Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BJ5965

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
05-08-2009
Datum publicatie
25-08-2009
Zaaknummer
258014 / HA ZA 08-2324
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Referentiecontrole na sluiten inleenovereenkomst.Geen verplichting wervingsbureau tot verstrekken van de inhoud van informatie naar aanleiding van referentiecontrole.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 258014 / HA ZA 08-2324

Vonnis van 5 augustus 2009

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres],

gevestigd te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. J. Brakke,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CEPARI B.V.,

gevestigd te Houten,

gedaagde,

advocaat mr. M.V.J. Noordermeer,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ACCENTURE B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. J.M. van Noort.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Cepari en Accenture genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 21 januari 2009;

- het proces-verbaal van comparitie van 18 juni 2009.

In verband met het op 21 april 2009 uitgesproken faillissement van Cepari, zijn ter comparitie alleen [eiseres] en Accenture verschenen. Ter zitting hebben beide partijen zich alleen uitgelaten over de vordering van [eiseres] op Accenture.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

In verband met het faillissement van Cepari is de procedure tegen Cepari op grond van artikel 29 Faillissementswet (hierna: “Fw”) van rechtswege geschorst, voor zover deze betrekking heeft op de vorderingen van [eiseres] tot betaling van een geldsom en proceskosten (vorderingen 1) en 3), vermeld onder “3.1 De vorderingen”). Uit proceseconomische overwegingen bevat het hierna vermelde overzicht geen feiten die alleen voor die vorderingen relevant zijn.

2.1. [X] biedt via zijn vennootschap [eiseres] op interimbasis diensten aan.

2.2. Accenture heeft in 2007 aan Cepari de opdracht gegeven om ten behoeve van ING Bank (hierna: “ING”) een Senior Inkoopadviseur te werven.

2.3. Op 20 juli 2007 zijn [eiseres] en Cepari overeengekomen dat [eiseres] naar aanleiding van voornoemde opdracht van Accenture bij ING de functie van Senior Inkoopadviseur zou gaan vervullen vanaf 6 augustus 2007 tot 5 oktober 2007. Het daartoe strekkende contract (hierna: “de inleenovereenkomst”) is op 20 juli 2007 door Cepari en [X] ondertekend.

2.4. Eveneens op 20 juli 2007 heeft [X] een zogenoemde Verklaring Pre-Employment Screening van ING ondertekend (hierna ook: “het screeningsformulier”). Hierop staan onder meer vermeld de namen van de vijf eerdere opdrachtgevers van [eiseres] vanaf 1995. [X] is op het screeningsformulier aangeduid als “sollicitant”. Op het screeningsformulier staat voorts de volgende tekst:

Ondergetekende verklaart hierbij (…) dat het ondergetekende bekend is dat indien de uitkomst van de toets naar het oordeel van ING negatief is, dit consequenties kan hebben voor de (mogelijke) arbeidsverhouding met Werkgever.

2.5. ING heeft vervolgens een pre-employment screening uitgevoerd, waaronder een referentie-check. Naar aanleiding van de resultaten daarvan heeft Accenture besloten af te zien van de diensten welke door [eiseres] en Cepari op 20 juli 2007 waren overeengekomen. Dat Accenture daartoe had besloten is voor 6 augustus 2007 door Cepari aan [X] meegedeeld.

2.6. [eiseres] kon zich niet verenigen met het feit dat zij niet met haar werkzaamheden op 6 augustus 2007 bij ING kon beginnen. Bij brief van 17 augustus 2007 heeft haar advocaat aan Cepari gevraagd om mee te delen op grond van welke informatie is afgezien van de diensten van [eiseres] Op of omstreeks 16 november 2007 is namens Cepari een brief gestuurd aan de advocaat van [eiseres] met als bijlage een e-mail van Accenture aan Cepari, waarin is vermeld:

De beëindiging van de aanvraag ten behoeve van de heer [X] is indertijd gebeurd naar aanleiding van onverenigbaarheid van persoonlijkheden tussen de heer [X] en de betreffende ING teamleider.

