Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BJ7606

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
14-09-2009
Datum publicatie
15-09-2009
Zaaknummer
16/600550-09 en 16/600415-08 (TUL) [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht verdachte schuldig aan het plegen van een straatroof, samen met zijn medeverdachte en een poging tot diefstal bij een voetbalvereniging. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600550-09 en 16/600415-08 (TUL) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 14 september 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1986] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats]

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Utrecht, locatie Nieuwegein

Raadsvrouwe mr. M.K.J. Dikkerboom, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 31 augustus 2009, waarbij de officier van justitie, mr. A.S. Bijleveld, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Ten aanzien van feit 1:

samen met een vriend een straatroof heeft gepleegd en € 3.950,= heeft buitgemaakt, waarbij het slachtoffer ten val is gekomen en is geslagen.

Ten aanzien van feit 2:

het gebouw van de Gelders Veenendaalse Voetbal Vereniging is binnengegaan en geprobeerd heeft om daar iets van zijn gading weg te nemen, maar daarin niet is geslaagd.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte beide feiten heeft gepleegd. Ten aanzien van feit 1 baseert de officier van justitie zich daarbij op de gedeeltelijk bekennende verklaring van verdachte zoals hij deze ter terechtzitting heeft afgelegd, de verklaring van aangever, de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] en de verklaring van de getuige mevrouw [getuige].

Ten aanzien van feit 2 wijst de officier van justitie op de verklaring van aangever, de verklaring van verdachte dat hij wel ter plaatse was en de bevindingen van de politie omtrent de aanhouding van verdachte.

3.2 Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1:

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet kan komen tot een bewezenverklaring ten aanzien van het medeplegen, maar wel ten aanzien van de medeplichtigheid. De verdediging wijst daarbij op de verschillen in het aandeel van de beide verdachten bij de straatroof. Het plan komt bij de medeverdachte [medeverdachte] vandaan. Hij is ook degene die in geldnood verkeerde. Door verdachte is niet deelgenomen aan de uitvoeringshandeling, hij kwam erbij op het moment dat de handeling al voltooid was. Wel raapte verdachte het geld op en rijdt weg, aldus de raadsvrouwe. Verdachte heeft volgens de raadsvrouwe wel ondersteunende werkzaamheden verricht, zoals het besturen van de auto en het naderhand ophalen van de medeverdachte.

Ook ten aanzien van het toegepaste geweld is er geen sprake van een nauwe en bewuste samenwerking, aldus de raadsvrouwe. Er waren hierover geen afspraken gemaakt en ten tijde van het geweld wachtte verdachte in de auto.

Ten aanzien van feit 2:

Ook hier is de verdediging van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. De verdediging wijst daarbij op het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Zo is er geen technisch onderzoek gedaan naar de zwarte tas met inbrekerswerktuig. De verklaring van verdachte dat hij daar slechts naar het toilet is gegaan en niet daar binnen is gegaan om iets weg te nemen, kan niet worden weerlegd door de inhoud van het proces-verbaal, aldus de raadsvrouwe en zij bepleit dat verdachte vrijgesproken dient te worden.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1:

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met zijn medeverdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit, gelet op:

- de gedeeltelijk bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 31 augustus 2009 dat hij samen met zijn vriend [medeverdachte] aangever van zijn geld heeft beroofd. Hij heeft verklaard dat er een plan was om te kijken bij pinautomaten hoe ze aan geld konden komen. Zij zijn aangever vanaf het postkantoor gevolgd om hem het geld afhandig te maken;

- de aangifte van de heer [slachtoffer] ;

- de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte] ;

- de verklaring van getuige [getuige] .

Dat er, anders dan de raadsvrouwe heeft betoogd, sprake is geweest van medeplegen, volgt uit het feit dat verdachte en zijn medeverdachte samen op pad zijn gegaan met de bedoeling om te kijken of ze iemand van zijn geld konden beroven. Zijn medeverdachte is bij een postkantoor naar binnen gegaan en heeft gezien hoe aangever aan de balie een grote som geld heeft opgenomen. Vervolgens zijn verdachte en zijn medeverdachte met de auto achter aangever aangereden. Verdachte bestuurde de auto. Toen aangever een fietspad inreed heeft verdachte de auto gestopt en zijn beiden uit de auto gestapt. Zijn medeverdachte is achter aangever aangerend en heeft hem met geweld het geld afhandig gemaakt.

