Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BJ7081

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
02-09-2009
Datum publicatie
08-09-2009
Zaaknummer
258081 / HA ZA 08-2339
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres moet als gebruiker van algemene voorwaarden stellen en (indien nodig) bewijzen dat zij deze voorwaarden tijdig aan gedaagde ter hand heeft gesteld. De voorgedrukte tekst in overeenkomst dat gedaagde een exemplaar van de voorwaarden heeft ontvangen, is een verklaringsfictie en geldt niet als partijverklaring in de zin van art. 157 lid 2 Rv. Overigens moet een dergelijke bepaling als algemene voorwaarde als bedoeld in art. 6:231, aanhef en onder a BW aangemerkt worden die onredelijk bezwarend is in de zin van art. 6:236, aanhef en onder k BW. Aangezien eiseres geen daartoe strekkend bewijsaanbod heeft gedaan, wordt zij niet in de gelegenheid gesteld haar door gedaagde gemotiveerd betwiste stellingen te bewijzen. Aan eiseres komt geen beroep op de algemene voorwaarden toe, waardoor haar vordering bij gebreke aan een grondslag wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RCR 2009, 82
NJF 2010, 33
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 258081 / HA ZA 08-2339

Vonnis van 2 september 2009

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VOORDEELBANK BV,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mr. D.L.A. van Voskuilen,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. drs. D.G. Schouwman.

Partijen zullen hierna respectievelijk Voordeelbank en [gedaagden c.s.] (en [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] afzonderlijk) genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 28 januari 2009;

- de brief van Voordeelbank van 19 mei 2009 ten behoeve van de comparitie;

- de brief van [gedaagden c.s.] van 20 mei 2009 ten behoeve van de comparitie;

- het proces-verbaal van comparitie van 3 juni 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Feiten

2.1. Op 19 oktober 2005 is tussen Voordeelbank en [gedaagden c.s.] een kredietovereenkomst tot stand gekomen. Op grond van deze overeenkomst heeft Voordeelbank aan [gedaagden c.s.] een krediet verleend van EUR 45.273,-. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn ieder hoofdelijk voor het geheel aansprakelijk. Artikel 1 van de overeenkomst bepaalt onder meer:

“Aan Cliënt wordt door Kredietgever een krediet verleend tot een maximum bedrag van EUR 45.273,00. (…) Cliënt is over het uitstaande saldo van deze overeenkomst kredietvergoeding verschuldigd. De kredietvergoeding bedraagt thans 0,648% per maand en zal maandelijks ten laste van het krediet worden geboekt. De kredietvergoeding wordt van dag tot dag berekend over het uitstaand saldo. De effectieve rente op jaarbasis bedraag (sic) 8,0%.”

Artikel 2 van de overeenkomst bepaalt onder meer:

“Cliënt zal gedurende de eerste vijf jaar van de looptijd van deze overeenkomst maandelijks tenminste terugbetalen een bedrag gelijk aan de in de afgelopen maand ten laste van het krediet geboekte kredietvergoeding met een minimum van EUR 50,-. (…)”

In artikel 6 van de overeenkomst is bepaald:

“Op deze overeenkomst zijn van toepassing de Algemene Voorwaarden Doorlopend Krediet, gedeponeerd ter griffie van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam op 17-12-2004 onder depotnummer 180/2004 en de Algemene Voorwaarden interBank Card, gedeponeerd ter griffie van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam op 05-08-2003 onder depotnummer 109/2003. Cliënt verklaart een exemplaar van deze overeenkomst en van de voorwaarden te hebben ontvangen, van de inhoud daarvan kennis te hebben genomen en hiermee akkoord te gaan.”

