Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BJ6044

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
26-08-2009
Datum publicatie
26-08-2009
Zaaknummer
270029 / KG ZA 09-679
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Burenruzie. Uitgangspunt bij de beoordeling van de door partijen over en weer ingestelde vorderingen is dat de eigenaar van het perceel gerechtigd is tot het rustig en ongestoord gebruik maken van zijn woning en bijbehorend perceel en dat de buurman daarop geen inbreuk mag maken. De rechter legt een perceelverbod op, op straffe van een dwangsom, met uitzondering van een gedeelte van het perceel waarop een recht van overpad rust. De buren moeten zorgdragen voor een onbelemmerd gebruik van dit recht van overpad. De buurman mag verder geen lampen meer richten op het terrein van zijn buren en ook geen honden op het terrein van de buren meer laten komen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 5
Burgerlijk Wetboek Boek 5 22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JHV 2009/225 met annotatie van Cor Goudriaan/Anne Maren Langeloo
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 270029 / KG ZA 09-679

Vonnis in kort geding van 26 augustus 2009

in de zaak van

1. [eiser sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiseres sub 2],

wonende te [woonplaats],

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. B.E.J.M. Tomlow,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. drs. D.G. Schouwman.

Partijen zullen hierna [eisers c.s.] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding,

- de conclusie van antwoord, tevens inhoudende conclusie van eis in reconventie,

- de mondelinge behandeling,

- de pleitnota van [eisers c.s.],

- de pleitnota van [gedaagde],

- de schorsing van de mondelinge behandeling,

- de voortzetting van de mondelinge behandeling,

- de wijziging van eis in conventie onder a., intrekking van de eis in conventie onder b. en handhaving van de overige vorderingen in conventie,

- het aanhoudingsverzoek met betrekking tot de vordering in reconventie onder 1.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eisers c.s.] hebben in september 2000 de eigendom verkregen van de woning en het perceel aan de [adres] te [woonplaats]. [gedaagde] was op dat moment reeds eigenaar van de naastgelegen woning en het perceel aan de [adres] te [woonplaats].

2.2. Beide percelen zijn te bereiken via een lang bospad. [gedaagde] dient om zijn perceel te bereiken tevens over een pad, via een “lus” om een eikenboom, over het perceel van [eisers c.s.] te gaan. Hiertoe is een erfdienstbaarheid gevestigd. Tussen partijen is een geschil ontstaan over de wijze waarop de erfdienstbaarheid moest worden uitgeoefend: slechts over de noordelijke “lus”om de boom, of zowel over de zuidelijke als de noordelijke “lus”om de boom.

2.3. In de loop van de tijd hebben zich tussen partijen verschillende incidenten voorgedaan. [eisers c.s.] hebben terzake herhaaldelijk bij de politie Utrecht, district Heuvelrug, aangifte gedaan jegens [gedaagde]. [gedaagde] heeft op zijn beurt verschillende malen aangifte jegens [eisers c.s.] gedaan. De aangiftes van de kant van [eisers c.s.] gaan onder meer over mishandeling, belaging, vernielingen en het betreden van hun perceel door [gedaagde]. [gedaagde] heeft onder meer aangifte gedaan wegens belaging, stalking, smaad/laster, en het doen van valse aangifte door [eisers c.s.]

2.4. [gedaagde] heeft op 16 oktober 2001 een open brief naar de buren van [eisers c.s.] en [gedaagde] gestuurd waarin hij enkele incidenten uiteenzet.

2.5. In december 2003 hebben [eisers c.s.] hun woning aan de [adres] te [woonplaats] voor enige tijd verlaten.

2.6. [eisers c.s.] hebben in de zomer van 2004 camera’s geplaatst op hun woning en schuur. In oktober 2005 raakte [gedaagde] hiervan op de hoogte. Hij heeft daarna verschillende malen aangifte gedaan jegens [eisers c.s.] in verband met de aanwezigheid van de camera’s.

2.7. De rechtbank Utrecht heeft op 23 februari 2005 tussen partijen vonnis gewezen in verband met de uitoefening van de erfdienstbaarheid. [eisers c.s.] zijn veroordeeld om uiterlijk op 1 april 2005

- de met de erfdienstbaarheid strijdige situatie op te heffen of te doen opheffen, in die zin dat de op de zogenaamde zuidelijke lus aangelegde tuin alsmede keien of andere obstakels, worden verwijderd en de oude toestand met grind wordt hersteld,

- om de gehele lus om de eikenboom tot het gebruik van [gedaagde] vrij te houden,

zulks op straffe van een dwangsom. Tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld.

