Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BJ7283

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
08-09-2009
Datum publicatie
09-09-2009
Zaaknummer
16-710978-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gewapende overval op een juwelier in Woerden.

Verdachte is veroordeeld wegens diefstal in vereniging met geweld en het medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen. Met hamers de vitrines ingeslagen en personeel bedreigd met een vuurwapen.

Lagere straf dan zijn medeverdachten gelet op het feit dat verdachte bij de politie openheid van zaken heeft gegeven; gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.

Bij de straf geen rekening gehouden met de aanhouding van de verdachten, waarbij 1 verdachte in zijn voet werd geschoten door de politie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/710978-09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 8 september 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1987] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans verblijvende in de penitentiaire inrichting Utrecht, Huis van Bewaring te Nieuwegein,

raadsman mr. R.P. van der Graaf, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 25 augustus 2009, waarbij de officier van justitie, mr. R.A.E. van Noort, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

De zaak van verdachte is gelijktijdig, doch niet gevoegd, behandeld met de zaken van medeverdachten [medeverdachte 3], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Hierna zullen verdachte en zijn medeverdachten worden aangeduid als [verdachte], [medeverdachte 3], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2].

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat [verdachte]:

Feit 1: met anderen een roofoverval op een juwelier heeft gepleegd.

Feit 2: met anderen een vuurwapen voorhanden heeft gehad.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] feit 1 en 2 heeft begaan en baseert zich daarbij op zijn bekennende verklaring, de aangifte van [slachtoffer] en het feit dat de gestolen goederen in de vluchtauto werden aangetroffen.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen voor een diefstal met geweld onder 1 en wijst daarbij op het feit dat [verdachte] zelf geen geweldshandelingen heeft gepleegd. [verdachte] wist niet dat bij de overval een vuurwapen zou worden gebruikt en geweld zou worden gepleegd.

Ten aanzien van feit 2 is de verdediging van mening dat [verdachte] vrijgesproken dient te worden, nu hij zelf geen vuurwapen voorhanden heeft gehad en hij niet wist dat bij de overval een vuurwapen zou worden gebruikt.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en onder 2 ten laste gelegde feiten, heeft gepleegd op grond van de volgende feiten en omstandigheden.

Aangever [slachtoffer] heeft in zijn aangifte verklaard dat hij op 14 april 2009 aan het werk was in zijn juwelierszaak te Woerden. Hij stond samen met zijn collega’s [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] in het kantoorgedeelte van de juwelier. Zijn collega [getuige 1] stond in het winkelgedeelte.

Hij hoorde op een gegeven moment harde klappen komen uit het winkelgedeelte en is direct daarop de winkel in gerend. Voordat hij het wist lag hij op de grond. Terwijl hij op de grond lag, zag hij dat drie personen in de winkel stonden en dat twee daarvan de vitrines insloegen. Eén van de overvallers schreeuwde drie à vier keer dat [getuige 1] de sleutels moest geven. De manier waarop hij dat zei was zodanig dat je kon vrezen voor je leven.

Vlak daarna zijn de overvallers naar buiten gegaan en is [slachtoffer] achter ze aangegaan. Toen [slachtoffer] buiten stond zag hij een scooter wegrijden. Hij zag niemand meer lopen en concludeerde daaruit dat de overvallers op deze scooter waren gestapt. [slachtoffer] is achter deze scooter aangerend. Een bestuurder van een bestelauto kwam naar hem toe en samen zijn ze in zijn bestelauto achter de scooter aangegaan. [slachtoffer] zag even verderop dat de opzittenden van de scooter overstapten in een zilverkleurige bestelauto, te weten een Combo. Zij zijn de zilverkleurige Combo voorbij gereden en even later reed deze bestelauto achter hen. Later haalde de zilverkleurige Combo hun bestelauto weer in en is [slachtoffer] samen met de bestuurder van de bestelauto achter deze zilverkleurige Combo aan gereden .

Op de kruising van de Oostdam / Stationsweg zag [slachtoffer] een motoragent staan. Hij heeft de agent uitgelegd wat er aan de hand was en heeft gezegd dat de zilverkleurige Combo betrokken was bij een overval op een juwelier. De motoragent is achter deze Combo aan gereden. Uiteindelijk zijn de inzittenden van de Combo aangehouden op de Rijksweg A12 .

