Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BJ8022

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
18-09-2009
Datum publicatie
18-09-2009
Zaaknummer
16/710975-07 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omkoping politieagent, voorhanden hebben van een revolver en munitie, medeplegen verduistering zwaailicht. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van één jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/710975-07 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 18 september 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1979] te [geboorteplaats],

wonende te [adres], [woonplaats],

raadsman mr. W.C. den Daas, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 4 september 2009, waarbij de officier van justitie, mr. E.C. Lodder, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

De zaak van verdachte is gelijktijdig, doch niet gevoegd, behandeld met de zaken van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Hierna zullen verdachte en zijn medeverdachten worden aangeduid als respectievelijk [verdachte], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2].

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat [verdachte]:

- feit 1:

primair: samen met een ander of anderen in dienstbetrekking een zwaailamp heeft

verduisterd;

subsidiair: samen met een ander of anderen een zwaailamp heeft gestolen door de ruit van een personenauto in te slaan;

meer subsidiair: zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling met betrekking tot een zwaailamp;

meest subsidiair: zich schuldig heeft gemaakt aan schuldheling met betrekking tot een zwaailamp;

- feit 2 en 4: samen met een ander of anderen een ambtenaar van politie heeft omgekocht;

- feit 3: een revolver en munitie voorhanden heeft gehad.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] alle (primair) ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op de verklaringen van [medeverdachte 1], de tapgesprekken, de diverse aangiftes en de bij [verdachte] aangetroffen goederen.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde en wijst daarbij op het feit dat geen sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking tussen [medeverdachte 1] en [verdachte]. Niet is vast te stellen dat [verdachte] rechtstreeks contact heeft gehad met [medeverdachte 1]. Een persoonlijk aandeel van [verdachte] bij het wegnemen van de zwaailamp is niet vast komen te staan.

Met betrekking tot het meer en meest subsidiair ten laste gelegde is door de verdediging aangevoerd dat de zwaailamp bij de doorzoeking niet is aangetroffen in een bij [verdachte] in gebruik zijnde ruimte. Derhalve dient [verdachte] van opzet- en schuldheling vrijgesproken te worden.

Ten aanzien van feit 2 kan de rechtbank volgens de verdediging eveneens niet tot een bewezenverklaring komen, nu onvoldoende is vastgesteld dat de gevangenisstraf niet door [naam B] zelf is uitgezeten. [naam B] is er niet over gehoord. De handtekeningen onder de diverse documenten verschillen weliswaar onderling van elkaar, maar kunnen niet tot het bewijs leiden dat een ander dan [naam B] in de gevangenis heeft gezeten. Immers, niet is zeker dat de vergelijkingshandtekening aan [naam B] toebehoort, zodat een onderling verschil geen zekerheid geeft dat het [naam B] is geweest die de eerdere gevangenisstraf heeft uitgezeten. Met betrekking tot deze omkoping is in het dossier alleen de verklaring van [medeverdachte 1] te vinden. Dit is onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen.

Ten aanzien van feit 4 is de verdediging van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen omdat niet is vast te stellen dat [verdachte] hierbij betrokken is geweest. Bovendien is er geen motief waarom [verdachte] die gegevens nodig zou hebben. Er is geen relatie gevonden tussen [verdachte] en de familie [X]. [medeverdachte 2] had tevens anderen dan [verdachte] als klant. Dit blijkt onder andere uit het tapgesprek tussen [medeverdachte 2] en [Y]. [medeverdachte 1] ging er altijd van uit dat de informatie die hij aan [medeverdachte 2] doorgaf bedoeld was voor [verdachte], hetgeen dus achteraf bezien niet klopte, aldus de verdediging.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

[medeverdachte 1] heeft bij de politie en de rechter-commissaris een aantal verklaringen afgelegd met betrekking tot de ten laste gelegde feiten. Deze verklaringen worden, voor zover van belang, hieronder per feit weergegeven.

