Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BJ7052

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
28-08-2009
Datum publicatie
07-09-2009
Zaaknummer
270573 / KG ZA 09-725
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Nakoming Letter of Intent; uitleg beëindigingsregeling; toewijsbaarheid beslagkosten 'multi bank beslag'.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 270573 / KG ZA 09-725

Vonnis in kort geding van 28 augustus 2009

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SHED PRODUCTIONS B.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FILMOTION PRODUCTIONS B.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

eiseressen in conventie,

verweersters in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. J.L.F. van den Tooren,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RESILIENCE-EUROPE B.V.,

tevens h.o.d.n. World Wide Resilience,

gevestigd te Zeist,

gedaagde in conventie,

eiseres in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. S.L. Rive.

Partijen zullen hierna Shed en Filmotion en Resilience genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van Shed en Filmotion

- de wijziging van eis

- de pleitnota van Resilience

- de eis in (voorwaardelijke) reconventie.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 28 september 2008 hebben [X] namens “Shed Productions” en [Y] namens “filMotion productions” met Resilience een Letter of Intent gesloten. Deze Letter of Intent luidt - voor zover relevant - als volgt:

“ (…)

Vanaf 1 oktober 2008 wordt een aanvang genomen met de totstandkoming en inrichting van fishEye als een Besloten Vennootschap (BV) (in oprichting). Het doel is een Communicatie en Consultancy Bureau op te richten met als kernactiviteit het ontwikkelen, filmen, editen en afwerken van Film- en Video producties, in de ruimste zin van het woord. Binnen 6 maanden na in hoofde genoemde datum zal het bedrijf zijn opgericht en werkzaam zijn.

Rolverdeling

In fishEye BV participeren partijen als Founding Partners elk voor 1/3 deel in de aandelen met een totale nominale waarde van € 18.000,-. De partijen: Shed Productions ([X]) filMotion ([Y]) en World Wide Resilience (…) betalen elk een evenredig deel van dit startkapitaal. [X] en [Y] zijn in de op te richten BV werkzaam als directie en leveren kennis, vaardigheden en arbeid voor fishEye BV. Op basis hiervan hebben Shed Productions en filMotion ieder recht op 1/3 deel van de aandelen in fishEye BV. Resilience-Europe committeert zich aan een op dit moment voorziene investering van € 200.000,- en heeft op basis hiervan eveneens recht op 1/3 deel van de aandelen in fishEye BV. Partijen gaan ervan uit dat de totale fondsen aan de vennootschap ter beschikking worden gesteld ten behoeve van de opstart- en operationele kosten van fishEye BV. Deze investering wordt na de oprichting van fishEye BV middels achtergestelde lening in de BV ingebracht. Dit bedrag zal binnen redelijke termijn beschikbaar worden gesteld. Mocht een aanvullende investering nodig zijn dan kunnen partijen hiertoe in goed overleg besluiten.

Gedurende de eerste 12 maanden, beginnend met de datum van ondertekening van de letter of intent, zullen [X] en [Y] ieder een bruto jaarsalaris verdienen van

€ 47.500,-. De hoogte van het salaris na dit aanloopjaar wordt vervolgens jaarlijks in de algemene vergadering van aandeelhouders vastgesteld.

(…)

Oprichting

Vanaf 1 oktober 2008 tot het moment van daadwerkelijke oprichting zullen [X] en [Y] in naam van fishEye BV i.o. opereren. Resilience-Europe draagt zorg voor de benodigde investerings-, opstart- en operationele kosten (zoals aanschaf materiaal, huur en salarissen), op basis van het eerder genoemde richtbedrag.

Deze kosten worden later ingebracht in fishEye BV als achtergestelde lening door Resilience-Europe. De operationele kosten worden zoveel mogelijk gedekt door inkomsten uit filmproducties en eventuele andere activiteiten.

