Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BJ7648

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
02-09-2009
Datum publicatie
15-09-2009
Zaaknummer
247333 / HA ZA 08-789
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdelingszaak. Verschillende vraagstukken, w.o. de vraag of rechtsvordering tot vernietiging van de verdeling op grond van art. 3: 200 BW is vervallen, de vraag of toepassing van de in het convenant vastgelegde verdeling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en de vraag of de vrouw een onrechtmatige daad jegens de man heeft gepleegd door bedrog/misbruik van omstandigheden ten tijde van het tekenen van het convenant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 247333 / HA ZA 08-789

Vonnis van 2 september 2009

in de zaak van

[de man],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. C.A.Th. Philipsen,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. J. van Andel.

Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

• het tussenvonnis van 27 augustus 2008;

• het proces-verbaal van comparitie van 26 januari 2009;

• het proces-verbaal van voortzetting van de comparitie van 19 maart 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn op [1994] in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Bij beschikking van 11 augustus 1999 heeft deze rechtbank de echtscheiding uitgesproken. Op 24 december 1999 is die beschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand te Harderwijk.

2.2. Partijen hebben op 7 mei 1999 een echtscheidingsconvenant gesloten en ondertekend (hierna: het convenant). Daarin is onder meer bepaald:

“Zij hebben de gevolgen van de ontbinding van hun huwelijk geregeld voor het geval de echtscheiding tot stand komt;

(…)

Artikel 1

Tot de gemeenschap van goederen behoort de echtelijke woning met grond, erf, schuur en verder aanbehoren, gelegen te ([postcode]) [woonplaats], aan de [adres], kadastraal bekend gemeente [gemeente] sectie [nummer], groot een are 6 centiaren.

De echtelijke woning wordt toegescheiden aan de vrouw.

De kosten verbonden aan de levering en de tenaamstelling van de onroerende zaak worden door partijen bij helfte gedragen.

De hypothecaire geldlening bij de ABN-AMRO bank, onder nummer [nummer],

f 303.000,- groot, welke op beider naam staat, zal tot aan de datum van verkoop van de echtelijke woning ongewijzigd op beider naam blijven staan. De lasten welke op de onroerende zaak voornoemd zullen blijven rusten worden gedragen door beide partijen.

Een eventuele overwaarde welke ontstaat uit de verkoop van deze woning wordt aan de vrouw toegescheiden. De vrouw verplicht zich evenwel om uit de verkoopgelden van de woning eerst de hypothecaire geldlening voornoemd af te lossen.

Verder behoort tot de te verdelen goederengemeenschap een levensverzekeringspolis bij de ABN-AMRO bank met polisnummer [nummer]. Deze levensverzekeringspolis zal aan de vrouw worden toegescheiden.

Tot de te verdelen goederengemeenschap behoort eveneens een spaarhypotheek bij de ABN-AMRO bank onder polisnummer [nummer]. Deze spaarhypotheek zal aan de vrouw worden toegescheiden.

Beide toescheidingen houden mede verband met het feit dat de vrouw steeds de hypothecaire lasten, verbonden aan de woning, heeft voldaan.

Artikel 6

Partijen zullen daar waar nodig iedere medewerking over en weer verlenen om de benodigde goederen in eigendom over te dragen.

Artikel 9

(…)

Partijen verklaren terzake van de verdeling van de goederengemeenschap na uitvoering van bovenstaande niets meer van elkaar te vorderen te hebben en verlenen elkaar over en weer te dier zake finale kwijting.”

2.3. Na de echtscheiding zijn partijen niet feitelijk uiteengegaan maar blijven samenwonen in voornoemde woning in [woonplaats]. Op [nummer] is hun dochter geboren. In juli 2006 hebben partijen hun relatie (definitief) beëindigd. Daarna is de vrouw, samen met de dochter van partijen, in die woning blijven wonen.

