Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BJ6275

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
28-08-2009
Datum publicatie
28-08-2009
Zaaknummer
272993 / FA RK 09-5005; 272995 / JE RK 09-2115
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot voorlopige voogdij in verband met voorgenomen solozeiltocht om de wereld van 13-jarig kind. Ouders willen zeilreis niet verbieden. De rechtbank wijst het verzoek tot voorlopige voogdij over de minderjarig af; de rechtbank wijst het verzoek tot uithuisplaatsing af; de rechtbank wijst toe het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling; Een deskundige krijgt de opdracht nader onderzoek te doen naar het specifieke ontwikkelingsniveau van de minderjarige. De rechtbank wil ook weten of het mogelijk is of de minderjarige door middel van zelfstudie haar scholing op zich te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

Zaaknummers:

272993 / FA RK 09-5005 voorlopige voogdij

272995 / JE RK 09-2115 (voorlopige) ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing

Beschikking van 28 augustus 2009 van de meervoudige kamer van de rechtbank Utrecht met betrekking tot de minderjarige:

[kind], geboren te [geboorteplaats], op [1995],

kind van

[vader], wonende te [woonplaats],

en

[moeder], wonende te [woonplaats].

1. Verloop van de procedure

Op 20 augustus 2009 heeft de Raad voor de Kinderbescherming, vestiging Utrecht, een verzoekschrift met bijlagen ingediend dat primair strekt [kind] voorlopig onder voogdij te plaatsen van Bureau Jeugdzorg Utrecht, afdeling Jeugdbescherming, en subsidiair om [kind] (voorlopig) onder toezicht te stellen en een machtiging tot uithuisplaatsing bij moeder te verlenen.

Op 24 augustus 2009 heeft de meervoudige kamer de zaak ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- [kind], de minderjarige,

- de heer [vader], de vader,

- mr. P.A. de Lange, raadsman van [kind] en vader,

- mevrouw A.M. Willems en mevrouw R. Bogers, beiden namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna de Raad),

- de heren P. Bolink, R. Weijers, R.H. Greuters en J. Lanshage en mevrouw M. Croeze, allen namens Bureau Jeugdzorg Utrecht (hierna BJZ).

De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De Raad heeft ter zitting zijn subsidiaire verzoek tot (voorlopige) ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing bij moeder uitgebreid, in die zin dat de Raad nu tevens een machtiging tot uithuisplaatsing in een residentiële voorziening verzoekt.

2. De feiten

[kind] is geboren tijdens het huwelijk van de ouders.

Sinds de scheiding van haar ouders in 2002 woont [kind] bij haar vader.

De ouders hebben gezamenlijk gezag.

3. Beoordeling van het verzochte

Inleiding

In de eerste plaats verzoekt de Raad de ouders te schorsen in de uitoefening van hun gezag over [kind] en BJZ te belasten met de voorlopige voogdij. (1:272 BW) Volgens de Raad geniet deze maatregel de voorkeur omdat deze BJZ de meeste bevoegdheden geeft om [kind] ervan te weerhouden dat zij voor twee jaar vertrekt om een solozeiltocht rond de wereld te maken en om haar, na onverhoopt vertrek, eventueel vanuit het buitenland naar Nederland terug te (laten) geleiden. Mocht de rechtbank de maatregel van schorsing van het gezag te vergaand vinden, dan verzoekt de Raad een (voorlopige) ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing bij moeder dan wel in een residentiële voorziening. De Raad legt – kort samengevat – aan zijn verzoeken ten grondslag dat [kind] gedurende haar tweejarige zeezeilreis onvoldoende zal toekomen aan haar ontwikkelingstaken, nu zij in dat geval het contact met haar leeftijdsgenoten en de noodzakelijke betrokkenheid en ondersteuning van volwassenen ontbeert, zij emotioneel wordt overvraagd en zij over onvoldoende copingsvaardigheden beschikt om de problemen en extreme uitdagingen die haar te wachten staan, het hoofd te bieden. De Raad concludeert dat de door [kind] geplande zeiltocht onverantwoordelijke risico’s meebrengt voor haar identiteitsontwikkeling, haar fysieke veiligheid en geestelijke gezondheid. Daarnaast ziet de Raad een risico voor de cognitieve ontwikkeling van [kind] doordat zij, zelf, zonder begeleiding van volwassenen, via de Wereldschool voor haar scholing zou moeten zorg dragen. De Raad meent dat nu beide ouders [kind] niet beletten in het ondernemen van de zeezeilreis, en dus [kind] niet in bescherming nemen tegen voornoemde risico’s, er geen andere mogelijkheid bestaat dan om met behulp van een kinderbeschermingsmaatregel te interveniëren.