(…)

Eventuele beëindiging samenwerking

In het geval dat partijen onverhoopt geen overeenstemming kunnen bereiken met betrekking tot de op- en inrichting van fishEye BV, dan zullen de gemaakte oprichtingskosten, met uitzondering van genoemde salarissen, door de drie partijen evenredig worden gedeeld. Mocht een partij in deze context geen overeenstemming bereiken over de berekening van de gemaakte kosten of andere hieraan gerelateerde zaken, dan zal een onpartijdige bemiddelaar ingeschakeld worden. (…)”

2.2. Bij brief van 9 januari 2009 hebben Shed en Filmotion aan Resilience - voor zover relevant - het volgende medegedeeld:

“(…)

De conclusie luidt dat partijen het unaniem eens zijn dat in deze fase de bedoelde samenwerking, zoals vastgelegd in de Letter of Intent d.d. 28 september 2008, niet heeft geleid tot het gewenste resultaat. World Wide Resilience ziet af van haar voorgenomen investering en laat het aan Shed Productions en filMotion productions over om de oprichting van fishEye media B.V. door te zetten en wil desgevraagd als adviseur van fishEye optreden. (…)

Tijdens deze vergadering zijn eerder genoemde partijen tevens overeengekomen dat de afwikkeling van zaken met betrekking tot de oprichting van fishEye media B.V. zal verlopen volgens de in de Letter of Intent van d.d. 28 september 2008 overeengekomen punt ‘beëindiging samenwerking’. (…)”

2.3. Bij brief van 23 februari 2009 hebben Shed en Filmotion Resilience gesommeerd een bedrag van EUR 52.471,60 te betalen wegens gemaakte oprichtingskosten en Resilience aansprakelijk gesteld voor de financiële gevolgen van het niet nakomen van de Letter of Intent.

2.4. Op 1 april 2009 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank Shed en Filmotion verlof verleend tot het leggen van beslag ten laste van Resilience onder diverse banken in Nederland.

3. Het geschil in conventie

3.1. Shed en Filmotion vorderen samengevat - (na eisvermindering) veroordeling van Resilience tot betaling van:

- een bedrag van EUR 4.906,57, vermeerderd met BTW, aan oprichtingskosten,

- een bedrag van EUR 44.768,28 (incl. BTW) aan verschuldigde salarissen over de periode oktober 2008 tot en met januari 2009,

- een bedrag van EUR 55.146,66 (excl. BTW) als voorschot op de verschuldigde schadevergoeding, bestaande uit de niet betaalde salarissen over de periode februari tot en met juli 2009,

alles vermeerderd met wettelijke rente en de kosten van het geding in conventie.

3.2. Resilience voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. Het geschil in reconventie

4.1. Resilience vordert samengevat - onder de voorwaarde dat in conventie enig bedrag wordt toegewezen, dat:

- de voorzieningenrechter bepaalt dat tussen partijen een achtergestelde leningsovereenkomst wordt gesloten met betrekking tot het toegewezen bedrag, voordat Shed en Filmotion tot tenuitvoerlegging van het in conventie gewezen vonnis kunnen overgaan,

- dat de voorzieningenrechter bepaalt dat Shed en Filmotion zekerheid stellen voor het toegewezen bedrag, voordat zij tot tenuitvoerlegging van het in conventie gewezen vonnis kunnen overgaan

- dat Shed en Filmotion veroordeeld worden in de kosten van het geding in reconventie.

4.2. Shed en Filmotion voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling in conventie

5.1. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben Shed en Filmotion hun eis verminderd in die zin dat in plaats van het in het petitum van de dagvaarding genoemde bedrag van EUR 11.677,64 gevorderd wordt een bedrag van EUR 4.906,57 vermeerderd met BTW. De voorzieningenrechter zal op de aldus gewijzigde eis beslissen.

5.2. Als meest verstrekkend verweer heeft Resilience aangevoerd dat Shed en Filmotion niet ontvankelijk in hun vorderingen zijn, aangezien zij op het moment van het ondertekenen van de Letter of Intent nog niet waren opgericht, en daarbij geen partij waren.

