Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BJ5255

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
10-08-2009
Datum publicatie
13-08-2009
Zaaknummer
16-601345-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De Rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar; i.v.m. afpersing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/601345-08 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 10 augustus 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1963] te [geboorteplaats],

wonende te [adres] [woonplaats],

raadsman mr. H.J.G. Brander, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 2 april 2009 en 27 juli 2009, waarbij de officier van justitie, mr. V.T.R.W. van Thiel, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

De zaak van verdachte is gelijktijdig, doch niet gevoegd, behandeld met de zaken van medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]. Hierna zullen verdachte en zijn medeverdachten worden aangeduid als [verdachte], [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is ter terechtzitting d.d. 2 april 2009 gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat [verdachte]:

t.a.v. feit 1: samen met anderen heeft geprobeerd [benadeelde 1] geld te laten afgeven door geweld of bedreiging met geweld.

t.a.v. feit 2: samen met anderen [benadeelde 2] geld heeft laten afgeven door geweld of bedreiging met geweld.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] beide feiten heeft begaan en heeft daartoe aangevoerd dat de aangiftes elkaar ondersteunen en de aangiftes zelf door tal van andere bewijsmiddelen worden ondersteund.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van feit 1 dient [verdachte] te worden vrijgesproken omdat hij zelf geen bedreigende woorden heeft gebruikt, hetgeen [medeverdachte 1] heeft bevestigd. Het aandeel van [verdachte] is zo klein dat dit geen bewezenverklaring voor medeplegen kan opleveren.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman aangevoerd dat [medeverdachte 2] eigenhandig heeft opgetreden. [verdachte] heeft zelf geen bedreigingen geuit. Er is geen sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte 2] zodat medeplegen niet bewezen kan worden verklaard.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] het ten laste gelegde feit heeft begaan. Zij grondt haar overtuiging daartoe op de volgende feiten en omstandigheden.

[benadeelde 1] (hierna te noemen [benadeelde 1]) heeft in zijn aangifte als volgt verklaard:

[benadeelde 1] is veertien jaar geleden als administrateur in dienst geweest bij het bedrijf van [medeverdachte 1]. Dat bedrijf is in 1994 failliet gegaan en heeft een doorstart gemaakt als dochteronderneming van [benadeelde 2] Grafische Bedrijven. Begin 2008 werd [benadeelde 1] ineens een aantal keren gebeld door [medeverdachte 1] met het verzoek om een afspraak te maken. In één van die telefonische gesprekken zei [medeverdachte 1] tegen [benadeelde 1]: “We moeten bespreken hoe jij mij gaat betalen.” Medio 2008 belde [medeverdachte 1] wederom met [benadeelde 1] en zei dat hij wilde spreken over de gebeurtenissen in het verleden. Daarbij zei hij: “Als we niet kunnen afspreken, kom ik naar je huis met een paar vriendjes om te spreken”. [benadeelde 1] had hier een heel onaangenaam gevoel over. Op 31 juli 2008 hebben [benadeelde 1] en [medeverdachte 1] elkaar gesproken in motel [Z] te Eemnes. Na enige tijd kwamen twee mannen bij hen aan de tafel zitten, die zich niet aan [benadeelde 1] voorstelden. Eén van die mannen ging met zijn stoel strak tegen [benadeelde 1] aan zitten zodat hij zijn linkerarm niet meer kon bewegen. De andere man ging recht tegenover [benadeelde 1] zitten en keek hem indringend aan. Deze man pakte een envelop, haalde er twee brieven uit en gaf deze aan [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] gaf deze aan [benadeelde 1] en zei: “Ik wil dat je deze brieven leest en ondertekent”. [benadeelde 1] heeft aangegeven dat er een onjuistheid in de brief stond. [medeverdachte 1] gaf op een indringende toon aan om nu te tekenen. De man tegenover [benadeelde 1] kwam naar voren zitten en keek hem heel indringend aan. Door die houding voelde [benadeelde 1] zich bedreigd en hij heeft toen een handtekening onderaan de brief gezet. Beide voor [benadeelde 1] onbekende mannen vertrokken op dat moment. [medeverdachte 1] zei dat als hij de brief niet had ondertekend, [benadeelde 1] met de heren mee had moeten gaan. De door [benadeelde 1] ondertekende brief betrof een ‘Bekentenis’ waarin [benadeelde 1] belastend verklaart over zijn rol en de rol van [benadeelde 2] bij het faillissement van het bedrijf van [medeverdachte 1] in 1994. [benadeelde 1] omschrijft de twee hem onbekende mannen als een Antilliaanse man met brede schouders (degene die tegenover hem zat) en een blanke man met gespierd, fors en afgetraind lichaam.

