Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BJ5181

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
10-08-2009
Datum publicatie
13-08-2009
Zaaknummer
16-711714-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De Rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 10 maanden; voor afpersing met geweld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/711714-08 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 10 augustus 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1972] te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen),

wonende te [adres], [woonplaats],

raadsman mr. R.B. Schmidt, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 2 april 2009 en 27 juli 2009, waarbij de officier van justitie, mr. V.T.R.W. van Thiel, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

De zaak van verdachte is gelijktijdig, doch niet gevoegd, behandeld met de zaken van medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]. Hierna zullen verdachte en zijn medeverdachten worden aangeduid als [verdachte], [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3].

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is ter terechtzitting d.d. 2 april 2009 gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat [verdachte]:

samen met anderen [benadeelde] geld heeft laten afgeven door geweld of bedreiging met geweld.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] het ten laste gelegde heeft begaan en heeft daartoe aangevoerd dat de aangifte door andere bewijsmiddelen wordt ondersteund.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

[verdachte] kan niet als medepleger worden aangemerkt, nu hij zelf geen enkele bedreiging heeft geuit en er geen bewuste en nauwe samenwerking was tussen [verdachte] enerzijds en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] anderzijds. Hij heeft tevens geen opzet gehad op de afpersing, ook niet in voorwaardelijke vorm. Hij wist niet beter dan dat er sprake was van een legitieme vordering op aangever.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] het ten laste gelegde feit heeft begaan. Zij grondt haar overtuiging daartoe op de volgende feiten en omstandigheden.

De voorgeschiedenis

[benadeelde] (hierna te noemen [benadeelde]) heeft in zijn aangifte als volgt verklaard:

De vader van [benadeelde] heeft veertien jaar geleden het bedrijf van [medeverdachte 2], te weten drukkerij [naam], overgenomen. [medeverdachte 2] vond dat zijn bedrijf destijds op een onrechtmatige wijze was overgenomen en hij heeft een rechtszaak aangespannen tegen de vader van [benadeelde]. [medeverdachte 2] heeft deze rechtszaak verloren.

[benadeelde] werd in de maand juli 2008 bij zijn eigen bedrijf in Wijk bij Duurstede opgezocht door [medeverdachte 2] en een grote Antilliaanse man.

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij samen met [medeverdachte 2] [benadeelde] heeft opgezocht bij zijn bedrijf . [medeverdachte 2] heeft dit bevestigd . De rechtbank leidt hieruit af dat de door [benadeelde] in zijn aangifte genoemde Antilliaanse man, [medeverdachte 1] betreft. Waar [benadeelde] in het vervolg van zijn aangifte over deze Antilliaanse man verklaart, zal de rechtbank ervan uitgaan dat dit [medeverdachte 1] is.

[benadeelde] heeft voorts in zijn aangifte verklaard :

[medeverdachte 2] vertelde dat hij zijn hele hebben en houwen was kwijt geraakt en dat dit de schuld was van de vader van [benadeelde] omdat die het vroegere bedrijf van [medeverdachte 2] had overgenomen. [medeverdachte 2] toonde een door [naam A] (hierna [naam A]) getekende bekentenis aan [benadeelde] waarop de naam van die [benadeelde] voor kwam. [naam A] was een vroegere werknemer van het bedrijf van het failliete bedrijf van [medeverdachte 2].

[medeverdachte 2] vond dat [benadeelde], naar aanleiding van die bekentenis, schuldig was aan de overname van zijn vroegere bedrijf. [medeverdachte 2] eiste 900.000 euro van [benadeelde] als vergoeding voor de schade die hij en zijn gezin hadden geleden. [benadeelde] vond dat er tijdens dat gesprek een bepaalde dreiging van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] uitging.

[benadeelde] zei dat hij geen 900.000 euro had omdat hij failliet was en hij maakte een afspraak bij de curator zodat die kon bevestigen dat [benadeelde] failliet was.

[benadeelde] is met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] op 6 augustus 2008 naar de curator geweest en zij hebben daar gesproken met onder andere de heer Yang. Deze heeft [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] duidelijk gemaakt dat er geen geld meer was, waarna zij weg zijn gegaan. Na enkele uren belde [medeverdachte 2] op en zei dat de zaak hier niet mee was afgedaan.