[medeverdachte 1] [medeverdachte 1] ten aanzien van feit 1

[medeverdachte 1] heeft bij de politie verklaard dat hij in de nacht van 30 op 31 maart 2007 werkzaam was als politieambtenaar. Die nacht is er ingebroken in een onopvallende politieauto die geparkeerd stond op het terrein van het politiebureau te Vleuten. [medeverdachte 1] had vooraf met [medeverdachte 2] afgesproken dat hij een blauwe zwaailamp zou klaarleggen in die betreffende auto. Hij heeft aan [medeverdachte 2] doorgegeven dat het hek van het parkeerterrein niet was afgesloten. De volgende dag bleek dat er was ingebroken in die auto en dat een blauwe zwaailamp was weggenomen. [medeverdachte 1] heeft voor zijn aandeel in het wegnemen van die zwaailamp € 1.000,- ontvangen van [medeverdachte 2] .

In de telefoongesprekken die hij voerde met [medeverdachte 2] praatte hij in een soort codetaal. Wanneer gesproken werd over een dvd, werd hiermee een zwaailamp bedoeld. Hij heeft over de telefoon tegen [medeverdachte 2] gezegd dat de dvd, waarmee de zwaailamp werd bedoeld, klaar lag. Deze zwaailamp was bedoeld voor [verdachte] .

Verklaringen [medeverdachte 1] ten aanzien van feit 2

[medeverdachte 1] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat [verdachte] aan hem had voorgesteld dat hij een man moest aanhouden die in plaats van een ander diens gevangenisstraf zou moeten uitzitten. [verdachte] kende iemand die nog een gevangenisstraf van 3 maanden open had staan omdat hij niet was teruggekeerd van verlof, maar deze persoon wilde deze straf niet zelf uitzitten. De man die als ‘stand in’ zou fungeren, zou dan een legitimatiebewijs bij zich hebben van degene die nog moest zitten. [medeverdachte 1] moest ervoor zorgen dat deze man werd aangehouden en vastgezet .

Bij de politie heeft [medeverdachte 1] verder verklaard dat hij medio 2006 door [medeverdachte 2] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 2]) werd voorgesteld aan [verdachte]. [verdachte] vertelde aan [medeverdachte 1] dat hij geld zou krijgen als hij iemand zou aanhouden. Later heeft hij - [medeverdachte 1] - nog met [verdachte] gesproken zonder dat er anderen bij waren. Hij heeft verder verklaard dat hij van [medeverdachte 2] informatie had gekregen over de persoon die niet zelf zijn gevangenisstraf wilde uitzitten. Deze persoon was genaamd [naam B]. [medeverdachte 2] heeft [medeverdachte 1] verteld dat de man die - naar de rechtbank begrijpt - zich zou uitgeven voor [naam B] bij een AC restaurant bij De Meern zou staan .

[medeverdachte 2] heeft [medeverdachte 1] verteld dat de man op het parkeerterrein in een Opel Astra zou staan. [medeverdachte 1] heeft de man die zich zou uitgeven voor [naam B] op 28 maart 2005 aangehouden op een parkeerplaats van het AC restaurant in De Meern. Deze man zat in een Opel Astra en liet een ID-kaart op naam van [naam B] zien. [medeverdachte 1] vermoedt dat hij het kenteken van deze auto had opgeschreven .

[medeverdachte 1] heeft voor zijn bijdrage aan deze arrestatie in totaal € 10.000,- ontvangen uit handen van [verdachte]. Het bedrag is in twee gedeelten uitbetaald in het huis van [medeverdachte 2] te [woonplaats]. [medeverdachte 2] kreeg ook een paar duizend euro.

Toen [medeverdachte 1] met de aangehouden persoon op het politiebureau Paardenveld aankwam, twijfelde een collega genaamd [naam collega] of de aangehouden man wel de echte [naam B] was. Hij kende [naam B] uit het verleden omdat hij hem wel eens had aangehouden. [medeverdachte 1] heeft dat afgedaan met de opmerking dat hij het volgens hem wel was en dat dat nog wel gecontroleerd zou worden. Daarbij heeft die collega het gelaten .

Van het geld dat [medeverdachte 1][verdachte] heeft ontvangen heeft hij € 8.000,-, samen met

€ 500,- van zijn eigen geld, op zijn rekening gestort .