2.2. In artikel 9, aanhef en sub a van de Algemene Voorwaarden Doorlopend Krediet (hierna: Algemene Voorwaarden) is bepaald:

“In de hierna sub a-f genoemde gevallen is Kredietgever gerechtigd betaling ineens te eisen van het krachtens deze overeenkomst verschuldigde, eventueel te vermeerderen met vertragingsvergoeding:

a) Cliënt meer dan twee maanden achterstallig is in de betaling van een vervallen maandtermijn en na in gebreke te zijn gesteld nalatig blijft in de nakoming van zijn verplichting;”

Artikel 8 van de Algemene Voorwaarden bepaalt onder meer :

“Ingeval van te late betaling van één of meer maandtermijnen waardoor de kredietlimiet overschreden wordt, is Cliënt vertragingsvergoeding verschuldigd over het deel van het uitstaand saldo dat de kredietlimiet te boven gaat, indien Cliënt na ontvangst van een ingebrekestelling niet alsnog binnen de in deze ingebrekestelling vermelde termijn betaalt. (…)”

2.3. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn bij brieven van 30 mei 2008 door de Nederlandse Deurwaarders Associatie BV (hierna: NDA) namens Voordeelbank in gebreke gesteld en aangemaand de achterstand van EUR 1.416,18 te betalen. In deze brieven wordt verder geschreven:

“Wanneer u niet tijdig aan deze sommatie voldoet, zeggen wij u namens cliënte het contract op en komt het aflossingsvrije betaalplan te vervallen. Wij stellen u namens cliënte reeds nu voor alsdan in gebreke. Op grond van de algemene voorwaarden wordt de gehele vordering (per heden € 46.950,26, exclusief de nader in rekening te brengen rente en buitengerechtelijke incassokosten) alsdan terstond opeisbaar.”

2.4. Na voornoemde sommatie heeft [gedaagden c.s.] een bedrag van EUR 380,- betaald.

2.5. Bij brieven van 16 juni 2008 aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] heeft NDA hen namens Voordeelbank geschreven:

“In opgemelde zaak refereren wij aan onze sommatie d.d. 30/05/2008, waarop wij geen (volledige) betaling van de ontstane achterstand van u ontvingen.

De gehele vordering is conform de eerder genoemde sommatie nu ineens en in zijn geheel opeisbaar en wordt daarom verhoogd met verdere (contractuele) rente en (eventuele) buitengerechtelijke incassokosten.”

In deze brieven maakt Voordeelbank aanspraak op betaling van een bedrag van in totaal EUR 55.171,46.

2.6. In zijn mail van 17 juni 2008 aan NDA schrijft [gedaagde sub 2] onder meer dat hij reeds een bedrag van EUR 1.080,- heeft overgemaakt:

“hierbij hebben wij telefonisch contakt gehad,waardoor een betalingsbewijs is gefaxt van 1080 euro u heeft mij gezegd ,dat u deze niet heeft ontvangen ,maar ik heb bewijs ,en verder is word er gewoon de normale aflossing gedaan maandelijks van 380 euro ,en die achterstand die u client niet heeft ontvangen word door de bank uitgezocht,tevens heeft u voor 2 brieven sturen een bedrag van 7042,54 in rekening gebracht belachelijk ,dat is niet normaal en deze kosten ga ik niet betalen (…)”

2.7. In haar brief van 18 juni 2008 aan [gedaagde sub 2] schrijft NDA onder meer:

“Tijdens ons telefonisch onderhoud d.d. 10 juni jl. heeft u aangegeven het betaalbewijs van de betaling ad € 1.080,00 (zoals u in uw e-mail aangeeft) of € 1.090,00 (zoals u tijdens ons telefonisch onderhoud aangaf) aan ons te doen toekomen zodat wij voor u konden achterhalen waar de betreffende betaling is gebleven. U hebt zelf aangegeven dat u uw dossiernummer er niet bij hebt vermeld waardoor het mogelijk is dat de betaling wel ontvangen is door onze cliënt maar nog op een tussenrekening staat vanwege het ontbreken van de juiste gegevens. Aan de hand van het betaalbewijs kunnen wij de betaling wellicht traceren. U heeft dit echter niet gedaan met als gevolg dat u eerdergenoemde e-mail stuurt en ons niet de kans geeft de zaken uit te zoeken. Dit betreurt ons.

Wij verzoeken u voor de laatste maal het betreffende betaalbewijs aan ons toe te sturen of te faxen, zodat wij alsnog de zaken kunnen uitzoeken en niet hoeven over te gaan tot het nemen van rechtsmaatregelen jegens u, ondanks u aangeeft in uw e-mailbericht dit te prefereren.”