5.3. Uit de overgelegde Letter of Intent blijkt dat deze is ondertekend door [X] en [Y] namens “Shed Productions” en “filMotion productions”. De omstandigheid dat deze vennootschappen op dat moment nog niet waren opgericht, betekent niet dat zij geen partij hebben kunnen worden bij de Letter of Intent. Ter gelegenheid van de monde-linge behandeling hebben Shed en Filmotion aangegeven dat deze vennootschappen nadien wel zijn opgericht en dat in de oprichtingsaktes van deze vennootschappen de door de oprichters van deze vennootschappen ([X] en [Y]) vóór de oprichting aangegane rechtshandelingen zijn bekrachtigd. Nu een dergelijke bekrachtiging een gebruikelijke gang van zaken is bij de oprichting van een vennootschap, en het verweer van niet-ontvankelijkheid pas ter gelegenheid van de mondelinge behandeling is gevoerd, kan niet aan Shed en Filmotion worden tegengeworpen dat zij ten behoeve van dit kort geding niet de oprichtingsaktes hebben overgelegd waaruit een en ander blijkt. Dit betekent dat er in het kader van dit kort geding van moet worden uitgegaan dat Shed en Filmotion rechten kunnen ontlenen aan de rechtshandelingen die [X] en [Y] vóór de oprichting van deze vennootschappen namens deze vennootschappen (in oprichting) hebben verricht. De conclusie dient dan ook te zijn dat Shed en Filmotion ontvankelijk zijn in hun vorderingen.

5.4. Voorts heeft Resilience aangevoerd dat Shed en Filmotion geen spoedeisend belang bij hun vorderingen hebben, aangezien het door hen aangevoerde spoedeisende belang (de financieringsbehoefte van fishEye Media B.V.) niet een belang betreft van hen, maar een belang van fishEye Media B.V., die in deze procedure geen partij is. Bovendien moet er volgens Resilience vanuit gegaan worden dat Shed en Filmotion opbrengsten hebben uit de activiteiten van fishEye Media B.V. en daaruit kosten, waaronder salariskosten, zouden moeten kunnen delgen.

5.5. In de Letter of Intent is overeengekomen dat Resilience een bedrag zou financieren van EUR 200.000,-- voor de oprichtings- en startkosten van de op te richten onderneming fishEye Media B.V., en dat de operationele kosten zo veel mogelijk zouden worden gedekt door inkomsten uit activiteiten van de vennootschap. Hieruit moet worden afgeleid dat partijen er destijds van uit gingen dat fishEye Media B.V. niet op basis van enkel inkomsten uit lopende opdrachten haar aanloopkosten zou kunnen financieren. Dat is bij een beginnende onderneming als fishEye Media B.V. ook niet gebruikelijk. In dit licht kan niet snel worden aangenomen dat fishEye Media B.V.wel voldoende opdrachten zal hebben vergaard om deze kosten wel voor haar rekening te kunnen nemen. Op basis van de door de bestuurders van Shed en Filmotion ter gelegenheid van de mondelinge behandeling afgelegde verklaringen acht de voorzieningenrechter ook aannemelijk dat de door opdrachtgevers aan fishEye Media B.V. verleende opdrachten onvoldoende opbrengsten hebben gegenereerd om de aanzienlijke oprichtings- en startkosten te dekken. Daardoor is tevens aannemelijk dat fishEye Media B.V. op haar beurt niet in staat is om de verschuldigde salarissen aan Shed en Filmotion te voldoen, en kunnen laatstgenoemden op hun beurt de verschuldigde salarissen niet doorbetalen aan hun bestuurders [X] en [Y]. Nu het om een aanzienlijk geldbedrag gaat, in totaal ruim EUR 100.000,--, is in het missen van dit geldbedrag een voldoende spoedeisend belang van Shed en Filmotion gelegen.