2.4. Bij brief van 27 november 2007 heeft de advocaat van de man aan de advocaat van de vrouw bericht artikel 1 van het convenant buitengerechtelijk te vernietigen.

_3. Het geschil

in conventie

3.1. De man vordert, met veroordeling van de vrouw in de kosten van dit geding:

primair

• te verklaren voor recht dat de woning, de spaarhypotheek en de levensverzekering aan de vrouw worden toegedeeld onder de verplichting van de vrouw om de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypothecaire verplichting te ontslaan en onder de verplichting om aan de man de helft van de overwaarde van de woning en de helft van de waarde in het economisch verkeer van de spaarhypotheek en de levensverzekering te voldoen;

subsidiair

- te verklaren voor recht dat artikel 1 van het convenant bij brief d.d. 29 november 2007 buitengerechtelijk is vernietigd, althans artikel 1 bij rechterlijke uitspraak te vernietigen;

meer subsidiair

- te verklaren voor recht dat de man niet aan artikel 1 van het convenant kan worden gehouden nu toepassing van het convenant in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is;

en (in aansluiting op de subsidiaire en meer subsidiaire vorderingen)

- te bepalen dat de woning binnen vier weken na vonnis aan de vrouw wordt geleverd onder gehoudenheid van de vrouw om de hypothecaire geldlening voor haar rekening te nemen en de man te vrijwaren alsmede mee te werken aan ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypotheek alsmede onder gehoudenheid van de vrouw om de helft van de waarde van de woning te vermeerderen met de waarde in het economisch verkeer van de levensverzekering en de spaarhypotheek verminderd met het openstaande saldo van de hypothecaire geldlening aan de man te voldoen op het moment van levering van de woning, althans te bepalen dat partijen binnen vier weken na vonnis over dienen te gaan tot verkoop van de woning en partijen de overwaarde na levering aan een derde bij helfte dienen te verdelen;

uiterst subsidiair

- de vrouw te veroordelen om aan de man, ten titel van schadevergoeding, tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de helft van de op de woning rustende overwaarde, alsmede de helft van de economische waarde van de polis levensverzekering en de spaarhypotheek, een en ander te voldoen rechtstreeks via de notaris op de dag van overdracht van de woning aan de vrouw.

3.2. De vrouw voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.3. De vrouw vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. de man te veroordelen tot nakoming van zijn verplichting uit hoofde van het convenant, althans met betrekking tot zijn gehoudenheid tot het verlenen van zijn medewerking aan het op naam van de vrouw gesteld krijgen van de eigendom van de woning en aldus aan het passeren van de leveringsakte van deze woning en hem te gebieden daartoe te verschijnen bij het notariskantoor De Bruijn & Dijkstra te Nieuwegein op een door dit kantoor te bepalen datum, tijd en plaats, teneinde alsdan en aldaar mee te werken aan het passeren van de betrekkelijke akte zoals bedoeld in het convenant;

2. alles op straffe van het verbeuren van een dwangsom van € 25.000,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat de man ingebreke zal blijven aan het in deze te wijzen vonnis te voldoen;

3. te bepalen dat de vrouw gemachtigd zal zijn om, indien de man op de door notariskantoor De Bruin & Dijkstra te bepalen datum, tijd en plaats en na uitdrukkelijke uitnodiging tot medewerking in der minne aan het passeren van de betrekkelijke akte, niet zal zijn verschenen, of verschenen zijnde zal weigeren aan het passeren van de akte zijn medewerking te verlenen, alsook indien de man weigerachtig blijft zijn medewerking te verlenen gelijk hiervoor gevorderd, het in deze te wijzen vonnis in de plaats te (doen) stellen van de benodigde wilsverklaring van de man, strekkende tot medewerking aan de formele effectuering van de leveringsakte terzake de woning;

