Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BJ7990

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
31-08-2009
Datum publicatie
18-09-2009
Zaaknummer
SBR 08-2505
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvragen vrijstelling en korting op de basispremie WAO. 1998 tot en met 2001. Terugvordering

T.a.v. de aanvragen 1998 en 1999: buiten de termijn als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de CSV ingediend en toegekend. Hetgeen onverschuldigd is betaald kanverweerder terugvorderen.

T.a.v. de aanvragen 2000 en 2001: sprake van onverschuldigde betaling. Eiseres had ten tijde van de aanvraag niet de beschikking over eigen gegevens waaruit blijkt dat de betrokken werknemers de gestelde arbeidsgehandicaptenstatus hebben(gehad).

Buitenwettelijk beleid ten aanzien van premiejaar 2000, dus artikel 13, eerste lid, van de CSV kan niet ten grondslag worden gelegd aan het bestreden besluit voor dit premiejaar. Beroep gegrond met in stand laten van de rechtsgevolgen.

T.a.v. 2001: Met verweerder stelt de rechtbank vast dat de aanvragen vlak voor het einde van de termijn waarin premie kan worden vastgesteld, zijn gedaan, namelijk op 13 december 2006. Gevoegd bij de omstandigheid dat eiseres de aanvraag niet heeft onderbouwd en zelf niet over bewijsstukken beschikt dat de betrokken werknemers arbeidsgehandicapt zijn, voert het naar het oordeel van de rechtbank in deze bijzondere omstandigheden te ver om dan de termijn van vijf jaar na het kalenderjaar waarover premie verschuldigd is geworden, bepalend te laten zijn voor de (beantwoording van de) vraag of verweerder het onverschuldigde bedrag over 2001 mag terugvorderen. Daarbij is van belang dat verweerder er achter is gekomen dat op grote schaal tekortkomingen in de uitvoering hebben plaatsgevonden. In de gegeven bijzondere omstandigheden mag verweerder naar het oordeel van de rechtbank datgene wat ten onrechte is betaald, terugvorderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 08/2505

uitspraak van de enkelvoudige kamer d.d. 31 augustus 2009

in de zaak van

Worksphere Beheer B.V.,

gevestigd te Maarssen,

eiseres,

tegen

de Raad van bestuur van het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),

verweerder.

Inleiding

1.1 Bij besluiten van 7 september 2007 heeft verweerder de krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) verleende premievrijstelling en korting over de premiejaren 1998 tot en met 2001 herzien en teruggevorderd.

De tegen deze besluiten gemaakte bezwaren heeft verweerder bij besluit van 16 juli 2008 gegrond verklaard voor zover de bezwaren betrekking hadden op het jaar 1999. Voor het overige heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiseres thans beroep ingesteld.

1.2 Het beroep is gevoegd behandeld met de zaken met procedurenummers SBR 08/2504, 08/2506, 08/2507, 08/2508, 08/2509, 08/2510, 08/2511, 08/2512, 08/2513, 08/2514, 08/2515, 08/2516, 08/2517, 08/2518, 08/2519, 08/2520, 08/2521, 08/2544, 08/2545 en 08/3000 ter zitting van 17 juni 2009, waar eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigden L. van de Heuvel en mr. B. van Bekkum, beiden werkzaam bij Robidus Adviesgroep B.V. Namens verweerder zijn verschenen mr. H. Segers en mr. J.J. Scholtes, beiden werkzaam bij het Uwv. Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst, in die zin dat in iedere zaak afzonderlijk uitspraak wordt gedaan.

Overwegingen

2.1 Op 13 december 2006 heeft eiseres op grond van artikel 77b van de WAO, zoals dat gold tot en met 31 december 2001, aanvragen vrijstelling en korting op de basispremie WAO voor werknemers met een arbeidsgehandicaptenstatus ingediend over de jaren 1998 tot en met 2001. Daarbij zijn als bijlagen gevoegd lijsten met namen en sofi-nummers van werknemers.

Bij besluiten van 22 december 2006 zijn deze premiekortingen aan eiseres toegekend overeenkomstig de aanvraag.