De bestuurder van de bestelauto, [getuige 5], bevestigt het verhaal van [slachtoffer] met betrekking tot de achtervolging van de scooter en de bestelauto .

Verbalisant [verbalisant 1] heeft verklaard dat hij op 14 april 2009 te Woerden werkzaam was als motoragent. Hij hoorde via de meldkamer dat een overval had plaatsgevonden op een juwelier in Woerden. Na de melding heeft hij postgevat op de kruising Stationsweg / Oostdam / Oudelandseweg. Kort nadat hij daar had postgevat kwam er een klein type vrachtauto naar hem toe gereden. Hij hoorde de bestuurder zeggen: ‘Die grijze auto, dat zijn de overvallers’. Hij zag dat de bestelauto voorzien was van het kenteken [kenteken]. [verbalisant 1] is vervolgens deze grijze auto gaan volgen en heeft via de mobilofoon aan de meldkamer doorgegeven dat hij een kleine grijze bestelauto volgde.

[verbalisant 1] heeft deze bestelauto gevolgd tot aan de snelweg A12. Op de A12 kwam de grijze bestelauto uiteindelijk tot stilstand op de vluchtstrook. [verbalisant 1] zag dat de achterdeuren van de bestelauto opengingen en dat er drie in het donker geklede mannen uit de laadruimte stapten. Deze mannen zijn vervolgens aangehouden .

Verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] hebben verklaard dat op 14 april 2009 op de A12 in de richting van Utrecht, de volgende verdachten zijn aangehouden:

- [verdachte], geboren op [1987] te [geboorteplaats] ;

- [medeverdachte 1], geboren op [1987] te [geboorteplaats] ;

- [medeverdachte 2], geboren op [1986] te [geboorteplaats] , en;

- Een man die zijn identiteit niet bekend wilde maken .

Verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] hebben vastgesteld dat de man die in eerste instantie zijn identiteit niet bekend wilde maken, [medeverdachte 3], geboren op [1987] te [geboorteplaats], is , hetgeen deze verdachte ook later bevestigd heeft bij zijn verhoor bij de politie .

Bij het fouilleren van de aangehouden verdachte [medeverdachte 1] heeft verbalisant [verbalisant 4] een zilverkleurige revolver in de rechterjaszak van [medeverdachte 1] gevonden. In het arrestantencomplex is tevens in de rechterjaszak van [medeverdachte 1] een plastic zak met patronen aangetroffen . Het vuurwapen is een revolver van het merk Smith & Wesson, met 5 patronen in de cilinder . De betreffende revolver is een vuurwapen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, Categorie III van de Wet wapens en munitie en bleek te functioneren .

Verbalisant [verbalisant 5] heeft verklaard dat [medeverdachte 2] optrad als bestuurder van de grijze bestelauto, merk Seat, type Inca, voorzien van het kenteken [kenteken] . Uit een uitdraai van de RDW gegevens blijkt dat de Seat Inca met kenteken [kenteken] op naam van [medeverdachte 2] staat .

Verbalisant [verbalisant 6] heeft verklaard dat in de Seat Inca, kenteken [kenteken], twee mokers (hamers) en de buit, bestaande uit een grote hoeveelheid sieraden, zijn aangetroffen .

Verbalisant [verbalisant 7] heeft de in beslag genomen bestelauto met kenteken [kenteken] onderzocht. In de auto werden twee tassen met daarin een grote hoeveelheid sieraden aangetroffen. Deze sieraden zijn teruggegeven aan de rechtmatige eigenaar .

Uit een deskundigenrapport van het NFI betreffende een vergelijkend glasonderzoek naar aanleiding van de gewapende overval, blijkt dat op de in beslag genomen schoenen van [verdachte] ongeveer 80 glasdeeltjes zijn gevonden.