Op 7 augustus 2008 hebben [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] opnieuw [benadeelde] opgezocht bij zijn bedrijf. Zij hebben tegen [benadeelde] gezegd dat zij heel kwaad op hem waren en dat hij niet moest denken dat hij van hen af was. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] waren onderdeel van een criminele organisatie van wel 500 mensen, waarin zowel Joegoslaven als andere buitenlanders zaten. Die mensen zaten in heel Nederland en dus ook in Wijk bij Duurstede en [benadeelde] moest niet denken dat hij aan hen kon ontkomen. [benadeelde] voelde zich erg bedreigd door deze uitspraken.

Introductie [verdachte]

[benadeelde] ging vervolgens twee weken op vakantie. Na terugkomst van zijn vakantie werd hij begin september 2008 gebeld door iemand die zich de bemiddelaar van [medeverdachte 2] noemde. Deze persoon wilde een afspraak maken met [benadeelde] om alles nog eens door te nemen. [benadeelde] heeft met deze man een afspraak gemaakt voor 5 september 2008. Deze man bleek een forse Antilliaanse man te zijn van rond de 100 kilo en met tatoeages op zijn armen en twee gouden tanden.

[verdachte] heeft ter zitting verklaard dat hij telefonisch contact heeft opgenomen met [benadeelde] en dat hij vervolgens een afspraak heeft gemaakt met [benadeelde] bij zijn bedrijf. De rechtbank leidt hieruit af dat de door [benadeelde] in zijn aangifte genoemde Antilliaanse man die hij de bemiddelaar noemt, [verdachte] betreft. Waar [benadeelde] in het vervolg van zijn aangifte verklaart over de Antilliaanse man die als bemiddelaar optreedt, zal de rechtbank ervan uitgaan dat dit [verdachte] is.

[benadeelde] heeft voorts in zijn aangifte verklaard :

[verdachte] stelde op 5 september 2008 in het bedrijf van [benadeelde] in Wijk bij Duurstede voor dat [benadeelde] 25.000 euro aan hem moest betalen. Dan zou [benadeelde] geen last meer zou hebben van [medeverdachte 2] en [verdachte]. [verdachte] zei daarbij dat [medeverdachte 2] maar een kleine jongen was en hij er wel voor zou zorgen dat [medeverdachte 2] niet meer bij [benadeelde] kwam. [verdachte] belde vervolgens met [medeverdachte 2] en hij zei hem dat het geregeld was en dat [medeverdachte 2] [benadeelde] niet meer moest lastigvallen.

[verdachte] zei dat hij een grotere jongen was dan [medeverdachte 2] en dat dreigen niet zijn stijl was. [benadeelde] begreep uit zijn woorden dat er met [verdachte] niet te spotten viel en zo zag hij er ook uit. [benadeelde] heeft vervolgens besloten om het bedrag te betalen.

[verdachte] en [benadeelde] hadden dezelfde middag afgesproken bij het [X] hotel in Bunnik. Hier zei [verdachte] tegen [benadeelde] dat hij diezelfde middag 10.000 euro moest betalen en dat hij voor het geld moest zorgen. Het interesseerde [verdachte] niet waar [benadeelde] het geld vandaan zou halen. [benadeelde] begreep dat er bij het uitblijven van die betaling represailles zouden volgen. [benadeelde] en [verdachte] spraken af dat [benadeelde] als aanbetaling een bedrag van 2.500 euro zou geven aan [verdachte] bij het [Y] hotel in Haarlem. [verdachte] eiste dat het restantbedrag binnen een week zou worden betaald.

Op de afgesproken plaats bij het [Y] hotel trof [benadeelde] een andere Antilliaan aan die aan het bellen was. Deze Antilliaan gaf zijn telefoon aan [benadeelde] en [benadeelde] herkende de stem van [verdachte] aan de andere kant van de lijn. [verdachte] vertelde [benadeelde] dat hij het geld aan de Antilliaanse man kon geven, die hem de telefoon had gegeven. [benadeelde] gaf deze man de envelop met daarin de 2.500 euro.

[verdachte] heeft verklaard dat [medeverdachte 3] voor hem een geldbedrag van 2.500 euro heeft opgehaald bij het [Y] hotel in Haarlem . [medeverdachte 3] heeft dit bij zijn verhoor bij de politie bevestigd . De rechtbank leidt hieruit af dat de door [benadeelde] in zijn aangifte genoemde Antilliaanse man die het geld in ontvangst heeft genomen, [medeverdachte 3] betreft. Waar [benadeelde] in het vervolg van zijn aangifte verklaart over de Antilliaanse man die het geld in ontvangst neemt, zal de rechtbank ervan uitgaan dat dit [medeverdachte 3] is.

