Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BJ7070

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
02-09-2009
Datum publicatie
07-09-2009
Zaaknummer
252372 / HA ZA 08-1508
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opzegging overeenkomst voor onbepaalde tijd.Opdrachtgever verstrekt vanaf opzegging geen opdrachten meer. Redelijkheid en billijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 252372 / HA ZA 08-1508

Vonnis van 2 september 2009

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

eiseres,

advocaat mr. J. Ran,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DHL EXPRESS (NETHERLANDS) B.V.,

gevestigd te Amersfoort,

gedaagde,

advocaat mr. J.M. van Noort.

Partijen zullen hierna [eiseres] en DHL genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 3 december 2008

- het proces-verbaal van comparitie van 16 april 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. 2.2. Op 4 april 2006 hebben DHL en de rechtsvoorganger van [eiseres] een raamovereenkomst ondertekend, waarbij partijen voor onbepaalde tijd zijn overeengekomen dat [eiseres] met terugwerkende kracht vanaf 1 maart 2006 in opdracht en voor rekening van DHL vervoersdiensten zou verrichten, bestaande uit het op afroep uitvoeren van zogenoemde pick-up en delivery-opdrachten (hierna: “de raamovereenkomst”).

2.3. In artikel 3 van de raamovereenkomst is bepaald dat ieder der partijen gerechtigd is de raamovereenkomst op te zeggen met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden.

2.4. Partijen zijn op 4 april 2006 eveneens de toepasselijkheid op de raamovereenkomst overeengekomen van de “Algemene bepalingen van toepassing op raamovereenkomsten en de daaruit voortvloeiende diensten die vervoerders in opdracht en voor rekening van DHL Express (Netherlands) verrichten” (hierna: “de algemene voorwaarden”).

2.5. In de algemene voorwaarden is het volgende bepaald:

Artikel 3

De vervoerder is niet verplicht een door DHL gedaan aanbod om diensten te verrichten te aanvaarden. DHL is niet verplicht om de vervoerder een regelmatige aanvoer van opdrachten tot het verrichten van diensten te garanderen.

Artikel 16

De vervoerder staat er jegens DHL voor in dat hij bij het aangaan van en gedurende de looptijd van de raamovereenkomst voor andere opdrachtgevers werkzaamheden verricht en zal blijven verrichten, waarbij de inkomsten verbonden aan bedoelde werkzaamheden naar het oordeel van de bevoegde instantie(s) een substantieel deel van de totaal verworven inkomsten bedraagt. De vervoerder zal DHL jaarlijks binnen zes maanden na het verstrijken van het boekjaar een daartoe strekkende accountantsverklaring overleggen en ook overigens alle medewerking verlenen om DHL in de gelegenheid te stellen vast te (doen) stellen of de vervoerder aan de in de eerste zin van dit artikel genoemde eisen voldoet. De vervoerder zal DHL onverwijld schriftelijk informeren indien hij niet langer aan de in de eerste zin van dit artikel genoemde eisen voldoet.

2.6. In december 2006 hebben partijen onderhandeld over de prijs van de door [eiseres] geleverde diensten. [eiseres] is toen akkoord gegaan met een prijsverlaging van EUR 6,25 naar EUR 5,75 per stop. In augustus 2007 vonden wederom onderhandelingen tussen partijen plaats, waarbij DHL voorstelde dat de prijs met EUR 0,25 per stop verder zou worden verlaagd. [eiseres] is daarmee toen niet akkoord gegaan. Tijdens die onderhandelingen heeft [X] (hierna: “[eiseres]”), werkzaam bij DHL als operations manager en contactpersoon voor [eiseres], voorts aan [eiseres] meegedeeld dat deze in 2008 vijf vaste routes voor DHL zou kunnen gaan rijden.