[benadeelde 1] heeft verder verklaard dat hij op 7 september 2008 nogmaals werd gebeld door [medeverdachte 1] met de mededeling dat hij het document wilde dat [benadeelde 1] had. [benadeelde 1] antwoordde dat hij dat niet kreeg. Die avond rond 21.45 uur werd aan de deur gebeld bij de woning van [benadeelde 1], waarna zijn zoon open deed. [benadeelde 1] is naar de voordeur gelopen en zag [medeverdachte 1] staan, in het gezelschap van de twee mannen die hij op 31 juli 2008 in motel [Z] had gezien. [medeverdachte 1] zei dat hij het document nu wilde hebben. De Antilliaanse man deed een stap naar voren en zei: “Geef dat document nou, dan zijn we klaar en komen nooit meer terug.” Daarbij keek de man [benadeelde 1] indringend aan. [benadeelde 1] voelde zich zeer bedreigd omdat ze hem privé opzochten en heeft het document afgegeven. [medeverdachte 1] belde op 8 september 2008 nogmaals met [benadeelde 1] en vroeg hem nog eenmaal naar motel [Z] te komen. Dezelfde avond hebben zij elkaar daar getroffen. Na enige tijd verschenen wederom de twee mannen, die bij de vorige ontmoeting ook aanwezig waren. De Antilliaanse man nam het gesprek over en zei: “Of u dit gesprek opneemt maakt ons niet uit, maar ik vind het zo erg wat jij gedaan hebt dat je daarvoor 150.000 euro moet betalen.” Hierbij keek hij op een zeer onaangename manier [benadeelde 1] aan en voegde toe: “Je hebt hier een week de tijd voor. Ga je dat betalen?” Ook zei hij nog tegen [benadeelde 1]: “Er staan er nog meer buiten te wachten, daar ga ik nu naar toe.” De Antilliaanse man vroeg vervolgens aan de blanke man of hij het verder overnam. Bij het opstaan zei hij nog: “Mooie jongen heb je. Toch jammer.” [benadeelde 1] begreep hieruit dat hij doelde op zijn zoon omdat die de voordeur had geopend de dag ervoor. Hij veronderstelde door de opmerking dat zijn zoon of gezin wat zou worden aangedaan als hij niet zou betalen. De blanke man zei nog: “Ik zou het maar doen, dat is beter voor je” en daarna is ook hij vertrokken.

[benadeelde 1] werd op 10 september 2008 wederom gebeld door [medeverdachte 1], die met hem wilde afspreken. In dat telefoongesprek toonde [medeverdachte 1] begrip voor het feit dat hij niet direct over 150.000 euro kon beschikken. Hij wilde met [benadeelde 1] daarover spreken en een voorstel horen hoe en wanneer hij dat geld zou betalen. Hij eindigde het gesprek met: “Als je niet komt, dan kom ik wel naar jou toe.” [benadeelde 1] voelde zich hierdoor bedreigd en onder druk gezet door [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] en [benadeelde 1] hebben elkaar getroffen op 11 september 2008 in restaurant [U] in Almere. [medeverdachte 1] zei dat [benadeelde 1] het geld aan zijn handlangers zou moeten betalen. Hij vertelde dat de organisatie die hier omheen zat ook in het buitenland zat. Verder zei [medeverdachte 1] dat hij die 150.000 euro moest gaan betalen en dat het hem niet uitmaakte op wat voor wijze [benadeelde 1] daar aan zou komen. [medeverdachte 1] zei diverse keren dat hij in de bak had gezeten en dat het hem niet zou uitmaken of hij daar terug zou komen. Hij moest voor maandag het geld hebben en zei dat als [benadeelde 1] niet zou gaan betalen, hij dan wist wat er maandag zou gebeuren. Het was duidelijk voor [benadeelde 1] dat [medeverdachte 1] en zijn adviseurs hem en zijn gezin dan zouden komen opzoeken.

Betrouwbaarheid verklaringen [benadeelde 1]

De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de aangiften en verklaringen van [benadeelde 1]. [benadeelde 1] heeft in meerdere verhoren consistent verklaard over de gebeurtenissen van begin 2008 tot en met 11 september 2008. Zijn verklaringen worden bovendien op belangrijke punten ondersteund door andere bewijsmiddelen. Zo heeft [medeverdachte 1] in zijn verklaring ter zitting bevestigd dat de ontmoetingen op 31 juli, 7, 8 en 11 september 2008 hebben plaatsgevonden in motel [Z], bij de woning van [benadeelde 1] en in restaurant [U]. [verdachte] heeft ter zitting verklaard dat hij eveneens aanwezig was bij de gesprekken op 31 juli, 7 en 8 september 2008: hij heeft verklaard dat hij op 31 juli 2008 tegenover [benadeelde 1] is gaan zitten en dus de man is die [benadeelde 1] omschrijft als de ‘Antilliaanse man’. Ook de inhoud van de gesprekken is op onderdelen bevestigd door hun verklaringen. Zo verklaart zowel [medeverdachte 1] als [verdachte] dat er op 31 juli 2008 met [benadeelde 1] is gesproken over de ‘bekentenis’ en dat [benadeelde 1] deze toen heeft getekend. Op 8 september 2008 is gesproken over het betalen door [benadeelde 1] van een bedrag van 150.000 euro aan [medeverdachte 1], aldus de verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte 1]. Zij hebben voorts bevestigd dat er bij de gesprekken op 31 juli en 8 september 2008 een derde man aanwezig was.

De rechtbank acht bovendien de aangifte van [benadeelde 2] ondersteunend voor de aangifte van [benadeelde 1]. Zoals hierna voor wat betreft feit 2 te overwegen, heeft [benadeelde 2] aangifte gedaan van afpersing van 25.000 euro door [medeverdachte 1], tezamen met [verdachte] en anderen. Ook [benadeelde 2] werd volgens zijn aangifte plotsklaps na veertien jaar geconfronteerd met [medeverdachte 1], die in het gezelschap was van een grote Antilliaanse man ([verdachte]). Ook van [benadeelde 2] werd geld geëist in verband met de handelingen rond het faillissement van het bedrijf van [medeverdachte 1] in 1994. [verdachte] en [medeverdachte 1] hebben ook tegen [benadeelde 2] gezegd dat zij deel uitmaken van een grotere organisatie. Ook [benadeelde 2] werd op onverwachte momenten bezocht door [medeverdachte 1], [verdachte] en anderen. Met [benadeelde 2] werd ook afgesproken in een motel om besprekingen te hebben. De aangifte van [benadeelde 2] levert dus een zelfde beeld op van de wijze van opereren van [medeverdachte 1] en [verdachte] als bij [benadeelde 1].