Verklaringen [medeverdachte 1] ten aanzien van feit 4

[medeverdachte 1] heeft bij de politie verklaard dat [verdachte] aan hem had gevraagd om een adres van een Marokkaan op te zoeken. [verdachte] had daarbij de naam van de vrouw van die Marokkaan genoemd, te weten [X], met als bijzonderheid dat zij ergens in [woonplaats] woonde. [medeverdachte 2] had aan hem verteld dat deze vrouw, [X], getrouwd was en dat zij twee kinderen had.

[medeverdachte 1] heeft in GBA-online gezocht naar deze vrouw en hij heeft haar adres gevonden. Hij heeft voor het opzoeken van dit adres een bedrag van € 200,- van [medeverdachte 2] gehad .

Bij de rechter-commissaris heeft [medeverdachte 1] verklaard dat € 200,- de vaste prijs was voor het opzoeken van een adres .

[medeverdachte 1] werd door de politie geconfronteerd met een briefje waarop de naam [X] en haar adres stond en welk briefje bij [verdachte] was aangetroffen (beslagcode VIII.G.06.06). [medeverdachte 1] heeft daarover verklaard dat hij het briefje herkende. Hij heeft dit briefje van [medeverdachte 2] gekregen met daarop geschreven de woorden “[X] 40 jaar”. Hij heeft vervolgens zelf de woorden “[adres] [woonplaats]” op het briefje geschreven, nadat hij dit adres had opgezocht. Hij heeft dit briefje teruggegeven aan [medeverdachte 2] .

Betrouwbaarheid verklaringen [medeverdachte 1]

De gedetailleerde verklaringen van [medeverdachte 1] worden ondersteund door de verklaringen van [getuige 2] (hierna [getuige 2]) en [getuige 1] (hierna [getuige 1]).

[getuige 2] heeft verklaard dat [verdachte] informatie kreeg van meerdere agenten. Eén van deze agenten werd ‘[bijnaam]’ genoemd, hetgeen een afkorting is van [medeverdachte 1]. Deze agent gaf [verdachte] tips met betrekking tot inbraken of andere diefstallen. Volgens [getuige 2] kreeg [medeverdachte 1] wel geld voor tips, maar geheel zeker wist hij dat niet .

[getuige 1] heeft verklaard dat [medeverdachte 2] hem heeft verteld dat zij wel eens informatie vroeg aan een politieagent. Deze informatie speelde zij dan door aan [verdachte]. De informatie die [verdachte] kreeg had voornamelijk betrekking op adressen waar wiet te halen was .

De verklaringen van [medeverdachte 1] worden tevens ondersteund door onderstaande feiten en omstandigheden. Deze zullen per feit worden weergegeven.

Ten aanzien van feit 1

Op 7 mei 2007 werd door de politie een woning aan de [adres] te [woonplaats] doorzocht. In deze woning werd een blauwe zwaailamp aangetroffen . Uit de lijst van in beslag genomen goederen blijkt dat een blauwe zwaailamp, voorzien van beslagcode VIII.H.01.05.01, in beslag is genomen .

[verdachte] heeft bij de politie verklaard dat hij bij zijn ouders op de [adres] te [woonplaats] verbleef .

Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat hij werkzaam is als chef monteur bij de firma [bedrijf] Aan hem werd een blauwe zwaailamp (merk Honac, type MOVIA D) getoond, voorzien van de beslagcode: VIII.H.01.05.01. [getuige 3] heeft aan de hand van het serienummer geconstateerd dat de desbetreffende blauwe zwaailamp in de periode van 25 januari tot

31 januari 2007 bij [bedrijf] ingebouwd is in het voertuig: Ford Fiesta, kenteken [kenteken] .

[Z] heeft namens de benadeelde, te weten het politiekorps regio [woonplaats], aangifte gedaan van de diefstal van een zwaailamp. Op 31 maart 2007 parkeerde hij een personenauto van de politie, merk Ford, type Fiesta, voorzien van kenteken [kenteken] op het parkeerterrein van het politiebureau te Vleuten. Het toegangshek van het parkeerterrein was op dat moment dicht getrokken maar niet afgesloten. Later die dag werd geconstateerd dat de ruit van het rechtervoorportier van die auto vernield was en dat de blauwe zwaailamp met de daarbij behorende bekabeling en aansluiting uit de auto was weggenomen .