Deze glasdeeltjes zijn vergeleken met referentieglas. Dit referentieglas is afkomstig van ingeslagen vitrines van de overvallen juwelier . Voor een aantal van de onderzochte glasdeeltjes die op de schoenen van [verdachte] zijn aangetroffen, kan worden geconcludeerd dat de aangetroffen overeenkomsten met het referentieglas veel waarschijnlijker zijn wanneer deze glasdeeltjes afkomstig zijn van de gebroken vitrineruiten, waartoe dit referentieglas heeft behoord dan wanneer ze afkomstig zijn van willekeurige andere ruiten .

Op de schoenen van [medeverdachte 3] zijn honderden glasdeeltjes gevonden. Voor een aantal van de onderzochte glasdeeltjes die op de schoenen van [medeverdachte 3] zijn aangetroffen, kan worden geconcludeerd dat de aangetroffen overeenkomsten met het referentieglas veel waarschijnlijker zijn wanneer deze glasdeeltjes afkomstig zijn van de gebroken vitrineruiten, waartoe dit referentieglas heeft behoord dan wanneer ze afkomstig zijn van willekeurige andere ruiten .

Op de schoenen van [medeverdachte 1] zijn ongeveer 20 glasdeeltjes gevonden. Voor een aantal van de onderzochte glasdeeltjes die op de schoenen van [medeverdachte 1] zijn aangetroffen, kan worden geconcludeerd dat de aangetroffen overeenkomsten met het referentieglas ongeveer even waarschijnlijk zijn wanneer deze glasdeeltjes afkomstig zijn van de gebroken vitrineruiten, waartoe dit referentieglas heeft behoord dan wanneer ze afkomstig zijn van willekeurige anderen ruiten .

[verdachte] heeft bij de politie verklaard dat hij heeft deelgenomen aan de overval op juwelier [slachtoffer] op 14 april 2009 te Woerden. Hij is met vier personen in een auto naar Woerden gegaan. Eén persoon bleef in de auto achter. Hij is bij de juwelier binnengeweest en heeft twee vitrines ingeslagen met een hamer. Uit de vitrines heeft hij horloges gepakt en hij heeft deze in een blauwe Eastpack-tas gedaan, welke hij op zijn borst droeg .

[verdachte] is -nadat hij uit de juwelier was weggegaan- een steegje ingegaan. In dit steegje is hij samen met twee andere personen op een vluchtbrommer gestapt . Met deze brommer is hij naar de geparkeerde auto gereden. Hij heeft de brommer in een steegje neergelegd en is toen de auto in gestapt, waarin hij samen met twee andere personen achter in de laadruimte heeft gezeten. De vierde persoon zat voorin. Hij heeft de rugtas met sieraden in de auto achtergelaten .

Verbalisant [verbalisant 6] heeft verklaard dat hij op 15 april 2009 telefonisch contact heeft gehad met aangever [slachtoffer]. [slachtoffer] vertelde dat er naar schatting voor een bedrag van € 175.000,- aan sieraden was ontvreemd .

Verbalisant [verbalisant 5] heeft op 9 april 2009 de bestelauto van [medeverdachte 2], te weten een Seat Inca met kenteken [kenteken] zien rijden in Woerden. Hij herinnert zich nog dat hij de bestuurder een stopteken had gegeven en het kenteken van de bestelauto had opgevraagd bij de regionale meldkamer. De gecontroleerde bestuurder was dezelfde als de tenaamgestelde, te weten [medeverdachte 2] .

Op 15 april 2009 heeft de politie een doorzoeking gedaan in de woning aan de [adres] te [woonplaats]. Dit adres is het GBA-adres van [medeverdachte 3]. In deze woning is een papiertje met daarop de namen en adressen van juweliers in Nederland aangetroffen. Achter de namen van de juweliers staan de volgende lettercombinaties geschreven: Ome, Omega, Breit, Cartier en Ebel . Op dit papiertje staat onder meer de naam [slachtoffer] te Woerden vermeld .

