot aan de eerste etage van de omringende winkels en woningen. De bestelbus staat vlak langs de gevel van de muziekwinkel “[bedrijf 1]” en de bakkerij “[bedrijf 2]”geparkeerd. Tijdens het blussen van het voertuig zien de verbalisanten dat een manspersoon, welke later bleek te zijn genaamd: [getuige 1], tussen de brandende gevel en het brandende voertuig vandaan springt. [getuige 1] komt met een harde klap op de grond terecht, waarbij wordt waargenomen dat er stoom van zijn kleding afkomt. [getuige 1] wordt in veiligheid gebracht, waarna besloten wordt om de bewoners van de even zijde van de straat te evacueren.

In de binnenstad van Utrecht, waarin de [adres] gelegen is, vindt toezicht plaats door middel van camerabewaking door de politie Utrecht. Op deze camerabeelden is even daarvoor, rond 05:13:45 uur, te zien dat medeverdachte [medeverdachte 1] in de steiger klimt die in de [adres] staat. [medeverdachte 1] klimt vervolgens naar beneden en neemt een grote doek mee van de steiger. [medeverdachte 1] heeft dit bij de politie bevestigd. Om 05:17:20 uur wordt de doek in de brand gestoken. Volgens de verbalisanten die de camerabeelden hebben uitgelezen, wordt dit gedaan door “[verdachte]”. “[verdachte]” wordt door meerdere getuigen herkend als verdachte. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij één van de drie was, maar dat hij zich niet kan herinneren wat hij gedaan heeft. Uit de (afdrukken van) de camerabeelden blijkt dat op het moment dat de doek in brand wordt gestoken, de drie verdachten dicht bij elkaar staan, tegen de gevel van één van de panden, waarbij de doek zich tussen hen in bevindt. Duidelijk is te zien dat de doek in brand staat. Vervolgens is om 05:19:20 uur te zien dat medeverdachte [medeverdachte 2] de brandende doek op de grond neerlegt ter hoogte van het linkervoorwiel van de bestelbus. Op dat moment is duidelijk op de (afdrukken van) de camerabeelden te zien dat de doek zich tegen het voorwiel van de bestelbus aan bevindt en nog steeds hevig brandt. Hierna is te zien dat verdachten weglopen en om 05:26:30 uur is te zien dat de bestelbus in brand staat.

In het onderzoek van de Regionale Technische Recherche staat vermeld dat de bestelbus vooral aan de voorzijde is uitgebrand, waarbij de linkervoorband geheel is verdwenen. De conclusie uit het onderzoek is dat het zeer aannemelijk is dat het vuur aan de voorzijde, nabij de linkerband is ontstaan. Door de brandende doek in de directe nabijheid van het voorwiel van de bestelbus te leggen, zonder zich ervan te vergewissen dat de doek niet meer brandt, hebben verdachten willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het vuur zou overslaan naar de bestelbus. Het is immers een algemene ervaringsregel dat vuur kan overslaan en dat brand niet controleerbaar is.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij de brandstichting ‘tezamen en in vereniging’ heeft gepleegd. Medeplegen veronderstelt bewuste en nauwe samenwerking (zie Hoge Raad 29 oktober 1934, NJ 1934, p. 1673).

Van bewuste samenwerking is sprake als de medeplegers met opzet samenwerken tot het verrichten van de gedraging. Van opzet op de samenwerking kan reeds sprake zijn indien de verdachte aanwezig was bij de uitvoering van het delict en zich daarvan niet heeft gedistantieerd. Niet nodig is dat de medeplegers allen eigenhandig aan de uitvoering van de delictshandeling deelnemen (zie Hoge Raad 25 maart 1975, NJ 1975, 270). Wanneer de samenwerking maar bewust en nauw is geweest kunnen ondersteunende handelingen medeplegen opleveren. Ieder van de verdachten is dan ook aansprakelijk voor het geheel, dus ook voor de uitvoeringshandelingen welke verdachte niet zelf, maar een medeverdachte heeft verricht. Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van medeplegen.

Uit het onderzoek van de regionale technische recherche blijkt dat de bestelbus aan de voorzijde geheel uitgebrand was. Ook het interieur was geheel verwoest. Het vuur van de brand heeft vooral ernstige schade toegebracht aan de voorgevel van muziekwinkel “[bedrijf 1]” aan de [adres]. Ook de gevel van winkel [bedrijf 3] aan de [adres]/19 heeft schade opgelopen. In het dossier bevinden zich foto’s van de brandende bestelbus die door de brandweer wordt geblust, waarop te zien is dat het vuur om zich heen slaat en dat er veel rookvorming is in de smalle straat.

