Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BJ7632

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
28-05-2009
Datum publicatie
15-09-2009
Zaaknummer
SBR 08-1641
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Evenals verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiseres had kunnen opkomen tegen de appellabele besluiten van 30 juni 2006 en 1 september 2006. Nu zij dit niet heeft gedaan hebben die besluiten formele rechtskracht gekregen, hetgeen betekent dat zij in rechte onaantastbaar zijn. Hieruit volgt echter niet dat eiseres niet alsnog een appellabel rechtsoordeel bij verweerder kan uitlokken over de gestelde conversie. Daarbij is van belang dat conversie van een tijdelijke aanstelling in een vaste aanstelling onder bepaalde omstandigheden van rechtswege geschiedt. Indien conversie van rechtswege heeft plaatsgevonden, kan verweerders besluitvorming over de tijdelijke aanstelling aan de geldigheid van die conversie niet toe- of afdoen. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 10 april 2008 (gepubliceerd in AB 2008,199; LJN: BC9906). Eiseres heeft er bovendien belang bij dat de (ambtenaren)rechter zich kan uitlaten over de (gevolgen van de) gestelde conversie.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het door verweerder gegeven oordeel over de conversie in de brief van 30 november 2007 moet worden aangemerkt als voor bezwaar en beroep vatbaar besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 08/1641

uitspraak van de enkelvoudige kamer d.d. 28 mei 2009

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

tegen

het college van bestuur van de Technische Universiteit Delft (TU Delft) te Delft,

verweerder.

Inleiding

1.1 Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 6 juni 2008 (het bestreden besluit), waarbij verweerder het bezwaar van eiseres tegen het schrijven/de brief van 30 november 2007 niet-ontvankelijk heeft verklaard

1.2 Het beroep is behandeld ter zitting van 16 januari 2009, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. T. Rhijnsburger, advocaat te Rotterdam.

Namens verweerder is verschenen mr. C.E. Welter, werkzaam als interim jurist arbeidsrecht bij de TU Delft.

Overwegingen

2.1 Eiseres is vanaf 15 augustus 2002 werkzaam geweest als baliemedewerkster bij de TU Delft. Laatstelijk was zij op grond van een tijdelijke aanstelling tot 1 juli 2006 werkzaam als managementassistente van de directie Sport en Cultuur en coördinator front-office.

Op 22 mei 2006 is eiseres wegens ziekte uitgevallen voor haar werkzaamheden, in verband waarmee zij tot en met 1 augustus 2007 (80% van) haar salaris doorbetaald heeft gekregen op basis van de ZANU-regeling.

2.2 Bij besluit van 30 juni 2006 heeft verweerder de tijdelijke aanstelling verlengd tot 1 december 2006. Tegen dit besluit heeft eiseres geen bezwaar gemaakt.

Bij brief van 1 september 2006 heeft verweerder eiseres geattendeerd op het naderende beëindigen van rechtswege van de tijdelijke aanstelling. Tegen het in deze brief vervatte besluit heeft eiseres geen bezwaar gemaakt. Bij brief van 28 november 2006 heeft verweerder de beëindiging van de tijdelijke aanstelling per 1 december 2006 bevestigd. Hiertegen heeft eiseres niets ondernomen.

2.3 Bij brief van 24 augustus 2007 heeft eiseres met een beroep op artikel 2.3, zevende lid, van de CAO Nederlandse Universiteiten gesteld dat de tijdelijke aanstelling(en) moeten worden geacht te zijn omgezet in een vaste aanstelling. Nu deze niet rechtsgeldig is beëindigd, maakt zij aanspraak op loondoorbetaling.

In reactie hierop heeft verweerder eiseres bij schrijven van 30 november 2007 bericht dat de besluiten over de (beëindiging van haar) tijdelijke aanstelling niet zijn aangevochten, zodat het einde van de aanstelling formele rechtskracht heeft gekregen, en er dus geen sprake is van conversie van de tijdelijke aanstelling(en) in een vaste aanstelling. Hiertegen heeft eiseres op 14 december 2007 bezwaar gemaakt.

2.4 Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de brief van 30 november 2007 niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat die brief een nadere uitleg bevat, geen rechtspositionele gevolgen heeft voor eiseres en niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Awb.