Ter zitting hebben behalve de vertegenwoordigers van de Raad, [kind], de vader, mr. De Lange en BJZ hun standpunten naar voren gebracht. Hetgeen door hen is gezegd dan wel als verweer aangevoerd zal in het navolgende aan de orde komen.

De rechtbank stelt voorop dat de Raad voorlopige maatregelen heeft verzocht, maatregelen die vooruitlopen op definitieve kinderbeschermingsmaatregelen, en dat de rechtbank deze verzoeken dient te beoordelen binnen de juridische kaders zoals die zijn neergelegd in de wet. Bij de beoordeling van deze zaak gaat het er dan ook niet om, om te bekijken wat beter, meer verantwoord of wenselijker zou zijn voor de ontwikkeling van [kind], maar of aan de strenge wettelijke criteria voor de verzochte kinderbeschermingsmaatregelen wordt voldaan. Met andere woorden, of de overheid met behulp van een kinderbeschermingsmaatregel wettelijk gezien mag ingrijpen in de grote mate van vrijheid die aan ouders toekomt wat betreft de opvoeding en verzorging van hun kinderen. Immers, alleen dan mag de vrijheid van ouders beperkt worden.

Ten aanzien van de voorlopige voogdij

Het primaire verzoek van de Raad om de ouders in de uitoefening van het gezag over [kind] te schorsen en BJZ te belasten met de voorlopige voogdij is een spoedeisende maatregel die volgens artikel 1:272 lid 1 BW uitsluitend kan worden toegewezen wanneer er feiten aan de orde zijn die tot ontzetting van het gezag kunnen leiden en wanneer dit dringend en onverwijld noodzakelijk is. De maatregel van ontzetting is een uiterste maatregel van kinderbescherming met een onterend karakter, gericht tegen slechte ouders die zich verwijtbaar verkeerd hebben gedragen. Bovendien wordt de maatregel slechts uitgesproken wanneer de rechtbank dit in het belang van het kind noodzakelijk oordeelt.

De eerste vraag die op grond van de wet in dit verband moet worden beantwoord is of de ouders kan worden verweten dat zij de verzorging of opvoeding van [kind] op grove wijze verwaarlozen door na te laten [kind] te verbieden haar zeilplannen uit te voeren (artikel 1:269 lid 1, onder a BW).

De solo-zeiltocht om de wereld, die [kind] als bijna veertienjarig meisje voor ogen staat, is ontegenzeggelijk een gewaagde en risicovolle onderneming. Zij is van plan om gedurende twee jaar geheel alleen de route af te leggen, waarin zij op verschillende trajecten geconfronteerd zal worden met moeilijke omstandigheden die haar mentale en fysieke vermogens behoorlijk op de proef zullen stellen. Daarnaast zal zij ten opzichte van mensen die zij in havens of elders onderweg tegenkomt adequaat moeten optreden, ook wanneer zij in moeilijkheden dreigt te raken. Verder zal zij in staat moeten zijn om zonder de directe steun van volwassenen haar schoolprogramma te volgen. De persoonlijke ontwikkeling van [kind] afgezet tegen wat een gemiddeld kind doorloopt in deze levens- en ontwikkelingsfase zal daarvan afwijken, alleen al omdat [kind] niet in een gemiddelde context van gezin, school en sociale verbanden met leeftijdgenoten verblijft.

De vader heeft zelf en bij monde van de advocaat laten blijken dat hij er op toeziet dat de tocht goed wordt voorbereid. Zelf heeft hij jaren zeilend doorgebracht, [kind] is de eerste vier jaren opgegroeid tijdens een wereldzeereis, en samen hebben vader en [kind] heel veel zeezeiltochten gemaakt. Het was al langer duidelijk dat [kind] een solozeiltocht rond de wereld wilde maken, maar toen zij te kennen gaf de reis reeds op deze leeftijd te willen ondernemen, stond hij er aanvankelijk niet positief tegenover. Om die reden, zo stelt hij, heeft hij barrières opgeworpen, maar die heeft zij één voor één geslecht. Inmiddels is de boot met alle mogelijke navigatie- en veiligheidsapparatuur uitgerust, is een route uitgestippeld die de minste risico’s in zich draagt en zijn er in verschillende havens voor hem en/of [kind] bekende mensen beschikbaar. [kind] is zeiltechnisch zeer goed onderlegd, dankzij de vele zeilervaring die zij van jongs af aan heeft opgedaan en zij heeft tijdens zeiltochten met haar vader laten zien dat zij goed bestand is tegen, en zeer adequaat reageert bij, behoorlijk grote tegenslagen en verder dat zij met allerlei verschillende mensen gemakkelijk kan omgaan. Daarbij heeft [kind], aldus haar vader, laten zien dat zij geheel zelfstandig haar zaken kan regelen, door zelf sponsoren, de aanmelding bij de Wereldschool en andere zaken rond de reis te organiseren.