2.7. In 2007 heeft [eiseres] aan DHL gemeld dat een ondervervoerder problemen had met een vrachtwagen. Op verzoek van [eiseres] heeft DHL toen tegen kostprijs

(EUR 50,--) een vrachtwagen ter beschikking gesteld aan eerstgenoemde. [eiseres] heeft de vrachtwagen vervolgens gedurende vier dagen ter beschikking gesteld aan de ondervervoerder, tegen EUR 65,-- per dag. [eiseres] heeft toen niet aan DHL gemeld dat hij EUR 65,-- per dag aan de ondervervoerder in rekening bracht.

2.8. Bij brief van 5 december 2007 heeft [eiseres] aan DHL bericht dat hij het in augustus 2007 door DHL voorgestelde lagere tarief accepteerde, op voorwaarde dat hij de in augustus besproken vijf routes mocht gaan rijden.

2.9. [eiseres] heeft tot en met eind december 2007 met vijf tot zeven personen de vervoersopdrachten van DHL uitgevoerd. Van hen was één persoon bij [eiseres] in dienst en de overigen waren ondervervoerders. Gedurende januari 2008 heeft alleen de enige werknemer van [eiseres] nog vervoersopdrachten van DHL uitgevoerd. Voornoemde werknemer van [eiseres] is vervolgens, met drie anderen die tot dat moment door [eiseres] als ondervervoerder werden ingeschakeld, in dienst van DHL getreden.

2.10. Bij brief van 1 februari 2008 heeft [eiseres] DHL verzocht EUR 90.000,-- ter vergoeding van schade aan hem over te maken. Voorts heeft [eiseres] in die brief geschreven:

Eind 2007 is mondeling opgezegd door de heer [eiseres].

2.11. Per brief van 20 maart 2008 schreef DHL aan [eiseres]:

Voor zover vereist zeg ik hierbij niettemin de raamovereenkomst op tegen de vroegst toegelaten datum, althans tegen 1 juli a.s., derhalve met inachtneming van de in artikel 3 genoemde opzegtermijn van drie maanden.

2.12. [eiseres] heeft DHL bij brief van 14 mei 2008 aangemaand om hem uiterlijk op 24 mei 2008 EUR 90.000,-- te betalen uit hoofde van schadevergoeding over het eerste kwartaal van 2008. Bij brief van 4 juni 2008 is DHL door [eiseres] aangemaand om uiterlijk op 14 juni 2008 EUR 180.000,-- te betalen ter vergoeding van schade over de eerste twee kwartalen van 2008. DHL heeft niet aan deze aanmaningen voldaan.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert dat DHL, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis, wordt veroordeeld tot betaling van EUR 180.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over EUR 90.000,-- vanaf 1 april 2008 en over de overige EUR 90.000,-- vanaf 1 juli 2008, althans vanaf de dag der dagvaarding, tot de dag der algehele voldoening, en te vermeerderen met EUR 1.788,-- ter zake van buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van DHL in de proceskosten.

3.2. Aan haar vordering legt [eiseres] ten grondslag dat DHL de raamovereenkomst per 1 juli 2008 heeft opgezegd. De eisen van redelijkheid en billijkheid brengen mee dat op DHL de plicht rustte om [eiseres] gedurende de opzegtermijn van een redelijke hoeveelheid werk te voorzien. Nu DHL dat niet heeft gedaan dient zij de schade van [eiseres] te vergoeden.

3.3. DHL voert verweer. Zij voert aan dat zij de raamovereenkomst mondeling op

5 december 2007 heeft opgezegd waardoor de overeenkomst op 5 maart 2008 is geëindigd. Voorts neemt zij het standpunt in dat zij op grond van de overeenkomst en andere omstandigheden niet verplicht was gedurende de opzegtermijn opdrachten aan [eiseres] te verstrekken en dat zij daarom niet schadeplichtig is. Subsidiair betwist DHL de hoogte van de schade.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De rechtbank dient allereerst te beoordelen wanneer de overeenkomst is geëindigd. Vervolgens komt de vraag aan de orde of op DHL een schadevergoedingsplicht rust doordat zij gedurende de opzegtermijn (bijna) geen nieuwe opdrachten aan [eiseres] heeft verstrekt.