Op 14 april 2009 was [getuige 1] aan het werk in het winkelgedeelte van de juwelierszaak [slachtoffer] in Woerden . Zij zag drie mannen binnenkomen. Eén van de mannen had een capuchon over zijn hoofd en een grijze sjaal voor zijn gezicht. Er werd direct gezegd dat zij haar mond moest houden en haar handen omhoog moest doen. Zij zag dat [slachtoffer] het winkelgedeelte binnenkwam en op de grond moest liggen. De man met de capuchon gaf [slachtoffer] een trap tegen zijn heup . Deze man vroeg ook aan haar of zij een sleutel had. [getuige 1] heeft een paar keer geschreeuwd dat zij geen sleutel had. Zij zag op dat moment dat deze man een wapen in zijn hand had. Het was een soort klappertjespistool, de kleur was zilver en het leek alsof er een rond draaiend dingetje inzat.

De overige twee overvallers sloegen de vitrines één voor één in en pakten de sieraden en horloges uit de vitrines. Kort hierop gingen de overvallers de winkel uit .

[getuige 2] heeft verklaard dat zij op 14 april 2009 in het kantoorgedeelte van de juwelierszaak [slachtoffer] te Woerden stond. Zij zag op de monitor dat [slachtoffer] op de grond lag. Naast [slachtoffer] stond een persoon met een voorwerp in zijn hand. Zij kon niet zien wat het was, maar het was wel een voorwerp waar je ontzag voor moest hebben. Zij dacht gelijk aan een wapen. Zij zag dat er in de juwelier ook nog twee andere personen waren en dat zij een grote hamer in hun handen hielden. Zij zag dat deze twee personen de vitrines insloegen, waarin de sieraden lagen.

[getuige 4] heeft verklaard dat zij op de monitor zag dat drie personen het winkelgedeelte van de juwelier binnenkwamen. Twee van de drie personen hadden hamers bij zich en begonnen de vitrines stuk te slaan. De derde man die geen vitrines in sloeg, had iets in zijn hand .

Zij hoorde vanuit de winkel een mannenstem roepen: ‘Sleutel, ik moet de sleutel hebben’ .

[getuige 3] heeft verklaard dat zij op de monitor zag dat [slachtoffer] in de winkel op de grond lag. Zij zag dat naast [slachtoffer] een persoon stond die met beide handen een voorwerp vasthield en deze als het ware gericht hield op [slachtoffer]. Zij zag dat deze persoon met zijn been een trappende beweging maakte in de buikstreek van [slachtoffer] .

Bewijsoverwegingen

[medeverdachte 1], [medeverdachte 3], [verdachte] en [medeverdachte 2] zijn alle vier op de A12 aangehouden. Bij deze aanhouding bleek dat [medeverdachte 2] de bestuurder van de bestelauto was. Uit de laadbak van de bestelauto sprongen drie personen die vervolgens werden aangehouden. De drie inzittenden die uit de laadbak sprongen waren de overige drie aangehouden personen, te weten [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [verdachte].

Vanaf het moment [slachtoffer] en [getuige 5] drie personen de bestelauto zien instappen, is deze bestelauto voortdurend in het zicht geweest. [slachtoffer] en [getuige 5] hebben de bestelauto gevolgd totdat zij contact hadden met motoragent [verbalisant 1]. [verbalisant 1] heeft vervolgens de bestelauto gevolgd tot aan de aanhouding op de A12. Zowel [slachtoffer] als [verbalisant 1] hebben niet gezien dat de bestelauto onderweg gestopt is zodat de inzittenden niet van plek hebben kunnen wisselen. De rechtbank leidt hieruit af dat de personen die [slachtoffer] en [getuige 5] de bestelauto zagen instappen, dezelfde personen moeten zijn geweest die op de A12 uit de laadbak sprongen en zijn aangehouden, te weten [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [verdachte].

[slachtoffer] heeft gezien dat deze drie personen overstapten van de brommer in de bestelauto. [verdachte] heeft verklaard dat hij na de overval samen met twee andere personen op de vluchtbrommer is gestapt en daarmee naar de vluchtauto is gereden. De rechtbank is derhalve van oordeel dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] samen met [verdachte] op de vluchtbrommer hebben gezeten.

In de laadbak waaruit [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [verdachte] sprongen, werd later door de politie de buit, te weten twee tassen met sieraden, van de overval op de juwelier gevonden. [verdachte] heeft verklaard dat hij zijn rugtas met sieraden die buit zijn gemaakt bij de overval in de laadbak heeft achtergelaten.

