Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BJ6157

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
26-08-2009
Datum publicatie
27-08-2009
Zaaknummer
256061 / HA ZA 08-2070 en 262819 / HA ZA 09-451
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Boeteclausule in vaststellingsovereenkomst; beroep op 1:88 jo. 1:89 BW niet mogelijk als overeenkomst niet strekt tot vervreemding woning; onvoldoende gebleken van onrechtmatige beïnvloeding door ge-/misbruik leergezag dominee Hersteld Hervormde Gemeente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

Vonnis in hoofdzaak en vrijwaring van 26 augustus 2009

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 256061 / HA ZA 08-2070 van

1. [eiser sub 1 in hoofdzaak],

wonende te [woonplaats],

2. [eiser sub 2 in hoofdzaak]

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

eisers,

advocaat mr. F.R.H. Kuiper,

tegen

[gedaagde in hoofdzaak],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. J.A.F. Boor,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer 262819 / HA ZA 09-451 van

[gedaagde in hoofdzaak],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. J.A.F. Boor,

tegen

1. [gedaagde in vrijwaring sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde in vrijwaring sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. de kerkelijke rechtspersoon de

HERSTELD HERVORMDE GEMEENTE TE MONFOORT,

gevestigd te Montfoort,

gedaagden,

advocaat mr. W.A.L.D.I. van Slagmaat.

Eisers in de hoofdzaak zullen hierna (in enkelvoud) [eisers in hoofdzaak] worden genoemd. Gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring, zal hierna als [gedaagde in hoofdzaak] worden aangeduid en gedaagden in de vrijwaringszaak zullen [gedaagde in vrijwaring c.s.] worden genoemd.

1. De procedure in de hoofdzaak

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 18 maart 2009 en de daarin vermelde processtukken

- het proces-verbaal van comparitie van 24 april 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De procedure in de vrijwaringszaak

2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 15 april 2009 en de daarin vermelde processtukken

- het proces-verbaal van comparitie van 24 april 2009.

2.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

3. De feiten

3.1. [eisers in hoofdzaak] oefent een Loon- en Verhuurbedrijf uit te [woonplaats]. [gedaagde in hoofdzaak] woont in de nabijheid van het bedrijf van [eisers in hoofdzaak]. [gedaagde in hoofdzaak] heeft diverse bestuursrechtelijke procedures gevoerd tegen de Gemeente Lopik in verband met de door [gedaagde in hoofdzaak] ervaren overlast van het bedrijf van [eisers in hoofdzaak].

3.2. In juli 2008 heeft dominee [gedaagde in vrijwaring sub 1], verbonden aan de Hersteld Hervormde Gemeente te Montfoort, bemiddeld tussen [eisers in hoofdzaak] en [gedaagde in hoofdzaak]. Dominee [gedaagde in vrijwaring sub 1 ] heeft op woensdag 16 juli 2008 een gesprek gevoerd met [gedaagde in hoofdzaak] en zijn echtgenote en op 17 juli 2008 met [eisers in hoofdzaak]. Tijdens deze gesprekken is de mogelijkheid besproken van een verkoop van de woning van [gedaagde in hoofdzaak] aan [eisers in hoofdzaak] tegen een door een onafhankelijk taxateur vast te stellen verkoopprijs.

3.3. Op verzoek van [gedaagde in vrijwaring c.s.] heeft een taxateur vervolgens op 17 juli 2008 de woning van [gedaagde in hoofdzaak] getaxeerd. Het taxatierapport is door de taxateur aan [gedaagde in vrijwaring c.s.] (zijn opdrachtgever) gezonden.

3.4. Op maandag 21 juli 2008 heeft een bijeenkomst plaatsgevonden tussen [eisers in hoofdzaak] en [gedaagde in hoofdzaak] ten overstaan van de kerkenraad van de Hersteld Hervormde Gemeente te Montfoort. Tijdens deze bijeenkomst hebben [eisers in hoofdzaak], [gedaagde in hoofdzaak] en [gedaagde in vrijwaring c.s.] een schriftelijk stuk ondertekend waarin onder meer is vermeld:

“VERKLARING

Op 21 juli 2008 verschenen voor de kerkenraad van de hersteld hervormde gemeente te Montfoort (…) de volgende personen:

(…) [gedaagde in hoofdzaak]

(…) [eisers in hoofdzaak]

Bovengenoemde personen verklaren bij deze bereid te zijn hun onderlinge conflict op te lossen door middel van ver- en aankoop van de woning aan de [adres] te [woonplaats].