5.6. De gevorderde voorziening strekt tot betaling van een geldsom. Voor toewijzing van een dergelijke vordering in kort geding is slechts dan plaats, als het bestaan en de omvang van de vordering in hoge mate aannemelijk zijn, terwijl voorts uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling bij afweging van de belangen van partijen - aan toewijzing niet in de weg staat.

5.7. De kern van het geschil betreft het antwoord op de vraag welke kosten partijen over en weer moeten vergoeden in verband met de beëindiging van de samenwerking die tussen hen heeft bestaan en die in de Letter of Intent is neergelegd. Over deze vergoeding is een bepaling opgenomen in de Letter of Intent die luidt als volgt:

“Eventuele beëindiging samenwerking

In het geval dat partijen onverhoopt geen overeenstemming kunnen bereiken met betrekking tot de op- en inrichting van fishEye BV, dan zullen de gemaakte oprichtingskosten, met uitzondering van genoemde salarissen, door de drie partijen evenredig worden gedeeld. Mocht een partij in deze context geen overeenstemming bereiken over de berekening van de gemaakte kosten of andere hieraan gerelateerde zaken, dan zal een onpartijdige bemiddelaar ingeschakeld worden.”

5.8. Partijen verschillen van mening over de uitleg van de eerste zin van deze bepaling. Shed en Filmotion stellen dat met het uitzonderen van de salarissen is bedoeld dat de salariskosten niet door de drie partijen evenredig worden gedeeld, maar dat deze volledig ten laste komen van Resilience. Resilience is van mening dat met deze uitzondering wordt bedoeld dat de salarissen van Shed en Filmotion geen onderdeel uitmaken van de oprichtingskosten, en derhalve niet voor vergoeding in aanmerking komen.

5.9. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter ligt de door Shed en Filmotion aan deze bepaling gegeven uitleg niet zozeer voor de hand dat aan het voor toewijzing van een geldvordering in kort geding gestelde vereiste van hoge aannemelijkheid van het bestaan en de omvang van de vordering, voor zover het salarissen betreft, is voldaan. De betreffende uitzondering is opgenomen na het woord “oprichtingskosten”, zodat een taalkundige uitleg ertoe zou leiden dat de uitzondering ziet op de aard van de kosten die gerekend kunnen worden tot deze “oprichtingskosten”. Bovendien volgt uit de beëindigingsregeling zoals verwoord in de hiervoor weergegeven bepaling niet dat, indien de uitleg van Shed en Filmotion van het woord “uitzondering“ zou worden gevolgd, de verplichting tot vergoeding van de kosten voor de salarissen volledig op Resilience zou komen te rusten. Over de vraag op wie deze verplichting in dat geval zou rusten, geeft deze bepaling geen uitsluitsel. Indien partijen zouden hebben beoogd Resilience volledig voor deze kosten aansprakelijk te maken, zou het voor de hand hebben gelegen om dat in deze bepaling tot uitdrukking te brengen.

Daarnaast ligt de uitleg van Shed en Filmotion niet voor de hand omdat, zoals in het navolgende nog aan de orde zal komen, bij voortijdige beëindiging van de samenwerking niet meer de in de Letter of Intent opgenomen verplichting geldt dat de door Resilience gefinancierde oprichtings- en inrichtingskosten als achtergestelde lening in de op te richten vennootschap worden ingebracht. Dit zou dus betekenen dat Resilience bij beëindiging van de samenwerking de volledige salariskosten van Shed en Filmotion zou moeten dragen zonder dit bedrag op enig moment terugbetaald te krijgen.