[benadeelde] heeft voorts in zijn aangifte verklaard :

[benadeelde] werd op 8 september 2008 weer gebeld door [verdachte] die een afspraak wilde maken voor het restant bedrag. Op 10 september 2008 heeft [benadeelde] opnieuw afgesproken met [verdachte], dat was bij het bedrijf van [benadeelde]. [verdachte] stond naast een auto waarin een andere Antilliaanse man zat. [verdachte] zei dat dit zijn bodyguard was.

Op 12 september 2008 heeft [benadeelde] afgesproken bij het [Y] hotel in Haarlem om het restantbedrag, te weten 22.500 euro te overhandigen aan [verdachte]. [benadeelde] trof bij het hotel weer [medeverdachte 3] aan. [benadeelde] kreeg van [medeverdachte 3] een telefoon en hij sprak vervolgens met [verdachte]. [verdachte] zei dat hij het geld aan [medeverdachte 3] moest overhandigen. [benadeelde] is met [medeverdachte 3] meegelopen naar de lift en zij zijn naar de 5e verdieping gegaan. In de lift heeft [benadeelde] een envelop met 22.500 euro aan [medeverdachte 3] gegeven.

[verdachte] heeft ontkend dat hij [benadeelde] heeft bedreigd met geweld. [verdachte] heeft verklaard dat [benadeelde] tijdens de gesprekken uit eigen beweging zou hebben voorgesteld om een geldbedrag te betalen. Hierbij heeft [benadeelde] zelf een bedrag van 25.000 euro genoemd. Hij had echter tijd nodig om het geld bij elkaar te krijgen en stelde voor om een aanbetaling te doen van 2.500 euro. [verdachte] was in de veronderstelling dat [medeverdachte 2] een legitieme vordering had op [benadeelde]. Hij heeft immers meermalen aan [medeverdachte 2] gevraagd of het ‘eerlijk’ was.

Betrouwbaarheid van de verklaring van [benadeelde]

De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de aangifte van [benadeelde]. De verklaring van [benadeelde] wordt voor het grootste gedeelte ondersteund door de aangifte van [naam A]. [naam A] heeft onafhankelijk van [benadeelde] verklaard dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hem geprobeerd hebben af te persen.

[naam A] heeft in zijn aangifte als volgt verklaard:

[medeverdachte 2] is 14 jaar geleden werkgever geweest van [naam A]. Dat bedrijf is in 1994 failliet gegaan en werd overgenomen door van [benadeelde] Grafische Bedrijven, het bedrijf van de vader van [benadeelde].

[medeverdachte 2] heeft begin 2008 een aantal keren telefonisch contact opgenomen met [naam A]. Op 31 juli 2008 hebben [naam A] en [medeverdachte 2] elkaar gesproken in motel [Z]. Na enige tijd kwamen twee mannen bij hen aan de tafel zitten, een Antilliaanse man met brede schouders en een blanke man met gespierd, fors en afgetraind lichaam.

[medeverdachte 2] heeft als getuige ter zitting verklaard dat hij in het gezelschap van [medeverdachte 1] met [naam A] heeft afgesproken in het motel [Z] in Eemnes. [medeverdachte 1] heeft dit als getuige ter zitting bevestigd. De rechtbank leidt hieruit af dat de door [naam A] in zijn aangifte genoemde Antilliaanse man [medeverdachte 1] betreft.

[naam A] heeft voorts in zijn aangifte verklaard dat [medeverdachte 2] hem twee brieven overhandigde. [medeverdachte 2] zei op een indringende toon: “Ik wil dat je deze brieven leest en ondertekent”. [naam A] voelde zich bedreigd door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en hij heeft toen een handtekening onderaan deze brief gezet. De door [naam A] ondertekende brief betrof een “bekentenis” waarin [naam A] belastend verklaart over zijn rol en de rol van [benadeelde] bij het faillissement van het bedrijf van [medeverdachte 2] in 1994.

Op 8 september 2008 ontmoetten [naam A] en [medeverdachte 2] elkaar nogmaals in motel [Z]. Na enige tijd verschenen wederom de twee mannen, die bij de vorige ontmoeting ook aanwezig waren. De Antilliaanse man nam het gesprek over en zei: “Of u dit gesprek opneemt maakt ons niet uit, maar ik vind het zo erg wat jij gedaan hebt dat je daarvoor 150.000 euro moet betalen.” Hierbij keek hij op een zeer onaangename manier [naam A] aan en voegde toe: “Je hebt hier een week de tijd voor. Ga je dat betalen?” Ook zei hij nog tegen [naam A]: “Er staan er nog meer buiten te wachten, daar ga ik nu naartoe.” Op 11 september 2008 spraken [medeverdachte 2] en [naam A] elkaar wederom, dit keer in restaurant [U] in Almere. [medeverdachte 2] zei dat [naam A] het geld aan zijn handlangers zou moeten betalen. Hij vertelde dat de organisatie die hier omheen zat ook in het buitenland zat. Verder zei [medeverdachte 2] dat hij die 150.000 euro moest gaan betalen en dat het hem niet uitmaakte op wat voor wijze [naam A] daar aan zou komen.