Deze woning is 17 juli jl. getaxeerd door makelaardij De Koning & Witzier gevestigd aan Oosteinde 32, 3466 LB te Waarder. De partijen zijn vooraf overeengekomen dat de taxatieprijs, als de waarde van het huis, betaald zal worden. De hoogte van de taxatieprijs is geen voorwaarde of zal geen reden zijn voor afzien van de verkoop of aankoop door een van de bovengenoemde partijen.

Middels deze verklaring verklaren beide partijen zich strikt aan de volgende voorwaarden te houden:

• De overdracht van genoemde woning zal per 1 september 2008 plaats vinden. De taxatieprijs van makelaardij De Koning & Witzier zal op genoemde datum door dhr. [eiser in hoofdzaak sub 1] betaald zijn. (…)

• (…)

• Bij het niet strikt nakomen van deze verklaring door een van genoemde partijen zal een bedrag van

€ 50.000,= aan de andere partij worden betaald.

• Fam. [gedaagde in hoofdzaak] verklaart mede dat afgezien wordt van verder procederen tussen hen en de Gemeente Lopik en dhr. [eiser in hoofdzaak sub 1].

(…)”

3.5. Na ondertekening van voornoemd schriftelijk stuk, heeft ds. [gedaagde in vrijwaring sub 1] een gesloten envelop met daarin het in opdracht van de Hersteld Hervormde Gemeente te Montfoort opgestelde taxatierapport geopend en de uitkomst van de taxatie aan [eisers in hoofdzaak] en [gedaagde in hoofdzaak] kenbaar gemaakt. Het rapport vermeldde een taxatiebedrag van EUR 325.000,00.

3.6. Bij brief van 31 juli 2008 heeft de gemachtigde van [gedaagde in hoofdzaak], de heer [X], aan onder meer [eisers in hoofdzaak] geschreven:

“(…)

Zoals u al weet gaat de overdracht van de echtelijke woning [adres] niet door, onder de voorwaarde zoals gesteld zijn in een verklaring van 21 juli 2008.

Die niet door haar is ondertekend.

De reden daarvoor o.a. 1/[echtgenote gedaagde in hoofdzaak] de ½ eigenaar is van het onroerend goed en ze niet wil overdragen onder de voorwaarde van 21 juli 2008.

2/ Het hier de echtelijke woning betreft en een overdracht alleen maar kan plaatsvinden als ze zou tekenen voor de overdracht en dat doet ze ook niet.

(…)”

4. Het geschil

in de hoofdzaak

4.1. [eisers in hoofdzaak] vordert – na wijziging van eis – veroordeling van [gedaagde in hoofdzaak] tot betaling van EUR 51.788,00, vermeerderd met de wettelijke rente over de boete van EUR 50.000,00 vanaf 1 september 2008 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde in hoofdzaak] in de kosten van deze procedure, inclusief die der beslaglegging.

4.2. [eisers in hoofdzaak] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagde in hoofdzaak] zijn verplichtingen tot overdracht van zijn woning en tot afzien van verder procederen zoals weergegeven in de vaststellingsovereenkomst (zie 3.2.) niet is nagekomen en [gedaagde in hoofdzaak] derhalve een boete van EUR 50.000,00 is verschuldigd.

4.3. [gedaagde in hoofdzaak] voert de navolgende verweren aan:

- er is geen (vaststellings)overeenkomst, slechts een verklaring,

- de echtgenote van [gedaagde in hoofdzaak] heeft de verklaring vernietigd,

- het behoort niet tot de verantwoordelijkheid van [gedaagde in hoofdzaak] dat zijn echtgenote niet meewerkte aan het gestelde in de verklaring,

- er is sprake van misbruik van omstandigheden, de verklaring is tot stand gekomen onder invloed van (onder meer) het leergezag van ds. [gedaagde in vrijwaring sub 1 ] en ouderling [gedaagde in vrijwaring sub 2],

- bij de taxatiewaarde is rekening gehouden met de aanwezigheid van het bedrijf van [eisers in hoofdzaak] in de nabijheid van de woning, daardoor is de getaxeerde koopprijs veel te laag uitgevallen.