2.8. [eisers c.s.] hebben nadat zij in juli 2004 waren teruggekeerd, in januari 2006 wederom de woning aan de [adres] te [woonplaats] verlaten. Zij zijn tot op heden woonachtig in een huurwoning in [woonplaats].

2.9. Eveneens begin 2006 hebben [eisers c.s.] aan Drieklomp Makelaars en Rentmeesters te Zeist (hierna: Drieklomp), een verkoopopdracht betreffende de woning aan de [adres] te [woonplaats] verstrekt.

2.10. [gedaagde] heeft op 11 januari 2006 Drieklomp een brief doen toekomen waarin hij verwijst naar de (juridische) geschillen tussen partijen en het volgende meldt:

“Het niet doorgeven van deze informatie aan kopers van [nummer] zou kunnen leiden tot schadeclaims tegen u. Het desbetreffende perceel is besmet en wel in die zin dat weinigen zullen bereid zijn te gaan wonen naast het ‘monster van [woonplaats]’”.

2.11. Vanaf 16 januari 2006 tot 15 december 2006 hebben [eisers c.s.] de woning verhuurd aan de heer [huurder 1].

2.12. Nadat [gedaagde] had vernomen dat [eisers c.s.] de woning aan de [adres] te [woonplaats] via VDH Makelaars te Leusden te koop of te huur wilde aanbieden, heeft hij op 8 november 2006 ook dit makelaarskantoor een brief met de inhoud als voormeld doen toekomen.

2.13. Op 29 januari 2007 heeft het Gerechtshof te Amsterdam arrest gewezen in het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Utrecht van 20 oktober 2005. Het Gerechtshof heeft bewezen verklaard dat [gedaagde] eiseres sub 2., mevrouw [eiseres sub 2], op 4 februari 2005 te [woonplaats] opzettelijk heeft mishandeld door haar met een stok/tak op een hand te slaan als gevolg waarvan zij letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden. Voorts is door het Gerechtshof bewezen verklaard dat:

“hij in de periode van 1 september 2000 tot en met 22 mei 2004 te [woonplaats] wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [eiser sub 1] met het oogmerk die [eiser sub 1] te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft / is hij, verdachte

- met een auto over een bloemperk en/of planten en/of struiken van die [eiser sub 1] gereden en

- (met een ladder) op/tegen het gastenverblijf van die [eiser sub 1] geklommen en

- een (grote hoeveelheid) (tuin) afval en/of een rol gaas in een bloembed van die [eiser sub 1] gegooid/ gelegd en

- (zonder toestemming/onbevoegd) het terrein van de woning/erf en/of het gastenverblijf en/of de schuur van die [eiser sub 1] binnengegaan/betreden en

- (zonder toestemming/onbevoegd) het erf en/of de woning en/of het gastenverblijf van die [eiser sub 1] gefotografeerd en

- (met een hogedrukplantenspuit) (een) (onkruidbestrijdings)middel(en) op het gras en/of (een) bloemperk(en) [eisers c.s.] gespoten.”

[gedaagde] is wegens de mishandeling en belaging veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, en tot een geldboete van EUR 1.000,00 bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 dagen hechtenis.

2.14. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van de politierechter in de rechtbank Utrecht van 8 mei 2008 hebben [eisers c.s.] aangifte gedaan jegens [gedaagde] terzake belaging (onder meer: het meermalen, althans eenmaal met een zaklamp/lantaarn, althans met een lichtgevend voorwerp de woning en/of het gastenverblijf waarin [eisers c.s.] verblijven, inschijnen), erfvredebreuk en vernieling, gedurende de periode van 2 november 2004 tot en met 9 januari 2007. De politierechter heeft overwogen dat het in het belang van partijen is dat er een oplossing komt voor het conflict en heeft de zaak aangehouden voor onbepaalde tijd teneinde partijen in de gelegenheid te stellen om tot een finale oplossing te komen.

2.15. Partijen hebben een notaris benaderd om te trachten met medewerking van andere buren een vaststellingsovereenkomst op te maken, waarbij stukken grond van eigenaar zouden wisselen. Dit heeft echter vanwege de te hoge kosten geen resultaten opgeleverd. Ook andere bemiddelingspogingen hebben niet tot een minnelijke regeling geleid.

2.16. De politierechter heeft [gedaagde] uiteindelijk op 4 december 2008 wegens belaging, het in het besloten erf bij een ander in gebruik wederrechtelijk binnendringen, en het opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel aan een ander toebehoort te vernielen, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, alsmede een werkstraf voor de duur van 40 uur subsidiair 20 dagen hechtenis.

2.17. [gedaagde] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank.