5.10. Hetgeen Shed en Filmotion hebben aangevoerd ten aanzien van hun reden voor het sluiten van de Letter of Intent, namelijk dat de bestuurders van Shed en Filmotion voor het starten van de onderneming hun banen hebben moeten opzeggen, en dat zij daarom een garantie verlangden voor betaling van hun salarissen, betekent niet dat in hoge mate aannemelijk is dat de beëindigingsbepaling moet worden uitgelegd zoals zij deze hebben uitgelegd. Voor zover het verkrijgen van een salarisgarantie de reden was voor Shed en Filmotion voor het sluiten van de Letter of Intent (Resilience heeft deze reden en het bestaan van een salarisgarantie betwist), is een dergelijke bedoeling alleen relevant indien deze ten tijde van het sluiten van de Letter of Intent voor Resilience kenbaar was. Uit de Letter of Intent zelf is deze bedoeling niet kenbaar. Waar in de Letter of Intent wordt gesproken over de door de bestuurders van Shed en Filmotion te verdienen salarissen, worden het woord “garantie” of woorden van gelijke strekking niet gebruikt, maar wordt slechts aangegeven welk salaris de bestuurders zullen gaan verdienen en op welke wijze het salaris in de toekomst zal worden vastgesteld. Indien partijen wel beoogd hebben een salarisgarantie overeen te komen, dan is voor het vaststellen daarvan nadere bewijslevering vereist, bijvoorbeeld in de vorm van een getuigenverhoor. Daarvoor is evenwel in een kort geding geen plaats.

5.11. Het voorgaande betekent dat niet met de vereiste hoge mate van aannemelijkheid vaststaat dat partijen met het uitsluiten van de salarissen in de beëindigingsregeling hebben bedoeld dat de salariskosten van Shed en Filmotion volledig voor rekening van Resilience zouden komen. Dit betekent dat de vordering van Shed en Filmotion voor zover deze betrekking heeft op de door hen gevorderde salariskosten en gegrond is op niet-nakoming van de overeengekomen beëindigingsregeling, moet worden afgewezen.

5.12. Het voorgaande geldt niet tevens voor de overige oprichtingskosten waarvan Shed en Filmotion vergoeding vorderen. Dit betreft de volgende posten:

- notaris EUR 1.165,76

- Cappa EUR 5.460,--

- telefoon EUR 603,44

- vervoer EUR 390,03

- USCC EUR 4.875,--

- contante uitgaven EUR 2.225,49

-----------------

Totaal EUR 14.719,72

5.13. Het verweer van Resilience dat de beëindigingsregeling alleen is opgenomen voor de situatie dat het initiatief tot oprichten van fishEye B.V. niet zou worden doorgezet, vindt geen steun in de beëindigingsregeling, en wordt mitsdien verworpen.

Hetzelfde geldt voor zover Resilience de omvang van de gestelde kosten heeft betwist. Het maken van kosten met een omvang van ruim EUR 14.000,-- is bij een startende onderneming als fishEye Media B.V. niet als ongebruikelijk aan te merken. Met het enkel betwisten van de omvang van de hoogte van de kosten, zonder aan te geven in welke mate deze kosten afwijken van hetgeen bij startende ondernemingen gebruikelijk is, heeft Resilience haar betwisting onvoldoende gemotiveerd zodat deze wordt gepasseerd. Bovendien heeft Resilience voor het beoordelen van de gegrondheid van de opgevoerde kosten voldoende gelegenheid gehad. Zij is immers reeds bij brief van 31 januari 2009 van de aard en omvang van de oprichtingskosten op de hoogte gesteld. Niet gesteld of gebleken is dat zij op enig moment nadien om een specificatie van de kosten heeft verzocht. Om die reden kan Resilience Shed en Filmotion niet verwijten dat zij in het kader van dit kort geding niet de onderliggende stukken heeft overgelegd. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering toewijsbaar is tot het op grond van de beëindigingsregeling in de Letter of Intent door Resilience te dragen deel van de oprichtingskosten, derhalve tot een bedrag van EUR 4.906,57. Nu Shed en Filmotion niet hebben onderbouwd dat en waarom zij BTW verschuldigd zijn over het aan oprichtingskosten door Resilience aan hen te vergoeden bedrag, zal de gevorderde BTW over dit bedrag worden afgewezen.

5.14. Resilience heeft zich verder beroepen op verrekening van het aan Shed en Filmotion toekomende bedrag met haar vordering op Shed en Filmotion vanwege door haar ten behoeve van fishEye Media B.V. verrichte consultancy werkzaamheden alsmede gemaakte accountantskosten en kosten van juridisch advies.