4.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in de vrijwaringszaak

4.5. [gedaagde in hoofdzaak] vordert dat [gedaagde in vrijwaring c.s.] wordt veroordeeld om aan [gedaagde in hoofdzaak] te betalen al hetgeen waartoe [gedaagde in hoofdzaak] jegens [eisers in hoofdzaak] in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld, met veroordeling van [gedaagde in vrijwaring c.s.] in de kosten van de hoofdzaak en de vrijwaring.

4.6. [gedaagde in hoofdzaak] stelt dat [gedaagde in vrijwaring c.s.] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld, op grond van het navolgende:

- [gedaagde in vrijwaring c.s.] heeft [gedaagde in hoofdzaak] bewogen tot het ondertekenen van de verklaring door veel te bidden en door gebruik te maken van hun leergezag en functie in de streng orthodoxgelovige kerkgemeenschap van de Hersteld Hervormde Gemeente te Montfoort;

- [gedaagde in vrijwaring c.s.] heeft [gedaagde in hoofdzaak] één keer gebeld en vijf keer gevraagd naar de pastorie te komen voor een gesprek;

- [gedaagde in vrijwaring c.s.] heeft de woning laten taxeren door een niet objectieve makelaar, te weten de makelaar van de Gemeente Lopik;

- tijdens het tekenen van de verklaring beschikten [gedaagde in vrijwaring c.s.] al over de taxatie, maar hebben de inhoud daarvan niet medegedeeld aan [gedaagde in hoofdzaak];

- er heeft nimmer een gesprek met zowel [eisers in hoofdzaak] als [gedaagde in hoofdzaak] plaatsgevonden;

- [gedaagde in vrijwaring c.s.] heeft mevrouw [echtgenote gedaagde in hoofdzaak] niet mee laten tekenen;

- de taxatieprijs is EUR 100.000,00 lager dan verwacht, omdat [gedaagde in vrijwaring c.s.] een onjuiste opdracht aan de makelaar heeft verstrekt.

4.7. [gedaagde in vrijwaring c.s.] voert tot zijn verweer aan dat [gedaagde in hoofdzaak] op geen enkele wijze door [gedaagde in vrijwaring c.s.] onder druk is gezet. De overeenkomst is tot stand gekomen met instemming van [gedaagde in hoofdzaak], nadat de inhoud van de overeenkomst eerst met beide echtgenoten [gedaagde in hoofdzaak] is besproken. [gedaagde in vrijwaring c.s.] heeft als bemiddelaar slechts getracht een goede oplossing te bewerkstelligen voor zowel de familie [gedaagde in hoofdzaak] als voor [eisers in hoofdzaak]. Niet valt in te zien op grond waarvan het handelen van [gedaagde in vrijwaring c.s.] als onrechtmatig valt te kwalificeren, zo voert [gedaagde in vrijwaring c.s.] aan.

4.8. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling

in de hoofdzaak

5.1. Het gaat in de hoofdzaak om de vraag of [gedaagde in hoofdzaak] jegens [eisers in hoofdzaak] gehouden is tot betaling van de in de “verklaring” (zie 3.2.) vermelde boete van EUR 50.000,00. Deze boete wordt door [eisers in hoofdzaak] als hoofdsom gevorderd. [gedaagde in hoofdzaak] heeft hier diverse verweren tegen gevoerd die in het navolgende achtereenvolgens zullen worden behandeld.

Kwalificatie rechtsverhouding

5.2. [eisers in hoofdzaak] baseert zijn vorderingen op de schriftelijk tussen partijen gemaakte afspraken. [gedaagde in hoofdzaak] voert aan, onder verwijzing naar de kop van het stuk (zie 3.2.), dat geen sprake is van een overeenkomst, maar van een verklaring.

5.3. De rechtbank overweegt als volgt. In het stuk (zie 3.2.) verklaren beide partijen dat zij bereid zijn hun conflict te beëindigen door ver- en aankoop van de woning van [gedaagde in hoofdzaak] onder de in het stuk opgenomen voorwaarden. Voor de totstandkoming van een overeenkomst is vereist dat sprake is van een aanbod en de aanvaarding daarvan. Nu partijen gezamenlijk een verklaring hebben afgelegd zoals opgenomen in het onder 3.2. weergegeven stuk en deze verklaring hebben ondertekend, kan slechts worden geconcludeerd dat zowel een aanbod als de aanvaarding daarvan in dit document besloten liggen. Door ondertekening verklaren beide partijen immers dat zij ter beëindiging van hun geschil overeenstemming hebben bereikt ten aanzien van de in het stuk genoemde voorwaarden. Er is dan sprake van een overeenkomst als bedoeld in artikel 7:900 BW, die beide partijen verplicht tot het beëindigen van de bestuursrechtelijke procedures en het aangaan van een koopovereenkomst met betrekking tot de woning van [gedaagde in hoofdzaak] en zijn echtgenote.