De wijze van opereren door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] bij [naam A] vertoont grote overeenkomst met de wijze van opereren zoals beschreven door [benadeelde].

[naam A] werd net als [benadeelde] na veertien jaar geconfronteerd met [medeverdachte 2], die in het gezelschap was van [medeverdachte 1]. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] eisten ook geld van [naam A] in verband met de handelingen rond het faillissement van het bedrijf van [medeverdachte 2] in 1994. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben ook tegen [naam A] gezegd dat zij deel uitmaken van een grotere organisatie. Met [naam A] werd eveneens afgesproken in motels om besprekingen te voeren. De aangifte van [naam A] levert dus een zelfde beeld op van de wijze van opereren van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] als bij de aangifte van [benadeelde].

Verder wordt de aangifte van [benadeelde] op belangrijke punten ondersteund door de volgende bewijsmiddelen.

In een brief heeft K.T. Yang verklaard dat [benadeelde] op 6 augustus 2008 een bespreking had op het kantoor van de curator in Utrecht, zijn kantoorgenoot de heer [naam B]. Yang werkt voor [naam B] en was bij deze bespreking aanwezig. [benadeelde] had twee personen meegenomen naar deze bespreking. Eén persoon stelde zich voor als [medeverdachte 2] Tijdens de bespreking stelde [medeverdachte 2] dat hij een vordering had op het bedrijf van [benadeelde]. Namens de curator is hierop geantwoord dat [medeverdachte 2] gelet op de stand van de boedel zeer waarschijnlijk geen geld zou ontvangen. [medeverdachte 2] deelde vervolgens aan [benadeelde] mee dat hij hoe dan ook geld wilde zien. [medeverdachte 2] begon dreigende taal uit te slaan en verklaarde dat de overname van zijn bedrijf zijn leven en het leven van zijn gezin had kapot gemaakt. De heer [benadeelde] zou nu aan de beurt zijn. [medeverdachte 2] sloeg een aantal malen met een vuist op tafel.

[medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben als getuige ter zitting bevestigd dat zij samen naar een bespreking tussen [benadeelde] en de curator van [benadeelde] zijn geweest.

[verdachte] heeft ter zitting verklaard dat hij aan [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] werd voorgesteld door een vriend, te weten [naam C]. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] wilden dat [verdachte] een vordering incasseerde bij [benadeelde]. [verdachte] zou als beloning 5 tot 10% van het totaal te incasseren bedrag ontvangen.

[verdachte] heeft bij de politie verklaard dat hij voor zowel [medeverdachte 2] als [medeverdachte 1] werkte.

[naam C] heeft [verdachte] toen een ‘bekentenis’ van [naam A] betreffende [benadeelde] gegeven. [verdachte] is met deze ‘bekentenis’ naar [benadeelde] toegegaan. [verdachte] heeft tweemaal met [benadeelde] gesproken in een hotel te Bunnik en daarnaast bij het bedrijf van [benadeelde] te Wijk bij Duurstede. Tijdens deze gesprekken werd overeengekomen dat [benadeelde] 25.000 euro aan [verdachte] zou betalen. [verdachte] heeft op zijn beurt [medeverdachte 3] ingeschakeld om op 5 september 2008 bij het [Y] hotel in Haarlem een aanbetaling van 2.500 euro in ontvangst te nemen en om op 12 september 2008 het restantbedrag van 22.500 euro in ontvangst te nemen. [verdachte] heeft [medeverdachte 3] het geld laten incasseren omdat hij bang was dat hij zou worden aangehouden door de politie. [verdachte] had namelijk gehoord dat [medeverdachte 2] was aangehouden door de politie wegens ‘iets’ met [naam A]. [medeverdachte 3] heeft het geld overhandigd aan [verdachte]. [verdachte] heeft het geldbedrag weer overhandigd aan [medeverdachte 1].

[medeverdachte 3] heeft bij zijn verhoor bij de politie bevestigd dat hij eenmaal een envelop en eenmaal een geldbedrag in ontvangst heeft genomen in opdracht van [verdachte].