De verklaring van [medeverdachte 1] dat in zijn telefoongesprekken rond het wegnemen van de zwaailamp in codetaal werd gesproken, wordt ondersteund door diverse tapverslagen van vlak voor en vlak na het wegnemen van de zwaailamp. [medeverdachte 1] heeft onder andere verklaard dat hij en [medeverdachte 2] in plaats van het woord ‘zwaailamp’, het woord ‘dvd’ gebruikten.

Op 30 maart 2007 te 17:56 uur hebben [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] telefonisch contact. [medeverdachte 1] zegt dat de dvd klaarligt. [medeverdachte 2] vraagt aan [medeverdachte 1] of die om half twee klaarligt, hetgeen [medeverdachte 1] bevestigt .

Op 31 maart 2007 te 01:09 uur belt [medeverdachte 1] [medeverdachte 2] op en geeft aan dat de dvd klaarligt .

Om 01:14 uur diezelfde dag heeft [medeverdachte 2] telefonisch contact met [verdachte]. [medeverdachte 2] zegt tegen [verdachte] dat hij de deur open laat en dat hij gezegd heeft dat er nu niemand meer is en dat er geen vuiltje aan de lucht is .

Later die dag om 18:53 uur belt [medeverdachte 1] [medeverdachte 2] op en hij vraagt aan haar of ze het dvd-tje nog gevonden hebben, hetgeen [medeverdachte 2] bevestigt .

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij € 1.000,- heeft ontvangen van [medeverdachte 2] namens [verdachte]. Dit wordt ondersteund door het volgende tapverslag.

Op 31 maart 2007 om 23:02 uur heeft [medeverdachte 2] telefonisch contact met [verdachte]. [verdachte] zegt dat hij hem morgen een duizendje zal brengen. Later spreekt [verdachte] over een 1000-euro-tje. [medeverdachte 2] zegt dat zij dit tegen hem zal zeggen .

In het hiervoor genoemde telefoongesprek tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] wordt gesproken over een man. Deze man zou de volgende dag een duizendje krijgen. Nu [medeverdachte 1] heeft verklaard voor zijn aandeel in het wegnemen van de zwaailamp, € 1.000,- te hebben ontvangen, staat voor de rechtbank dan ook vast dat [medeverdachte 2] en [verdachte] met deze man [medeverdachte 1] bedoelden.

De verklaring van [medeverdachte 1] met betrekking tot het wegnemen van de zwaailamp wordt verder ondersteund door de verklaring bij de politie van [medeverdachte 2]. Zij heeft verklaard dat zij van [medeverdachte 1] een boodschap, te weten dat de dvd zou klaarliggen, moest doorgeven aan een goede vriend van haar .

Ten aanzien van feit 2

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij voor de aanhouding op 28 maart 2005 van de ‘stand in’ van [naam B], een bedrag van € 10.000,- heeft ontvangen. Hij heeft hiervan € 8.000,-, samen met € 500,- van zijn eigen geld, op zijn eigen bankrekening gestort.

Deze verklaring wordt ondersteund door een financieel onderzoek dat is ingesteld naar de bankrekening van [medeverdachte 1]. Hieruit blijkt dat op 6 april 2005 een bedrag van € 8.500,- is gestort op zijn bankrekening .

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat de persoon die hij aangehouden had een ‘stand in’ was voor [naam B]. Deze verklaring van [medeverdachte 1] wordt ondersteund door de volgende feiten en omstandigheden.

[naam collega] heeft verklaard dat hij werkzaam was op het politiebureau Paardenveld toen [medeverdachte 1] de aangehouden man genaamd [naam B] naar binnen bracht. Hij twijfelde of de aangehouden man daadwerkelijk [naam B] was, omdat de echte [naam B] dikker was dan degene die aangehouden was .