Bij besluiten van 7 september 2007 heeft verweerder eiseres correctienota’s voor de jaren 1998, 1999, 2000 en 2001 gestuurd (ter hoogte van respectievelijk € 5.316,49, € 14.598,56,

€ 12.182,64 en € 6.373,80). Tegen deze besluiten heeft eiseres bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft desgevraagd bij brief van 3 oktober 2007 aan eiseres meegedeeld dat na onderzoek is gebleken dat bij de afhandeling van de aanvragen om korting en vrijstelling basispremie WAO onjuiste procedures zijn toegepast naar aanleiding waarvan een strafrechtelijk onderzoek is gestart en een herbeoordeling van de aanvragen heeft plaatsgevonden.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard in die zin dat het teruggevorderde bedrag over het jaar 1999 is gewijzigd in € 8.424,88. Voor het overige zijn de bezwaren ongegrond verklaard.

2.2 In geschil is de terugvordering van respectievelijk € 5.316,49, € 8.424,88, € 12.182,64 en € 6.373,80 aan verstrekte premiekorting over de jaren 1998, 1999, 2000 en 2001.

2.3 Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) geschiedt de vaststelling van de door de werkgever verschuldigde premie, alsmede de invordering daarvan, door het Uwv.

Ingevolge artikel 77b (oud), vierde lid, van de WAO kent het Uwv een korting toe op de door de werkgever verschuldigde basispremie in een bepaald jaar in het geval voor dat jaar de basispremie over het loon van een arbeidsgehandicapte werknemer ingevolge de leden 1 tot en met 3 van dit artikel niet of deels niet is verschuldigd.

Volgens jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB, onder andere LJN: BA1451) dient een besluit naar aanleiding van een verzoek om toepassing van vrijstelling en korting op de basispremie als bedoeld in artikel 77b (oud) van de WAO te worden aangemerkt als het vaststellen van premie als bedoeld in artikel 11 van de CSV.

Ingevolge artikel 13, eerste lid van de CSV wordt premie niet meer vastgesteld indien meer dan vijf jaren sedert het einde van het kalenderjaar, waarin de premie verschuldigd is geworden, zijn verstreken.

2.4 Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 16 april 1982, NJ 1982,635 heeft de CRvB (zie onder andere AZ4086 en BA1451) overwogen dat de premieschuld van rechtswege ontstaat op het ogenblik dat de werkgever loon betaalt. In samenhang met artikel 13, eerste lid, van de CSV vloeit hieruit voort dat premie voor het jaar 1998 na 1 januari 2004 niet langer wordt vastgesteld. De premie voor de jaren 1999, 2000 en 2001 worden niet langer vastgesteld na respectievelijk 1 januari 2005, 1 januari 2006 en 1 januari 2007.

2.5 Ten aanzien van de premievaststelling op de aanvragen met betrekking tot de jaren 1998 en 1999 stelt de rechtbank vast dat tussen partijen niet in geschil is dat deze aanvragen buiten de termijn als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de CSV zijn ingediend en toegekend. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiseres had kunnen en moeten weten dat de vaststelling van premie en daarmee de toekenning van de premiekorting buiten die termijn wettelijk niet mogelijk was. Immers, deze bepaling is op eiseres als werkgever, die premies op grond van onder meer de WAO af dient te dragen, ook in dat kader van toepassing. Gelet hierop heeft verweerder de korting op de basispremie WAO onverschuldigd aan eiseres betaald. Op grond daarvan is verweerder naar het oordeel van de rechtbank gerechtigd om de geheel onverschuldigde bedragen over 1998 en 1999 terug te vorderen.

2.6 Ten aanzien van de premievaststelling op de aanvragen met betrekking tot de jaren 2000 en 2001 acht de rechtbank het volgende van belang.