Gelet op het voorgaande staat voor de rechtbank vast dat [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [verdachte] degenen zijn geweest die bij de juwelier binnen zijn geweest.

[slachtoffer] heeft verklaard dat drie personen zijn winkel zijn binnengegaan. Twee personen sloegen de vitrines in en één iemand hield het overzicht, zoals [slachtoffer] omschreef.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn [medeverdachte 3] en [verdachte] degenen geweest die in de juwelier de vitrines hebben ingeslagen met een hamer en sieraden hebben gepakt.

[verdachte] heeft bekend dat hij vitrines met een hamer heeft ingeslagen. Bij [medeverdachte 3] zijn enkele honderden glasdeeltjes in of op zijn schoenen gevonden. Net als bij [verdachte] zijn de bij [medeverdachte 3] gevonden glasdeeltjes veel waarschijnlijker afkomstig van de ingeslagen vitrinekasten, dan van andere willekeurige ruiten.

Bij [medeverdachte 1] werden ‘maar’ 20 glasdeeltjes in of op zijn schoenen gevonden. De kans dat deze glasdeeltjes afkomstig waren van de ingeslagen ruiten is ongeveer even waarschijnlijk als dat ze afkomstig zijn van andere willekeurige ruiten.

De rechtbank leidt hieruit af dat [medeverdachte 3] in de buurt van de vitrines stond toen deze werden ingeslagen en dat [medeverdachte 1] hierbij niet in de buurt stond.

Uit bovengenoemde feiten en omstandigheden blijkt dat [medeverdachte 1], [medeverdachte 3], [verdachte] en [medeverdachte 2] met z’n vieren met de bestelauto van [medeverdachte 2] naar Woerden zijn gereden. [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [verdachte] zijn naar de juwelier gegaan. [medeverdachte 2] is in de auto achtergebleven. [medeverdachte 1] is degene geweest die, zoals [slachtoffer] het omschreef, het overzicht moest bewaren. [medeverdachte 3] en [verdachte] hebben in de juwelier met een hamer de vitrines ingeslagen en de sieraden gepakt. [medeverdachte 2] was degene die in de bestelauto achterbleef.

Ten aanzien van het geweld en de bedreiging

Zoals reeds hierboven door de rechtbank is vastgesteld, gaat de rechtbank ervan uit dat [medeverdachte 1] degene is geweest die, zoals [slachtoffer] het omschreef, het overzicht moest bewaren en dat [medeverdachte 3] en [verdachte] in de juwelier de vitrines hebben ingeslagen met een hamer.

Deze lezing wordt bevestigd door de verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 4] die verklaren dat twee personen de vitrines insloegen en dat één persoon het overzicht bewaarde.

Schoppen dan wel trappen van [slachtoffer]

Getuige [getuige 3] heeft gezien dat de persoon die de leiding had een trappende beweging maakte in de richting van [slachtoffer] en getuige [getuige 1] zag dat deze persoon [slachtoffer] tegen zijn heup trapte terwijl hij op de grond lag. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de verklaringen van deze getuigen te twijfelen. Beide getuigen hebben dit onafhankelijk van elkaar verklaard.

Om tot een bewezenverklaring te komen voor deze geweldshandeling is niet vereist dat [slachtoffer] zelf pijn of letsel heeft ondervonden. Van belang is of de handeling kan worden gekwalificeerd als geweld of bedreiging met geweld. De rechtbank is op basis van voornoemde getuigenverklaringen van oordeel dat [medeverdachte 1] [slachtoffer] heeft getrapt tegen zijn lichaam en daarmee geweld heeft gebruikt tegen [slachtoffer].

Het richten van een vuurwapen op [slachtoffer] of [getuige 1]

De getuigen [getuige 2], [getuige 4] en [getuige 3] verklaren allen dat de persoon die de leiding had een voorwerp in zijn handen had. [getuige 1] verklaart dat zij gezien heeft dat deze persoon een wapen in zijn handen had. Zij omschrijft dit wapen als een soort klappertjespistool, zilver van kleur, waarbij er een rond draaiend dingetje in zat. Deze omschrijving van het vuurwapen komt overeen met de revolver die bij [medeverdachte 1] in zijn jaszak is gevonden.