4.2. DHL betoogt dat [eiseres] namens haar de raamovereenkomst op 5 december 2007 mondeling heeft opgezegd. [eiseres] betwist dit en voert onder verwijzing naar de brief van DHL van 20 maart 2008 (zie 2.11) aan dat de overeenkomst pas is opgezegd per

1 juli 2008. De rechtbank volgt [eiseres] hierin niet. Dat DHL de raamovereenkomst mondeling heeft opgezegd op 5 december 2007 vindt steun in de brief van 1 februari 2008, waarin [eiseres] aan DHL schreef dat [eiseres] eind 2007 mondeling heeft opgezegd (zie 2.10). De verklaring van de heer [eiseres] ter zitting dat hij het ten onrechte zo had geïnterpreteerd dat DHL mondeling had opgezegd, acht de rechtbank dan ook niet aannemelijk. Gelet op de opzegtermijn van drie maanden die is opgenomen in artikel 3 van de raamovereenkomst (zie 2.3) is de rechtbank van oordeel dat de raamovereenkomst met ingang van 5 maart 2008 is geëindigd.

4.3. [eiseres] betoogt dat de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat DHL niet van de één op andere dag geen enkele opdracht meer aan [eiseres] mocht geven en dat op DHL juist de plicht rustte om [eiseres] gedurende de opzegtermijn van een redelijke hoeveelheid werk te voorzien. Volgens [eiseres] werkte zij op een gegeven moment exclusief voor DHL en bedroeg in 2007 haar omzet ongeveer EUR 550.000,-- over het gehele jaar en haar winst voor vennootschapsbelasting gemiddeld EUR 90.000,-- per kwartaal. Op grond van de bestendige relatie van bijna twee jaar mocht [eiseres] erop vertrouwen dat DHL opdrachten bij haar zou plaatsen voor een bedrag dat in lijn was met de voorgaande periode. Tevens voert [eiseres] in verband hiermee aan dat zij als gevolg van die bestendige relatie had geïnvesteerd in vier transportbussen en dat zij in augustus 2007 van DHL de toezegging had gekregen dat er extra werk voor haar aan zat te komen doordat zij vijf vaste routes van DHL toegewezen zou krijgen. Voorts was haar omzet vanaf januari 2008 volgens [eiseres] praktisch nihil en kon zij niet zomaar een andere opdrachtgever vinden. Volgens [eiseres] had zij pas vanaf ongeveer oktober 2008 weer een goede omzet, omdat zij vanaf dat moment distributie is gaan doen voor een andere grote opdrachtgever.

4.4. DHL neemt het standpunt in dat op haar geen schadevergoedingsplicht rust. In de eerste plaats vloeit dit volgens haar voort uit artikel 3 van de algemene voorwaarden (zie 2.5), waarin is bepaald dat DHL niet verplicht is om de vervoerder een regelmatige aanvoer van opdrachten tot het verrichten van diensten te garanderen. Ter onderbouwing van haar stelling dat zij geen schade hoeft te vergoeden betoogt DHL voorts dat zij vanaf augustus 2007 met DHL heeft gesproken over wijziging van de overeenkomst en de voorwaarden voor continuering van de relatie. [eiseres] had in augustus 2007 aangegeven niet akkoord te zijn met de door DHL voorgestelde tariefsverlaging. Tevens voert DHL aan dat zij in augustus 2007 [eiseres] had verzocht om al in onderhandeling te treden met ondervervoerders met het oog op 2008, terwijl begin december 2007 bleek dat [eiseres] nog geen overeenkomsten met ondervervoerders voor 2008 had gesloten. Daarom was het voor DHL ongewis of zij in 2008 wel voldoende vervoerscapaciteit zou hebben. Een ander argument voor DHL is dat een vertrouwensbreuk was ontstaan doordat [eiseres] een door DHL ter beschikking gestelde vrachtwagen tegen een hogere prijs aan een onderverhuurder ter beschikking had gesteld (zie 2.7). Ter zitting is voorts door DHL aangevoerd dat [eiseres] in strijd met artikel 16 van de algemene voorwaarden heeft gehandeld (zie 2.5) door vanaf enig moment exclusief voor DHL te zijn gaan rijden.