2.5 In dit geding ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of verweerders schrijven van 30 november 2007 als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet worden aangemerkt, waartegen op grond van artikel 8:1 in samenhang met artikel 7:1 van de Awb de mogelijkheid van bezwaar en beroep openstaat.

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

2.6 Uit de rechtspraak van de ambtenarenrechter volgt dat niet alleen besluiten gericht op rechtsgevolg als Awb-besluit worden aangemerkt, doch dat tevens mededelingen zonder rechtsgevolg als voor bezwaar en beroep vatbaar besluit worden aangemerkt, dit uit oogpunt van rechtsbescherming. Dit geldt bijvoorbeeld ten aanzien van de brief van 1 september 2006, waarbij verweerder eiseres heeft geattendeerd op het naderende einde van haar tijdelijke aanstelling. Deze mededeling, niet gericht op rechtsgevolg, wordt als appellabel besluit aangemerkt. Dit geldt evenzeer voor de brief waarbij de beëindiging van de tijdelijke aanstelling wordt bevestigd. Ook die brief kent niet een besluit gericht op rechtsgevolg, doch wordt wel als appellabel besluit aangemerkt, uit oogpunt van rechtsbescherming.

Evenals verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiseres had kunnen opkomen tegen de appellabele besluiten van 30 juni 2006 en 1 september 2006. Nu zij dit niet heeft gedaan hebben die besluiten formele rechtskracht gekregen, hetgeen betekent dat zij in rechte onaantastbaar zijn. Hieruit volgt echter niet dat eiseres niet alsnog een appellabel rechtsoordeel bij verweerder kan uitlokken over de gestelde conversie. Daarbij is van belang dat conversie van een tijdelijke aanstelling in een vaste aanstelling onder bepaalde omstandigheden van rechtswege geschiedt. Indien conversie van rechtswege heeft plaatsgevonden, kan verweerders besluitvorming over de tijdelijke aanstelling aan de geldigheid van die conversie niet toe- of afdoen. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 10 april 2008 (gepubliceerd in AB 2008,199; LJN: BC9906). Eiseres heeft er bovendien belang bij dat de (ambtenaren)rechter zich kan uitlaten over de (gevolgen van de) gestelde conversie.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het door verweerder gegeven oordeel over de conversie in de brief van 30 november 2007 moet worden aangemerkt als voor bezwaar en beroep vatbaar besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb.

2.7 Hieruit volgt dat het bezwaar van eiseres ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Het beroep is derhalve gegrond, het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank ziet geen aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien omdat het dossier onvoldoende feitelijke gegevens bevat voor het beantwoorden van de rechtsvraag of sprake is van conversie van rechtswege van een tijdelijke aanstelling in een vaste aanstelling. Dat betekent dat verweerder opnieuw een beslissing op het bezwaar van eiseres zal moeten nemen. De rechtbank wijst er in dit verband op dat het in eerste instantie aan eiseres is, nu zij zich beroept op de rechtsgevolgen daarvan, om de door haar gestelde conversie met nadere gegevens te onderbouwen. Voorts hecht de rechtbank er aan op te merken dat in het geval moet worden geconcludeerd tot conversie van rechtswege daarmee niet is gegeven dat eiseres aanspraak kan maken op (volledige) doorbetaling van haar bezoldiging. Daarbij kan mogelijk van belang zijn het gegeven dat eiseres niet eerder is opgekomen tegen de hiervoor genoemde appellabele besluiten.

2.8 De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. De kosten zijn op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (één punt voor het beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 322,-).

Beslissing

De rechtbank Utrecht,

3.1 verklaart het beroep gegrond,

3.2 vernietigt het bestreden besluit,

3.3 bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen,

3.4 bepaalt dat de Technische Universiteit Delft het door eiseres betaalde griffierecht ad € 145,- aan haar vergoedt,

3.5 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres in dit geding ad € 644,- te betalen door de Technische Universiteit Delft aan eiseres.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2009.

De griffier:

De rechter:

mr. J.J. van Doorn

(de griffier is verhinderd te tekenen)

mr. B.J. van Ettekoven

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.