2.18. De woning aan de [adres] te [woonplaats] is, met uitzondering van het gastenverblijf, schuur, dierennachtverblijf en weiland, laatstelijk door [eisers c.s.] verhuurd aan de heer [huurder 2]. De huurovereenkomst is per 30 september 2008 geëindigd. Sinds 1 oktober 2008 staat de woning leeg.

2.19. In mei 2009 hebben [eisers c.s.] de heer [aannemer] (hierna [aannemer]), aannemer, ingeschakeld teneinde onderhoudswerkzaamheden aan hun woning aan de [adres] te [woonplaats] te verrichten.

2.20. Op 27 mei 2009 heeft [gedaagde] bij de wijkpolitie te Doorn aangifte gedaan wegens belaging door [eisers c.s.] Hij verstrekt de volgende informatie:

“Heden omstreeks 13:20 uur parkeerde aannemer [aannemer] zijn auto (weer) op de zogenoemde zuidlus van het erfdienstbaarheidtracé op [eiser sub 1]’s perceel. Dat versperren gebeurde niet voor in- en uitladen van goederen. Even, later immers arriveerde [eiser sub 1] en beiden verdwenen in de woning van [nummer].

Na een klein half uur (om 13:53) heb ik mijn auto op een zodanige wijze op het pad van SBB geparkeerd dat de toe- en uitgang van het erf van [nummer] versperd werd. Ik hoopte hiermee te kunnen aantonen dat [aannemer]’s versperring onder toezicht van [eiser sub 1] gebeurde; [eiser sub 1] zal namelijk door mijn actie met zijn auto ‘opgesloten’ op zijn erf. Gezien de ontelbare versperringen die eerder hebben plaatsgevonden en waarover de civiele rechter een uitspraak heeft gedaan, kan dit incident worden beschouwd als belaging (wel te verstaan door [eiser sub 1]!).

Ik wijs er nogmaals met nadruk op dat dit soort versperringen aan de basis ligt van het conflict tussen tussen mij en de [eiser c.s.] en dat deze versperringen opzettelijk plaatsvinden (…)”

2.21. Op 29 mei 2009, omstreeks 20.00 uur, heeft een woordenwisseling plaatsgevonden tussen [eiser c.s.] en [gedaagde].

2.22. Het geschil tussen partijen is aan de orde geweest tijdens een tv-uitzending van EénVandaag en in diverse artikelen in landelijke en regionale dagbladen.

3. Het geschil in conventie

3.1. [eisers c.s.] vorderen - na wijziging van eis - dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. [gedaagde] verbiedt om op het perceel van [eisers c.s.] te zijn, behoudens op het gedeelte waarop het recht van overpad rust, zoals aangegeven op de aan de dagvaarding gehechte tekening B, op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 100.000,00 per keer, voor iedere keer dat [gedaagde] dit verbod overtreedt;

b. (ingetrokken);

c. [gedaagde] verbiedt derden schriftelijk te benaderen dan wel te informeren met directe of indirecte verwijzingen naar de identiteit van [eisers c.s.] zonder afschrift van deze schriftelijke uitingen binnen 24 uur aan [eisers c.s.] ter beschikking te stellen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 100.000,00 per keer, voor iedere keer dat [gedaagde] in gebreke blijft aan dit verbod te voldoen;

d. [gedaagde] verbiedt lampen te (doen) richten op de eigendommen van [eisers c.s.] en/of op hun persoon, op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 10.000,00 per keer, voor iedere keer dat [gedaagde] dit verbod overtreedt;

e. [gedaagde] verbiedt zijn honden op de terreinen van [eisers c.s.], zoals aangegeven op de aan dagvaarding gehechte tekening B, te (doen) laten lopen/verblijven, op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 1.000,00 per keer, voor iedere keer dat dit verbod overtreden wordt;

f. [gedaagde] verbiedt om eigendommen van [eisers c.s.] te (doen) vernielen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 10.000,00 per keer, voor iedere keer dat dit verbod overtreden wordt;

g. [gedaagde] beveelt van de brievenbus van [eisers c.s.] gelegen aan de ingang van het bospad uitkomende op de [straat] te [woonplaats] af te blijven, op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 10.000,00 per keer, voor iedere keer dat [gedaagde] dit bevel overtreedt;

h. [gedaagde] verbiedt het woon- en leefgenot van het gezin [eisers c.s.] te verstoren, op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 100.000,00 per keer, voor iedere keer dat [gedaagde] dit verbod overtreedt;

i. althans een zodanig beslissing neemt als de voorzieningenrechter in goede justitie meent te behoren;

j. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van deze procedure.