4. de man te veroordelen, indien en voor zover zijn conventionele vorderingen toegewezen zouden worden, om aan de vrouw te betalen de helft van de door de vrouw sinds 24 december 1999 gedane hypotheekbetalingen, alsmede de helft van de door de vrouw sinds 24 december 1999 gedane betalingen op c.q. aan de levensverzekering en de spaarhypotheek;

5. de man te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.4. De man voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1. Het geschil in conventie en reconventie betreft in de kern de verdeling van de voormalig echtelijke woning van partijen aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning). De woning maakte, evenals onder meer een levensverzekeringspolis bij de ABN-AMRO bank met polisnummer [nummer] (hierna: de levensverzekering) en een spaarhypotheek bij de ABN-AMRO bank onder polisnummer [nummer] (hierna: de spaarhypotheek), deel uit van de op 24 december 1999 ontbonden huwelijksgemeenschap van partijen. Kort gezegd wenst de man dat genoemde bestanddelen (alsnog) worden verdeeld in die zin dat ze aan de vrouw worden toegescheiden onder de verplichting om aan de man de helft van de (over)waarde daarvan te voldoen. Daarentegen stelt de vrouw dat de verdeling al op juiste wijze, zoals vastgelegd in het convenant, heeft plaatsgevonden. De vrouw vordert medewerking van de man aan de uitvoering daarvan, in het bijzonder aan de levering van de woning aan haar.

in conventie

primaire vordering

4.2. De man baseert zijn primaire vordering op (de uitleg van) het convenant. Volgens de man dient de ontbonden gemeenschap bij helfte te worden verdeeld. De man stelt hiertoe dat de woning op grond van artikel 1 van het convenant aan de vrouw is toegescheiden, terwijl partijen daarbij niet expliciet zijn overeengekomen dat dit zonder nadere verrekening geschiedt. Nu partijen dit niet expliciet zijn overeengekomen, geldt de hoofdregel dat de ontbonden gemeenschap bij helfte dient te worden verdeeld, aldus de man.

4.3. De stelling van de man stuit af op hetgeen overigens in het convenant is bepaald (zie rov. 2.2.). Zoals de vrouw terecht naar voren heeft gebracht, is in artikel 1 van het convenant tevens bepaald dat een eventuele overwaarde welke ontstaat uit de verkoop van deze woning aan de vrouw wordt toegescheiden. Dat partijen geen expliciete afspraak hebben gemaakt over een eventuele overwaarde van de woning, is derhalve onjuist. Bovendien zijn partijen in artikel 9 van het convenant overeengekomen dat zij na uitvoering van het in het convenant bepaalde niets meer van elkaar te vorderen hebben. Het primair gevorderde zal op grond van het vorenstaande worden afgewezen.

subsidiaire vordering

4.4. Aan de subsidiaire vordering legt de man ten grondslag dat artikel 1 van het convenant door bedrog dan wel misbruik van omstandigheden in de zin van artikel 3:44 van het Burgerlijk Wetboek (BW), althans onder invloed van dwaling in de zin van artikel 3:196 BW tot stand is gekomen. Volgens de man is artikel 1 van het convenant daarom bij brief van 27 november 2007 terecht buitengerechtelijk vernietigd, althans dient dit alsnog bij rechterlijke uitspraak vernietigd te worden.

4.5. De rechtbank is van oordeel dat de rechtsvordering tot vernietiging van de in artikel 1 van het convenant vastgelegde verdeling, en daarmee ook de bevoegdheid tot buitengerechtelijke vernietiging, op grond van artikel 3:200 BW was verlopen na

24 december 2002. De subsidiaire vordering komt reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