Uit de door de liaison van de Nederlandse politie te Marokko verstrekte reisbewegingen van [naam B] blijkt dat [naam B] meerdere malen tussen 26 april 2005 en 28 september 2005 tussen Spanje en Marokko heen en weer heeft gereisd .

Het Nederlands Forensisch Instituut heeft een vergelijkend handtekeningonderzoek verricht . Daarbij zijn de van een persoon genaamd [naam B] bij verschillende instanties bekende handtekeningen vergeleken met de handtekeningen zoals deze tijdens de detentie door de door [medeverdachte 1] aangehouden en in detentie genomen persoon zijn gezet. Geconcludeerd wordt dat er geen steun is voor de stelling dat de laatstgenoemde handtekeningen zijn geproduceerd door degene die de eerstgenoemde handtekeningen heeft gezet.

Bij [medeverdachte 1] werden voorts 8 notitieboekjes met opschrift [naam A] in beslag genomen (beslagcode II.01.03). In één van deze notitieboekjes werden bij de datum 28-03-05 de volgende aantekeningen gevonden: [kenteken] Opel Astra AC de Meern 20.35 aanh. [naam B] 4-12-69 Utr p/a [adres] [woonplaats] .

Uit de tekst van deze aantekeningen volgt dat het hier de aanhouding van de persoon zich noemende [naam B] door [medeverdachte 1] op 28 maart 2005 betreft.

Uit onderzoek naar de auto met het kenteken [kenteken] blijkt dat deze auto toebehoort aan Autolease en werd verhuurd door [getuige 4] De politie heeft [getuige 4] als getuige gehoord en hij heeft verklaard dat de auto op 25 maart 2005 werd verhuurd aan [verdachte], [adres], [woonplaats]. Het voertuig is op 4 april 2005 teruggebracht .

Ter zitting heeft [verdachte] verklaard dat zijn broer op het adres [adres] te [woonplaats] heeft gewoond en dat hij inderdaad die auto heeft gehuurd .

Ten aanzien van feit 4

De verklaring van [medeverdachte 1] dat hij aan [medeverdachte 2], namens [verdachte], een briefje heeft gegeven met daarop geschreven het adres van de familie [X], wordt ondersteund door het feit dat in de woning waar [verdachte] verbleef, een briefje met daarop de naam en adresgegevens van de familie [X] werd aangetroffen (beslagcode VIII.G.06.06) .

De verklaring van [medeverdachte 1] dat hij voor [medeverdachte 2], namens [verdachte], een adres heeft opgezocht van de familie [X] wordt tevens ondersteund door een tapverslag van een telefoongesprek tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 9 maart 2007. [medeverdachte 1] zegt in dit gesprek tegen [medeverdachte 2] dat hij datgene heeft gevonden wat gezocht werd; iets met twee kinderen, een vrouw en een man. Hij weet niet of het juist is, maar hij zal het aan haar laten zien .

Conclusie

Nu de verklaringen van [medeverdachte 1] op essentiële onderdelen worden ondersteund door bovengenoemde andere bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van [medeverdachte 1], ook op die onderdelen die niet direct door andere bewijsmiddelen worden bevestigd, geloofwaardig en voor het bewijs bruikbaar zijn.

Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van feit 1 primair:

Op 31 maart 2007 is uit een auto toebehorende aan de politie Utrecht een zwaailamp weggehaald. [medeverdachte 1] heeft hieraan voorafgaand veelvuldig (telefonisch) contact gehad met [medeverdachte 2] over de ‘dvd’, waarmee de zwaailamp werd bedoeld. [medeverdachte 1] heeft aan [medeverdachte 2] verteld dat het hek open zou blijven en dat de ‘dvd’ klaar zou liggen. [medeverdachte 2] heeft

ongeveer 5 minuten na dit gesprek contact gehad met [verdachte] waarin zij zegt dat hij het hek open zou laten.

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij voor zijn bijdrage € 1.000,- heeft ontvangen. [verdachte] heeft in een met [medeverdachte 2] gevoerd telefoongesprek gezegd dat hij hem € 1.000,- zal brengen. Later is de bewuste zwaailamp in de woning waar [verdachte] verbleef, aangetroffen.