3.2. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. Het geschil in reconventie

4.1. [gedaagde] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. [eisers c.s.] gebiedt om binnen driemaal 24 uur na het wijzen van het vonnis de aangebrachte camera’s te verwijderen althans die camera’s zo te plaatsen en te richten dat zij geen beelden kunnen maken van het huis en het erf dat toebehoort aan [gedaagde];

2. [eisers c.s.] gebiedt om vanaf de datum van betekening van dit vonnis te doen en na te laten al hetgeen dat nodig is om [gedaagde] in staat te stellen onbelemmerd gebruik te maken van zijn recht op overpad als omschreven in de erfdienstbaarheidclausule in de koopovereenkomst tussen [eisers c.s.] en de vorige eigenaar van het perceel aan de [adres] te [woonplaats];

3. [eisers c.s.] verbiedt vanaf de betekening van dit vonnis zich in negatieve zin over de persoon van [gedaagde] uit te laten, in welke vorm en op welke moment dan ook, behoudens tegenover politieambtenaren van het district Heuvelrug en/of het Openbaar Ministerie;

een en ander op verbeurte van een dwangsom van EUR 2.000,00 per dag of gedeelte van een dag dat [eisers c.s.] nalaat aan voormeld vonnis te voldoen;

althans een zodanige beslissing neemt als de voorzieningenrechter in goede justitie meent te behoren, met veroordeling van [eisers c.s.] in de kosten van deze procedure.

4.2. [eisers c.s.] voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling in conventie en in reconventie

5.1. Uitgangspunt bij de beoordeling van de door partijen over en weer ingestelde vorderingen is dat [eisers c.s.] als eigenaar gerechtigd zijn tot het rustig en ongestoord gebruik van hun woning en bijbehorend perceel en dat [gedaagde] daarop geen inbreuk mag maken. Anderzijds moeten [eisers c.s.] het recht van [gedaagde] van overpad over hun perceel, zoals dat door de rechtbank bij haar vonnis van 23 februari 2005 is vastgesteld, eerbiedigen en mogen zij dit niet belemmeren.

5.2. Uit hetgeen ter zitting is gebleken en de overgelegde producties blijkt dat tussen partijen in de loop der jaren een uitermate slechte verhouding is ontstaan, waarbij zich talloze incidenten hebben voorgedaan waarbij de politie is ingeschakeld en dat [gedaagde], onder meer voor zijn handelen jegens mevrouw [eiseres sub 2], bij arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 29 januari 2007 en bij vonnis van de politierechter van de rechtbank Utrecht van 4 december 2008 strafrechtelijk is veroordeeld.

5.3. [eisers c.s.] hebben in dat verband in conventie aangevoerd dat [gedaagde] vele malen en in ernstige mate inbreuk heeft gemaakt op hun leef- en woongenot en aldus onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld. [eisers c.s.] hebben ter onderbouwing daarvan verwezen naar de veroordelingen, alsmede naar de schriftelijke verklaringen van verschillende (voormalige) buren en van andere betrokkenen, die hun stellingen omtrent het gedrag van [gedaagde] ondersteunen. Volgens [eisers c.s.] is voorzienbaar dat [gedaagde] het onrechtmatig handelen zal continueren als geen sanctie op zijn gedrag wordt gesteld. Zij vermelden een achttal incidenten, waaronder diefstal van een skelter, diefstal van camera’s uit hun woning en vernieling van een buxusstruik, waar zij in de periode van 23 januari 2009 tot 11 mei 2009 mee zijn geconfronteerd en die volgens hen aan [gedaagde] kunnen worden toegerekend. Daarnaast wijzen zij op het incident dat plaatsvond op 27 mei 2009 waarbij [gedaagde] [aannemer] de weg versperde. Voorts beschrijven zij een woordenwisseling met [gedaagde] op 29 mei 2009 om omstreeks 20.00 uur, waarbij twee minderjarige kinderen van [eisers c.s.] aanwezig waren. Volgens [eisers c.s.] heeft [gedaagde] zich op dat moment dreigend geuit.