Hoewel verdachte en zijn medeverdachte wellicht niet uitdrukkelijk hebben gesproken over het gebruik van geweld, heeft verdachte door zijn handelen welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat er bij de beroving geweld zou worden gebruikt. De kans dat er bij een beroving op klaarlichte dag geweld gebruikt moet worden om het geld afhandig te maken is immers aanmerkelijk. Verdachte heeft zich ook op geen enkele wijze van het geweld gedistantieerd. Integendeel, verdachte heeft het geld van de grond opgeraapt op het moment dat zijn medeverdachte in gevecht was met aangever. Dit overziend maakt dat verdachte hiermee ook verantwoordelijk gehouden kan worden voor de geweldshandelingen, uitgevoerd door de medeverdachte.

Ten aanzien van feit 2:

Verdachte heeft verklaard die bewuste dag wel in het gebouw van de G.V.V.O. te zijn geweest, maar dat hij daar slechts was om een toiletbezoek te brengen. Op het moment dat hij het gebouw betrad waren er nog mensen aanwezig. Toen hij echter het gebouw weer wilde verlaten na 6 minuten, ging het alarm af. Verdachte zegt daarvan zo geschrokken te zijn dat hij is weggerend. Verdachte is na een korte achtervolging aangetroffen in een soort kuil, in elkaar gedoken en bovenop een tas waar inbrekerswerktuig in zat. Verdachte heeft verklaard dat deze tas niet van hem was maar daar toevallig lag. Voorts heeft de raadsvrouwe gepleit dat hij zou moeten worden vrijgesproken, nu zijn verklaring niet kan worden weerlegd door de inhoud van het proces-verbaal.

De rechtbank acht de door verdachte geschetste gang van zaken volstrekt onaannemelijk. Hoewel de door verdachte geschetste gang van zaken in theorie mogelijk is, acht de rechtbank zowel het gedrag van verdachte (wegrennen als het alarm afgaat terwijl verdachte stelt dat hij slechts naar de wc is geweest en per ongeluk was ingesloten) + als de omstandigheden waaronder hij is aangetroffen door de agenten (verstopt in een kuil bovenop een tas met inbrekersgereedschap die daar toevallig zou hebben gelegen) dermate onwaarschijnlijk dat de rechtbank daar geen geloof aan hecht. De rechtbank betrekt daarbij dat verdachte desgevraagd geen beschrijving kon geven van de wc’s in het pand4. De rechtbank hecht dan ook geen geloof aan de verklaring van verdachte en acht dit feit wettig en overtuigend bewezen.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 15 mei 2009 te Bilthoven, op of aan de openbare weg, de

Bosuillaan, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid geld, te weten

3.950 euro, geheel toebehorende aan [slachtoffer], welke diefstal werd vergezeld en gevolgd van geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om aan zichzelf en/of aan een andere deelnemer van voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat zijn mededader

- die [slachtoffer] van achteren bij diens nek heeft vastgepakt en waardoor die

[slachtoffer] van zijn fiets is gevallen en

- terwijl die [slachtoffer] op de grond lag met kracht meermalen in/tegen diens

gezicht heeft gestompt en op/tegen diens hoofd heeft gestompt;

2.

(442865-09)

op 5 maart 2009 te Veenendaal, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen geld en/of (een) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan de Gelders Veenendaalse Voetbal Vereniging (G.V.V.V), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, immers is verdachte het gebouw van voetbalvereniging G.V.V.V. binnengegaan, terwijl hij inbrekerswerktuig bij zich had, zijnde de uitvoering van dat misdrijf niet voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

4.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van feit 1:

Diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, of om, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf de vlucht mogelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

Ten aanzien van feit 2:

Poging tot diefstal.

4.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, onder aftrek van de voorlopige hechtenis, met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich tijdens deze proeftijd dient te gedragen naar de aanwijzingen hem te geven door of namens de Reclassering Nederland, ook als dit inhoudt dat verdachte een behandeling bij Kade 17 dient te volgen, verdachte zal zich moeten houden aan het meldingsgebod en zal worden begeleid bij het wonen.

Ten aanzien van het beslag vordert zij de teruggave aan verdachte, met uitzondering van het geld, daarvan vordert de officier van justitie teruggave aan de rechthebbende, te weten de heer [slachtoffer].

De officier van justitie handhaaft haar vordering tot tenuitvoerlegging van de destijds gedeeltelijk voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 2 maanden.

5.2 Het standpunt van de verdediging

Gezien de bepleite vrijspraak ten aanzien van feit 1 met betrekking tot de medeplichtigheid heeft de verdediging verzocht om voor het overige in sterke mate rekening te houden met de persoon van de verdachte. De raadsvrouwe heeft gesteld dat zij de eis van de officier van justitie niet buitensporig hoog vindt. Zij verzoekt dan ook om de gevangenisstraf gelijk te laten zijn aan de duur van het voorarrest en voor het overige deel de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen.

Ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging heeft de raadsvrouwe verzocht om daarvan de proeftijd met één jaar te verlengen. Indien de rechtbank daarmee niet akkoord zou kunnen gaan, heeft zij verzocht om de straf om te zetten in een taakstraf, nu de reclassering geen contra-indicaties daarvoor ziet.

Ten aanzien van de inbeslaggenomen goederen heeft de raadsvrouwe verzocht deze terug te geven aan verdachte.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Mensen die worden overvallen geven veelal niet zonder slag of stoot hun eigendommen af.

Het is te verwachten dat die mensen hun eigendommen trachten te beschermen en kostte wat kost trachten te voorkomen dat zij beroofd worden. Niet zelden wordt er dan geweld gebruikt door de daders die ook kostte wat kost die eigendommen willen hebben. In het onderhavige geval heeft de medeverdachte aangever bij zijn nek gepakt, waardoor hij van zijn fiets is gevallen en heeft verdachte hem vervolgens meermalen tegen zijn gezicht en hoofd gestompt om aldus met de buit weg te komen. Verdachte heeft weliswaar geen geweldshandelingen gepleegd, maar heeft wel het geld van de grond gepakt en is ermee vandoor gegaan.

Een dergelijke diefstal is voor het slachtoffer een bijzonder traumatische ervaring. Hierbij hebben verdachte en zijn kompaan kennelijk in het geheel niet stilgestaan. Het heeft hen er in ieder geval niet van weerhouden om, ten koste van een ander, op deze manier snel aan geld te komen. Dit wordt verdachte zwaar aangerekend.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot diefstal. Het is buiten de wil van de verdachte gelegen dat de diefstal niet voltooid is geweest. Sportverenigingen vallen met regelmaat ten prooi aan diefstallen en inbraken en hebben om die reden vaak een alarminstallatie. Het afgaan van het alarm is de reden geweest waardoor verdachte zijn handelen heeft moeten staken en heeft doen vluchten. Dergelijke feiten zijn zeer hinderlijk voor de maatschappij en in het bijzonder voor het verenigingsleven.

In het voordeel van verdachte houdt de rechtbank rekening met zijn jeugdige leeftijd en het feit dat verdachte zich thans begeleidbaar opstelt, waar hij dat eerder niet toeliet. Verdachte lijkt de ernst van zijn problemen in te zien, nu hij heeft ingestemd met een intake bij Kade 17 om zich te laten behandelen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie.

Wel ziet de rechtbank aanleiding een deel daarvan, te weten vier maanden voorwaardelijk op te leggen. Deze voorwaardelijke straf maakt een verplichte begeleiding door de Reclassering mogelijk.

6 Het beslag

6.1 De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

6.2 De teruggave aan rechthebbende

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp aan de heer [slachtoffer].

7 De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke straf van twee maanden die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van 22 april 2008 ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

De rechtbank ziet geen aanleiding om in plaats hiervan thans een werkstraf op te leggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14g, 45, 57, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1:

diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, of om, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf de vlucht mogelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

feit 2:

poging tot diefstal

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan vier voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en

aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland, ook als dit

inhoudt:

* dat verdachte zich dient te houden aan een meldingsgebod;

* dat verdachte een Cova+ training moet volgen;

* dat verdachte zijn volledige medewerking verleent aan een intake en indien geïndiceerd

een behandeling ondergaat bij de forensische polikliniek Kade 17;

* dat verdachte meewerkt aan plaatsing in een instelling voor begeleid wonen.

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van inbeslaggenomen voorwerpen, te weten (als volgt genummerd op de lijst:)

1. schoenen, merk Dolce & Gabbana

2. denimbroek, merk My God

3. vest, kleur zwart

4. hemd, kleur wit

5. 2 sokken, kleur blauw

7. mobiele telefoon, merk Samsung;

- gelast de teruggave aan de heer [slachtoffer] van het inbeslaggenomen geldbedrag, te weten (als volgt genummerd op de lijst:)

6. € 400,= (8x € 50,=)

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 22 april 2009 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 16/442865-09 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten twee maanden gevangenisstraf;

Dit vonnis is gewezen door mr. L.M.G. de Weerd, voorzitter, mr. J.E. Kruijff-Bronsing en mr. E.C.A. Bakker, rechters, in tegenwoordigheid van C. Lith-van den Brink, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 14 september 2009.