Uit de verklaring van getuige [getuige 1] volgt dat hij de bewuste nacht in de bovenwoning aan de [adres] bis op de derde verdieping sliep. Hij werd wakker van geschreeuw dat er brand was. Hij hoorde de rookmelder op de onderliggende etages afgaan. Op de 2e etage rook hij al brandlucht en vanaf de 1e etage zag hij het licht van de vlammen. [getuige 1] was er enkel de mogelijkheid om de woning te verlaten door de voordeur. Bij het openen van de voordeur voelde hij een vlammenzee, maar hij heeft de woning kunnen verlaten. Ook getuige [getuige 2], lag in de woning te slapen. Er was sprake van rook in zijn woning. Door het openen van de voordeur kwam er een grote hoeveelheid rook naar binnen en heeft hij de woning via het balkon van de buren kunnen verlaten.

De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat er sprake is van gemeen gevaar voor goederen en personen.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

primair

op 28 februari 2008, in een tijdsperiode gelegen tussen 5.00 uur en 05.30 uur, te Utrecht, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk brand heeft gesticht aan een in de [adres] geparkeerd staande bestelauto, immers hebben verdachte en zijn mededaders toen aldaar opzettelijk een doek, van een in de [adres] aanwezige steiger gepakt en

die doek, in brand gestoken, en die doek vervolgens, in brandende toestand achtergelaten in de directe nabijheid van een band van die bestelauto ten gevolge waarvan die bestelauto geheel is verbrand en winkelpanden gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die bestelauto en voor in de nabijheid van die bestelauto gelegen winkelpanden en de boven die winkelpanden gelegen woningen, en levensgevaar, voor in die boven die winkelpanden gelegen woningen slapende personen, te duchten was.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

4.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Primair:

Medeplegen van opzettelijk brandstichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en

Medeplegen van opzettelijk brandstichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is

4.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaar en een werkstraf van 200 uur te vervangen door 100 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging primair vrijspraak bepleit en subsidiair een strafmaatverweer gevoerd.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan brandstichting. Verdachte heeft samen met anderen ’s nachts na het uitgaan en onder invloed van (veel) alcohol een doek, afkomstig van een steiger, in brand gestoken en in de buurt van een bestelauto gelegd. Het betrof hier een grote doek die door schilders werd gebruikt. Een dergelijke doek kan veel oplosmiddelen en verf bevatten en kan daardoor zeer brandbaar zijn.

De bestelauto is hierdoor geheel uitgebrand en er is veel schade aan de omliggende panden ontstaan door de brand in de smalle straat. Ook zijn bewoners van de bovengelegen woningen geëvacueerd omdat het vuur tot aan de eerste verdieping reikte en door de enorme rookontwikkeling. Twee bewoners van de bovenwoningen hebben moeten vluchten voor hun leven. Dat de gevolgen niet veel ernstiger zijn, is niet aan verdachte of zijn medeverdachten te danken, maar aan het ingrijpen van de brandweer.

De verdachte heeft zich om de gevolgen van zijn handelen in het geheel niet bekommerd, niet tijdens, niet direct na en ook niet daags na het gebeuren. Hoewel de verdachte heeft verklaard te hebben gedacht dat de doek smeulde of in elk geval niet meer brandde toen deze werd achtergelaten, kan de rechtbank aan die verklaring geen geloof hechten, nu uit de afdrukken van de camerabeelden evident blijkt dat de doek hevig brandde bij het weglopen van de drie verdachten. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij met zoveel onverschilligheid over de mogelijke gevolgen doodgemoedereerd is weggelopen en -zoals ter terechtzitting verklaard- direct hierna nota bene nog een broodje shoarma heeft gegeten.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d.

15 juni 2009, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten;

- het advies van in het voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland d.d. 6 augustus 2009 om een deels voorwaardelijke straf op te leggen en een onvoorwaardelijke straf in de vorm van een werkstraf.

Alles afwegende, acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf en een werkstraf van na te melden duur op zijn plaats.

De rechtbank wil met de voorwaardelijke gevangenisstraf enerzijds de ernst van de door verdachte gepleegde feiten tot uitdrukking brengen en anderzijds ermee bewerkstelligen dat dit verdachte ervan zal weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

6 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57 en 157 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

7 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

primair:

Medeplegen van opzettelijk brandstichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en

Medeplegen van opzettelijk brandstichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 200 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Veenendaal, voorzitter, mr. R.P. den Otter en

mr. M.H.L. Schoenmakers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.A.B. Kleemans, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 24 augustus 2009.

Mr. Schoenmakers is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.