4.5. De rechtbank overweegt als volgt. Op de vraag wat de reden voor DHL is geweest om in artikel 3 van de raamovereenkomst een opzegtermijn van drie maanden op te nemen, is ter zitting namens DHL verklaard dat een termijn van drie maanden voor beide partijen een redelijke termijn is om vervangend werk en vervangende uitvoerders te vinden. Naar het oordeel van de rechtbank is de strekking van een opzegtermijn in gevallen als deze hiermee juist weergegeven. Met betrekking tot overeenkomsten voor onbepaalde tijd tussen twee partijen, waarbij de ene partij voor het behalen van zijn omzet in sterke mate afhankelijk is van opdrachten van de andere partij, geeft de opzegtermijn aan eerstgenoemde de gelegenheid om gedurende die opzegtermijn op zoek te gaan naar andere opdrachtgevers, zodat hij gedurende die opzegtermijn een zodanig inkomen kan opbouwen met opdrachten van derden, dat hij na het verstrijken van de opzegtermijn kan voortbestaan.

4.6. Een overeenkomst heeft niet alleen de door partijen overeengekomen rechtsgevolgen, maar ook die welke, naar de aard van de overeenkomst, uit de wet, de gewoonte of eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeien (artikel 6:248 lid 1 Burgerlijk Wetboek). [eiseres] heeft vanaf 1 maart 2006 opdrachten voor DHL uitgevoerd. Vast staat dat [eiseres] in januari 2008, in vergelijking met het aantal opdrachten in de periode 2006-2007, nog slechts een gering aantal opdrachten van DHL heeft uitgevoerd en vanaf februari 2008 geen enkele opdracht meer heeft gekregen. Volgens [eiseres] werkte hij in 2007 exclusief voor DHL en bedroeg zijn omzet in dat jaar ongeveer EUR 550.000,--. De omzet van [eiseres] in januari 2008 bedroeg naar schatting van [eiseres] ongeveer EUR 8.000,--. Deze cijfers zijn weliswaar door DHL betwist en vooralsnog niet door [eiseres] nader onderbouwd, maar vast staat wel dat ten behoeve van [eiseres] in 2007 ongeveer zes personen werkten om de opdrachten van DHL uit te voeren en dat vier van hen (vrijwel) direct na 2007 in dienst van DHL zijn gaan werken.

4.7. Partijen zijn overeengekomen dat DHL op grond van artikel 3 van de algemene voorwaarden niet verplicht was om een regelmatige aanvoer van opdrachten aan [eiseres] te garanderen. Gelet op de strekking van de opzegtermijn en voornoemde omstandigheden is de rechtbank echter van oordeel dat de eisen van redelijkheid en billijkheid in dit geval meebrengen dat DHL gedurende de gehele opzegtermijn van drie maanden een redelijke hoeveelheid opdrachten door [eiseres] had moeten laten uitvoeren. Nog daargelaten dat [eiseres] ontkent dat DHL haar in augustus 2007 heeft verzocht om met het oog op 2008 met ondervervoerders in onderhandeling te treden, kunnen de door DHL aangevoerde argumenten weliswaar billijken dat zij de raamovereenkomst heeft opgezegd, maar leveren deze geen valide grond op om [eiseres] gedurende het grootste deel van de opzegtermijn “droog te leggen”. De omstandigheid dat [eiseres] zich in strijd met artikel 16 van de algemene voorwaarden financieel sterk afhankelijk heeft gemaakt van DHL maakt dit niet anders. Ter zitting is namens DHL immers verklaard dat zij wist dat de omzet van [eiseres] voor een belangrijk deel via DHL kwam en gesteld noch gebleken is dat DHL daarover tegenover [eiseres] ooit bezwaren heeft geuit.

