Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BJ7412

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
15-07-2009
Datum publicatie
10-09-2009
Zaaknummer
616038 UC EXPL 09-2399 JS
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opzegging tijdens de proeftijd. Juridisch kader. Feit dat werknemer zich niet heeft kunnen bewijzen tijdens de proeftijd is onvoldoende om te concluderen tot verwijtbaar gedrag aan de zijde van de werkgever.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2009-0680

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector kanton

Locatie Utrecht

zaaknummer: 616038 UC EXPL 09-2399 JS

vonnis d.d. 15 juli 2009

inzake

[eiser],

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [eiser],

eisende partij,

gemachtigde: mr. T. van Leeuwen-Brinks,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Van Vliet Transport B.V.,

gevestigd te IJsselstein,

verder ook te noemen Van Vliet,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. M.P.A. Bos.

Het verdere verloop van de procedure

De kantonrechter verwijst naar het tussenvonnis van 1 april 2009.

De comparitie is gehouden op 16 juni 2009. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt.

Hierna is uitspraak bepaald.

Het geschil en de beoordeling daarvan

Tussen partijen staat vast dat [eiser] op 29 september 2008 bij Van Vliet in dienst is getreden in de functie van vrachtwagenchauffeur. Bij brief van 29 oktober 2008 heeft Van Vliet de arbeidsovereenkomst, met ingang van 22 oktober 2008, tijdens de proeftijd opgezegd.

[eiser] vordert dat Van Vliet wordt veroordeelt tot betaling van € 12.249,13 bruto, vermeerderd met wettelijke rente en kosten.

Hij legt aan deze vordering ten grondslag dat Van Vliet hem ten onrechte tijdens de proeftijd heeft ontslagen. Wegens ziekte heeft hij slechts beperkt kunnen werken en hij meent dat Van Vliet hem geen eerlijke kans heeft gegeven. Hij heeft zich niet kunnen bewijzen. Door gebruik te maken van het tussen partijen overeengekomen proeftijdbeding heeft Van Vliet zich niet als een goed werkgever gedragen, althans is gebruikmaking van dat beding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

Van Vliet heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

De kantonrechter overweegt het volgende.

Op grond van artikel 7:676 BW is iedere partij bevoegd de arbeidsovereenkomst tijdens de rechtsgeldig overeengekomen proeftijd, zonder inachtneming van een opzegtermijn, op te zeggen. De opzegverboden, genoemd in de artikelen 7:670 en 7:670a BW zijn gedurende de proeftijd niet van toepassing. In beginsel mag de rechter niet treden in de vraag of de opzegging tijdens de proeftijd is gebruikt met een ander doel dan waarvoor die is gegeven, zij het dat een discriminatoir ontslag tot schadeplichtigheid kan leiden (HR 13 januari 1995, NJ 1995, 430 (Codfried)). Onder omstandigheden kan bovendien sprake zijn van handelen in strijd met de beginselen van goed werkgeverschap (HR 10 december 2000, JAR 2000, 249 (Triple P/Tap)). Hierbij is met name van belang hoe de werkgever zich heeft opgesteld tijdens de proeftijd.

Tegen de achtergrond van deze regels wordt het volgende overwogen.

[eiser] heeft gesteld dat hij door zijn (korte periodes van) arbeidsongeschiktheid en de korte tijd dat hij heeft gewerkt zich niet heeft kunnen bewijzen. Een concreet verwijt aan Van Vliet, anders dan dat die van het proeftijdbeding gebruik heeft gemaakt, wordt door [eiser] niet gemaakt. Hoewel een ontslag tijdens de proeftijd voor een werknemer een hard gelag is, heeft de wetgever juist in die periode van de arbeidsovereenkomst partijen de ruimte willen geven om op een relatief eenvoudige wijze van elkaar af te komen. Tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals hierboven is uiteengezet, dient een dergelijke opzegging te worden gerespecteerd. Van dergelijke omstandigheden is in casu niet gebleken. Voor een verdere belangenafweging is geen ruimte.

De vordering wordt afgewezen.

[eiser] wordt in de kosten veroordeeld.

De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Van Vliet, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 600,- aan salaris gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Sap, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2009.