Bedreiging met geweld en medeplegen

[medeverdachte 1] heeft ontkend dat er tijdens de gesprekken sprake was van een voor [benadeelde 1] bedreigende situatie en dat hij heeft geprobeerd om hem geld afhandig te maken. Ook [verdachte] heeft in zijn verklaring betwist dat sprake was van (een poging tot) afpersing en van bedreigingen zoals in de tenlastelegging verwoord. De rechtbank hecht echter geen geloof aan de verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte 1] op dit punt. Daarbij neemt de rechtbank allereerst in aanmerking dat beiden wisselende verklaringen hebben afgelegd. Zo heeft [medeverdachte 1] aanvankelijk bij de politie verklaard dat [verdachte] heeft voorgesteld om samen naar [benadeelde 1] te gaan en dat [verdachte] op eigen initiatief is meegegaan naar [Z]. Voor [medeverdachte 1] kwam het als een complete verrassing dat [verdachte] op 7 september 2008 tegen [benadeelde 1] zei dat hij 150.000 euro moest betalen en dat hij daarvoor een week de tijd had, aldus [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] verklaart dat hij er zich best wel wat bij kan voorstellen dat [benadeelde 1] toen behoorlijk aangedaan was door die twee vrienden van hem. [medeverdachte 1] is ter zitting daarop teruggekomen en heeft verklaard dat hij zelf [verdachte] heeft gevraagd om mee te gaan naar de gesprekken, dat hij zelf het bedrag van 150.000 euro heeft genoemd tegenover [benadeelde 1], dat dat bedrag niet is geëist en dat [verdachte][benadeelde 1] niet heeft bedreigd. Voor het bijstellen van zijn verklaring heeft [medeverdachte 1] geen plausibele reden gegeven. Opmerkelijk is bovendien dat enkele details in de aanvankelijke verklaring van [medeverdachte 1] overeenkomen met de aangifte van [benadeelde 1]. Zo verklaren beiden dat [verdachte] aan [benadeelde 1] een week de tijd gaf om het bedrag van 150.000 euro te betalen. Ook verklaart [medeverdachte 1] dat [verdachte] toen zou hebben gezegd: “Mooie jongen ben jij”, wat erg lijkt op de opmerking die [benadeelde 1] hoorde: “Mooie jongen heb jij”.

[verdachte] heeft ook wisselend verklaard op onderdelen. Zo verklaart hij aanvankelijk bij de politie dat hij de envelop in motel [Z] moest afgeven aan [medeverdachte 1] en dat hij dat maar raar vond. [medeverdachte 1] vroeg hem dat omdat hij zelf een heethoofd was en uit zijn dak kon gaan. Ter zitting heeft hij aanvankelijk verklaard dat hij de envelop met daarin de (dan nog ongetekende) ‘bekentenis’ mee moest nemen omdat [medeverdachte 1] die dag als schilder werkte en de papieren daarom zelf niet mee kon nemen. Nadat [medeverdachte 1] als verdachte ter zitting echter verklaarde dat hij de ‘bekentenis’ aan [verdachte] had gegeven zodat een kennis van [verdachte] deze kon bekijken op juridische en tekstuele aspecten, bevestigde [verdachte] ter zitting die verklaring en verklaarde hij dat hij de ‘bekentenis’ inderdaad aan een kennis had laten lezen.

Voorts worden de verklaringen van [medeverdachte 1] en [verdachte] op onderdelen weerlegd door andere bewijsmiddelen.

[verdachte] heeft over de blanke man die eveneens bij de gesprekken op 31 juli en 8 september 2008 aanwezig was, ter zitting als volgt verklaard. Deze man was een snorder met wie [verdachte] beide keren is meegereden en die mee naar binnen is gegaan omdat hij bang was anders niet betaald te zullen worden. Nog daargelaten dat het de rechtbank ongeloofwaardig voorkomt dat [verdachte] op 8 september 2008 ‘heel toevallig’ (zoals hij zelf verklaart) op straat dezelfde snorder treft als op 31 juli 2008, dat deze snorder toevallig – net als [verdachte] – een gespierd uiterlijk heeft en dat hij beide keren aanschuift bij een (vertrouwelijk) gesprek waarmee hij niets te maken heeft, is het relaas van [verdachte] op één onderdeel aantoonbaar onjuist. [verdachte] heeft ter zitting verklaard dat de snorder en hij bij beide ontmoetingen gelijktijdig zijn weggegaan (hetgeen ook logisch zou zijn als de blanke man daadwerkelijk de ‘toevallige’ snorder was). Op de beelden die de beveiligingscamera’s van motel [Z] op 8 september 2008 hebben gemaakt, is te zien dat de ‘getinte man’ ([verdachte]) op enig moment van de tafel opstaat en het restaurant verlaat. De andere drie personen ([medeverdachte 1], [benadeelde 1] en de onbekend gebleven blanke man) blijven achter en blijven, in ieder geval nog een minuut na het vertrek van [verdachte], aan de tafel in het restaurant zitten. De beelden komen niet overeen met de verklaring van [verdachte], terwijl zij een ondersteuning zijn van de aangifte van [benadeelde 1] die verklaart dat de Antilliaanse man aan de blanke man vroeg of hij het verder overnam en (als enige) vertrok.

De rechtbank acht derhalve bewezen dat [medeverdachte 1] en [verdachte] in nauwe en bewuste samenwerking een (be)dreigende situatie hebben doen ontstaan voor [benadeelde 1] door het totaal van de handelingen genoemd in de tenlastelegging. De omstandigheid dat zij [benadeelde 1] niet rechtstreeks hebben bedreigd met de dood of met zware mishandeling maakt niet dat er geen sprake was van bedreiging met geweld. De onverwachte en door [benadeelde 1] ongewenste aanwezigheid van [medeverdachte 1], [verdachte] en de onbekend gebleven blanke man, in combinatie met het forse en gespierde postuur van de twee laatstgenoemden alsmede de bewoordingen van [medeverdachte 1] en [verdachte] die impliciet verwijzen naar iets vervelends dat [benadeelde 1] en zijn gezin zou overkomen bij niet-betaling, maken dat bedreiging met geweld bewezen is.