4.6. In artikel 3:200 BW is bepaald dat een rechtsvordering tot vernietiging van een verdeling vervalt door verloop van drie jaren na de verdeling. Anders dan de man betoogt, is het moment van verdeling niet het moment van levering maar het moment waarop wordt vastgesteld wat aan ieder van de partijen toekomt (Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), blz. 1299). In dit geval hebben partijen in het convenant van 7 mei 1999 vastgesteld wat aan ieder van hen toekomt. Partijen hebben in de considerans van het convenant opgenomen dat zij daarbij de gevolgen van de ontbinding geregeld hebben voor het geval de echtscheiding tot stand komt. Aldus zijn zij een verdeling onder opschortende voorwaarde van ontbinding van de gemeenschap aangegaan (vgl. Hoge Raad 6 oktober 2000, NJ 2001, 147). Nu van een afwijkende bedoeling van partijen niet is gebleken, is de termijn van drie jaren begonnen op 24 december 1999, de dag van ontbinding van de gemeenschap, en eindigde deze op 24 december 2002. De man kon derhalve op 27 november 2007 niet meer de verdeling buitengerechtelijk vernietigen. Ook heeft de man de rechtsvordering tot vernietiging bij rechterlijke uitspraak te laat, want pas bij dagvaarding van 16 april 2008, ingesteld.

4.7. Ter comparitie heeft de man nog naar voren gebracht dat de vervaltermijn hem niet kan worden tegengeworpen. De man heeft daarbij gewezen op de specifieke situatie van partijen, namelijk dat zij pas na zeven jaar na ondertekening van het convenant feitelijk uiteen zijn gegaan en op de strekking van het vervalbeding, het bieden van rechtszekerheid.

De rechtbank volgt de man daarin niet. De rechtbank stelt daarbij voorop dat de vervaltermijn van artikel 3:200 BW niet van toepassing is indien en voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaard zou zijn. Voor de aanvaarding daarvan worden volgens vaste rechtspraak echter zware eisen gesteld. Met inachtneming van die maatstaf is de rechtbank van oordeel dat de door de man aangevoerde omstandigheden zijn vergaande conclusie niet kunnen dragen. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat bij een vernietiging van een verdeling niet alleen de belangen van partijen maar ook die van derden zijn betrokken en dat in dat licht, kennelijk anders dan de man meent, de vervaltermijn van artikel 3:200 BW de rechtszekerheid dient (vgl. Hoge Raad 19 januari 2007, NJ 2007, 62).

meer subsidiaire vordering

4.8. Aan deze vordering legt de man ten grondslag dat toepassing van artikel 1 van het convenant naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De man voert daartoe aan dat partijen na de echtscheiding tot de zomer van 2006 hebben samengewoond en dat de man in die periode volledig heeft bijgedragen aan alle kosten van de huishouding. De man stelt dat de vrouw, net als tijdens het huwelijk, de hypotheekrente betaalde en dat de man vrijwel alle andere lasten, waaronder de premie van de levensverzekering, betaalde.

De man brengt voorts naar voren dat in de zomer van 1999 de badkamer van de woning is verbouwd, waarvoor de man een lening van € 9.075,60 heeft afgesloten, die hij van zijn inkomen heeft afgelost. De vrouw brengt hiertegen onder meer naar voren dat zij de hypotheekrente en de overige vaste lasten van de woning betaalde en dat partijen gezamenlijk de door de man genoemde lening hebben afgelost.

4.9. De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat artikel 1 van het convenant slechts dan niet van toepassing is voor zover dat in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De door de man aangevoerde omstandigheden zijn echter onvoldoende voor dat oordeel. Ook de meer subsidiaire vordering zal dus worden afgewezen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