3. De vorderingen

3.1. [eiseres] vordert, samengevat:

Cepari te veroordelen, uitvoerbaar bij voorraad,

Vordering 1):

primair: tot nakoming van de inleenovereenkomst;

subsidiair: tot betaling van EUR 29.880,-- exclusief BTW, ten titel van voorschot op de door [eiseres] geleden schade, te vermeerderen met wettelijke rente;

meer subsidiair: tot betaling van een bedrag zoals dit de rechtbank in goede justitie voorkomt, te vermeerderen met wettelijke rente;

Vordering 2):

om binnen 5 dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis schriftelijk te verklaren op grond van welke informatie uit welke bron is afgezien van het gebruik maken van [eiseres], op straffe van een dwangsom van EUR 250,-- voor elke dag dat Cepari na betekening van het te dezen te wijzen vonnis in gebreke blijft met het schriftelijk verstrekken van deze informatie;

Vordering 3):

tot betaling van buitengerechtelijke kosten en de proceskosten;

Accenture te veroordelen, uitvoerbaar bij voorraad,

a)

om binnen 5 dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis schriftelijk te verklaren op grond van welke informatie uit welke bron is afgezien van het gebruik maken van [eiseres], op straffe van een dwangsom van EUR 250,-- voor elke dag dat Accenture na betekening van het te dezen te wijzen vonnis in gebreke blijft met het schriftelijk verstrekken van deze informatie;

b)

tot betaling van de proceskosten.

3.2. Aan vordering 1) op Cepari legt [eiseres] ten grondslag dat Cepari toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de inleenoverenkomst. Als grondslag voor vordering 2) op Cepari voert [eiseres] aan dat zij er recht op en belang bij heeft om te weten op grond van welke informatie er is afgezien van het gebruik maken van haar diensten. Het belang bestaat hieruit dat indien de, voor [eiseres] onbekende informatie, verspreid blijft worden, zij daar mogelijk in de toekomst hinder van zal ondervinden.

3.3. Aan haar onder a) vermelde vordering op Accenture legt [eiseres] ten grondslag dat Accenture tot het verstrekken van de informatie gehouden is op grond van een afgeleide overeenkomst, althans op grond van een onrechtmatige daad.

3.4. Cepari en Accenture voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

ten aanzien van Cepari:

Vorderingen 1) en 3)

4.1. Cepari is op 21 april 2009 in staat van faillissement verklaard. De vorderingen 1) en 3), vermeld onder “3 De vorderingen”, moeten naar het oordeel van de rechtbank worden beschouwd als rechtsvorderingen tot voldoening van een verbintenis uit de boedel in de zin van artikel 29 Fw. Ten aanzien van deze vorderingen is het geding derhalve geschorst vanaf 21 april 2009. In verband hiermee zal de zaak worden verwezen naar de parkeerrol, voor zover het deze beide vorderingen betreft.

Vordering 2)

4.2. Vordering 2) betreft een door [eiseres] gestelde verplichting van Cepari, die naar het oordeel van de rechtbank niet valt onder artikel 29 Fw, zodat het geding ten aanzien van deze vordering niet van rechtswege geschorst is. Aangezien [eiseres] niet op grond van artikel 28 Fw om schorsing van het geding heeft verzocht teneinde de curator in het geding te roepen en Cepari voordat zij failliet werd verklaard verweer heeft gevoerd door middel van haar conclusie van antwoord, zal de rechtbank deze vordering nu beoordelen.

4.3. Het betoog van [eiseres] komt erop neer dat Cepari haar dient mee te delen op grond van welke informatie Accenture heeft besloten om [X] niet te werk te stellen bij ING, ondanks de omstandigheid dat [eiseres] en Cepari daartoe al de inleenovereenkomst waren aangegaan. In verband daarmee stelt de rechtbank allereerst vast dat [eiseres] en Cepari niet zijn overeengekomen dat Cepari de inhoud van de informatie die zou voortkomen uit de door ING uit te voeren screening aan [eiseres] kenbaar zou moeten maken. Voorts brengt de omstandigheid dat een (rechts-)persoon (in dit geval [eiseres]) zijn diensten aan potentiële werkgevers aanbiedt via een wervingsbureau (Cepari) en in het kader daarvan aan het bedrijf waaraan hij zijn diensten wil verlenen (ING) toestemming geeft tot het inwinnen van informatie over die persoon, in het algemeen geen verplichting voor het wervingsbureau mee om de inhoud van die informatie prijs te geven. [eiseres] voert bovendien geen bijzondere omstandigheden aan op grond waarvan in het onderhavige geval anders zou moeten worden geoordeeld.