Uit de aangifte volgt dat [verdachte] bij nagenoeg elke ontmoeting aanwezig was en dat hij zich zowel woordelijk als fysiek met de gesprekken bemoeide. Sterker nog, hij uitte de eis van betaling van 150.000 euro en voegde daaraan de woorden toe “Mooie jongen heb jij, toch jammer”, kennelijk verwijzend naar de zoon van [benadeelde 1].

De rechtbank overweegt nog dat de feitelijke handelingen waaruit de poging tot afpersing bestaat, de periode beslaan tot en met 11 september 2008, terwijl de tenlastelegging een periode van 1 juli 2008 tot en met 7 september 2008 noemt. De rechtbank zal niettemin ook de in de tenlastelegging geconcretiseerde handelingen van 8 en 11 september 2008 bewezen verklaren nu die data zijn aan te merken als “omstreeks” de periode van 1 juli 2008 tot en met 7 september 2008.

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 1] het ten laste gelegde feit heeft begaan. Zij grondt haar overtuiging daartoe op de volgende feiten en omstandigheden.

[benadeelde 2] (hierna te noemen [benadeelde 2]) heeft in zijn aangifte als volgt verklaard:

De vader van [benadeelde 2] heeft veertien jaar geleden het bedrijf van [medeverdachte 1], te weten drukkerij [naam], overgenomen. [medeverdachte 1] vond dat zijn bedrijf destijds op een onrechtmatige wijze was overgenomen en hij heeft een rechtzaak aangespannen tegen de vader van [benadeelde 2]. [medeverdachte 1] heeft deze rechtzaak verloren.

[benadeelde 2] werd in de maand juli 2008 bij zijn eigen bedrijf in Wijk bij Duurstede opgezocht door [medeverdachte 1] en een grote Antilliaanse man.

[verdachte] heeft verklaard dat hij samen met [medeverdachte 1] [benadeelde 2] heeft opgezocht bij zijn bedrijf . [medeverdachte 1] heeft dit bevestigd . De rechtbank leidt hieruit af dat de door [benadeelde 2] in zijn aangifte genoemde Antilliaanse man, [verdachte] betreft. [benadeelde 2] in het vervolg van zijn aangifte over deze Antilliaanse man verklaart, zal de rechtbank ervan uitgaan dat dit [verdachte] is.

[benadeelde 2] heeft voorts in zijn aangifte verklaard :

[medeverdachte 1] vertelde dat hij zijn hele hebben en houwen was kwijt geraakt en dat dit de schuld was van de vader van [benadeelde 2] omdat die het vroegere bedrijf van [medeverdachte 1] had overgenomen. [medeverdachte 1] toonde de door [benadeelde 1] getekende bekentenis aan [benadeelde 2] waarop de naam van die [benadeelde 2] voor kwam.

[medeverdachte 1] vond dat [benadeelde 2], naar aanleiding van die bekentenis, schuldig was aan de overname van zijn vroegere bedrijf. [medeverdachte 1] eiste 900.000 euro van [benadeelde 2] als vergoeding voor de schade die hij en zijn gezin hadden geleden. [benadeelde 2] vond dat er tijdens dat gesprek een bepaalde dreiging van [medeverdachte 1] en [verdachte] uitging.

[benadeelde 2] zei dat hij geen 900.000 euro had omdat hij failliet was en hij maakte een afspraak bij de curator zodat die kon bevestigen dat [benadeelde 2] failliet was.

[benadeelde 2] is met [medeverdachte 1] en [verdachte] op 6 augustus 2008 naar de curator geweest en zij hebben daar gesproken met onder andere de heer Yang. Deze heeft [medeverdachte 1] en [verdachte] duidelijk gemaakt dat er geen geld meer was, waarna zij weg zijn gegaan. Na enkele uren belde [medeverdachte 1] op en zei dat de zaak hier niet mee was afgedaan.

Op 7 augustus 2008 hebben [medeverdachte 1] en [verdachte] opnieuw [benadeelde 2] opgezocht bij zijn bedrijf. Zij hebben tegen [benadeelde 2] gezegd dat zij heel kwaad op hem waren en dat hij niet moest denken dat hij van hen af was. [medeverdachte 1] en [verdachte] waren onderdeel van een criminele organisatie van wel 500 mensen, waarin zowel Joegoslaven als andere buitenlanders zaten. Die mensen zaten in heel Nederland en dus ook in Wijk bij Duurstede en [benadeelde 2] moest niet denken dat hij aan hen kon ontkomen. [benadeelde 2] voelde zich erg bedreigd door deze uitspraken.

[benadeelde 2] ging vervolgens twee weken op vakantie. Na terugkomst van zijn vakantie werd hij begin september 2008 gebeld door iemand die zich de bemiddelaar van [medeverdachte 1] noemde. Deze persoon wilde een afspraak maken met [benadeelde 2] om alles nog eens door te nemen. [benadeelde 2] heeft met deze man een afspraak gemaakt voor 5 september 2008. Deze man bleek een forse Antilliaanse man te zijn van rond de 100 kilo en met tatoeages op zijn armen en twee gouden tanden.

[medeverdachte 2] heeft als getuige ter zitting verklaard dat hij telefonisch contact heeft opgenomen met [benadeelde 2] en dat hij vervolgens een afspraak heeft gemaakt met [benadeelde 2] bij zijn bedrijf. De rechtbank leidt hieruit af dat de door [benadeelde 2] in zijn aangifte genoemde Antilliaanse man die hij de bemiddelaar noemt, [medeverdachte 2] betreft. [benadeelde 2] in het vervolg van zijn aangifte verklaart over de Antilliaanse man die als bemiddelaar optreedt, zal de rechtbank ervan uitgaan dat dit [medeverdachte 2] is.