4.8. Het voorgaande brengt mee dat DHL naar het oordeel van de rechtbank verplicht is de schade van [eiseres] te vergoeden die zij heeft geleden doordat DHL gedurende het grootste deel van de opzegtermijn, die op 5 maart 2008 is geëindigd, geen opdrachten meer aan [eiseres] heeft verstrekt. DHL betwist echter de hoogte van de door [eiseres] gestelde schade en betoogt in verband daarmee dat [eiseres] haar schade niet heeft onderbouwd met accountantsrapporten. De rechtbank stelt vast dat [eiseres], hoewel DHL de raamovereenkomst op 5 december 2007 heeft opgezegd, gedurende de gehele maand december 2007 een normaal aantal opdrachten voor DHL heeft uitgevoerd. [eiseres] zal gelet op het voorgaande dan ook nader moeten onderbouwen hoe hoog haar omzet en winst waren over de periode van 1 maart 2006 tot en met 31 december 2006, over geheel 2007 en over de periode van 1 januari 2008 tot en met 4 maart 2008. Ten aanzien van laatstgenoemde periode zal [eiseres] tevens inzicht dienen te geven in de omzet en winst per maand. In verband daarmee zal [eiseres] bij akte in de gelegenheid worden gesteld haar stellingen omtrent haar omzet- en winstontwikkeling met boekhoudkundige stukken te onderbouwen, voor zover mogelijk met winst- en verliesrekeningen en bevestigd door een externe accountant/boekhoudkundige. DHL zal daarop vervolgens bij akte mogen reageren.

4.9. Indien [eiseres] erin slaagt aannemelijk te maken dat haar maandelijkse omzet en winst over de periode van 1 januari 2008 tot en met 4 maart 2008 zijn verminderd ten opzichte van 1 maart 2006 tot en met 31 januari 2007, zal de rechtbank bij de bepaling van de schadevergoeding uitgaan van het verschil tussen de in de periode van 1 januari tot en met 4 maart 2008 werkelijk behaalde maandelijkse winst voor vennootschapsbelasting:

- en 100% van de gemiddeld in 2007 maandelijks door [eiseres] behaalde winst voor vennootschapsbelasting in eerste maand na opzegging (5 december 2007 tot en met 4 januari 2008);

- en 75% van de gemiddeld over 2007 maandelijks door [eiseres] behaalde winst voor vennootschapsbelasting in tweede maand na opzegging (5 januari 2008 tot en met 4 februari 2008);

- en 50% van de gemiddeld over 2007 maandelijks door [eiseres] behaalde winst voor vennootschapsbelasting in derde maand (5 februari 2008 tot en met 4 maart 2008).

4.10. De rechtbank kiest voor deze staffel gelet op de in 4.5 beschreven strekking van de opzegtermijn. Tevens neemt de rechtbank daarbij in aanmerking dat DHL heeft betoogd dat [eiseres] aan haar heeft laten weten dat de markt in 2008 gunstig was voor vervoerders en dat [eiseres] dit niet heeft weersproken. [eiseres] moet derhalve geacht worden in staat te zijn geweest om in de loop van de opzegtermijn opdrachten bij derden te verwerven.

4.11. Aangezien gedurende de maand december 2007 (het grootste gedeelte van de eerste maand na opzegging) geen sprake is van aan DHL toe te rekenen winstderving bij [eiseres], zal de rechtbank overigens slechts over de periode van 1 tot en met 4 januari 2008 uitgaan van 100% van de gemiddelde maandelijks in 2007 behaalde winst.

4.12. De rechtbank zal iedere verdere beslissing aanhouden.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 30 september 2009 voor het nemen van een akte door [eiseres], om door middel van boekhoudkundige stukken, waaronder voor zover mogelijk winst- en verliesrekeningen en bevestigd door een externe accountant/boekhoudkundige, nader te onderbouwen hoe hoog haar omzet en winst waren over de periode van 1 maart 2006 tot en met 31 december 2006, over geheel 2007 en over de periode van 1 januari 2008 tot en met 4 maart 2008, waarbij [eiseres] ten aanzien van laatstgenoemde periode tevens inzicht zal dienen te geven in de omzet en winst per maand,

5.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.K.J. van den Boom en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2009.?

w.g. griffier w.g. rechter

JB/JE