4.10. Vaststaat dat partijen na de echtscheiding nog tot de zomer van 2006 hebben samengewoond, in welke periode ze een gezamenlijke huishouding voerden. Uit hetgeen partijen hierover hebben toegelicht, begrijpt de rechtbank dat de vrouw de hypotheekrente en de overige vaste lasten van de woning betaalde, terwijl de man de overige kosten van de huishouding voor zijn rekening nam. De man heeft hierover zelf gesteld dat partijen (aldus) ieder hun aandeel in de totale kosten van de huishouding betaalde. Die situatie, die kennelijk niet verschilde van de situatie tijdens het huwelijk van partijen, is niet ongebruikelijk bij (niet gehuwde) samenwoners als wijze om de kosten van de gezamenlijke huishouding te delen. Dat de man in dat kader kosten van de huishouding voor zijn rekening heeft genomen vormt daarom geen bijzondere omstandigheid die de afspraak over de toedeling van de woning aan de vrouw zonder nadere verrekening onaanvaardbaar maakt. De stelling van de man dat hij een bedrag van € 9.075,60 heeft geïnvesteerd in de badkamer van de woning is dat evenmin. Onder omstandigheden zou dit ertoe kunnen leiden dat de man recht heeft op vergoeding door de vrouw van de nominale waarde van die investering, maar een daarop gebaseerde vordering ligt in deze procedure niet ter beoordeling voor.

vordering tot verdeling (in aansluiting op het subsidiair en meer subsidiair gevorderde)

4.11. De man vordert voorts in aansluiting op het subsidiair en het meer subsidiaire gevorderde om - kort gezegd - de verdeling van de woning, de levensverzekering en de spaarhypotheek (opnieuw) vast te stellen. Aan deze vordering legt de man kennelijk dezelfde stellingen ten grondslag als aan die subsidiaire en meer subsidiaire vorderingen. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, zullen die vorderingen worden afgewezen. Het in aansluiting daarop gevorderde komt daarom ook niet voor toewijzing in aanmerking.

_uiterst subsidiaire vordering

4.12. Aan zijn uiterst subsidiaire vordering legt de man ten grondslag dat de vrouw onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. De man stelt hiertoe in de eerste plaats dat

de vrouw hem heeft misleid, althans dat zij misbruik heeft gemaakt van omstandigheden met betrekking tot de inhoud van het convenant. De man heeft deze stellingen in de dagvaarding onder het kopje 'Vordering uit onrechtmatige daad' niet onderbouwd, maar de rechtbank begrijpt dat de man de onderbouwing van zijn subsidiaire vordering mede ten grondslag legt aan zijn uiterst subsidiaire vordering.

4.13. Ter onderbouwing van die subsidiaire vordering heeft de man ten eerste gesteld dat er sprake is van bedrog omdat de vrouw opzettelijk onjuiste mededelingen heeft gedaan. Deze stelling heeft hij echter niet feitelijk toegelicht en onderbouwd. De rechtbank gaat daarom aan die stelling voorbij.

4.14. De man heeft voorts aangevoerd dat er sprake is van bedrog omdat de vrouw opzettelijk feiten heeft verzwegen. De man heeft daartoe naar voren gebracht dat de vrouw hem nooit heeft ingelicht over de precieze inhoud van het convenant. De vrouw heeft daartegen - samengevat - aangevoerd dat partijen het convenant op het kantoor van haar advocaat hebben ondertekend, dat de man daarbij wist wat de inhoud van het convenant was en dat de man aangaf dat hij wilde dat de woning aan de vrouw werd toebedeeld. De enkele door de man gestelde omstandigheid kan, indien al juist, naar het oordeel van de rechtbank niet tot de conclusie leiden dat sprake is van bedrog door de vrouw. Daarvan zou namelijk alleen sprake kunnen zijn indien er een plicht voor de vrouw bestond om de man te informeren. De man heeft hierover niets gesteld en een dergelijke plicht kan hier ook niet zonder meer worden aangenomen. Veeleer lag het in het onderhavige geval, nu de man stelt dat hij niet op de hoogte was van de inhoud van het convenant in verband met zijn analfabetisme, op de weg van de man om zelf navraag te doen over de precieze inhoud van het convenant of rechtskundige bijstand in te roepen voordat hij het convenant ondertekende. De man is daartoe ook in de gelegenheid geweest, nu de advocaat van de vrouw - als door de vrouw onbetwist naar voren gebracht - het convenant op voorhand aan partijen had toegezonden. Reeds hierom komt de uiterst subsidiaire vordering op deze grondslag niet voor toewijzing in aanmerking.