5.15. Ten aanzien van de gestelde consultancywerkzaamheden geldt dat indien de beëindigingsregeling aldus moet worden verstaan dat onder de te vergoeden oprichtingskosten niet vallen de salarissen van Shed en Filmotion, zoals in dit kort geding het uitgangspunt is, dit a fortiori geldt voor de salariskosten van Resilience met betrekking tot de door haar ingeschakelde medewerkers. Reeds om die reden kan van verrekening met deze kosten geen sprake zijn.

Resilience heeft daarnaast niet toegelicht waaruit de door haar opgevoerde accountants-kosten en kosten van juridisch advies bestaan. Dat mocht wel van haar worden gevergd, nu de oprichtingshandelingen met betrekking tot fishEye Media B.V. in overwegende mate door Shed en Filmotion zijn verricht. In dit licht ligt voor de hand dat zíj oprichtingskosten hebben gemaakt, maar hetzelfde geldt niet - in ieder geval niet zonder nadere toelichting, die ontbreekt - voor Resilience. Ook deze post leent zich dan ook niet voor verrekening.

5.16. Als subsidiaire grondslag voor de gevorderde salariskosten hebben Shed en Filmotion aangevoerd dat Resilience onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld door hen willens en wetens de Letter of Intent te laten uitvoeren, kosten te laten maken en de bestuurders van Shed en Filmotion hun bestaande banen heeft laten opzeggen in de wetenschap dat de benodigde door haar te verstrekken financiering niet rond was, en de verschuldigde salarissen niet zouden worden betaald.

5.17. Afgezien van het antwoord op de vraag of voormelde handelwijze onrechtmatig is jegens Shed en Filmotion, zouden de gevorderde salariskosten alleen op deze grond voor toewijzing vatbaar zijn, indien de salarissen wel aan Shed en Filmotion zouden zijn betaald, indien Resilience zich niet schuldig zou hebben gemaakt aan het gestelde handelen. Dat is niet aannemelijk geworden. Indien Resilience kort na het afwijzen van de gewenste financiering door de Rabobank Shed en Filmotion daarvan op de hoogte zou hebben gesteld, zou dit hooguit hebben geleid tot een eerdere beëindiging van de samenwerking tussen partijen dan thans het geval is. Ook in een dergelijk geval zou de beëindigingsregeling van de Letter of Intent hebben gegolden, zodat ook in een dergelijk geval - naar in het kader van dit kort geding moet worden aangenomen - geen aanspraak zou bestaan op betaling van salarissen. Dit betekent dat voor zover Resilience al onrechtmatig jegens Shed en Filmotion zou hebben gehandeld, de salarissen niet als ten gevolge van deze handelwijze geleden schade voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. De vordering van Shed en Filmotion tot betaling van salarissen zal dan ook - ook voor zover deze op de subsidiaire grondslag is ingesteld - worden afgewezen.

5.18. De gevorderde wettelijke rente over het toe te wijzen bedrag aan oprichtingskosten is toewijsbaar met ingang van de datum waarop de in de ingebrekestelling van 23 februari 2009 gestelde termijn is afgelopen, derhalve met ingang van 28 februari 2009.

