Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BJ7044

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
02-09-2009
Datum publicatie
07-09-2009
Zaaknummer
269342 / KG ZA 09-633
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Afwijzing vordering ontruiming asielzoeker uit AZC; geen passende huisvesting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2009/424
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 269342 / KG ZA 09-633

Vonnis in kort geding van 2 september 2009

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

CENTRAAL ORGAAN OPVANG ASIELZOEKERS (COA),

zetelende te Rijswijk,

eiseres,

advocaat mr. C. Uyar,

tegen

[gedaagde],

wonende althans verblijvende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. J.Th.A. Bos.

Partijen zullen hierna het COA en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van het COA

- de wijziging van eis

- de pleitnota van [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Bij beschikking van 14 december 2007 is aan [gedaagde] een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van haar hoedanigheid van verdragsvluchteling.

2.2. Het COA draagt zorg voor de opvang van [gedaagde] in het AZC [woonplaats] te [woonplaats].

2.3. Bij brief van 10 januari 2008 heeft het COA aan [gedaagde] kenbaar gemaakt dat zij in aanmerking komt voor huisvesting in een gemeente.

2.4. Op 8 december 2008 heeft het COA met [gedaagde] een zogenaamd “B6 Formulier t.b.v. huisvesting vergunninghouders” ingevuld. Daarin is telkens “nee” aangekruist bij de volgende plaatsingscriteria:

“4.1. Betrokkene ondergaat een specifieke, niet over te dragen, medische behandeling in de gemeente

4.2. Betrokkene heeft familie in de 1e graad in de gemeente (regulier gehuisvest)

4.3. Betrokkene heeft (vast) werk (minimaal een half jaar en 20 uur per week) in de gemeente

4.4. Betrokkene is toegelaten tot een opleiding (zeer specifiek) in de gemeente

4.5. Er is een visum voor gezinshereniging verleend”

2.5. Bij brief van 12 maart 2009 is [gedaagde] door de gemeente IJsselstein uitgenodigd voor het tekenen van een huurovereenkomst met betrekking tot de woning aan het [adres] te [woonplaats], hierna te noemen: de woning. [gedaagde] heeft deze woning geweigerd.

2.6. Op 22 april 2009 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen het COA en [gedaagde] over de woningweigering. In het daarvan gemaakte verslag is onder meer het volgende opgenomen:

“(…)

Redenen die betrokkene opgegeven heeft om de passende huisvesting te weigeren:

• De woning heeft die ik aangeboden kreeg moet ik met andere mensen delen. Dat wil ik niet.

• Ik ben gevlucht vanwege politieke redenen die gerelateerd kunnen worden aan stammenconflicten. De United Nations heeft ons ook erkend als politiek vluchteling, zeker omdat wij als Oromo's onderdrukt en vervolgd worden door Ethiopische overheid die voor een groot gedeelte bestaat uit Trigrees en Amhara’s, die zichzelf Ethiopiërs noemen. Mijn familie loopt nu ook gevaar. Vele familieleden zijn gevlucht naar Kenia. Dit had Coa kunnen weten dat ik niet met Ethiopiërs in 1 huis kan wonen.

• Sinds ik in Nederland ben heb ik een veilig gevoel. Ik begrijp niet dat de Coa mij dit huis heeft aangeboden waar Ethiopiërs in wonen. Ik ben nu mijn gevoel van veiligheid weer helemaal kwijt.

• Wat ik van Coa niet begrijp is dat ik in het verleden in huis heb aangeboden gekregen met mijn broer samen. Dit huis hebben wij geweigerd omdat we alleen wilden wonen. Toen heeft de Coa ons van elkaar losgemaakt. (Allebei een ple gegeven.) Toen werden mijn rechten gerespecteerd, daar ben ik dankbaar voor. Nu zou ik weer een huis moeten delen met iemand anders. Nu lijkt het alsof mijn rechten niet gerespecteerd worden.

• 8 maanden geleden had ik een andere case-manager die vroeg waar ik graag wilde wonen. Ik heb toen aangegeven dat ik graag in de omgeving van Purmerend of Haarlem wilde wonen, omdat daar meerdere Oromo's leven. Volgende case-manager zei dat de voorkeur voor Haarlem en Purmerend eraf moest anders zou het Coa geen huis meer voor mij zoeken. Ik wilde de Coa niet tegenwerken omdat het bericht van de Coa afkomstig af. Toen heb ik opnieuw ondertekend. (…)”

2.7. Op 18 mei 2009 heeft het COA aan [gedaagde] medegedeeld dat de woningweigering onterecht is bevonden.

2.8. Bij brief van 2 juni 2009 heeft het COA [gedaagde] gesommeerd het AZC [woonplaats] te ontruimen.

2.9. Bij brief van 13 augustus 2009 heeft woningbouwvereniging Portaal [gedaagde] uitgenodigd voor het ondertekenen van een huurovereenkomst met betrekking tot de woning aan de [adres] te [woonplaats].