4.4. De rechtbank is bovendien van oordeel dat [eiseres] onvoldoende feiten heeft aangevoerd om de gevolgtrekking te rechtvaardigen dat Cepari over meer informatie beschikt dan zij al aan [eiseres] heeft verstrekt. Cepari betoogt dat zij niet over meer informatie beschikt dan hetgeen zij van Accenture heeft vernomen, namelijk dat is geconcludeerd dat sprake was van onverenigbaarheid van de persoonlijkheden van [X] en de ING-teamleider onder wiens toezicht [X] zou gaan werken (zie 2.6). Gelet op het screeningsformulier (zie 2.4) lag de bevoegdheid tot het inwinnen van informatie van voormalige opdrachtgevers van [eiseres] bij ING en niet bij Cepari. ING heeft aan Accenture de opdracht gegeven tot het werven van een Senior Inkoopadviseur en in verband daarmee heeft Accenture Cepari ingeschakeld. Deze contractuele verhoudingen dwingen niet tot de conclusie dat Cepari over meer informatie moet beschikken. [eiseres] voert voorts geen omstandigheden aan op grond waarvan moet worden aangenomen dat Cepari wel over meer informatie beschikt. Gelet op het voorgaande zal de vordering worden afgewezen.

4.5. In verband met de proceskosten overweegt de rechtbank het volgende. Op grond van artikel 2 lid 2 sub 2, d Wet tarieven burgerlijke zaken (hierna: “WTBZ”) is aan Cepari EUR 705,-- vastrecht (griffierecht) in rekening gebracht. Dit is berekend aan de hand van de vordering tot betaling van EUR 29.880,-- (vordering 1), vermeerderd met wettelijke rente, met betrekking tot welke vordering het geding geschorst is. De thans besproken vordering tot het verstrekken van informatie (vordering 2) is echter een vordering waarvoor op grond van artikel 2 lid 2 sub 2, g WTBZ in 2008 (het jaar waarin deze zaak bij de rechtbank is aangebracht) EUR 254,-- aan griffierecht in rekening gebracht had kunnen worden. In verband daarmee zal de rechtbank van het aan Cepari in rekening gebrachte griffierecht EUR 254,-- toerekenen aan de vordering waarover de rechtbank in dit vonnis een beslissing geeft.

4.6. [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Cepari worden begroot op:

- vast recht 254,00

- salaris advocaat 452,00 (1 punt × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 706,00

ten aanzien van Accenture:

4.7. Gelet op het betoog van Accenture dat zij naar aanleiding van de screening van [X] door ING heeft besloten af te zien van de betrokkenheid van [eiseres] bij het beoogde project, gaat de rechtbank er vanuit dat Accenture over meer informatie beschikt dan zij al – via Cepari - aan [eiseres] heeft verstrekt. Bij de beoordeling van deze vordering gaat het derhalve om de vraag of Accenture ertoe gehouden is om die informatie af te geven.

4.8. [eiseres] voert als eerste grondslag voor een op Accenture rustende verplichting tot het verstrekken van de gevorderde informatie aan dat sprake is van een afgeleide overeenkomst met Accenture. Accenture betoogt dat haar niet duidelijk is wat met de door [eiseres] gestelde rechtsfiguur van een afgeleide overeenkomst wordt bedoeld.

4.9. ING heeft aan Accenture de opdracht gegeven tot werving van een Senior Inkoopadviseur en in verband daarmee heeft Accenture Cepari ingeschakeld. Er is derhalve geen sprake van een contractuele verhouding tussen [eiseres] en Accenture. De screening door ING is voorts niet gebaseerd op enige andere overeenkomst tussen [eiseres] en Accenture. De omstandigheid dat in het kader van de werving van een functionaris toestemming door die potentële functionaris wordt verleend tot het inwinnen van informatie bij voormalige opdrachtgevers, brengt voorts voor degenen die belast zijn met de werving van die functionaris in het algemeen geen verplichting met zich mee om de inhoud van die informatie prijs te geven.

4.10. Onder zeer uitzonderlijke omstandigheden wordt er vanuit gegaan dat partijen die niet in een contractuele verhouding tot elkaar staan zich jegens elkaar moeten gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid. Accenture heeft Cepari de opdracht gegeven tot werving van een bij ING te werk te stellen Senior Inkoopadviseur. Naar aanleiding daarvan zijn Cepari en [eiseres] op 20 juli 2007 overeengekomen dat

[X] vanaf 6 augustus 2007 tijdelijk bij ING in voornoemde functie zou gaan werken. Mede gelet op de omstandigheid dat eerst op 20 juli 2007 - de dag van sluiting van de inleenovereenkomst - aan [eiseres] is gevraagd om toestemming te verlenen voor een door ING uit te voeren screening van [X], die screening vervolgens heeft plaatsgevonden en Accenture naar aanleiding van die screening heeft besloten af te zien van de betrokkenheid van [eiseres], is het naar het oordeel van de rechtbank niet uitgesloten dat Accenture en [eiseres] verplicht zijn zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid. Voor zover [eiseres] echter met haar beroep op een afgeleide overeenkomst bedoelt dat Accenture op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid gehouden is de gevorderde informatie te verstrekken, passeert de rechtbank deze stelling. In verband daarmee overweegt de rechtbank als volgt.