4.15. De man heeft verder gesteld dat de vrouw misbruik heeft gemaakt van de omstandigheid dat hij analfabeet is. Ook op dit punt heeft de man onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren gebracht. Uit de overige feiten en omstandigheden is dit misbruik niet zonder meer af te leiden. Zo is niet aannemelijk geworden dat de man, anders dan hij kennelijk veronderstelt, door de ondertekening van het convenant een groot nadeel heeft geleden. In deze procedure staat daarentegen vast dat, als gesteld door de vrouw en door de man niet voldoende gemotiveerd, er ten tijde van het sluiten van het convenant slechts sprake was van een minieme overwaarde van de woning (zijnde ongeveer EUR 2.504,60, namelijk ongeveer EUR 140.000,00 minus EUR 137.495,40). Bovendien heeft

de man niet (gemotiveerd) gesteld dat hij het convenant onder andere omstandigheden niet had ondertekend. Ook op deze grondslag kan de uiterst subsidiaire vordering dus niet worden toegewezen.

4.16. De man legt ten slotte aan zijn stelling dat de vrouw jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld ten grondslag dat de vrouw, zonder de man van de inhoud van het convenant op de hoogte te stellen, hem jarenlang in de woning heeft laten wonen, aan de woning heeft laten bijdragen en op zijn kosten verbouwingen aan de woning heeft laten verrichten. De rechtbank acht deze feiten en omstandigheden, ook in hun onderlinge samenhang bezien, onvoldoende om de vordering uit onrechtmatige daad te kunnen dragen. De rechtbank verwijst in dat verband ook naar hetgeen zij hiervoor in rov. 4.10 ten aanzien van die feiten en omstandigheden heeft overwogen.

Slotsom en kosten

4.17. Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen van de man zullen worden afgewezen.

4.18. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

in reconventie

4.19. Nu de vorderingen in conventie zullen worden afgewezen, is daarmee de voorwaarde waaronder de in rov. 3.3 onder 4 genoemde vordering is ingesteld, niet vervuld. De rechtbank zal de vordering in reconventie in zoverre dus niet beoordelen. Voor het overige zijn de vorderingen in reconventie onvoorwaardelijk ingesteld. In de kern vordert de vrouw dat de man zijn medewerking zal verlenen aan de levering van de woning aan de vrouw. Daarover overweegt de rechtbank als volgt.

4.20. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat wat de man in conventie heeft aangevoerd, er niet toe kan leiden dat hij geen medewerking (meer) hoeft te verlenen aan het passeren van de akte van levering van de woning, zoals uit het convenant volgt. Overigens zijn geen feiten en/of omstandigheden gesteld door de man die een veroordeling tot medewerking in de weg staan. De rechtbank zal de man daarom tot die medewerking veroordelen. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien de man niet na uitnodiging van de door de vrouw aangewezen notaris (de rechtbank begrijpt: van notariskantoor De Bruijn & Dijkstra te Nieuwegein) zijn medewerking verleent, dit vonnis in de plaats van de benodigde wilsverklaring van de man zal treden. Voor de gevorderde dwangsom is om die reden geen aanleiding (meer), zodat de rechtbank de vordering in zoverre zal afwijzen.

4.21. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

in reconventie

5.3. veroordeelt de man om medewerking te verlenen aan het passeren van de akte van levering van de woning aan de [adres] te [woonplaats] aan de vrouw,

5.4. bepaalt dat indien de man deze medewerking niet na uitnodiging van de door

de vrouw aangewezen notaris verleent, dit vonnis in de plaats zal treden van de benodigde wilsverklaring van de man,

5.5. verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.7. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.H.M. van der Heiden en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2009.

SH