[benadeelde 2] heeft voorts in zijn aangifte verklaard :

[medeverdachte 2] vroeg tijdens de ontmoeting op 5 september 2008 aan [benadeelde 2] het hele verhaal nogmaals te vertellen, zodat hij kon beoordelen of [medeverdachte 1] het geld van [benadeelde 2] tegoed had of niet. Ook vertelde [medeverdachte 2] dat [medeverdachte 1] enorme schulden bij hem had. [benadeelde 2] vertelde [medeverdachte 2] vervolgens over de 900.000 euro die [benadeelde 2] aan [medeverdachte 1] moest betalen. [medeverdachte 2] vond dat ook aan de hoge kant en vroeg [benadeelde 2] zelf een bedrag te noemen. Toen [benadeelde 2] 5.000 euro voorstelde, zei [medeverdachte 2] dat [benadeelde 2] hem niet moest beledigen. [medeverdachte 2] stelde uiteindelijk voor dat [benadeelde 2] 25.000 euro aan hem moest betalen en dat [benadeelde 2] dan geen last meer zou hebben van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. [medeverdachte 2] zei daarbij dat [medeverdachte 1] maar een kleine jongen was en hij er wel voor zou zorgen dat [medeverdachte 1] niet meer bij [benadeelde 2] kwam. [medeverdachte 2] belde vervolgens met [medeverdachte 1] en hij zei hem dat het geregeld was en dat [medeverdachte 1] [benadeelde 2] niet meer moest lastigvallen.

[medeverdachte 2] zei dat hij een grotere jongen was dan [medeverdachte 1] en dat dreigen niet zijn stijl was. [benadeelde 2] begreep uit zijn woorden dat er met [medeverdachte 2] niet te spotten viel en zo zag hij er ook uit. [benadeelde 2] heeft vervolgens besloten om het bedrag te betalen.

[medeverdachte 2] en [benadeelde 2] hadden dezelfde middag afgesproken bij het [X] hotel in Bunnik. Hier zei [medeverdachte 2] tegen [benadeelde 2] dat hij diezelfde middag 10.000 euro moest betalen en dat hij voor het geld moest zorgen. Het interesseerde [medeverdachte 2] niet waar [benadeelde 2] het geld vandaan zou halen. [benadeelde 2] begreep dat er bij het uitblijven van die betaling represailles zouden volgen. [benadeelde 2] en [medeverdachte 2] spraken af dat [benadeelde 2] als aanbetaling een bedrag van 2.500 euro zou geven aan [medeverdachte 2] bij het [Y] hotel in Haarlem. [medeverdachte 2] eiste dat het restantbedrag binnen een week zou worden betaald.

Op de afgesproken plaats bij het [Y] hotel trof [benadeelde 2] een andere Antilliaan aan die aan het bellen was. Deze Antilliaan gaf zijn telefoon aan [benadeelde 2] en [benadeelde 2] herkende de stem van [medeverdachte 2] aan de andere kant van de lijn. [medeverdachte 2] vertelde [benadeelde 2] dat hij het geld aan de Antilliaanse man kon geven, die hem de telefoon had gegeven. [benadeelde 2] gaf deze man de envelop met daarin de 2.500 euro.

[medeverdachte 2] heeft verklaard dat [medeverdachte 3] voor hem een geldbedrag van 2.500 euro heeft opgehaald bij het [Y] hotel in Haarlem . [medeverdachte 3] heeft dit bij zijn verhoor bij de politie bevestigd . De rechtbank leidt hieruit af dat de door [benadeelde 2] in zijn aangifte genoemde Antilliaanse man die het geld in ontvangst heeft genomen, [medeverdachte 3] betreft. Waar [benadeelde 2] in het vervolg van zijn aangifte verklaart over de Antilliaanse man die het geld in ontvangst neemt, zal de rechtbank ervan uitgaan dat dit [medeverdachte 3] is.

[benadeelde 2] heeft voorts in zijn aangifte verklaard :

[benadeelde 2] werd op 8 september 2008 weer gebeld door [medeverdachte 2] die een afspraak wilde maken voor het restant bedrag. Op 10 september 2008 heeft [benadeelde 2] opnieuw afgesproken met [medeverdachte 2], dat was bij het bedrijf van [benadeelde 2]. [medeverdachte 2] stond naast een auto waarin een andere Antilliaanse man zat. [medeverdachte 2] zei dat dit zijn bodyguard was.

Op 12 september 2008 heeft [benadeelde 2] afgesproken bij het [Y] hotel in Haarlem om het restantbedrag, te weten 22.500 euro te overhandigen aan [medeverdachte 2]. [benadeelde 2] trof bij het hotel weer [medeverdachte 3] aan. [benadeelde 2] kreeg van [medeverdachte 3] een telefoon en hij sprak vervolgens met [medeverdachte 2]. [medeverdachte 2] zei dat hij het geld aan [medeverdachte 3] moest overhandigen. [benadeelde 2] is met [medeverdachte 3] meegelopen naar de lift en zij zijn naar de 5e verdieping gegaan. In de lift heeft [benadeelde 2] een envelop met 22.500 euro aan [medeverdachte 3] gegeven.

Betrouwbaarheid verklaring [benadeelde 2]

De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de aangifte van [benadeelde 2]. De verklaring van [benadeelde 2] wordt voor het grootste gedeelte ondersteund door de aangifte van [benadeelde 1], zoals hiervoor weergegeven onder feit 1. [benadeelde 1] heeft onafhankelijk van [benadeelde 2] verklaard dat [medeverdachte 1] en [verdachte] hem geprobeerd hebben af te persen.