5.4. [gedaagde] heeft tot zijn verweer allereerst aangevoerd dat geen sprake is van spoedeisend belang. Subsidiair heeft hij zich op het standpunt gesteld dat een aantal vorderingen te zeer ingrijpen in het eigendomsrecht van [gedaagde] en dat toewijzing van de vorderingen van [eisers c.s.] een belangenafweging doet doorslaan naar een van beide partijen, terwijl beide minstens evenveel schuld hebben aan het voortduren van de burenruzie. [gedaagde] voert aan dat ook hij recht heeft op rustig en ongestoord woongenot en dat [eisers c.s.] daar inbreuk op maken. Volgens [gedaagde] is hij herhaaldelijk door [eisers c.s.] uitgelokt en wordt zijn privacy geschonden door het plaatsen van de camera’s. Voor het overige heeft [gedaagde] alle aantijgingen van [eisers c.s.] nadrukkelijk betwist, met uitzondering van hetgeen door het Gerechtshof in het arrest van 29 januari 2007 bewezen is geacht. [gedaagde] heeft uitdrukkelijk ook de feiten ontkend waarvoor hij door de politierechter bij vonnis van 4 december 2008 is veroordeeld en erop gewezen dat hij van dit vonnis in hoger beroep is gegaan. De stellingen van [gedaagde] worden ten dele ondersteund door schriftelijke verklaringen van (voormalige) buren en van andere betrokkenen, daaronder begrepen [huurder 1], voormalig huurder van de woning van [eisers c.s.]

Spoedeisendheid

5.5. [gedaagde] beroept zich erop dat de politierechter op 4 december 2008 heeft geoordeeld over feiten uit het verleden en dat zich sedertdien slechts een tweetal incidenten op 27 en 29 mei 2009 hebben voorgedaan. Hij voert aan dat [eisers c.s.] in het verleden ruimschoots de gelegenheid hebben gehad om een ordemaatregelen als de onderhavige te vragen, doch dit niet hebben gedaan. Uit het feit dat zij dit toen niet hebben gedaan, volgt volgens hem dat zij geen enkel spoedeisend belang hebben bij de gevraagde voorzieningen, zodat voor toewijzing van de vorderingen geen plaats is.

5.6. Dit verweer treft evenwel geen doel. Hoewel de politierechter op 4 december 2008 geoordeeld heeft over een aantal incidenten die plaatsvonden in de periode van 2 november 2004 tot en met 9 januari 2007 en sinds dit vonnis slechts een tweetal incidenten hebben plaatsgevonden, is voldoende aannemelijk geworden dat [eisers c.s.] een belang hebben bij hun vordering. De uiterst slechte verhouding tussen partijen is immers nog steeds aanwezig en kan licht tot nieuwe incidenten aanleiding geven. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat [gedaagde] zich ook na december 2008 heeft begeven op het perceel van [eisers c.s.] Nu [eisers c.s.] voornemens zijn de woning aan de [adres] te [woonplaats] weer te betrekken is dit belang ook spoedeisend.

5.7. De conclusie is dat de onderhavige zaak zich leent voor kort geding. De verschillende vorderingen van [eisers c.s.] zullen hierna achtereenvolgens aan de orde komen.

Het verbod om op het perceel van [eisers c.s.] te zijn

5.8. Ingevolge artikel 5:22 BW mag [eisers c.s.] een ieder verbieden om zich zonder hun toestemming op hun perceel te bevinden, mits dit op duidelijke wijze kenbaar is gemaakt.

In aanmerking genomen de volkomen verstoorde verhouding tussen partijen en het feit dat zich in het verleden ernstige incidenten hebben voorgedaan is er voldoende grond om [gedaagde] te verbieden zich op het perceel van [eisers c.s.] te bevinden, zij het met uitzondering van het gedeelte waarop de erfdienstbaarheid van overpad rust en dit verbod te versterken met een dwangsom.

5.9. Er is voorts aanleiding de gevorderde dwangsom te beperken tot EUR 10.000,00, voor iedere keer dat [gedaagde] het verbod overtreedt.

Het verbod om derden schriftelijk te benaderen en/of informeren

5.10. [eisers c.s.] vorderen dat [gedaagde] wordt verboden om derden schriftelijk te benaderen dan wel te informeren met directe of indirecte verwijzing naar [eisers c.s.], zonder een afschrift daarvan binnen 24 uur aan [eisers c.s.] ter beschikking te stellen. Deze vordering heeft een te ruime strekking. De aan [gedaagde] op te leggen verplichting zou immers iedere mededeling, die betrekking op zijn persoon heeft betreffen ongeacht de inhoud en het karaker van die mededeling. Voor het opleggen van een dergelijke verplichting valt geen steun te vinden in het recht. De vordering zal dus worden afgewezen.