De weggenomen zwaailamp met toebehoren zijn voorwerpen die [medeverdachte 1] uit hoofde van zijn dienstbetrekking ter beschikking stonden.

Voor medeplegen is niet vereist dat (een) verdachte uitvoeringshandelingen pleegt. Het was [verdachte] die een zwaailamp wilde hebben en dit via [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] heeft gevraagd. Uit de tapverslagen blijkt van een nauwe betrokkenheid van [medeverdachte 1] bij het feit, ook rond het tijdstip van het wegnemen van de zwaailamp. Daarnaast blijkt uit de tapverslagen dat [verdachte] betrokken was bij de betaling van € 1.000,- aan [medeverdachte 1]. En tot slot is de weggenomen zwaailamp in het huis waar [verdachte] verbleef, aangetroffen.

Uit de hierboven beschreven feiten en omstandigheden blijkt dat sprake is van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en zijn medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] dat van medeplegen moet worden gesproken. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsman.

Gelet op het voorafgaande en op de feiten en omstandigheden die de rechtbank hierboven onder het kopje “Betrouwbaarheid verklaringen [medeverdachte 1]” met betrekking tot dit feit heeft opgesomd, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking.

Aan de verklaring van [verdachte] dat de blauwe zwaailamp niet op zijn kamer is aangetroffen kent de rechtbank geen betekenis toe.

Ten aanzien van feit 2:

[medeverdachte 1] heeft op verzoek van [verdachte] een man aangehouden bij het AC restaurant in De Meern die als ‘stand in’ zou fungeren voor de persoon genaamd [naam B]. Deze man zou dan de gevangenisstraf voor die [naam B] uitzitten. [medeverdachte 1] zou voor deze aanhouding een flink geldbedrag ontvangen van [verdachte]. [medeverdachte 2] heeft [medeverdachte 1] verteld waar hij deze man zou moeten aanhouden.

Gelet hierop en op de feiten en omstandigheden die de rechtbank hierboven onder het kopje “Betrouwbaarheid verklaringen [medeverdachte 1]” met betrekking tot dit feit heeft opgesomd, is de rechtbank van oordeel dat de kans dat de door [medeverdachte 1] aangehouden persoon daadwerkelijk [naam B] was, zo onwaarschijnlijk is dat de rechtbank met die mogelijkheid geen rekening houdt.

Bij dit oordeel heeft de rechtbank mede betrokken, dat de raadsman aan zijn stelling dat onvoldoende is vastgesteld dat de gevangenisstraf niet door [naam B] is uitgezeten, geen enkel concreet feit of concrete omstandigheid ten grondslag heeft gelegd.

Het verweer van de raadsman dat onvoldoende is vastgesteld dat niet [naam B] zelf zijn straf heeft uitgezeten, wordt derhalve verworpen.

De rechtbank acht dan ook dit feit wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 3:

De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van [verdachte] afgelegd bij de politie ;

- het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagname, adres: [adres] te [woonplaats]: Revolver met munitie gevonden onder bed naast plint (beslagcode VIII.G.08.05) .

Ten aanzien van feit 4:

[medeverdachte 1] heeft voor [verdachte] een adres van de familie [X] opgezocht via GBA-online. [medeverdachte 1] kreeg hiervoor een bedrag van € 200,-. [medeverdachte 1] heeft dit adres op een briefje geschreven en aan [medeverdachte 2] gegeven. Het briefje is gevonden in de woning waar [verdachte] verbleef.

[verdachte] heeft ter zitting geen verklaring gegeven voor het aantreffen van dit briefje in de woning waar hij verbleef.

Gelet hierop en op de feiten en omstandigheden die de rechtbank hierboven onder het kopje “Betrouwbaarheid verklaringen [medeverdachte 1]” met betrekking tot dit feit heeft opgesomd, is er sprake van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte 2] om [medeverdachte 1] door middel van het doen van een belofte van geld te bewegen om de adresgegevens van de familie [X] te verstrekken, dat gesproken kan worden van medeplegen.