De wijze van opereren door [medeverdachte 1] en [verdachte] bij [benadeelde 1] vertoont grote overeenkomst met de wijze van opereren zoals beschreven door [benadeelde 2].

[benadeelde 1] werd net als [benadeelde 2] na veertien jaar geconfronteerd met [medeverdachte 1], die in het gezelschap was van [verdachte]. [medeverdachte 1] en [verdachte] eisten ook geld van [benadeelde 1] in verband met de handelingen rond het faillissement van het bedrijf van [medeverdachte 1] in 1994. [verdachte] en [medeverdachte 1] hebben ook tegen [benadeelde 1] gezegd dat zij deel uitmaken van een grotere organisatie. [verdachte][benadeelde 1] werd eveneens afgesproken in motels om besprekingen te voeren. De aangifte van [benadeelde 1] levert dus een zelfde beeld op van de wijze van opereren van [medeverdachte 1] en [verdachte] als bij de aangifte van [benadeelde 2].

Verder wordt de aangifte van [benadeelde 2] op belangrijke punten ondersteund door de volgende bewijsmiddelen.

In een brief heeft K.T. Yang verklaard dat [benadeelde 2] op 6 augustus 2008 een bespreking had op het kantoor van de curator in Utrecht, zijn kantoorgenoot de heer [naam B]. Yang werkt voor [naam B] en was bij deze bespreking aanwezig. [benadeelde 2] had twee personen meegenomen naar deze bespreking. Eén persoon stelde zich voor als [medeverdachte 1] Tijdens de bespreking stelde [medeverdachte 1] dat hij een vordering had op het bedrijf van [benadeelde 2]. Namens de curator is hierop geantwoord dat [medeverdachte 1] gelet op de stand van de boedel zeer waarschijnlijk geen geld zou ontvangen. [medeverdachte 1] deelde vervolgens aan [benadeelde 2] mee dat hij hoe dan ook geld wilde zien. [medeverdachte 1] begon dreigende taal uit te slaan en verklaarde dat de overname van zijn bedrijf zijn leven en het leven van zijn gezin had kapot gemaakt. De heer [benadeelde 2] zou nu aan de beurt zijn. [medeverdachte 1] sloeg een aantal malen met een vuist op tafel.

[medeverdachte 1] en [verdachte] hebben ter zitting bevestigd dat zij samen naar een bespreking tussen [benadeelde 2] en de curator van [benadeelde 2] zijn geweest en dat [medeverdachte 1] daar boos is geworden en meermalen met de vuist op tafel heeft geslagen.

[medeverdachte 2] heeft als getuige ter zitting verklaard dat hij aan [medeverdachte 1] en [verdachte] werd voorgesteld door een vriend, te weten [naam C]. [medeverdachte 1] en [verdachte] wilden dat [medeverdachte 2] een vordering incasseerde bij [benadeelde 2]. [medeverdachte 2] zou als beloning 5 tot 10% van het totaal te incasseren bedrag ontvangen.

[medeverdachte 2] heeft bij de politie verklaard dat hij voor zowel [medeverdachte 1] als [verdachte] werkte.

[naam C] heeft [medeverdachte 2] toen een ‘bekentenis’ van [benadeelde 1] betreffende [benadeelde 2] gegeven. [medeverdachte 2] is met deze ‘bekentenis’ naar [benadeelde 2] toegegaan. [medeverdachte 2] heeft tweemaal met [benadeelde 2] gesproken in een hotel te Bunnik en daarnaast bij het bedrijf van [benadeelde 2] te Wijk bij Duurstede. Tijdens deze gesprekken werd overeengekomen dat [benadeelde 2] 25.000 euro aan [medeverdachte 2] zou betalen. [medeverdachte 2] heeft op zijn beurt [medeverdachte 3] ingeschakeld om op 5 september 2008 bij het [Y] hotel in Haarlem een aanbetaling van 2.500 euro in ontvangst te nemen en om op 12 september 2008 het restantbedrag van 22.500 euro in ontvangst te nemen.

[medeverdachte 3] heeft bij zijn verhoor bij de politie bevestigd dat hij eenmaal een envelop en eenmaal een geldbedrag in ontvangst heeft genomen in opdracht van [medeverdachte 2].

[medeverdachte 1] heeft ter zitting bevestigd dat hij samen met [verdachte] meermalen contact heeft gehad met [benadeelde 1] en dat [benadeelde 1] een ‘bekentenis’ heeft ondertekend. [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben via [naam C] contact opgenomen met [medeverdachte 2] waarna [medeverdachte 2] met de ‘bekentenis’ naar [benadeelde 2] is toegegaan. [medeverdachte 1] was op de hoogte van het feit dat [medeverdachte 2] één keer met [benadeelde 2] heeft gesproken. [verdachte] heeft ter zitting de verklaring van [medeverdachte 1] bevestigd.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de aangifte van [benadeelde 2] geloofwaardig is en voldoende wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen.

In tegenstelling tot de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er wat betreft [benadeelde 2] sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 1], [verdachte] en [medeverdachte 2] en dat dus ook de handelingen van [medeverdachte 2] aan [verdachte] kunnen worden toegerekend, nu hij in opdracht van [medeverdachte 1] en [verdachte] handelde, welke handelingen van [medeverdachte 2], in combinatie met de door hem gebezigde bewoordingen, de rechtbank eveneens als afpersingshandelingen aanmerkt.