De rechtbank leidt uit de opstelling van vader af dat hij zich realiseert dat de droomtocht van zijn dochter risico’s met zich meebrengt en dat hij er voor moet zorgen dat de nodige maatregelen worden getroffen, zodat zij zo goed mogelijk voorbereid kan uitvaren.

De inschatting die de Raad van de risico’s voor [kind] maakt, is een heel andere. In de ogen van de Raad zijn de risico’s niet te beteugelen door veiligheidsmaatregelen te treffen, omdat de tocht inherent gevaarlijk is voor een kind van de leeftijd van [kind] en bovendien schadelijk voor haar ontwikkeling, nu zij onvoldoende toekomt aan haar ontwikkelingstaken.

Echter, het enkele feit dat het perspectief van de vader zo verschilt van die van de Raad, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat vader als slechte ouder het ernstige verwijt van grove verwaarlozing kan worden gemaakt, mede gelet op de grote betrokkenheid van vader bij de zeilplannen van [kind], het door hem in eerste instantie opwerpen van barrières voor haar en het vervolgens scheppen van randvoorwaarden met betrekking tot de reis, zoals het zorgdragen voor een naar omstandigheden zo hoog mogelijke veiligheid van [kind] en het inzetten van zijn netwerk. Hij geeft dan ook invulling aan zijn ouderlijke verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn van [kind] en zijn plicht om de ontwikkeling van haar persoonlijkheid en veiligheid te bevorderen (zie artikel 1:247 lid 2 BW) vanuit zijn eigen ervaring en perspectief, welk perspectief voor hevige maatschappelijke discussie vatbaar is gebleken. Nu verder geen enkele objectieve informatie beschikbaar is over welk perspectief de juiste is, kan hem thans reeds daarom niet een gegrond ernstig verwijt worden gemaakt dat hij een slechte vader zou zijn op grond waarvan het dringend en noodzakelijk is om hem het gezag te ontnemen.

De rechtbank komt ten aanzien van het primaire verzoek dan ook tot de conclusie dat wat betreft de vader de gronden voor toewijzing van de maatregel van voorlopige voogdij (artikel 1:272 BW) niet aan de orde zijn. De overweging van de Raad om met een voorlopige voogdijmaatregel een machtsmiddel te hebben in het buitenland om [kind] terug te (laten) geleiden naar Nederland, kan voor de rechtbank geen argument zijn om een andere afweging te maken, nu bij de beoordeling geen andere aspecten een rol mogen spelen dan de vraag of aan de wettelijke criteria voor toewijzing wordt voldaan.

Wat betreft de positie van de moeder weet de rechtbank uit de rapportage van de Raad niet meer dan dat zij de plannen van haar dochter ‘eng’ vindt, maar dat zij er voor gekozen heeft haar dochter niet tegen te houden. Feitelijk lijken moeder en dochter niet zoveel contact te hebben met elkaar. Nu vader als primaire verzorger geen grove verwaarlozing kan worden verweten, kan de moeder, door de verzorging aan de vader over te laten, dat verwijt evenmin worden gemaakt.

Ten aanzien van de voorlopige ondertoezichtstelling

De rechtbank ziet echter wel gronden om de subsidiair verzochte voorlopige ondertoezichtstelling over [kind] uit te spreken. Het gaat om een dringend en onverwijld noodzakelijke spoedmaatregel, hangende het onderzoek naar de vraag of er sprake van is dat [kind] zodanig opgroeit dat haar zedelijke of geestelijke belangen of haar gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen (artikel 1:255 juncto artikel 1:254 BW).