3. Het geschil

3.1. Het COA vordert samengevat - na eiswijziging:

primair: dat [gedaagde] veroordeeld wordt tot ontruiming van het AZC [woonplaats],

subsidiair: dat [gedaagde] veroordeeld wordt tot ontruiming van het AZC [woonplaats] onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet tot ondertekening van de huurovereenkomst met betrekking tot de (door haarzelf gevonden) huurwoning te [woonplaats] is overgegaan dan wel om andere redenen deze huurwoning niet betrekt.

3.2. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De kern van het geschil tussen partijen betreft het antwoord op de vraag of het COA met het aanbieden van de huurwoning te [woonplaats] [gedaagde] een passende huisvesting buiten de opvangvoorziening heeft aangeboden in de zin van artikel 7 lid 1 sub a van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (hierna: Rva 2005), welke regeling op [gedaagde] van toepassing is. Indien dat het geval is, eindigt de opvang van de asielzoeker op grond van deze bepaling van rechtswege, en is vanaf dat moment sprake van onrechtmatig verblijf van [gedaagde] in het AZC [woonplaats].

4.2. Het COA heeft aangevoerd dat zij als beleid hanteert dat zij bij het aanbieden van passende huisvesting alleen rekening houdt met de volgende plaatsingscriteria:

- betrokkene ondergaat een specifieke, niet over te dragen, medische behandeling in de gemeente,

- betrokkene heeft familie in de 1e graad in de gemeente (regulier gehuisvest),

- betrokkene heeft (vast) werk (minimaal een half jaar en 20 uur per week) in de gemeente,

- betrokkene is toegelaten tot een opleiding (zeer specifiek) in de gemeente, of

- er is een visum voor gezinshereniging verleend.

4.3. Het COA heeft gesteld dat de hiervoor genoemde limitatieve plaatsingscriteria niet op [gedaagde] van toepassing zijn. [gedaagde] heeft dat niet betwist. Op het door het COA in overleg met [gedaagde] op 8 december 2008 ingevulde B6-formulier, is ook ten aanzien van deze criteria telkens aangegeven dat deze zich ten aanzien van [gedaagde] niet voordeden.

4.4. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft het COA aangegeven dat er bijzondere omstandigheden kunnen zijn die aanleiding kunnen zijn voor afwijking van dit beleid. Volgens het COA zijn de omstandigheden die [gedaagde] als redenen voor haar weigering heeft aangegeven (zoals weergegeven in het gespreksverslag van het woningweigeringsgesprek), niet aan te merken als bijzondere omstandigheden, aangezien deze individuele woonwensen betreffen dan wel wensen die verband houden met ras of geloof en het rekening houden daarmee in strijd is met het beleid van het COA. Bovendien heeft [gedaagde] nagelaten deze omstandigheden tijdig aan het COA kenbaar te maken, aldus het COA.

4.5. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat de door haar aangegeven omstandigheden wel bijzondere omstandigheden zijn die tot afwijking van het beleid van het COA aanleiding hadden moeten geven.

4.6. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft het COA aangegeven dat zij de plaatsingscriteria beschouwt als limitatief en deze ook als zodanig hanteert. Tegelijkertijd verlangt zij van de asielzoeker dat hij tijdig kenbaar maakt dat er bijzondere omstandigheden zijn die aanleiding moeten geven om van deze limitatieve plaatsingscriteria af te wijken. Naar het oordeel van de voorzieningen-rechter kan dat alleen van de asielzoeker gevergd worden, indien hem door het COA uitdrukkelijk de gelegenheid wordt gegeven om dergelijke bijzondere omstandigheden aan te voeren. Het COA heeft niet gesteld dat [gedaagde] deze uitdrukkelijke gelegenheid is gegeven bij het invullen van het B6-formulier. Dit formulier laat voor het invullen van dergelijke bijzondere omstandigheden overigens ook geen ruimte. Dit betekent dat het er voor moet worden gehouden dat [gedaagde] niet uitdrukkelijk de gelegenheid is geboden bij het invullen van het B6-formulier om bijzondere omstandigheden te vermelden die afwijking van de plaatsingscriteria rechtvaardigen. Om die reden kan het COA [gedaagde] dan ook niet verwijten dat zij deze bijzondere omstandigheden pas ter gelegenheid van het gesprek over de woningweigering kenbaar heeft gemaakt. Overigens geldt ook dan dat niet van een asielzoeker mag worden verwacht dat hij reeds op het moment waarop het B6-formulier wordt ingevuld, kan overzien welke bijzondere omstandigheden zich zouden kunnen voordoen, aangezien hij niet weet welke omstandigheden zich zouden kunnen voordoen met betrekking tot de woning die aan hem of haar zal worden aangeboden.