2.7 Eiseres heeft op aanwijzing van het moederbedrijf Stork NV aanvragen Premiekorting ingediend. De aanvragen zijn ingevuld/opgesteld door een adviseur die voorheen werkzaam was bij het Uwv. Bij de (herhaalde) aanvragen zijn enkel lijsten met namen van gestelde arbeidsgehandicapte werknemers overgelegd, zonder daarbij bewijsstukken van deze status te overleggen. Eiseres heeft ter zitting verklaard dat deze namenlijsten afkomstig zouden zijn uit het systeem van het Uwv. Zoals eiseres eveneens ter zitting heeft verklaard, wist zij, anders dan de aanvragende (voormalige) gemachtigde van eiseres, zelf niet of de genoemde werknemers daadwerkelijk de arbeidsgehandicaptenstatus bezaten. Zij is afgegaan op het handelen van haar toenmalige gemachtigde. Voorts heeft eiseres meegedeeld dat zij er van uitging dat zij niet bekend hoefde te zijn met de arbeidsgehandicaptenstatus, omdat dat destijds ook niet aan de werkgevers bekendgemaakt werd. Daarbij heeft eiseres eveneens opgemerkt dat zij het niet (als) haar werk/taak beschouwt om de betreffende gegevens aan te leveren. Overigens heeft eiseres verklaard dat de gegevens die betrekking hadden op de WAO-uitkeringen van de werknemers na vijf jaar zijn vernietigd, zodat eiseres daarover ten tijde van de aanvragen geen beschikking meer had en het volgens eiseres nu dus op de weg van verweerder ligt om aan te tonen dat de werknemers de arbeidsgehandicaptenstatus níet bezaten.

2.8 Op grond van de eigen verklaringen van eiseres stelt de rechtbank vast dat eiseres ten tijde van de aanvraag niet de beschikking heeft gehad over eigen gegevens waaruit blijkt dat de betrokken werknemers de gestelde arbeidsgehandicaptenstatus hebben (gehad). Verweerder heeft op basis van de eigen gegevens onderzocht welke door eiseres opgegeven werknemers daadwerkelijk de gestelde arbeidsgehandicaptenstatus bezaten. De rechtbank stelt vast dat voor de werknemers, die deze status volgens verweerder niet bezitten, ook in deze beroepsprocedure niet gesteld of gebleken is dat zij wel als arbeidsgehandicapte aangemerkt dienden te worden. Het standpunt van eiseres dat de volledige bewijslast ter zake van de arbeidsgehandicaptenstatus bij verweerder dient te liggen, wordt door de rechtbank niet gevolgd. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de bedragen van de teruggevorderde korting op de basispremie WAO over de jaren 2000 en 2001 onverschuldigd aan eiseres heeft betaald.

2.9 Verweerder heeft in het bestreden besluit ten aanzien van het jaar 2000 aangegeven ten aanzien van welke werknemers geen arbeidsgehandicaptenstatus is aangenomen en heeft op grond daarvan de ten onrechte verleende premiekorting teruggevorderd. Eerst ter zitting heeft verweerder betoogd dat ook de aanvraag betreffende het jaar 2000 buiten de termijn van artikel 13, eerste lid, van de CSV is gedaan en dat de toekenningsnota eveneens buiten deze termijn is uitgereikt. Aan de toekenning ligt evenwel het zogenoemd buitenwettelijk begunstigend beleid van verweerder ten grondslag. Dit beleid houdt in dat indien een werkgever binnen een termijn van vijf jaar na het uitreiken van een afrekeningnota over enig jaar, de aanvraag voor dat jaar alsnog indient, deze aanvraag in behandeling wordt genomen en, indien de aanvraag aan de voorwaarden voldoet, alsnog kan leiden tot herziening van die afrekeningnota.

2.10 Gelet op dit buitenwettelijke beleid is de rechtbank van oordeel dat artikel 13, eerste lid, van de CSV niet ten grondslag kan worden gelegd aan het bestreden besluit voor wat betreft het premiejaar 2000. Het bestreden besluit berust voor wat betreft dit jaar dan ook op een ondeugdelijke motivering. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit wordt voor wat betreft het premiejaar 2000 vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In hetgeen hierna wordt overwogen ziet de rechtbank evenwel aanleiding de rechtsgevolgen van de vernietiging met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand te laten.