Het schijnen met lampen

5.11. [gedaagde] heeft de stelling van [eisers c.s.] dat hij lampen op hen persoonlijk en op hun eigendommen heeft gericht, niet (voldoende) betwist. Er moet dan ook van worden uitgegaan dat [gedaagde] op deze wijze heeft gehandeld. Geoordeeld wordt dat een dergelijk handelen – mede gezien in het licht van het hetgeen in het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 29 januari 2007 bewezen is verklaard, alsmede gelet op alle overige omstandigheden van het geval - als onrechtmatig moet worden aangemerkt. [gedaagde] heeft tot zijn verweer weliswaar nog aangevoerd dat hij alleen is overgegaan tot het schijnen met lampen omdat [eisers c.s.] camera’s op zijn perceel richtte en dat hij dat in de toekomst ook alleen om die reden zal doen, maar naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan niet worden aangenomen dat de aanwezig van de camera’s een rechtvaardigingsgrond biedt voor het gedrag van [gedaagde]. Indien en voorzover de camera’s tevens gericht zijn op [gedaagde] en zijn woning, ligt het immers in de rede dat [gedaagde] via een meer geëigende (juridische) weg daartegen optreedt. Nu [eisers c.s.] hebben aangegeven dat zij in angst hebben geleefd door het schijnen met lampen en het aanzienlijke gevolgen heeft gehad voor hun persoonlijke leven, is voorts voldoende aannemelijk dat [eisers c.s.] schade hebben ondervonden door het gedrag van [gedaagde].

5.12. Om te bevorderen dat zich in toekomst geen incidenten met betrekking tot het schijnen met lampen zullen voordoen, zal de vordering van [eisers c.s.] worden toegewezen en zal aan [gedaagde] een dwangsom worden opgelegd van EUR 1.000,00 per keer dat hij het verbod overtreedt.

Het verbod om honden op het perceel van [eisers c.s.] te laten lopen/verblijven

5.13. Vastgesteld kan worden dat [gedaagde] gehouden is er voor zorg te dragen dat de hond(en) die hem toebehoren zich niet op het perceel begeven waarvan [eisers c.s.] het exclusieve gebruiksrecht hebben. Nu dit in het verleden veelvuldig het geval is geweest en het met het oog op de gezondheid van een van de kinderen van [eisers c.s.] van belang is dat zich op het perceel van [eisers c.s.] geen uitwerpselen van honden bevinden, zal het gevraagde verbod worden gegeven en zal daaraan tevens de gevorderde dwangsom worden verbonden.

5.14. Het gedeelte van het perceel van [eisers c.s.] waarop de erfdienstbaarheid rust, moet echter worden uitgezonderd zodat dit niet onder het verbod valt. [gedaagde] zal er op toe moeten zien dat zijn hond(en) zich niet buiten het perceelsgedeelte waarop het recht van overpad rust, bevinden.

Het verbod tot vernieling van eigendommen

5.15. [gedaagde] heeft uitdrukkelijk betwist dat hij eigendommen van [eisers c.s.] heeft vernield. Hij heeft er daarbij op gewezen dat hij in hoger beroep is gekomen van de veroordeling door de politierechter van 4 december 2008. Gelet hierop is er onvoldoende grond om de vordering in het kader van dit kort geding toe te wijzen.

Daarnaast moet van belang worden geacht dat uit hetgeen hiervoor onder 5.8. en 5.9. is overwogen volgt dat [gedaagde] reeds een dwangsom verbeurt als hij het perceel van [eisers c.s.] betreedt. Nu aannemelijk is dat de eigendommen van [eisers c.s.] zich op hun perceel bevinden, hebben [eisers c.s.] ook onvoldoende belang bij deze vordering.

Het verbod om aan de brievenbus van [eisers c.s.] te komen

5.16. [eisers c.s.] vorderen dat [gedaagde] wordt bevolen om af te blijven van hun brievenbus die gelegen is aan de ingang van het bospad uikomende op de [straat], op straffe van een dwangsom. Zij voeren daartoe aan dat [gedaagde] in het verleden poststukken uit hun brievenbus heeft weggenomen en dat voorzienbaar is dat dit weer zal gebeuren. Dat [gedaagde] is veroordeeld voor dit feit is evenwel gesteld noch gebleken. De stelling van [eisers c.s.] wordt evenmin op andere wijze met bewijsmiddelen gestaafd. Uit de stukken valt veeleer af te leiden dat sprake is van een vermoeden dat [gedaagde] op de gestelde wijze heeft gehandeld. Zo wordt verwezen naar de verklaring van [X], een vorige bewoner van de woning aan de [adres] te [woonplaats], waarin weliswaar gesproken wordt van het wegnemen van poststukken uit de brievenbus, maar daarbij wordt tevens vermeld ‘ik heb altijd vermoed dat [gedaagde] hiervoor verantwoordelijk moest zijn.’