De raadsman heeft betoogd dat niet is vast te stellen dat [verdachte] bij dit strafbare feit betrokken is geweest. De rechtbank verwerpt dit verweer op grond van de verklaring van [medeverdachte 1] en het feit dat het briefje met de gegevens van [X] gevonden is in de woning waar [verdachte] verbleef. Dat er geen motief is te vinden voor het feit waarvoor die gegevens nodig waren, doet daar niets aan af.

Het verweer van de raadsman dat [medeverdachte 2], naast [verdachte], ook andere klanten had en daarmee niet vaststaat dat [medeverdachte 1] dit adres voor [verdachte] heeft opgezocht, verwerpt de rechtbank om dezelfde reden.

Aan de verklaring van [verdachte] dat het inbeslaggenomen briefje niet op zijn kamer is aangetroffen kent de rechtbank geen betekenis toe.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] het onder 4 ten laste gelegde feit heeft begaan.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte]

1.

Primair

op 31 maart 2007 te Vleuten, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een zwaailicht (met bijbehorende bekabeling (merk Honac/type Movia D)), toebehorende aan politiekorps regio Utrecht, welk goed zijn mededader anders dan door misdrijf, te weten als opsporingsambtenaar in dienst bij voornoemd regiokorps Utrecht, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2.

op tijdstippen in de periode van 1 maart 2005 tot en met 1 januari 2006 in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander, een ambtenaar genaamd [medeverdachte 1], zijnde een (opsporings)ambtenaar van politie regiokorps [woonplaats], telkens een belofte heeft gedaan met het oogmerk om die van de [medeverdachte 1] te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht iets te doen, door

die [medeverdachte 1], in plaats van [naam B], welke [naam B] de uitvoering van een onherroepelijke strafzaak -waarbij een gevangenisstraf aan die [naam B] was opgelegd- moest ondergaan een derde, te laten aanhouden, welke derde die onherroepelijke zaak voor die [naam B] ging uitzitten;

3.

op 7 mei 2007 te [woonplaats] een wapen van categorie III, te weten een revolver (merk Zastava), en munitie van categorie III, te weten achttien scherpe patronen (kaliber .357 magnum), voorhanden heeft gehad;

4.

op tijdstippen in de periode van 1 februari 2007 tot en met 7 mei 2007 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, een ambtenaar genaamd [medeverdachte 1], zijnde een (opsporings)ambtenaar van politie regiokorps Utrecht een belofte heeft gedaan met het oogmerk om die [medeverdachte 1] te bewegen om in zijn bediening, in strijd met zijn plicht iets te doen door

gegevens van de familie [X], [adres] te [woonplaats], uit het zogeheten gemeentelijke basisadministratiesysteem aan zijn mededader te verstrekken.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. [verdachte] zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. [verdachte] is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid

4.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

- feit 1 primair: medeplegen van verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft;

- feit 2 en feit 4: telkens, medeplegen van: aan een ambtenaar een belofte doen met het oogmerk om hem te bewegen, in strijd met zijn plicht, iets te doen;

- feit 3: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet Wapens en Munitie.

4.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank rekening te houden met het feit dat er geruimte tijd is verstreken tussen de aanhouding van [verdachte] en de inhoudelijke behandeling van de zaak op de terechtzitting van 4 september 2009. Op de vorige zitting d.d. 5 juni 2009 kon de zaak niet inhoudelijk worden behandeld omdat de rechtbank het dossier te laat aangeleverd heeft gekregen. Hierdoor heeft [verdachte] nog eens 3 maanden moeten wachten op een inhoudelijke behandeling. Dit dient de rechtbank mee te nemen in de strafmaat.

De rechtbank dient bij de strafoplegging voorts rekening te houden met de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd.

De verdediging verzoekt derhalve de rechtbank om [verdachte] bij strafoplegging te veroordelen tot een onvoorwaardelijk strafdeel gelijk aan het voorarrest, aangevuld met een voorwaardelijk strafdeel en eventueel een werkstraf.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

De rechtbank rekent het [verdachte] zwaar aan dat hij zich tweemaal schuldig heeft gemaakt aan omkoping van een ambtenaar van politie. Omkoping van een politieambtenaar is een zeer ernstig feit waardoor de rechtsgang kan worden geschaad en het vertrouwen dat in de politie moet kunnen worden gesteld, wordt beschadigd. Omkoping (en alle daarmee gelijk te stellen handelingen) corrumpeert het ambtelijk apparaat en is aldus nadelig voor het functioneren van de rechtsstaat.