Intrekken incasso-opdracht

Dat [medeverdachte 1] en [verdachte] de opdracht kort na de eerste ontmoeting tussen [medeverdachte 2] en [benadeelde 2] hebben ingetrokken, zoals [verdachte] en [medeverdachte 1] ter zitting hebben verklaard, acht de rechtbank niet geloofwaardig. [medeverdachte 2] heeft immers verklaard dat hij voor beiden werkte. Dat wordt bevestigd doordat hij na die eerste ontmoeting nog veelvuldig contact heeft gehad met [medeverdachte 1] en [verdachte] . Dit wordt bevestigd door de telefoongegevens van de mobiele telefoons van [medeverdachte 2]. Hieruit volgt dat [medeverdachte 2] op 6, 7 en 8 september 2008 contact heeft opgenomen met [verdachte], terwijl [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] op 5 september 2008 het eerste geldbedrag van [benadeelde 2] hebben ontvangen. [verdachte] heeft ter zitting verklaard dat [medeverdachte 2] hem inderdaad nog meermalen heeft gebeld nadat –naar zijn zeggen- de opdracht was ingetrokken en dat hij de telefoon steeds aan [medeverdachte 1] heeft gegeven. Volgens [verdachte] betroffen dit nog ‘losse eindjes’. De rechtbank constateert dat [verdachte] niet heeft kunnen aangeven wat die ‘losse eindjes’ inhielden. [medeverdachte 1] verklaart in strijd met de verklaring van [verdachte]: hij zegt [medeverdachte 2] niet meer telefonisch te hebben gesproken na het intrekken van de opdracht. Bovendien hebben [medeverdachte 1] en [verdachte] wisselend verklaard over de opdracht en de reden van de intrekking. Aanvankelijk heeft [medeverdachte 1] verklaard dat hij niets weet van een bemiddelaar , later heeft hij verklaard dat hij niet aan [medeverdachte 2] de opdracht heeft gegeven om de schuld te innen. [verdachte] heeft aanvankelijk verklaard dat de opdracht is ingetrokken naar aanleiding van de informatie van [medeverdachte 2] dat er niets te halen viel bij [benadeelde 2]. Ter zitting hebben beiden verklaard dat [medeverdachte 2] geen inschrijving bij de Kamer van Koophandel kon overleggen en dat dat de reden was om niet verder in zee te gaan met [medeverdachte 2]. Geen van de verklaringen acht de rechtbank plausibel. De handelwijze van [medeverdachte 1] en [verdachte], zoals blijkt uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen, suggereert niet dat zij een inschrijving bij de Kamer van Koophandel van belang vinden. Voorts was de door [medeverdachte 2] gegeven informatie –dat er niets te halen was bij [benadeelde 2] in verband met zijn faillissement- niet nieuw voor hen en valt niet in te zien waarom die informatie aanleiding gaf om af te zien van de incasso.

De rechtbank overweegt nog dat zelfs al zou het zo zijn –zoals de verdediging stelt- dat [verdachte] vanaf het moment dat [medeverdachte 2] in beeld is gekomen, zich niet meer heeft bemoeid met deze kwestie, hij niettemin als medepleger heeft te gelden. Gelet op de intensieve betrokkenheid van [verdachte] tot dan toe bij de afpersing van [benadeelde 2] en [benadeelde 1] (waarbij hij overigens ook nog steeds betrokken was nadat [medeverdachte 2] was ingeschakeld voor [benadeelde 2]), zijn ook de handelingen van [medeverdachte 2] toe te rekenen aan [verdachte] als medepleger.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

hij in en omstreeks de periode van 01 juli 2008 tot en met 07 september 2008 te Eemnes en te Almere, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [benadeelde 1] te dwingen tot de afgifte van een bedrag aan geld, groot 150.000 euro, toebehorende aan die [benadeelde 1], tezamen en in vereniging met anderen, als volgt heeft gehandeld: zijnde en hebbende hij, verdachte, en/of (één of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk dreigend

-die [benadeelde 1] opgebeld en tegen hem gezegd "Als we niet kunnen afspreken, kom ik naar je huis met een paar vriendjes om te spreken" en

- tijdens een onderhoud in motel [Z] op 31 juli 2008 tegen die [benadeelde 1] gezegd:"Ik wil dat je deze brieven leest en ondertekent" en

- op 07 september 2008 naar de woning van die [benadeelde 1] toegegaan en bij die woning aangebeld en met die [benadeelde 1] gesproken en

- tijdens een onderhoud in motel [Z] op 08 september 2008 tegen die [benadeelde 1] gezegd "Of u dit gesprek opneemt, maakt ons niet uit, maar ik vind het zo erg wat je gedaan hebt, dat je daarvoor 150.000 moet betalen" en "Je hebt hier een week de tijd voor. Ga je dat betalen?"

en "Er staan er nog meer buiten te wachten, daar ga ik nu naar toe" en "Mooie jongen heb je. Toch jammer" en

- tijdens een onderhoud in Restaurant [U] te Almere op 11 september 2008 tegen die [benadeelde 1] gezegd dat hij ([benadeelde 1]) geld aan zijn (verdachtes) handlangers moest betalen en dat er een organisatie bij betrokken was, die in het buitenland zat en "je moet die 150.000 euro betalen en het maakt niet uit hoe je aan het geld komt" en dat hij (verdachte) in de bak had gezeten en dat het hem niet uitmaakte of hij daar terug zou komen en "Als je niet betaalt, dan weet je wat er maandag gaat gebeuren",

en aldus een bedreigende situatie hebben gecreëerd,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

2.

op tijdstippen in de periode van 25 juli 2008 tot en met 12 september 2008, te Wijk bij Duurstede en te Bunnik en te Utrecht en te Haarlem, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [benadeelde 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een bedrag aan geld, groot 2.500 euro, en een bedrag aan geld, groot 22.500 euro, toebehorende aan die [benadeelde 2], welke bedreiging met geweld onder meer hierin bestonden dat hij en zijn mededaders opzettelijk dreigend