Nu de rechtbank, zoals reeds hierboven is betoogd, van oordeel is dat [medeverdachte 1] die persoon moet zijn geweest die de leiding had, en bij [medeverdachte 1] bij zijn aanhouding een zilverkleurige revolver is aangetroffen, is de rechtbank van oordeel dat [medeverdachte 1] dit vuurwapen tijdens de overval in zijn handen heeft gehad.

Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat deze persoon het voorwerp richtte op [slachtoffer]. [slachtoffer] heeft dit zelf niet gemerkt en heeft zich dus ook niet bedreigd gevoeld door deze handeling. Om tot een bewezenverklaring te komen van deze geweldshandeling, is niet vereist dat [slachtoffer] zichzelf bedreigd heeft gevoeld. [getuige 1] heeft het vuurwapen wel gezien. Zij stond in dezelfde ruimte als [slachtoffer] en [medeverdachte 1], terwijl [medeverdachte 1] het vuurwapen richtte op die [slachtoffer]. Zij heeft deze handeling als bedreigend ervaren.

[getuige 1] dreigend de woorden toevoegen: ‘de sleutels, de sleutel, geef de sleutel van de etalage’.

[getuige 1] heeft verklaard dat de persoon met het vuurwapen haar om de sleutel vroeg. Deze verklaring wordt bevestigd door de verklaringen van [getuige 4] en [slachtoffer]. Uit de verklaring van [slachtoffer] blijkt dat dit op een dreigende wijze is gezegd. De rechtbank is van oordeel dat [medeverdachte 1] door het uiten van dergelijke woorden, onder bedreiging van een vuurwapen, [getuige 1] onder deze omstandigheden heeft bedreigd met geweld.

Ten aanzien van medeplegen

De rechtbank acht bewezen dat [verdachte] de diefstal met geweld tezamen en in vereniging heeft gepleegd met [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] en overweegt daartoe als volgt.

De overval was goed voorbereid en professioneel uitgevoerd. De verdachten zijn met z’n vieren met de auto van [woonplaats] naar Woerden gereden. [medeverdachte 2] bleef in de auto achter terwijl [medeverdachte 3], [medeverdachte 1] en [verdachte] naar de juwelier gingen.

In de juwelier was er tussen de verdachten een bepaalde rolverdeling, [medeverdachte 3] en [verdachte] sloegen de vitrines met een hamer in en stopten de sieraden in tassen. [medeverdachte 1] hield het overzicht en was voorzien van een revolver. De overval is snel en professioneel uitgevoerd. Aan de overval zijn diverse voorbereidingen voorafgegaan zijn. Zo is er een lijst aangetroffen met daarop vermeld een aantal juwelierszaken in het gehele land alsmede de daar klaarblijkelijk aanwezige producten. Een week voor de overval heeft [medeverdachte 2] polshoogte genomen op de plaats van de te plegen overval. Van tevoren is er een vluchtbrommer geplaatst. De wijze waarop de overval is voorbereid en uitgevoerd, rechtvaardigt geen andere conclusie dan dat sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking tussen [verdachte] en zijn mededaders en een gezamenlijke uitvoering. [verdachte] heeft blijkens zijn eigen verrichte handelingen willens en wetens samengewerkt met zijn mededaders tot het plegen van de overval. Gelet op deze voorbereidingen en professionele uitvoering acht de rechtbank de verklaring van [verdachte] niet geloofwaardig dat hij niet wist dat een vuurwapen zou worden gebruikt.

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank is van oordeel [verdachte] tezamen en in vereniging met anderen een vuurwapen voorhanden heeft gehad en overweegt daartoe als volgt.

Zoals reeds hierboven is geconcludeerd heeft [medeverdachte 1] in de juwelierszaak een vuurwapen voorhanden gehad en hij heeft deze ook getoond. Dit vuurwapen is bij de aanhouding van [medeverdachte 1] aangetroffen in zijn rechterjaszak.