Uit de informatie van de Raad maakt de rechtbank op dat de Raad weliswaar geen bedenkingen heeft bij de zeilvaardigheden van [kind] om de reis te volbrengen, maar gelet op haar leeftijd wel grote vraagtekens plaatst bij de zogenoemde copingsvaardigheden waarover [kind] op haar reis zal moeten beschikken. Het gaat daarbij om het vermogen om met extreme omstandigheden om te gaan zoals windstiltes en zeer sterke wind, eenzaamheid, gebrek aan slaap en lastige mensen. Daarnaast zou er sprake van kunnen zijn dat de reis van twee jaar de ontwikkelingstaken behorend bij haar leeftijdsfase negatief beïnvloedt en wel in die mate dat gesproken kan worden van een ernstig bedreigde ontwikkeling. De vader en [kind] hebben weliswaar gesteld dat [kind] in haar ontwikkeling ver vooruit is op haar leeftijdgenoten in de zin dat ze erg zelfstandig is en dat zij goed met tegenslagen en mensen van allerlei slag kan omgaan, maar noch de gevreesde ernstige ontwikkelingsbedreiging die de Raad voorziet, noch de geestelijke veerkracht waar de vader vanuit gaat, is voldoende met concrete informatie onderbouwd. De rechtbank beschikt alleen over de rapportage van de Raad waarin in algemene termen over de ontwikkelingsstadia van kinderen is geschreven en over de veronderstelde impact van de reis op de psyche van [kind]. [kind] zelf is niet door de Raad gehoord of onderzocht, omdat de Raad haar in de onderzoeksperiode niet heeft kunnen bereiken.

De beschikbare informatie heeft tot gevolg dat de rechtbank er vooralsnog van uitgaat dat [kind]’s psychische ontwikkeling en gezondheid gevaar kunnen lopen als zij binnenkort weg zou gaan en dat haar ontwikkeling alsdan ernstig wordt bedreigd. Het ondernemen van de solo zeezeilreis van twee jaar met alle risicovolle factoren van dien, wijkt zozeer af van wat van een gemiddeld bijna veertienjarig meisje wat betreft ontwikkelingsniveau aankan en heeft zodanige invloed op de ontwikkelingstaken van een gemiddeld meisje van die leeftijd, dat een ernstige ontwikkelingsbedreiging kan worden verondersteld.

De advocaat is van mening dat een meisje als [kind] de gelegenheid moet krijgen een dergelijke topprestatie te volbrengen. Hij heeft haar ambitie vergeleken met kinderen die andere takken van topsport beoefenen en die juist worden gestimuleerd om wellicht ten koste van gemiddelde ontwikkelingstaken succes te behalen. Deze vergelijking gaat volgens de rechtbank niet op, omdat kinderen bij de beoefening van topsport worden omgeven door begeleiders en meestal ook ouders om er juist voor te zorgen dat zij naast hun topsport ook op andere vlakken een goede ontwikkeling doormaken. In het geval van [kind] zou het gaan om een solotocht zonder directe begeleiding.

Een voorlopige ondertoezichtstelling (VOTS) is naar het oordeel van de rechtbank dan ook op zijn plaats. Echter of op deze voorlopige maatregel een definitieve ondertoezichtstelling moet volgen, staat voor de rechtbank niet vast. Daarvoor is nodig dat specifiek naar het ontwikkelingsniveau en naar de ontwikkelingstaken van [kind] wordt gekeken, in plaats van dat haar reis wordt afgezet tegen het ontwikkelingsniveau en de ontwikkelingstaken van een bijna veertienjarig meisje. De periode van de VOTS dient dan ook gebruikt te worden om nader onderzoek te doen specifiek naar [kind]’s ontwikkeling en naar de vraag of zij de reis psychisch kan doorstaan en of zij in staat is om, bijvoorbeeld via de Wereldschool, door middel van zelfstudie HAVO 3 en 4 te volbrengen.

De rechtbank ziet reden om een VOTS uit te spreken voor de duur van twee maanden, in plaats van de gebruikelijke drie maanden, omdat als uit de onderzoeken blijkt dat de reis voor [kind] geen ernstige ontwikkelingsbedreiging oplevert, er geen wettelijke grondslag is om door middel van een ondertoezichtstelling de reis te beletten.