Beroep op vernietiging van de overeenkomst op grond van artikel 1:89 BW

5.4. [gedaagde in hoofdzaak] voert voorts aan dat zijn echtgenote op grond van artikel 1:88 BW de overeenkomst kan vernietigen, omdat zij geen toestemming heeft gegeven voor verkoop van de woning onder de in de verklaring van 21 juli 2008 genoemde voorwaarden.

5.5. [eisers in hoofdzaak] stelt daartegenover dat partijen al ruim voor juli 2008 met elkaar onderhandelden over verkoop van de woning. [eisers in hoofdzaak] verwijst naar een aantal verklaringen van makelaars, waar volgens [eisers in hoofdzaak] uit volgt dat [gedaagde in hoofdzaak] en zijn echtgenote bereid waren de woning te verkopen en mevrouw [echtgenote gedaagde in hoofdzaak] steeds medewerking heeft verleend aan taxaties, waaronder begrepen de in opdracht van [gedaagde in vrijwaring c.s.] uitgevoerde taxatie van 17 juli 2008.

5.6. De rechtbank overweegt als volgt. [eisers in hoofdzaak] en [gedaagde in hoofdzaak] hebben een vaststellingsovereenkomst gesloten. Het doel van de vaststellingsovereenkomst is het beëindigen van het geschil tussen partijen en niet het kopen en verkopen van de woning van [gedaagde in hoofdzaak]. De verplichting tot koop en verkoop vloeit wel voort uit de vaststellingsovereenkomst, maar de vaststellingsovereenkomst strekt niet tot vervreemding van de woning. Toestemming van de echtgenote van [gedaagde in hoofdzaak] was voor het sluiten van de vaststellingsovereenkomst dus niet vereist. Door [eisers in hoofdzaak] wordt ook geen nakoming gevorderd van de verplichting van [gedaagde in hoofdzaak] tot levering van de woning, maar van de verplichting tot betaling van de boete, die op verzoek van [gedaagde in hoofdzaak] zelf in de overeenkomst is opgenomen.

5.7. Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat het ervoor moet worden gehouden dat de echtgenote van [echtgenote gedaagde in hoofdzaak] – gelet op haar betrokkenheid bij de totstandkoming en uitvoering van de overeenkomst, onder meer blijkend uit haar aanwezigheid bij het gesprek op 16 juli 2008 (zie 3.2.) – stilzwijgend toestemming heeft gegeven voor het aangaan van de onder 3.2. beschreven overeenkomst.

5.8. Anders dan [gedaagde in hoofdzaak] is de rechtbank voorts van oordeel dat hij wel degelijk kan worden aangesproken op de niet-nakoming van de overeenkomst. De omstandigheid dat zijn echtgenote weigert medewerking te verlenen aan de overdracht van de woning, ligt in de risicosfeer van [gedaagde in hoofdzaak] en niet in die van [eisers in hoofdzaak].

Misbruik van omstandigheden

5.9. [gedaagde in hoofdzaak] voert aan dat de overeenkomst met [eisers in hoofdzaak] tot stand is gekomen doordat hij – alsmede zijn vrouw – werd beïnvloed door het leergezag en de positie van [gedaagde in vrijwaring c.s.]

5.10. [eisers in hoofdzaak] stelt daartegenover dat hij tijdens de ondertekening geen moment heeft gedacht dat [gedaagde in hoofdzaak] onder druk stond om te tekenen.