4.7. Dit betekent dat het COA in de regel na het gesprek over de woningweigering zelfstandig zal moeten beoordelen of de voor deze weigering gegeven redenen bijzondere omstandigheden opleveren die afwijking van haar beleid met betrekking tot de plaatsingscriteria rechtvaardigen.

4.8. Met het COA is de voorzieningenrechter van oordeel dat de situatie op de Nederlandse markt voor huurwoningen het niet toelaat om met individuele woonwensen rekening te houden. Voor zover de door [gedaagde] voor haar weigering gegeven redenen als individuele woonwensen beschouwd dienen te worden (de voorkeur voor bepaalde gemeenten en de voorkeur voor het zelfstandig wonen), heeft het COA deze dan ook als niet valide kunnen aanmerken.

4.9. Ook het uitgangspunt van het COA dat met omstandigheden met betrekking tot ras en geloof geen rekening wordt gehouden, kan niet als onredelijk worden beschouwd. Dit betekent echter niet dat het COA nooit met dergelijke omstandigheden rekening hoeft te houden. Ter gelegenheid van het gesprek over de woningweigering heeft [gedaagde] aangegeven dat zij uit haar thuisland Ethiopië is gevlucht om politieke redenen die gerelateerd kunnen worden aan stammenconflicten in haar thuisland. Vervolgens heeft [gedaagde] aangegeven dat zij tot de bevolkingsgroep van de Oromo’s behoort die door de Ethiopische overheid wordt onderdrukt. In verband hiermee kan zij, aldus [gedaagde], niet met een Ethiopiër in één huis wonen. Zij zou in dat geval haar gevoel van veiligheid kwijt zijn. Zij heeft vervolgens de woning te [woonplaats] geweigerd omdat de woning een onzelfstandige woning betreft, waarin al een Ethiopiër woonachtig is.

4.10. Het COA heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet in redelijkheid tot het oordeel kunnen komen dat deze reden om de woning te weigeren geen bijzondere omstandigheid vormt om af te wijken van haar beleid. De reden van [gedaagde] voor woningweigering had - mede in het licht van omstandigheid dat, blijkens de door het COA overgelegde beschikking, [gedaagde] een vergunning voor bepaalde tijd asiel is verleend wegens haar hoedanigheid van ‘verdragsvluchteling’ - voor het COA aanleiding moeten zijn om in verband met de beoordeling van de juistheid van de woningweigering navraag te doen bij [gedaagde] dan wel bij de IND naar de omstandigheden op basis waarvan de vergunning is verleend. In dat geval zou zij hebben vernomen dat deze vergunningverlening heeft plaatsgevonden in verband met het feit dat [gedaagde] actief is geweest voor het Oromo Liberation Front en daarvoor in haar thuisland door Ethiopiërs is gearresteerd, gedetineerd en gemarteld. Het ligt voor de hand dat [gedaagde] door het meemaken van deze traumatische gebeurtenissen gevoelens van onveiligheid en angst naar Nederland heeft meegenomen, zoals ook wordt bevestigd door de door [gedaagde] overgelegde verklaring van het RIAGG Amersfoort van 12 augustus 2009. Onder deze omstandigheden kan van [gedaagde] niet worden gevergd dat zij samenwoont in een onzelfstandige woonruimte met een persoon van Ethiopische afkomst, aangezien zij dan dagelijks met deze persoon zou worden geconfronteerd. De omstandigheid dat - zoals de UNHCR Netherlands in de door [gedaagde] overgelegde zijn e-mail meldt - geen melding wordt gemaakt van het feit dat [gedaagde] is vervolgd door de specifieke stam waartoe deze inwonende persoon behoort, is in verband met de aard van het trauma onvoldoende om tot een andere conclusie te leiden.

4.11. Het voorgaande betekent dat het COA naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat de aangeboden woning te [woonplaats] een passende huisvesting zou zijn voor [gedaagde]. Dit betekent dat het recht op opvang van [gedaagde] in het AZC [woonplaats] niet conform artikel 7 Rva 2005 is geëindigd, zodat zij daar niet onrechtmatig verblijft. De vordering tot ontruiming van [gedaagde] zal derhalve worden afgewezen.

4.12. Het COA zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- vast recht EUR 262,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal EUR 1.078,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt het COA in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op EUR 1.078,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.W.M. de Wolf en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2009.

w.g. griffier w.g. rechter?

WV