2.8. In haar brieven van 11 juli 2008 aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] heeft Voordeelbank geschreven:

“Onlangs hebben wij u aangemaand. Daarna heeft u niet betaald zodat wij op verzoek van cliënte nu tot dagvaarding moeten overgaan. (…)

Mocht u de vordering wel erkennen, maar door omstandigheden niet ineens kunnen betalen, dan verzoeken wij u dringend ons binnen vijf dagen na heden een schriftelijk voorstel tot afbetaling te doen van het nu nog openstaande bedrag van:

>> € 55.474,03.<<

Vernemen wij niets meer van u en ontvangen wij geen volledige betaling, dan kunt u op korte termijn nadere maatregelen tegemoet zien.”

2.9. In zijn mail van 8 juli 2008 aan NDA schrijft [gedaagde sub 2] onder meer:

“HIERBIJ WIL IK U MEDE DELE DAT WIJ ONZE MAANDTERMIJN WILLEN OVERMAKEN 380 EURO MAANDELIJKS MAAR DAT NIET MEER KAN ,WIJ HEBBEN TELEFONISCH CONTAKT GEHAD MET INTERBANK EN DEZE BEVESTIGD DAT WIJ ONZE MAAND TERMIJNEN MOETEN OVERMAKEN NAAR JULLIE ,WIJ HEBBEN VANDAAG EEN BEDRAG OVERGEMAAKT VAN 380 EURO NAAR JULLIE EN DAT GAAN WE MAANDELIJKS OVERMAKEN NAAR UWER REKENING ,EN DE ACHTERSTAND WAT JULLIE HEBBEN GEZEGD VAN 1073 EURO HEBBEN WIJ ECHTER BETAALD AAN INTERBANK ,HET BEWIJS VOLGD ,WIJ ZULLEN ELKE MAAND DE TWAALFDE AAN U 380 OVERMAKEN,WIJ HOPEN DAN OOK DAT DIT ECHTER GEEN PROBLEEM OPLEVERD, (…) EN TEVENS WORD OOK HET BETAAL BEWIJS VAN DIE 1073 EURO OVERHANDIGD AAN DE RECHTBANK”

2.10. Bij brief van 24 juli 2008 aan [gedaagde sub 2] schrijft NDA:

“Wederom heeft u zich niet aan uw toezegging gehouden omtrent het toesturen van het betaalbewijs van de volgens u gedane betaling ad € 1.073,00. (…)

Wij stellen u bij deze voor de laatste maal in de gelegenheid om het betaalbewijs van de volgens u gedane betaling ad

€ 1.073,00 aan ons te doen toekomen. (…)”

2.11. In haar brieven van 14 augustus 2008 aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] heeft Voordeelbank geschreven:

“Onlangs hebben wij u aangemaand. Daarna heeft u niet betaald zodat wij op verzoek van cliënte nu tot dagvaarding moeten overgaan. (…)

Mocht u de vordering wel erkennen, maar door omstandigheden niet ineens kunnen betalen, dan verzoeken wij u dringend ons binnen vijf dagen na heden een schriftelijk voorstel tot afbetaling te doen van het nu nog openstaande bedrag van:

>> € 55.902,68<<

Blijft betaling binnen deze termijn uit, dan kunt u de gerechtsdeurwaarder op korte termijn tegemoet zien die u de dagvaarding zal betekenen.”

2.12. In zijn handgeschreven brief van 15 augustus 2008 aan NDA schrijft [gedaagde sub 2] onder meer (voor zover leesbaar):

“Hierbij hoop ik dat jullie dagvaarden. Ik heb jullie een voorstel gedaan aan wie ik moest betalen, de maandelijkse termijnen. jullie hebben daarop niet gereageerd. Ik vraag u voor de laatste maal of ik jullie gewoon de maandelijkse termijnen mag overmaken 390 euro per maand (…)”

2.13. In reactie op bovengenoemde brief schrijft NDA in haar brief van 19 augustus 2008 aan [gedaagde sub 2]:

“U gaf in eerdere brieven aan dat u een grote betaling aan onze cliënt hebt gedaan (een bedrag van € 1.073,00 werd genoemd) welke niet zou zijn verwerkt. U gaf zelfs aan dat u niet het rekeningnummer van uw contract zou hebben vermeld, waardoor de betaling niet ten gunste van uw krediet heeft kunnen strekken.