5.11. De rechtbank overweegt het volgende. Het door [gedaagde in hoofdzaak] gestelde misbruik van omstandigheden speelt tussen [gedaagde in hoofdzaak] en [gedaagde in vrijwaring c.s.] [gedaagde in hoofdzaak] heeft niet gesteld - en evenmin is gebleken - dat [eisers in hoofdzaak] hier de hand in heeft gehad dan wel dat [eisers in hoofdzaak] op de hoogte was van de beïnvloeding door [gedaagde in vrijwaring c.s.] Dit is ook niet waarschijnlijk, nu [gedaagde in hoofdzaak] zelf ter comparitie stelt dat hij door [gedaagde in vrijwaring c.s.] onder druk is gezet om akkoord te gaan met een regeling tijdens het gesprek dat hij samen met zijn echtgenote met [gedaagde in vrijwaring c.s.] had. Vast staat dat [eisers in hoofdzaak] bij dit gesprek, dat plaatsvond op 16 juli 2008, niet aanwezig was. Dit betekent dat [gedaagde in hoofdzaak] in zijn verhouding tot [eisers in hoofdzaak] geen beroep toekomt op misbruik van omstandigheden.

Onjuiste uitvoering taxatie

5.12. [gedaagde in hoofdzaak] voert ten slotte aan dat hij met [gedaagde in vrijwaring c.s.] had afgesproken dat bij de taxatie van de woning rekening zou worden gehouden met alle door hem gemaakte verbouwingskosten en het waardedrukkend effect van de nabijheid van het loonbedrijf van [eisers in hoofdzaak]. Volgens [gedaagde in hoofdzaak] is met die afspraak geen rekening gehouden bij de taxatie, waardoor de waarde te laag is uitgevallen. [eisers in hoofdzaak] heeft [gedaagde in hoofdzaak] onrechtmatig weggepest en kan dan – volgens [gedaagde in hoofdzaak] – voor een appel en een ei de woning kopen. Het is in strijd met de redelijkheid en billijkheid indien [gedaagde in hoofdzaak] verplicht zou zijn onder zulke omstandigheden de woning te verkopen, zo voert [gedaagde in hoofdzaak] aan.

5.13. [eisers in hoofdzaak] voert aan dat de taxatiewaarde ook voor hen een groot risico vormde, omdat de heer [eiser in hoofdzaak sub 2] bij een hoge taxatiewaarde zijn woning in [woonplaats] diende te verkopen. [gedaagde in hoofdzaak] probeerde ook in het verleden zijn woning te verkopen en de getaxeerde prijs is een reële, aldus [eisers in hoofdzaak].

5.14. Tussen [eisers in hoofdzaak] en [gedaagde in hoofdzaak] staat als onbetwist vast dat bij de taxatie rekening moest worden gehouden met de verbouwing en dat de nabijheid van het bedrijf van [eisers in hoofdzaak] buiten beschouwing moest worden gelaten. [gedaagde in hoofdzaak] stelt dat [gedaagde in vrijwaring c.s.] (en niet [eisers in hoofdzaak]) bij het verstrekken van de opdracht aan de taxateur met die afspraak geen rekening heeft gehouden. [gedaagde in hoofdzaak] verbindt hieraan de consequentie dat [gedaagde in vrijwaring c.s.] onrechtmatig hebben gehandeld, maar stelt geen feiten en omstandigheden – die evenmin zijn gebleken – op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat dit onrechtmatig handelen mede aan [eisers in hoofdzaak] kan worden tegengeworpen.

De rechtbank is voorts van oordeel dat [gedaagde in hoofdzaak] in dit geschil [eisers in hoofdzaak] niet kan tegenwerpen dat deze hem onrechtmatig heeft weggepest. De door partijen getroffen regeling zag immers juist op het verkrijgen van een oplossing voor de door [gedaagde in hoofdzaak] ervaren overlast. [eisers in hoofdzaak] en [gedaagde in hoofdzaak] zijn immers overeengekomen hun burengeschil op te lossen door ver- en aankoop van de woning. Dat de taxatiewaarde vervolgens lager uitvalt dan [gedaagde in hoofdzaak] had verwacht, kan niet aan [eisers in hoofdzaak] worden toegerekend. Andere – aan [eisers in hoofdzaak] toe te rekenen – feiten en omstandigheden die maken dat de door [eisers in hoofdzaak] gevorderde nakoming van de overeenkomst in strijd is met de redelijkheid en billijkheid, zijn door [gedaagde in hoofdzaak] niet gesteld en evenmin gebleken. Dit verweer van [gedaagde in hoofdzaak] faalt derhalve.