Voor medeplegen is vereist dat sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking en een gezamenlijke uitvoering. De rechtbank is van oordeel dat deze bewuste en nauwe samenwerking tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] aanwezig was met betrekking tot het voorhanden van het vuurwapen, nu de overval goed was voorbereid en professioneel werd uitgevoerd. In de juwelier was tussen de verdachten een bepaalde rolverdeling.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte]:

1.

op 14 april 2009 te Woerden tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid juwelen/sieraden (met een totale waarde van ongeveer 175.000 euro) toebehorende aan [slachtoffer], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer] en [getuige 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en bedreiging met geweld hierin bestonden dat zijn mededader:

- die [slachtoffer] met de voet tegen het lichaam heeft getrapt terwijl die [slachtoffer] op de grond lag en

- een vuurwapen op die [slachtoffer] heeft gericht en

- die [getuige 1] dreigend de woorden heeft toegevoegd: "de sleutels, de sleutel, geef de sleutel van de etalage", of woorden van soortgelijke strekking.

2.

op 14 april 2009 te Woerden, tezamen en in vereniging met anderen, een vuurwapen van categorie III, te weten een revolver voorhanden heeft gehad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. [verdachte] is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid

4.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

- Feit 1: diefstal voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

- Feit 2: medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

4.2 De strafbaarheid van verdachte

[verdachte] is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan [verdachte] op te leggen: een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank rekening te houden met de omstandigheid dat de wijze van aanhouding van de verdachten in strijd was met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit doordat de politie voorafgaande aan de aanhouding tweemaal heeft geschoten op de laadbak van de bestelbus. De politie had de mogelijkheden om de verdachten door middel van een minder ingrijpend middel aan te houden. Gelet op het voorgaande is de verdediging van mening dat [verdachte] strafvermindering dient te krijgen op de voet van artikel 359a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.

De verdediging verzoekt de rechtbank om een forse gedeelte van de straf voorwaardelijk op te leggen, mede gelet op de proceshouding van [verdachte].

5.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank houdt bij de op te leggen straf geen rekening met de wijze van aanhouding van de verdachten.

Art. 8, eerste lid, van de Politiewet 1993 bepaalt dat de ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak bevoegd is in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening geweld te gebruiken, wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik van geweld verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt. Aan het gebruik van geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing vooraf.

Verbalisant [verbalisant 8], agent van politie Utrecht, heeft verklaard dat de vluchtauto op enig moment stopte voor een rood verkeerslicht. Het (zogenoemde) opvallend politievoertuig waarin hij zich bevond, stond linksachter de vluchtauto. [verbalisant 8] activeerde het stoptransparant aan de voorzijde van het politievoertuig. [verbalisant 8] had vervolgens oogcontact met de bestuurder van de vluchtauto. [verbalisant 8] heeft zijn vuurwapen gericht op de bestuurder en met behulp van een megafoon aangegeven dat zij waren aangehouden. Meermalen heeft [verbalisant 8] geroepen dat de bestuurder moest stoppen. [verbalisant 8] is uitgestapt en naar de vluchtauto gelopen, waarop de vluchtauto hard wegreed. Op de oprit van de A12 blokkeerde de vluchtauto de politieauto continu door naar links en rechts te slingeren. Aan het einde van de oprit verhoogde de vluchtauto de snelheid naar ongeveer 100 kilometer per uur. [verbalisant 8] heeft het vuurwapen wederom gericht op de bestuurder en met de megafoon meerdere malen geroepen dat de vluchtauto moest stoppen. De vluchtauto minderde geen snelheid. Vervolgens heeft [verbalisant 8] zijn vuurwapen gericht op de bovenkant linkerachterband gericht, juist om ricochet te voorkomen. [verbalisant 8] heeft tweemaal een schot gelost.

De rechtbank acht onder deze omstandigheden niet aannemelijk geworden dat de verbalisanten onrechtmatig of disproportioneel hebben gehandeld bij de aanhouding van de verdachten of overigens hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Politiewet.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van [verdachte].