- op of omstreeks 25 juli 2008 die [benadeelde 2] in diens bedrijf hebben opgezocht en

- tegen die [benadeelde 2] hebben gezegd dat het schuld van de vader van die [benadeelde 2] was dat hij, medeverdachte, alles kwijt was geraakt en

- hebben gezegd recht te hebben op een schadevergoeding van 900.000 euro, althans woorden van gelijk aard en strekking en

- op 6 augustus 2008 bij een onderhoud bij de curator tegen die [benadeelde 2] hebben gezegd dat de overname zijn, medeverdachtes, leven en het leven van zijn gezin kapot heeft gemaakt en dat hij ([benadeelde 2]) nu aan de beurt zou zijn, en

- op 7 augustus 2008 die [benadeelde 2] opnieuw hebben opgezocht en

- tegen die [benadeelde 2] hebben gezegd dat ze heel boos op hem waren en dat hij, [benadeelde 2], niet moest denken dat hij van hen af was en dat zij onderdeel waren van een criminele organisatie van wel 500 mensen waarin zowel Joegoslaven als andere buitenlanders zaten en dat die mensen in heel

Nederland zaten dus ook in Wijk bij Duurstede en dat hij, [benadeelde 2] niet moest denken dat hij aan hen kon ontkomen, en

-op 05 september 2008 tegen die [benadeelde 2] hebben gezegd dat hij, [benadeelde 2], 25.000 euro zou moeten betalen aan verdachte en dat hij, [benadeelde 2] dan geen last meer van verdachte zou hebben en dat hij, [benadeelde 2], diezelfde middag 10.000 euro moest betalen en dat het hem niet interesseerde waar hij, [benadeelde 2], dat geld vandaan zou moeten halen en dat hij, [benadeelde 2], maar beter wel voor dat geld kon zorgen, en

- op 5 september en 12 september 2008 die [benadeelde 2] hebben gebeld en gezegd dat hij geld moest overhandigen aan een man die zich in het [Y] Hotel te Haarlem bevond en

- op 10 september 2008 tegen die [benadeelde 2] hebben gezegd dat zijn bodyguard in de auto zat,

waardoor die [benadeelde 2] werd bewogen tot bovenomschreven afgiften,

en aldus een bedreigende situatie hebben gecreëerd;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. [verdachte] zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. [verdachte] is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid

4.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

feit 1: poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

feit 2: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

4.2 De strafbaarheid van verdachte

[verdachte] is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan [verdachte] op te leggen:

een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat [verdachte] niet het initiatief heeft genomen tot de afpersing. Hij was in de veronderstelling dat [medeverdachte 1] een terechte vordering heeft gehad op de aangevers en dat hij slechts behulpzaam is geweest bij het innen hiervan. [verdachte] heeft geen strafblad ter zake van afpersing waardoor kan worden volstaan met een gevangenisstraf die gelijk is aan het voorarrest met eventueel een werkstraf of een voorwaardelijke gevangenisstraf.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van [verdachte].

[verdachte] heeft tot tweemaal toe geprobeerd om anderen geld afhandig te maken, waarbij één persoon daadwerkelijk geld heeft afgegeven. De rechtbank rekent [verdachte] aan dat hij samen met [medeverdachte 1] vanuit diens situatie van financiële problemen ervoor heeft gekozen om anderen angst aan te jagen teneinde geld te verkrijgen. Zeer kwalijk vindt de rechtbank dat hij daarbij diep heeft ingegrepen op de privacy van de slachtoffers waardoor zij (en hun gezin) zich bedreigd en onveilig hebben gevoeld en wellicht nog steeds voelen. Vooral het feit dat [medeverdachte 1] en [verdachte], samen met nog een breedgeschouderde man, [benadeelde 1] thuis heeft opgezocht, moet een enorme impact hebben gehad op het slachtoffer. Dit geldt temeer nu na die ontmoeting nog een keer werd gesuggereerd dat de zoon van [benadeelde 1] wat zou worden aangedaan.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden passen en geboden is. De rechtbank ziet - gezien de ernst van de feiten - geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Omdat [verdachte] niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten, zal de rechtbank een deel daarvan, te weten zes maanden, voorwaardelijk opleggen. Met deze voorwaardelijke straf wordt tevens beoogd [verdachte] ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank vindt deze stok achter de deur noodzakelijk omdat de financiële problemen van zijn vriend [medeverdachte 1] nog niet zijn opgelost, [verdachte] kennelijk lichtvaardig tot de verweten handelingen is gekomen en hij het strafbare van zijn handelingen niet inziet.

6 De benadeelde partij

De benadeelde partij, te weten [benadeelde 2] vordert een schadevergoeding van 25.000 euro voor feit 2.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht [verdachte] hoofdelijk aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

In een bijlage bij de vordering heeft Slachtofferhulp Nederland verzocht om de vordering te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade. Uit de bijlage blijkt dat Slachtofferhulp geen contact heeft gehad met de benadeelde partij, zodat zij niet als gemachtigde van benadeelde partij heeft te gelden. De vordering tot vermeerdering met de wettelijke rente kan dan ook niet worden geacht te zijn ingediend door de benadeelde partij.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 45, 57 en 317 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt [verdachte] vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

feit 2: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

- verklaart [verdachte] strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt [verdachte] tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

omdat [verdachte] zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die [verdachte] voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- veroordeelt [verdachte] tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 2] van

25.000 euro, ter zake van materiële schade;

- veroordeelt [verdachte] in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, [verdachte] niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- legt aan [verdachte] de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 2], 25.000 euro, te betalen, bij niet betaling te vervangen door 155 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, [verdachte] niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.M.G. de Weerd, voorzitter, mr. H.A. Brouwer en mr. B.P.L. de Vries, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.B. Spaargaren, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 10 augustus 2009.