Slotsom, rente en kosten

5.15. De conclusie van het voorgaande is dat [eisers in hoofdzaak] zich mag beroepen op de boetebepaling zoals weergegeven in de overeenkomst van 21 juli 2008. Dit betekent dat [gedaagde in hoofdzaak] een bedrag van EUR 50.000,00 in hoofdsom aan [eisers in hoofdzaak] moet betalen.

5.16. [eisers in hoofdzaak] heeft wettelijke rente gevorderd over het boetebedrag vanaf 1 september 2008 tot en met de dag van voldoening. Per 1 september 2008 was de boete van EUR 50.000,00 opeisbaar. Bij brief van 12 september 2008 heeft [eisers in hoofdzaak] aanspraak gemaakt op betaling van de boete, alsmede [gedaagde in hoofdzaak] per 17 september 2008 ten aanzien van de betaling van de boete in gebreke gesteld. Per 17 september 2008 verkeert [gedaagde in hoofdzaak] derhalve in verzuim met betrekking tot de betaling van de boete. Vanaf die datum zal de wettelijke rente over het bedrag van EUR 50.000,00 worden toegewezen.

5.17. [eisers in hoofdzaak] heeft voorts een bedrag aan buitengerechtelijke (incasso-)kosten gevorderd ad EUR 1.788,00. De rechtbank hanteert het uitgangspunt dat dergelijke kosten alleen voor vergoeding in aanmerking komen, indien zij betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele, eventueel herhaalde, aanmaning, het doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. [eisers in hoofdzaak] heeft weliswaar gesteld dat de gevorderde kosten geen betrekking hebben op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling een vergoeding pleegt in te sluiten, maar uit de gegeven omschrijving van deze werkzaamheden kan dit onvoldoende worden afgeleid. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten moet daarom worden afgewezen.

5.18. [eisers in hoofdzaak] vordert [gedaagde in hoofdzaak] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in art. 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op EUR 257,55 voor verschotten en EUR 894,00 voor salaris advocaat (1 rekest x EUR 894,00).

5.19. [gedaagde in hoofdzaak] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagden i[gedaagde in vrijwaring c.s.] worden begroot op:

- dagvaarding EUR 84,48

- vast recht 1.056,00

- salaris advocaat 1.788,00 (2,0 punten × tarief EUR 894,00)

Totaal EUR 2.928,48

in de vrijwaringszaak

5.20. Beoordeeld dient te worden of [gedaagde in vrijwaring c.s.] zodanig onzorgvuldig heeft gehandeld ten opzichte van [gedaagde in hoofdzaak], dat sprake is van een onrechtmatige daad die vestiging van aansprakelijkheid tot gevolg heeft.

5.21. De verwijten die [gedaagde in hoofdzaak] [gedaagde in vrijwaring c.s.] maakt, komen er in de kern op neer dat [gedaagde in vrijwaring c.s.] zijn positie als dominee heeft misbruikt om [gedaagde in hoofdzaak] een overeenkomst aan te doen gaan, die niet in het belang van [gedaagde in hoofdzaak] is geweest. De door [gedaagde in hoofdzaak] geuite verwijten zullen in het navolgende achtereenvolgens worden besproken.

Gebruik maken van functie en leergezag, totstandkoming overeenkomst

5.22. [gedaagde in hoofdzaak] stelt dat hij onder invloed van het leergezag en de functie van [gedaagde in vrijwaring c.s.] de overeenkomst met [gedaagde in vrijwaring c.s.] is aangegaan, onder meer doordat [gedaagde in vrijwaring c.s.] tijdens de besprekingen met hem (veel) heeft gebeden.

5.23. [gedaagde in vrijwaring c.s.] erkent dat er bij de gesprekken met [gedaagde in hoofdzaak] is gebeden, maar beschouwt dit niet als ongeoorloofde beïnvloeding. [gedaagde in vrijwaring c.s.] merkt op dat [gedaagde in hoofdzaak] ook nu nog altijd kerkdiensten van de Hersteld Hervormde Kerk bezoekt, zij het in een andere plaats dan Montfoort.