De rechtbank zal het verzoek tot een definitieve ondertoezichtstelling inhoudelijk behandelen op 26 oktober 2009 en gaat er vanuit dat de Raad tien dagen voor die tijd zijn onderzoek naar een definitieve OTS heeft afgerond. Door middel van dit onderzoek wenst de rechtbank in elk geval ook meer inzicht te krijgen in de wijze waarop de reis is voorbereid en met welke veiligheidsmaatregelen deze is omgeven. Om het vereiste inzicht te krijgen in de persoon van [kind], haar ontwikkelingsniveau en psychische capaciteiten zal de rechtbank zelfstandig een deskundige benoemen, mw. drs. S. Moonen, kinder- en jeugdpsycholoog te Amsterdam. Deze deskundige heeft zich reeds bereid verklaard de opdracht te aanvaarden en het rapport, waarbij de medewerking van [kind] en haar ouders wordt verondersteld, op 16 oktober 2009 gereed te hebben. De rechtbank is voornemens de volgende vragen aan de deskundige voor te leggen:

1. Wat is het ontwikkelingsniveau, waaronder ook te verstaan de copingsvaardigheden, van [kind], afgezet tegen een gemiddeld (bijna) veertienjarig meisje?

2. Welke ontwikkelingstaken dient [kind] nog te vervullen?

3. Acht u [kind] in staat door middel van zelfstudie zorg te dragen voor haar scholing?

4. Hoe beoordeelt u de opvoedingsvaardigheden van de vader en – voor zover relevant - die van de moeder voor zover die een rol hebben gespeeld/spelen bij de ontwikkeling van [kind].

5. Heeft u verder nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor de door de rechtbank te beantwoorden vraag of door het maken van de zeilreis de ontwikkeling van [kind] ernstig wordt bedreigd?

De rechtbank gaat er vanuit dat [kind] en de ouders hun medewerking aan het onderzoek verlenen en merkt op dat wanneer de medewerking wordt geweigerd, de rechtbank op basis van de huidige stukken, aangevuld met het definitieve rapport van de Raad, een beslissing over de definitieve ondertoezichtstelling zal nemen.

De rechtbank zal zowel de ouders, de Raad als BJZ de gelegenheid geven om aanvullende vragen voor te stellen, uiterlijk in te leveren ter griffie van deze rechtbank op vrijdag 4 september 2009. Op dinsdag 8 september 2009 zal de rechtbank een vervolgbeschikking wijzen waarin de deskundige wordt benoemd met daarin opgenomen de definitieve vraagstelling. De deskundige heeft toegezegd snel daarna met het onderzoek te kunnen beginnen.

Ten aanzien van de uithuisplaatsing

De rechtbank zal niet overgaan tot uithuisplaatsing van [kind] bij haar moeder dan wel in een residentiële instelling. Uithuisplaatsing is een uiterst middel in de zin dat hiertoe alleen kan worden overgegaan als andere middelen om de ernstig bedreigde ontwikkeling te keren niet voldoende zijn. Met andere woorden, er moet van een ernstig bedreigde ontwikkeling sprake zijn. Zoals hiervoor uiteengezet gaat de rechtbank er weliswaar voorlopig van uit dat de ontwikkeling en de veiligheid van [kind] gevaar lopen als zij nu op reis gaat, maar uit onderzoek van [kind] zal moeten blijken of deze veronderstelling juist is. Aangezien de zeiltocht wat betreft de gevolgen voor [kind] nog met onzekerheid is omgeven, kan niet op voorhand uit worden gegaan van een noodzaak om [kind] uit huis te plaatsen. Op deze grond wordt het verzoek van de Raad dan ook afgewezen.

3. Beslissing

De rechtbank

3.1. wijst af het primaire verzoek tot voorlopige voogdij over de minderjarige;

3.2. stelt de minderjarige voorlopig onder toezicht van de Stichting Bureau Jeugdzorg

Utrecht met ingang van heden tot en met 30 oktober 2009 en verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;

3.3. wijst af het verzoek tot uithuisplaatsing van de minderjarige;

3.4. stelt de ouders, de Raad en BJZ in de gelegenheid om uiterlijk op 4 september 2009

aan de rechtbank aanvullende vragen voor te stellen in het kader van het te bevelen

deskundigenonderzoek door deskundige mw. drs. S. Moonen. De rechtbank zal vervolgens bij afzonderlijke tussenbeschikking van 8 september 2009 de deskundige benoemen en daarin de definitieve vraagstelling opnemen;

3.5. bepaalt dat de deskundige haar onderzoeksrapport en de Raad zijn rapport uiterlijk op 16 oktober 2009 inleveren ter griffie van deze rechtbank en dat het verzoek tot definitieve ondertoezichtstelling op 26 oktober 2009 om 13:30 uur achter gesloten deuren zal worden behandeld.

Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 28 augustus 2009 door mr. M.C. Oostendorp, voorzitter, en mr. E. Bongers en mr. A.C. van den Boogaard, leden, allen tevens kinderrechter, in bijzijn van H. Oosterhuis als griffier.