De rechtbank heeft, op grond van het onderzoek ter terechtzitting, de overtuiging gekregen dat de betreffende overval gedegen is voorbereid en professioneel is uitgevoerd. Daarbij heeft de rechtbank vooral acht geslagen op de voorbereidingen welke aan de overval voorafgegaan, te weten het tevoren polshoogte nemen op de plaats van de te plegen overval, het tevoren plaatsen van een ‘vluchtvoertuig’ en het aantreffen van een lijst met daarop vermeld een aantal juwelierszaken in het gehele land alsmede de daar klaarblijkelijk aanwezige producten. De rechtbank heeft tevens gelet op de wijze waarop de overval is gepleegd, te weten met een duidelijke rolverdeling voor ieder der verdachten wordt de overval razend snel uitgevoerd, waarbij de regie in handen lijkt van [medeverdachte 1] en waarbij niet geschroomd wordt om naast het op ruwe wijze met een hamer vernielen van de in de winkel bevindende vitrinekasten tevens een vuurwapen te tonen.

Het spreekt voor zich dat een op deze manier uitgevoerde overval voor de slachtoffers een bijzonder traumatische ervaring moet zijn geweest. Hierbij heeft [verdachte] kennelijk in het geheel niet stilgestaan. Het heeft hem er in ieder geval niet van weerhouden om, ten koste van een ander, op deze manier snel aan geld te komen.

De rechtbank zal echter, gelet op straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is geëist. De rechtbank heeft verder ten voordele van [verdachte] rekening gehouden met het feit dat hij bij de politie enige openheid van zaken heeft gegeven. De rechtbank heeft bij de hoogte van de straf eveneens rekening gehouden met het feit dat [verdachte], blijkens zijn strafblad , niet eerder is veroordeeld ter zake van soortgelijke feiten.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie.

6 Het beslag

6.1 Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank verklaart het volgende in beslag genomen voorwerp onttrokken aan het verkeer, te weten:

- nr. 5: één stroomstootwapen (618TYPF), kleur zwart.

Gebleken is dat voornoemd voorwerp aan [verdachte] toebehoorde, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het voorwerp kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven.

6.2 Teruggave

De rechtbank gelast dat de volgende in beslag genomen voorwerpen aan [verdachte] dienen te worden teruggegeven:

- nr. 1: één computer, merk HP;

- nr. 2: één laptop, ACER ASPIRE;

- nr. 3: één spelcomputer, merk Sony Playstation;

- nr. 4: één dvd-schijf;

- nr. 6 en 10: twee diskettes;

- nr. 7: één kopie van het rijbewijs van [verdachte];

- nr. 8 en 9: twee mobiele telefoons, merk Nokia, kleur grijs en zwart;

- nr. 11: één stuk papier met telefoonnummers;

- nr. 12: één simkaart, merk Telfort;

- nr. 13: één usb-stick, voorzien van tekst [url];

- nr. 14: één digitale camera, merk Fujifilm;

- nr. 15-25: diverse kledingstukken.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36b, 36d, 47, 57, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 55 van de Wet Wapens en Munitie zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

- Feit 1: diefstal voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

- Feit 2: medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart de volgende in beslag genomen voorwerpen onttrokken aan het verkeer:

- nr. 5: één stroomstootwapen (618TYPF), kleur zwart.

- gelast de teruggave van de volgende in beslag genomen voorwerpen:

- nr. 1: één computer, merk HP;

- nr. 2: één laptop, ACER ASPIRE;

- nr. 3: één spelcomputer, merk Sony Playstation;

- nr. 4: één dvd-schijf;

- nr. 6 en 10: twee diskettes;

- nr. 7: één kopie van het rijbewijs van [verdachte];

- nr. 8 en 9: twee mobiele telefoons, merk Nokia, kleur grijs en zwart;

- nr. 11: één stuk papier met telefoonnummers;

- nr. 12: één simkaart, merk Telfort;

- nr. 13: één usb-stick, voorzien van tekst [url];

- nr. 14: één digitale camera, merk Fujifilm;

- nr. 15-25: diverse kledingstukken.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Bender, voorzitter, mr. R.P. den Otter en mr. J. Ozinga, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.B. Spaargaren, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 8 september 2009.

mr. P. Bender is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.