5.24. Tussen partijen staat vast dat [gedaagde in vrijwaring c.s.] een bemiddelende rol heeft gespeeld tussen [gedaagde in hoofdzaak] en [eisers in hoofdzaak]. [gedaagde in vrijwaring c.s.] heeft eerst een gesprek gevoerd met [gedaagde in hoofdzaak] en zijn echtgenote. Tijdens dit gesprek heeft [gedaagde in vrijwaring c.s.] voorgesteld het geschil met [eisers in hoofdzaak] op te lossen door verkoop van de woning van [gedaagde in hoofdzaak] aan [eisers in hoofdzaak] tegen een door een derde te bepalen waarde. Tijdens deze bespreking is door [gedaagde in vrijwaring c.s.] gebeden.

[gedaagde in vrijwaring c.s.] heeft zijn voorstel een dag later aan [eisers in hoofdzaak] voorgelegd, die zich daar ook in kon vinden. De taxatie is vervolgens uitgevoerd en het resultaat van de taxatie is pas aan [eisers in hoofdzaak] en [gedaagde in hoofdzaak] kenbaar gemaakt nadat de overeenkomst van 21 juli 2008 door partijen is ondertekend.

5.25. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde in hoofdzaak] onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld die tot het oordeel kunnen leiden dat [gedaagde in vrijwaring c.s.] door de hiervoor omschreven handelwijze onzorgvuldig – en daarmee onrechtmatig – heeft gehandeld. Op zichzelf is juist dat [gedaagde in vrijwaring c.s.] een gezaghebbende positie bekleedt binnen de Hersteld Hervormde Gemeente te Montfoort, tijdens besprekingen heeft gebeden en meerdere keren contact heeft gehad met [gedaagde in hoofdzaak]. Eveneens is juist dat [gedaagde in vrijwaring c.s.] voor 21 juli 2008 geen gesprek met zowel [gedaagde in hoofdzaak] als [eisers in hoofdzaak] heeft gevoerd. Dit alles betekent echter zonder nadere toelichting – die ontbreekt – niet dat [gedaagde in vrijwaring c.s.] in het kader van de totstandkoming van de overeenkomst onzorgvuldig (en daarmee onrechtmatig) jegens [gedaagde in hoofdzaak] heeft gehandeld. Het komt de rechtbank voor dat [gedaagde in vrijwaring c.s.] heeft gehandeld als een goed bemiddelaar door beide partijen afzonderlijk een zelfde oplossing voor te houden, te weten de oplossing dat partijen vooraf instemmen met een verkoop tegen een nog onbekende, door een derde te taxeren verkoopprijs, deze oplossing uit te doen voeren en partijen hier hun schriftelijke goedkeuring voor te vragen. Dat [gedaagde in vrijwaring c.s.] bij zijn bemiddelingspogingen gebeden heeft dan wel anderszins gebruik heeft gemaakt van zijn religieuze achtergrond, doet daar niet aan af en kan – gelet op de functie van [gedaagde in vrijwaring sub 1], te weten dominee – voor [gedaagde in hoofdzaak], gelet op zijn lidmaatschap van de Hersteld Hervormde Gemeente, ook niet als een verrassing zijn gekomen. Gelet op hetgeen in de hoofdzaak onder 5.6. is besproken, maakt de omstandigheid dat mevrouw [echtgenote gedaagde in hoofdzaak] de overeenkomst niet mede heeft ondertekend de handelwijze van [gedaagde in vrijwaring c.s.] evenmin onzorgvuldig. Er kan dus niet worden geconcludeerd dat [gedaagde in vrijwaring c.s.] bij de totstandkoming van de overeenkomst van 21 juli 2008 onzorgvuldig jegens [gedaagde in hoofdzaak] heeft gehandeld.

Het verstrekken van de taxatieopdracht door [gedaagde in vrijwaring c.s.]

5.26. [gedaagde in hoofdzaak] verwijt [gedaagde in vrijwaring c.s.] voorts dat hij de taxatieopdracht heeft verstrekt aan de makelaar van de Gemeente Lopik, de partij waartegen hij bestuursrechtelijke procedures voerde in verband met de door hem ervaren overlast van de onderneming van [eisers in hoofdzaak]. Bij het verstrekken van de opdracht heeft [gedaagde in vrijwaring c.s.] voorts de afspraak genegeerd dat de taxateur geen rekening mocht houden met het bedrijf van [eisers in hoofdzaak] en wel de verbouwingskosten moest meenemen, aldus [gedaagde in hoofdzaak].