5.17. Gelet op het vorenstaande wordt geoordeeld dat [eisers c.s.] onvoldoende feiten en/of omstandigheden hebben aangevoerd op grond waarvan kan worden aangenomen dat [gedaagde] poststukken uit de brievenbus van [eisers c.s.] heeft weggenomen. De voorzieningenrechter zal de onderhavige vordering dan ook afwijzen.

Het verbod het leef- en woonmilieu van het gezin van [eisers c.s.] te verstoren

5.18. Voor toewijsbaarheid van een vordering is vereist dat deze voldoende duidelijk en bepaalbaar is. De vordering is immers de basis van het geding. De onderhavige vordering is evenwel in algemene zin omschreven. Informatie aan de hand waarvan kan worden vastgesteld welke concrete verboden door [eisers c.s.] worden beoogd, ontbreekt. Aldus wordt geoordeeld dat de vordering onvoldoende bepaalbaar is en om die reden moet worden afgewezen.

5.19. Partijen zijn in conventie te beschouwen als ieder op enig punt in het ongelijk gesteld, zodat de proceskosten tussen hen zullen worden gecompenseerd als hierna vermeld.

Camera’s

5.20. [gedaagde] baseert zijn eerste vordering in reconventieop de stelling dat de camera’s in de woning en schuur van [eisers c.s.] permanent beelden maken van de omgeving waaronder van zijn huis en erf. De camera’s maken ernstige inbreuk op zijn privacy zodat de aanwezigheid daarvan onrechtmatig jegens hem is, aldus [gedaagde]. [gedaagde] stelt voorts dat camera’s voor derden niet goed zichtbaar zijn en dat deze derden ook niet worden gewaarschuwd voor de aanwezigheid van de camera’s.

5.21. [eisers c.s.] voeren tot hun verweer aan dat zij gelet op de gedragingen van [gedaagde] een gerechtvaardigd belang hebben bij bescherming van hun eigendommen en woon- en leefomgeving door middel van de camera’s. Zij stellen voorts dat [gedaagde] op de hoogte is van het feit dat er camera’s op het perceel van [eisers c.s.] hangen en dat de camera’s bovendien niet gericht zijn op het huis en erf van [gedaagde]. Zij verwijzen naar een in juli 2007 door hen aan justitie gegeven overzicht van de positionering van de camera’s.

5.22. Partijen hebben ter zitting aangegeven, dat zij met elkaar in overleg zullen treden over de camera’s. De voorzieningenrechter zal daarom iedere beslissing hieromtrent aanhouden. Indien en voor zover alsnog vonnis moet worden gewezen, kunnen partijen de voorzieningenrechter daarvan op de hoogte stellen.

Indien partijen de voorzieningenrecht niet voor 30 september 2009 hebben bericht, zal de procedure geroyeerd worden.

Erfdienstbaarheid

5.23. [gedaagde] heeft in de tweede plaats gevorderd dat [eisers c.s.] wordt geboden om alles te doen en na te laten dat nodig is om [gedaagde] in staat te stellen onbelemmerd gebruik te maken van de erfdienstbaarheid, op verbeurte van een dwangsom. Hij stelt dat [eisers c.s.] blijven doorgaan met het hinderen van [gedaagde] om (volledig) gebruik te kunnen maken van zijn recht op overpad. Ter onderbouwing van deze stelling verwijst hij naar de aangifte van 27 mei 2009 waarin hij meldt dat [aannemer] hem de weg heeft versperd, en naar de verschillende aangiftes/klachten die hij reeds daarvoor heeft ingediend.

5.24. [eisers c.s.] betwisten dat zij [gedaagde] belemmeren in het gebruik van de erfdienstbaarheid. Zij zijn van mening dat zij de weg waarop ten behoeve van [gedaagde] een erfdienstbaarheid rust op redelijke wijze gebruiken en dat geen sprake is van reële dreiging dat zij in de toekomst anders zullen handelen. Naar aanleiding van het incident op 27 mei 2009 waarvan [gedaagde] aangifte heeft gedaan, merken zij op dat op dat moment sprake was van laden en lossen door [aannemer]. Tenslotte is volgens [gedaagde] de vordering zo onbepaald geformuleerd dat direct executiegeschillen gevreesd kunnen worden.

5.25. De voorzieningenrechter stelt vast dat de wijze van uitoefening van de erfdienstbaarheid de aanleiding is geweest voor vele incidenten en aan de basis ligt van de verstoorde relatie van partijen. Daarnaast is gebleken dat de erfdienstbaarheid ook thans nog een bron is van conflicten tussen partijen. Recentelijk, te weten op 27 mei jl., was immers sprake van een voorval dat hierin zijn oorsprong vond.