In antwoord hierop hebben wij u meerdere malen verzocht om exacte gegevens van uw vermeende betaling, zodat deze in de administratie van onze cliënte zou kunnen worden getraceerd en zou kunnen worden verwerkt. Hierop hebt u slechts aangegeven dat u gedagvaard wenste te worden en dat u dit wel in de rechtszaak zult inbrengen.

(…)

De door u aangekondigde betalingen van € 390,00 per maand zijn sinds 4 juli 2008 noch door onze cliënte, noch door ons ontvangen. (…) Wij zien dit als de contractuele verplichting welke u al geruime tijd niet meer nakomt.

Indien u daadwerkelijk betalingen wenst te verrichten, staat het u vrij daarvoor danwel ons rekeningnummer, danwel dat van onze cliënte te gebruiken.

Wij hebben u meerdere mogelijkheden gegeven om deze kwestie op een realistische manier op te lossen. Bijvoorbeeld door invulling van het u eerder toegezonden formulier omtrent uw inkomsten en uitgaven en het doen van een afbetalingsvoorstel ten aanzien van de gehele vordering. (…)”

3. Het geschil

3.1. Voordeelbank vordert – samengevat – hoofdelijke veroordeling van [gedaagden c.s.], dat wanneer de een betaalt de ander zal zijn bevrijd, tot betaling van EUR 49.692,72, vermeerderd met de overeengekomen kredietvergoeding, althans vertragingsvergoeding, althans de wettelijke rente, gerekend vanaf 8 oktober 2008 tot aan de dag van algehele voldoening en kosten, waaronder de kosten van het beslag.

3.2. Voordeelbank legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [gedaagden c.s.] ingevolge artikel 2 van de kredietovereenkomst gehouden is maandelijks een bepaald bedrag terug te betalen. [gedaagden c.s.] is hierin in gebreke gebleven. Volgens Voordeelbank zijn tot en met mei 2008 31 maandtermijnen komen te vervallen, waarvan er per 30 mei 2008 in totaal vier onbetaald zijn. Tijdens de comparitie is namens Voordeelbank evenwel toegelicht dat [gedaagden c.s.] sommige termijnen gedeeltelijk betaalde, zodat het moelijk is aan te geven welke maanden precies betaald zijn.

3.3. Aangezien [gedaagden c.s.] meermalen vergeefs is gesommeerd de betalingsachterstand, is op grond van artikel 9, aanhef en sub a van deze Algemene Voorwaarden het totale kredietbedrag (inclusief kredietvergoeding) ineens opeisbaar. Het gevorderde bedrag bestaat uit de hoofdsom van EUR 46.950,26, vermeerderd met de kredietvergoeding tot 8 oktober 2008 van EUR 1.337,53, buitengerechtelijke kosten en BTW daarover.

3.4. [gedaagden c.s.] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Uit de door [gedaagden c.s.] in het geding gebrachte producties en uit hetgeen ter zitting is verklaard, begrijpt de rechtbank het verweer van [gedaagden c.s.] aldus dat zij zich in de eerste plaats op het standpunt stelt dat zij de achterstand waarvan Voordeelbank in haar brieven van 30 mei 2008 spreekt (zie r.o. ?2.3), heeft betaald. Ter onderbouwing van dit verweer verwijst [gedaagden c.s.] naar haar mail van 17 juni 2008 (zie r.o. ?2.6). Kennelijk bedoelt [gedaagden c.s.] hiermee te zeggen dat zij geen betalingsachterstand heeft.

4.2. Aangezien [gedaagden c.s.] in haar conclusie van antwoord echter erkent in de maanden november en december 2007 niet te hebben betaald en zij ter gelegenheid van de comparitie ook heeft verklaard een betalingsachterstand te hebben, wordt haar verweer – mede gelet op de nadere toelichting door Voordeelbank – als onvoldoende onderbouwd verworpen. De rechtbank neemt dan ook tot uitgangspunt dat [gedaagden c.s.] een betalingsachterstand van (in elk geval) twee maanden heeft. Dit oordeel brengt mee dat [gedaagden c.s.] op grond van artikel 9, aanhef en sub a van deze Algemene Voorwaarden in beginsel gehouden is het totale kredietbedrag (inclusief kredietvergoeding) aan Voordeelbank te voldoen.