Hierom heeft [verdachte] zich kennelijk in het geheel niet bekommerd. Het heeft hem er ook niet van weerhouden om dergelijke strafbare feiten te plegen.

De rechtbank acht het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie tevens een ernstig feit, gelet op de vergaande gevolgen die het ongecontroleerde gebruik hiervan kan hebben.

De rechtbank rekent ten voordele van [verdachte] mee dat het veel te lang heeft geduurd voordat de zaak inhoudelijk heeft gediend. [verdachte] is op 7 mei 2007 door de politie aangehouden en in verzekering gesteld. Het vonnis van de rechtbank is gewezen op 18 september 2009. De redelijke termijn van 2 jaar is hiermee met ruim 4 maanden overschreden. Weliswaar is deze overschrijding van de redelijke termijn niet zeer ernstig te noemen, maar gelet op de aard van de zaak is het wel een overschrijding waarmee de rechtbank in grote mate rekening houdt bij de strafmaat. De rechtbank vindt het vooral kwalijk dat het openbaar ministerie de zaak gedurende een periode van ruim één jaar ‘op de plank’ heeft laten liggen.

De rechtbank zal hierom een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is geëist.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar passend is. De rechtbank ziet gelet op de aard van de bewezenverklaarde feiten, geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie.

6 Het beslag

6.1 De verbeurdverklaring

De rechtbank acht de hierna genoemde in beslag genomen voorwerpen vatbaar voor verbeurdverklaring:

- nr. 44: 1 batterij voor een peilzender;

- nr. 84: 1 laptop;

- nr. 88 en 92: 2 gebruiksaanwijzingen voor een peilzender.

Gebleken is dat de voorwerpen aan verdachte toebehoorden en de strafbare feiten zijn begaan of voorbereid met behulp van deze voorwerpen.

6.2 De onttrekking aan het verkeer

De rechtbank acht het hierna genoemde in beslag genomen voorwerp vatbaar voor onttrekking aan het verkeer:

- nr. 80: 1 brief met de gegevens van familie [X].

Gebleken is dat voornoemd voorwerp van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

6.3 Teruggave

De rechtbank gelast de teruggave van het hierna genoemde in beslag genomen voorwerp aan het Utrechtse politiekorps:

- 1 blauwe zwaailamp.

De rechtbank gelast de teruggave van de hierna genoemde in beslag genomen voorwerpen aan [verdachte]:

- nr. 121: 1 document, vermoedelijk Spaanse taal;

- nr. 122: 1 document, vermoedelijk Franse taal.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 47, 57, 177, 321, 322 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 55 van de Wet Wapens en Munitie zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

- feit 1 primair: medeplegen van verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft;

- feit 2 en feit 4: telkens, medeplegen van: aan een ambtenaar een belofte doen met het oogmerk om hem te bewegen, in strijd met zijn plicht, iets te doen;

- feit 3: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet Wapens en Munitie.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart verbeurd de volgende inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

- nr. 44: 1 batterij voor een peilzender;

- nr. 84: 1 laptop;

- nr. 88 en 92: 2 gebruiksaanwijzingen voor een peilzender;

- verklaart onttrokken aan het verkeer het volgende inbeslaggenomen voorwerp, te weten:

- nr. 80: 1 brief met de gegevens van familie [X];

- gelast de teruggave aan het Utrechtse politiekorps van het volgende inbeslaggenomen voorwerp, te weten:

- nr. 97: 1 blauwe zwaailamp;

- gelast de teruggave aan verdachte van de volgende inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

- nr. 121: 1 document, vermoedelijk Spaanse taal;

- nr. 122: 1 document, vermoedelijk Franse taal.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.F. Bueno, voorzitter, mr. D.A.C. Koster en mr. V. van Dam, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.B. Spaargaren, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 18 september 2009.