5.27. [gedaagde in vrijwaring c.s.] erkent dat is afgesproken dat het bedrijf van [eisers in hoofdzaak] buiten beschouwing moest blijven bij de taxatie en dat getaxeerd moest worden alsof de woning al klaar was. Die opdracht heeft [gedaagde in vrijwaring c.s.] de taxateur ook verstrekt. De makelaar/taxateur heeft volgens [gedaagde in vrijwaring c.s.] die opdracht ook begrepen en daarnaar gehandeld. Bij de taxatie heeft de taxateur, aldus [gedaagde in vrijwaring c.s.], echter wel rekening gehouden met een ander (transport)bedrijf, dat eveneens in de nabijheid van de woning van [gedaagde in hoofdzaak] is gevestigd. De makelaar/taxateur is voorts geen makelaar van de Gemeente Lopik, zo voert [gedaagde in vrijwaring c.s.] aan.

5.28. De rechtbank overweegt als volgt. Gelet op de stellingen van partijen is tussen hen niet in geschil welke opdracht [gedaagde in vrijwaring c.s.] als bemiddelaar aan de makelaar/taxateur moest verstrekken. De vraag is echter of [gedaagde in vrijwaring c.s.] de taxateur juist heeft geïnstrueerd. [gedaagde in hoofdzaak] stelt dat dit niet het geval is, maar onderbouwt dit slechts door te verwijzen naar de getaxeerde koopprijs, die naar zijn mening EUR 100.000,00 te laag is. Dit is, mede in het licht van de gemotiveerde betwisting door [gedaagde in vrijwaring c.s.], echter onvoldoende. Het had op de weg van [gedaagde in hoofdzaak] gelegen om zijn stelling dat [gedaagde in vrijwaring c.s.] een onjuiste opdracht aan de makelaar/taxateur heeft verstrekt, van een nadere onderbouwing te voorzien, bijvoorbeeld door een afwijkende taxatie in het geding te brengen of een verklaring van de makelaar/taxateur die zijn stelling ondersteunt. Nu [gedaagde in hoofdzaak] dit heeft nagelaten, moet het ervoor worden gehouden dat [gedaagde in vrijwaring c.s.] de taxateur de juiste opdracht heeft gegeven.

5.29. De stelling van [gedaagde in hoofdzaak] dat [gedaagde in vrijwaring c.s.] de opdracht heeft gegeven aan de makelaar van de Gemeente Lopik, wordt door [gedaagde in hoofdzaak] verder op geen enkele wijze onderbouwd, terwijl deze stelling door [gedaagde in vrijwaring c.s.] wordt betwist. Op dit punt heeft [gedaagde in hoofdzaak] derhalve onvoldoende gesteld om tot bewijslevering te worden toegelaten.

Conclusie

5.30. Op grond van het voorgaande moet worden geconcludeerd dat [gedaagde in hoofdzaak], gelet op de betwisting door [gedaagde in vrijwaring c.s.], onvoldoende heeft gesteld om tot bewijslevering van zijn stelling dat [gedaagde in vrijwaring c.s.] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld te worden toegelaten. Dit betekent dat de vordering van [gedaagde in hoofdzaak] in vrijwaring wordt afgewezen.

5.31. [gedaagde in hoofdzaak] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde in vrijwaring c.s.] worden begroot op:

- vast recht EUR 1.148,00

- salaris advocaat 1.788,00 (2,0 punten × tarief EUR 894,00)

Totaal EUR 2.936,00

6. De beslissing

De rechtbank

in de hoofdzaak

6.1. veroordeelt [gedaagde in hoofdzaak] om aan [eisers in hoofdzaak] te betalen een bedrag van EUR 50.000,00 (vijftig duizend euro), vermeerderd met de wettelijke over het toegewezen bedrag vanaf 18 september 2008 tot de dag van volledige betaling,

6.2. veroordeelt [gedaagde in hoofdzaak] in de beslagkosten, tot op heden begroot op EUR 1.151,55,

6.3. veroordeelt [gedaagde in hoofdzaak] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde in vrijwaring c.s.] tot op heden begroot op EUR 2.928,48,

6.4. verklaart dit vonnis in deze zaak tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.5. wijst het meer of anders gevorderde af,

in de zaak in vrijwaring

6.6. wijst de vorderingen af,

6.7. veroordeelt [gedaagde in hoofdzaak] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde in vrijwaring c.s.] tot op heden begroot op EUR 2.936,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.J. van Maanen en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2009.

w.g. griffier w.g. rechter