4.3. [gedaagden c.s.] voert evenwel ook als verweer aan dat deze Algemene Voorwaarden niet aan haar ter hand zijn gesteld. Weliswaar heeft zij blijkens artikel 6 van de overeenkomst voor de ontvangst van deze voorwaarden getekend, maar dit berust volgens haar op een vergissing. Tijdens de comparitie heeft [gedaagde sub 2] in dit verband toegelicht dat de bestaande lening via Geldshop.nl is overgesloten naar Voordeelbank. Het contract is door Geldshop.nl gemaild, waarna hij het heeft geprint en ondertekend. Volgens [gedaagde sub 2] waren de Algemene Voorwaarden niet bij het emailbericht gevoegd. Desgevraagd heeft [gedaagde sub 2] verklaard dat hij niet stil stond bij het tekenen voor de ontvangst van de voorwaarden, omdat deze niet waren bijgevoegd. Kennelijk bedoelt [gedaagde sub 2] hiermee te zeggen dat hij niet besefte noch hoefde te beseffen dat hij voor de ontvangst van separate algemene voorwaarden tekende. De rechtbank begrijpt dit verweer aldus dat [gedaagden c.s.] een beroep doet op de vernietigbaarheid van de Algemene Voorwaarden en de nietigheid hiervan inroept.

4.4. In reactie hierop is namens Voordeelbank ter zitting meegedeeld dat navraag bij Geldshop.nl heeft uitgewezen dat het een vast gebruik is dat de Algemene Voorwaarden samen met het contract worden gestuurd. Volgens Voordeelbank moet [gedaagden c.s.] aantonen dat hij de voorwaarden niet heeft ontvangen, aangezien hij wel voor de ontvangst heeft getekend.

4.5. Subsidiair stelt [gedaagden c.s.] dat het bepaalde in artikel 9, aanhef en sub a van de Algemene Voorwaarden onredelijk bezwarend is. Ter comparitie heeft [gedaagde sub 2] toegelicht dat uit de in het geding gebrachte correspondentie blijkt dat hij contact met NDA heeft opgenomen om na te gaan aan wie hij in het vervolg moest betalen. Volgens [gedaagde sub 2] heeft hij daarop geen reactie gekregen. Vervolgens heeft hij contact opgenomen met Voordeelbank die hem terugverwees naar NDA. Verder heeft [gedaagde sub 2] toegelicht dat hij in staat en bereid is de schuld periodiek af te lossen. Ook kan hij de achterstand in één keer aflossen, omdat hij het geld op voorstel van zijn raadsman vanaf juni 2008 apart heeft gezet. Onder deze omstandigheden is het bepaalde in artikel 9 van de Algemene Voorwaarden volgens [gedaagden c.s.] onredelijk. Kennelijk heeft zij hierbij het oog op het bepaalde in artikel 6:233, aanhef en sub a BW.

4.6. In reactie hierop voert Voordeelbank aan dat veelvuldig met [gedaagden c.s.] is gecorrespondeerd, waarbij zij steeds heeft geprobeerd een regeling te treffen. Daarnaast is de tekst van artikel 9 van de Algemene Voorwaarden volgens Voordeelbank een letterlijke weergave van de Wet op het consumentenkrediet (Wck), welke wet volgens haar, gezien de hoogte van het verstrekte krediet, echter niet van toepassing is. Onder deze omstandigheden valt niet in te zien dat genoemd artikel onredelijk bezwarend is.