4.11. [eiseres] heeft zich er door ondertekening van het screeningsformulier mee akkoord verklaard dat ING een screening zou uitvoeren waarvan de uitkomst in de ogen van ING negatief zou kunnen zijn. Tevens heeft [eiseres] door de ondertekening van het screeningsformulier bevestigd dat het haar bekend was dat de uitkomst van de screening consequenties kon hebben voor de (mogelijke) arbeidsverhouding met ING. Hierdoor heeft [eiseres] het risico aanvaard dat derden aan ING informatie zouden verschaffen op grond waarvan ING de conclusie zou kunnen trekken dat [X] mogelijk niet goed zou kunnen samenwerken met de ING-teamleider in verband met botsende persoonlijkheden. Accenture heeft aan [eiseres] - via Cepari – meegedeeld dat de reden voor het afzien van de diensten van [eiseres] lag in onverenigbare persoonlijkheden. Indien en voor zover er vanuit zou moeten worden gegaan dat Accenture gehouden is zich jegens [eiseres] te gedragen in overeenstemming met de eisen van redelijkheid en billijkheid, heeft Accenture hieraan voldaan door voornoemde reden mee te delen. De eisen van redelijkheid en billijkheid strekken zich naar het oordeel van de rechtbank echter niet uit tot het openbaar maken van de naam of namen van degene(n) die informatie over [X] heeft/hebben verstrekt die ertoe heeft geleid dat werd geconcludeerd dat sprake was van onverenigbare persoonlijkheden, noch tot het openbaar maken van de inhoud van die informatie.

4.12. [eiseres] betoogt voorts dat sprake was van een screening door Accenture en dat ING op basis van mededelingen van Accenture moet hebben afgezien van de diensten van [eiseres] Daarom is er volgens [eiseres] sprake van een onrechtmatige daad van Accenture jegens haar. De rechtbank volgt [eiseres] ook in dit standpunt niet. Ter zitting is namens Accenture aangevoerd dat er geen sprake was van een screening door Accenture, behalve dat Accenture ook naar het curriculum vitae van [X] heeft gekeken. Hierop is door [X] namens [eiseres] gereageerd door op te merken dat hij het mogelijk acht dat de eindscreening bij ING lag. Gelet op het screeningsformulier is de rechtbank van oordeel dat de bevoegdheid tot en de verantwoordelijkheid voor het inwinnen van informatie van voormalige opdrachtgevers van [eiseres] bij ING lag en niet bij Accenture. Het ligt dan ook niet voor de hand dat ING op basis van mededelingen van Accenture heeft afgezien van de diensten van [eiseres] Bij gebrek aan nadere onderbouwing door [eiseres] gaat de rechtbank dan ook aan deze stelling van voorbij.

4.13. Aan Accenture is EUR 705,-- ter zake van vastrecht (griffierecht) in rekening gebracht. Het griffierecht is echter berekend aan de hand van de vordering tot schadevergoeding van [eiseres] op Cepari, terwijl de vordering op Accenture een vordering van onbepaalde waarde is waarvoor EUR 254,-- aan Accenture in rekening had moeten worden gebracht. In verband hiermee zal [eiseres] ter zake van het griffierecht worden veroordeeld tot een bedrag van EUR 254,-- en zal het bedrag dat teveel aan Accenture in rekening is gebracht (EUR 451,--) door de rechtbank aan Accenture worden gecrediteerd.

4.14. [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Accenture worden begroot op:

- vast recht 254,00

- salaris advocaat 904,00 (2 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.158,00

5. De beslissing

De rechtbank

met betrekking tot Cepari:

ten aanzien van de vorderingen 1) en 3), zoals vermeld onder “3 De vorderingen”

5.1. bepaalt dat de zaak weer op de parkeerrol zal komen van 7 april 2010,

5.2. houdt iedere verdere beslissing aan,

ten aanzien van vordering 2), zoals vermeld onder “3 De vorderingen”

5.3. wijst de vordering af,

5.4. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van Cepari tot op heden begroot op EUR 706,--,

5.5. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

met betrekking tot Accenture:

5.6. wijst de vorderingen af,

5.7. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van Accenture tot op heden begroot op EUR 1.158,--,

5.8. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.K.J. van den Boom en in het openbaar uitgesproken op

5 augustus 2009.?

w.g. griffier w.g. rechter