2.11 Eiseres bestrijdt de terugvordering met een beroep op artikel 13, eerste lid, van de CSV. De rechtbank overweegt dat dit artikel over het jaar 2000 niet is toegepast, nu de aanvraag buiten de termijn is gedaan en de korting en vrijstelling op de basispremie eveneens buiten de termijn is verleend. Dit artikel kan dan ook niet door eiseres worden ingeroepen ten aanzien van de (buiten de termijn bekend gemaakte) terugvordering. Net als op de verleende korting en vrijstelling op de basispremie is ook op de terugvordering het buitenwettelijk beleid van toepassing. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, evenals over de jaren 1998 en 1999, gerechtigd is om het onverschuldigd betaalde bedrag over het jaar 2000 van eiseres terug te vorderen.

2.12 Ten aanzien van de premievaststelling op de aanvraag met betrekking tot het jaar 2001 stelt de rechtbank vast dat de aanvraag om premiekorting is gedaan binnen de termijn (vóór 31 december 2006). Ook de toekenning van de korting en vrijstelling op de basispremie heeft binnen de termijn als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de CSV plaatsgevonden. Verweerder is buiten deze termijn overgegaan tot terugvordering.

2.13 Artikel 13, eerste lid, van de CSV betreft de vaststelling van premie die van rechtswege over het betaalde loon in een bepaald kalenderjaar verschuldigd is. De beoordeling van de korting en vrijstelling op de basispremie WAO geschiedt, ten tijde hier van belang, alleen op aanvraag. Anders dan waar artikel 13, eerste lid, van de CSV op ziet, is er geen sprake van premievaststelling vijf jaren na het kalenderjaar waarin premie van rechtswege is verschuldigd, maar is er sprake van premievaststelling op een aanvraag om premiekorting. Verweerder is daarbij afhankelijk van het moment dat eiseres kiest voor het doen van een aanvraag. Met verweerder stelt de rechtbank vast dat de aanvragen vlak voor het einde van de termijn waarin premie kan worden vastgesteld, zijn gedaan, namelijk op 13 december 2006. Gevoegd bij de omstandigheid dat eiseres de aanvraag niet heeft onderbouwd en zelf niet over bewijsstukken beschikt dat de betrokken werknemers arbeidsgehandicapt zijn, voert het naar het oordeel van de rechtbank in deze bijzondere omstandigheden te ver om dan de termijn van vijf jaar na het kalenderjaar waarover premie verschuldigd is geworden, bepalend te laten zijn voor de (beantwoording van de) vraag of verweerder het onverschuldigde bedrag over 2001 mag terugvorderen. Daarbij is van belang dat verweerder er achter is gekomen dat op grote schaal tekortkomingen in de uitvoering hebben plaatsgevonden. In de gegeven bijzondere omstandigheden mag verweerder naar het oordeel van de rechtbank datgene wat ten onrechte is betaald, terugvorderen.

2.14 Gegeven de hiervoor genoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat eiseres geen beroep op het vertrouwensbeginsel toekomt op de enkele grond dat verweerder de (aangevraagde) premiekorting heeft betaald.

2.15 Ten slotte stelt de rechtbank vast dat verweerder binnen één jaar na de besluiten van

22 december 2006 tot herziening en terugvordering van de toegekende premiekortingen is overgegaan. De rechtbank acht dit, gezien ook de hiervoor overwogen omstandigheden, voldoende voortvarend en mede daarom niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel of een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. De omstandigheid dat verweerder in december 2006 heeft nagelaten de aanvragen zorgvuldig te toetsen, betekent niet dat verweerder in deze specifieke situatie van herziening en terugvordering had moeten afzien. Verweerder mocht hiertoe naar het oordeel van de rechtbank dan ook overgaan.

2.16 Gelet op overweging 2.10 en het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 644,- als kosten van verleende rechtsbijstand.

Beslissing

De rechtbank Utrecht,

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 16 juli 2008 voor zover dat betrekking heeft op het jaar 2000;

3.3 bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 16 juli 2008 geheel in stand blijven;

3.4 veroordeelt verweerder in de kosten van eiseres in dit geding ten bedrage van € 644,- te betalen door het Uwv aan eiseres,

3.5 bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 288,- aan haar vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J. Ebbens en in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2009.

De griffier: De rechter:

mr. J.J. van Doorn mr. J. Ebbens

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.