5.19. Shed en Filmotion vorderen Resilience te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in art. 706 Rv in beginsel toewijsbaar. Anders dan Resilience heeft gesteld kan het leggen van een multi-bank beslag, een beslag onder alle banken in Nederland, niet als onrechtmatig worden aangemerkt. Indien de beslaglegger niet weet bij welke bank de schuldenaar rekeningen heeft lopen, en deze kennis ook niet te verkrijgen is, valt niet in te zien waarom het een beslaglegger niet zou zijn toegestaan om ter verzekering van zijn vorderingen beslag te leggen onder meerdere banken in Nederland. De consequentie daarvan is naar het oordeel van de voorzieningenrechter wel dat voor zover deze beslagen geen doel hebben getroffen omdat de schuldenaar geen rekening bij de betreffende banken heeft, de beslaglegging als onnodig moet worden gekwalificeerd, en de beslaglegger de kosten daarvan niet in rekening kan brengen bij de schuldenaar. Shed en Filmotion hebben gesteld dat één beslag wel doel heeft getroffen, maar dat deze niet heeft ‘gekleefd’, omdat het saldo van de rekening niet toereikend was. Ten aanzien van dit beslag kan niet geoordeeld worden dat het onnodig is gelegd. De enkele omstandigheid dat het betreffende beslag is vervallen vanwege het niet instellen van een bodemprocedure, betekent niet dat Resilience deze kosten niet verschuldigd is. De beslagkosten worden met inachtneming van het voorgaande begroot op EUR 212,61 voor verschotten en EUR 894,00 voor salaris advocaat (1 rekest x EUR 894).

5.20. Shed en Filmotion zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Resilience worden begroot op:

- vast recht EUR 262,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal EUR 1.078,00

6. De beoordeling in voorwaardelijke reconventie

6.1. Aan de voorwaarde waaronder de reconventionele vordering is ingesteld, is voldaan, zodat de voorzieningenrechter nu toekomt aan de beoordeling van deze vordering.

6.2. Aan haar vordering tot zekerheidsstelling heeft Resilience ten grondslag gelegd dat uit de financieringsbehoefte van Shed en Filmotion volgt dat er een restitutierisico aan de zijde van deze vennootschappen bestaat.

6.3. Voor zover uit een restitutierisico al een wettelijke plicht zou voortvloeien tot het stellen van zekerheid als bedoeld in artikel 6:51 BW, geldt dat in het licht van de in conventie geoordeelde hoge aannemelijkheid van de vordering van Shed en Filmotion, voor zover deze ziet op betaling van de directe oprichtingskosten, het eventuele restitutierisico niet aan toewijzing in de weg staat en derhalve evenmin een verplichting tot zekerheidsstelling meebrengt. Deze vordering dient dan ook te worden afgewezen.

6.4. Voor zover de reconventionele vordering van Resilience ertoe strekt dat het door haar aan Shed en Filmotion te betalen bedrag als achtergestelde lening moet worden ingebracht in fishEye Media B.V., is daarvoor geen grondslag in de Letter of Intent aanwezig, zodat de vordering op dit punt niet toewijsbaar is. In de beëindigingsregeling is aangegeven wat de rechten en verplichtingen zijn van partijen bij beëindiging van de samenwerking. Uitgangspunt is het evenredig delen van de gemaakte oprichtingskosten. Daarmee is niet te verenigen dat een deel van de kosten, het deel van de oprichtingskosten dat Resilience aan Shed en Filmotion verschuldigd is, als achtergestelde lening moet worden ingebracht in fishEye Media B.V.

6.5. Resilience zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Shed en Filmotion worden begroot op:

- salaris advocaat EUR 816,00

- overige kosten 0,00

Totaal EUR 816,00

7. De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

7.1. veroordeelt Resilience om aan Shed en Filmotion te betalen een bedrag van EUR 4.906,57 (vierduizendnegenhonderdzes euro en zevenenvijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente over het toegewezen bedrag vanaf 28 februari 2009 tot de dag van volledige betaling,

7.2. veroordeelt Resilience in de beslagkosten, tot op heden begroot op EUR 1.106,61,

7.3. veroordeelt Shed en Filmotion in de proceskosten, aan de zijde van Resilience tot op heden begroot op EUR 1.078,00,

7.4. verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

7.5. wijst het meer of anders gevorderde af,

in voorwaardelijke reconventie

7.6. wijst de vorderingen af,

7.7. veroordeelt Resilience in de proceskosten, aan de zijde van Shed en Filmotion tot op heden begroot op EUR 816,00,

7.8. verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Schepen en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2009.?

w.g. griffier w.g. rechter

WV