4.7. De rechtbank stelt voorop dat het aan Voordeelbank is te stellen en (indien nodig) te bewijzen dat zij [gedaagden c.s.] een redelijke mogelijkheid heeft geboden van de Algemene Voorwaarden kennis te nemen als bedoeld in artikel 6:233, aanhef en onder b in samenhang met artikel 6:234 lid 1, aanhef en onder a BW. Met haar stelling dat [gedaagden c.s.] voor de ontvangst van de Algemene Voorwaarden heeft getekend, heeft Voordeelbank kennelijk het oog op het bepaalde in artikel 157 lid 2 in verbinding met artikel 156 lid 3 Rv, waarin – samengevat – is bepaald dat een onderhandse akte tussen partijen dwingend bewijs oplevert. De rechtbank gaat hieraan voorbij en overweegt daartoe als volgt.

4.8. De tekst van artikel 6 van de overeenkomst is voorgedrukt. Gelet hierop – en mede gelet op hetgeen [gedaagde sub 2] heeft verklaard over de totstandkoming van de overeenkomst – moet het ervoor worden gehouden dat [gedaagden c.s.] geen enkele invloed heeft gehad op deze tekst. Deze omstandigheden brengen mee dat sprake is van een verklaringsfictie waaraan niet de betekenis kan worden toegekend van partijverklaring als bedoeld in artikel 157 lid 2 Rv.

4.9. Overigens moet artikel 6 van de overeenkomst worden aangemerkt als een algemene voorwaarde in de zin van artikel 6:231, aanhef en onder a BW. Omdat met deze bepaling klaarblijkelijk wordt beoogd de bewijslast ter zake van de wettelijke informatieplicht van Voordeelbank als gebruiker van de Algemene Voorwaarden ten nadele van [gedaagden c.s.] te keren, heeft deze bepaling te gelden als een onredelijk bezwarend beding in de zin van artikel 6:236, aanhef en onder k BW. Dit betekent dat Voordeelbank [gedaagden c.s.] de ondertekening van de overeenkomst niet met een beroep op artikel 6 kan tegenwerpen.

4.10. Voornoemd oordeel leidt er in beginsel toe dat het aan Voordeelbank is te bewijzen dat zij [gedaagden c.s.] een redelijke mogelijkheid heeft geboden van de Algemene Voorwaarden kennis te nemen. De rechtbank stelt evenwel vast dat Voordeelbank daartoe geen bewijsaanbod heeft gedaan, ook niet nadat zij in de gelegenheid is gesteld zich bij akte van 3 december 2008 uit te laten over eventueel te horen getuigen. In deze akte geeft Voordeelbank aan dat zij in dit stadium van de procedure geen zicht heeft op de personen die zij mogelijk als getuigen zou kunnen doen horen. Voorts stelt de rechtbank vast dat Voordeelbank evenmin tijdens de comparitie – ter gelegenheid waarvan [gedaagde sub 2] het verweer dat de Algemene Voorwaarden niet ter hand zijn gesteld nader heeft toegelicht – een zodanig bewijsaanbod heeft gedaan. De enkele mededeling dat het vast gebruik van Geldshop.nl is dat de Algemene Voorwaarden samen met het contract worden gestuurd (zie r.o. ?4.4), is daarvoor naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding Voordeelbank in de gelegenheid te stellen haar door [gedaagden c.s.] gemotiveerd betwiste stellingen te bewijzen.

4.11. De rechtbank neemt daarom als uitgangspunt dat de Algemene Voorwaarden niet tijdig aan [gedaagden c.s.] ter hand zijn gesteld. Dit oordeel brengt mee dat het beroep van [gedaagden c.s.] op de nietigheid van de Algemene Voorwaarden slaagt, zodat Voordeelbank zich niet kan beroepen op het bepaalde in artikel 9, aanhef en sub a van de Algemene Voorwaarden. Aangezien haar vorderingen op dit artikel zijn gebaseerd, zullen zij bij gebreke van een grondslag worden afgewezen. Wellicht ten overvloede overweegt de rechtbank dat [gedaagden c.s.] uiteraard wel gehouden is haar verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst na te komen.

4.12. Voordeelbank zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagden c.s.] worden begroot op:

- vast recht EUR 1.095,00

- salaris advocaat 1.788,00 (2,0 punten × tarief EUR 894,00)

Totaal EUR 2.883,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt Voordeelbank in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden c.s.] tot op heden begroot op

EUR 2.883,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Heinemann en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2009.?

AvM