In dit licht bezien is het van groot belang dat [eisers c.s.] een grote mate van zorgvuldigheid betrachten met betrekking tot de uitoefening van de erfdienstbaarheid.

5.26. Nu gebleken is dat thans onderhoudswerkzaamheden aan de woning van [eisers c.s.] worden uitgevoerd, en niet onaannemelijk is, dat dit zal leiden tot nieuwe incidenten, is er voldoende aanleiding om het gevorderde gebod toe te wijzen onder verbeurte van een dwangsom, die zal worden gesteld op EUR 1.000,00 per keer dat het gebod niet wordt nagekomen.

Hierbij wordt opgemerkt dat het op de weg van [eisers c.s.] ligt om aannemers als [aannemer] en andere derden die op zijn perceel werkzaam zullen zijn, nauwkeurig te instrueren over de wijze waarop van het gedeelte van het perceel waarop de erfdienstbaarheid rust, gebruik gemaakt kan worden.

Uitingsverbod

5.27. De derde vordering van [gedaagde] behelst een verbod voor [eisers c.s.] om zich in negatieve zin over de persoon van [gedaagde] uit te laten, in welke vorm en op welke moment dan ook, behoudens tegenover politieambtenaren van het district Heuvelrug en/of het Openbaar Ministerie. [gedaagde] heeft aangevoerd dat de beschuldigingen met betrekking tot het plegen van diefstallen en vernielingen, die [eisers c.s.] over hem heeft geuit en die ook voorkomen in de verklaringen van derden die door [eisers c.s.] zijn overgelegd, louter gebaseerd zijn op vermoedens en niet met bewijsmiddelen worden gestaafd. Deze beschuldigingen zijn volgens [gedaagde] lasterlijk. Hij voert daarnaast aan dat de inhoud van zowel de tv-uitzending als de artikelen in de dagbladen uiterst tendentieus is en voor [gedaagde] lasterlijk.

5.28. De wijze waarop het gevraagde verbod is gevorderd is echter te verstrekkend, nu ook niet onrechtmatige uitingen daaronder zouden vallen. Deze vordering zal dus worden afgewezen.

6. De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

6.1. verbiedt [gedaagde] om op het perceel van [eisers c.s.] te zijn, behoudens op het gedeelte waarop het recht van overpad rust, een en ander zoals aangegeven op de aan dit vonnis - gehechte tekening B,

6.2. verbiedt [gedaagde] lampen te (doen) richten op de eigendommen van [eisers c.s.] en/of op hun persoon,

6.3. verbiedt [gedaagde] zijn honden op de terreinen van [eisers c.s.] te (doen) laten lopen/verblijven, behoudens op het gedeelte waarop het recht van overpad rust, een en ander zoals aangegeven op de aan dit vonnis gehechte tekening B,

6.4. bepaalt dat [gedaagde] voor iedere keer dat hij in strijd handelt met het onder 6.1. bepaalde, aan [eisers c.s.] een dwangsom verbeurt van EUR 10.000,00 per keer,

6.5. bepaalt dat [gedaagde] voor iedere keer dat hij in strijd handelt met het onder 6.2. bepaalde, aan [eisers c.s.] een dwangsom verbeurt van EUR 1.000,00 per keer,

6.6. bepaalt dat [gedaagde] voor iedere keer dat hij in strijd handelt met het onder 6.3. bepaalde, aan [eisers c.s.] een dwangsom verbeurt van EUR 1.000,00 per keer,

6.7. verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.8. compenseert de proceskosten op die wijze dat iedere partij de eigen kosten zal dragen,

6.9. wijst af het meer of anders gevorderde,

in reconventie

6.10. gebiedt [eisers c.s.] om vanaf de datum van betekening van dit vonnis te doen en na te laten al hetgeen dat nodig is om [gedaagde] in staat te stellen onbelemmerd gebruik te maken van zijn recht op overpad als omschreven in de erfdienstbaarheidclausule in de koopovereenkomst tussen [eisers c.s.] en de vorige eigenaar van het perceel van [eisers c.s.]

6.11. bepaalt dat [eisers c.s.] voor iedere keer dat zij in strijd handelen met het onder 6.10. bepaalde, aan [gedaagde] een dwangsom verbeuren van EUR 1.000,00 per keer dat het gebod niet wordt nagekomen.

6.12. verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.13. wijst af het meer of anders gevorderde onder 2 en 3,

6.14. houdt de beslissing op de vordering onder 1, alsmede de veroordeling in de proceskosten aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.A.M.E. van der Burg-van Geest en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2009.?

w.g.griffier w.g. rechter