[medeverdachte 2] heeft ter zitting als getuige bevestigd dat hij samen met [medeverdachte 1] meermalen contact heeft gehad met [naam A] en dat [naam A] een ‘bekentenis’ heeft ondertekend. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben via [naam C] contact opgenomen met [verdachte] waarna [verdachte] met de ‘bekentenis’ naar [benadeelde] is toegegaan. [medeverdachte 2] was op de hoogte van het feit dat [verdachte] één keer met [benadeelde] heeft gesproken.

[medeverdachte 1] heeft ter zitting als getuige de verklaring van [medeverdachte 2] bevestigd.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de aangifte van [benadeelde] geloofwaardig is.

Geloofwaardigheid van de verklaring van [verdachte]

De rechtbank overweegt voorts dat de verklaring van [verdachte] dat hij dacht dat het om een legitieme vordering ging, weinig geloofwaardig is. De manier waarop het geld via [medeverdachte 3] aan [verdachte] werd overhandigd, is niet de manier waarop een legitieme vordering wordt geïncasseerd: het afspreken in hotels en motels, via [medeverdachte 3] terwijl [verdachte] op afstand blijft en [medeverdachte 3] hem belt dat het geld is overhandigd. In ieder geval had [verdachte] moeten weten dat de handelwijze niet ‘eerlijk’ was toen hij hoorde dat [medeverdachte 2] was aangehouden in verband met ‘iets’ met [naam A]. [verdachte] heeft dit zelf min of meer bevestigd doordat hij [medeverdachte 3] het geld liet incasseren omdat [verdachte] bang was dat hij zelf zou worden opgepakt.

Bedreiging met geweld

Weliswaar heeft [verdachte] [benadeelde] niet rechtstreeks bedreigd met de dood of met zware mishandeling, maar dit maakt nog niet dat er geen sprake was van bedreiging met geweld. De onverwachte en door [benadeelde] ongewenste aanwezigheid van [verdachte], in combinatie met het forse postuur van [verdachte] alsmede de bewoordingen van [verdachte] die impliciet verwijzen naar represailles indien hij niet zou betalen, maken dat bedreiging met geweld bewezen is.

Uit bovengenoemde bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] -kort gezegd- tegen [benadeelde] heeft gezegd dat hij 25.000 euro moest betalen om geen last meer van hem te hebben, hem gebeld heeft om te zeggen aan wie hij het geld moest geven en hem gezegd heeft dat zijn bodyguard in de auto zat. De rechtbank merkt deze handelingen en de daarbij door hem gebruikte bewoordingen aan als afpersingshandelingen.

Medeplegen

Aan [verdachte] zijn eveneens afpersingshandelingen ten laste gelegd, welke gepleegd zouden zijn door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1]. Vaststaat dat [verdachte] tot en met het bezoek van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] aan het bedrijf van [benadeelde] op 7 augustus 2008 op geen enkele wijze bij deze zaak betrokken is geweest. De rechtbank acht desondanks bewezen dat [verdachte] deze afpersingshandelingen tezamen en in vereniging met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] heeft gepleegd en overweegt daartoe als volgt.

Voor medeplegen is vereist dat er sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking en een gezamenlijke uitvoering. Die samenwerking is aanwezig indien de medeplegers willens en wetens samenwerken tot het plegen van een strafbaar feit.

[medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben het initiatief genomen om [benadeelde] af te persen. Zij hebben [benadeelde] benaderd en hebben gepoogd om hem te dwingen om geld af te staan. Hierbij hebben zij bedreigingen geuit. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben vervolgens [verdachte] benaderd om voor hen het geld bij [benadeelde] te incasseren. [verdachte] zou met een door [naam A] getekende ‘bekentenis’ naar [benadeelde] toe gaan. Blijkens de verklaring van [verdachte] ter zitting zou hij hiervoor 5 tot 10% van het totaal te incasseren bedrag ontvangen. [verdachte] heeft ter zitting verklaard dat hij voor zijn eerste bezoek aan [benadeelde] drie keer heeft gesproken met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] over hetgeen [benadeelde] aan [medeverdachte 2] zou moeten betalen. De rechtbank constateert dat [verdachte] in zijn gesprekken met [benadeelde] vervolgens heeft voortgebouwd op de door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] verrichtte afpersingshandelingen.

Voor medeplegen is niet vereist dat de medeplegers allen eigenhandig aan ieder onderdeel van de uitvoering van het strafbare feit hebben deelgenomen. Ook is niet vereist dat het opzet van ieder van de medeplegers gericht was op ieder onderdeel van de uitvoering van het strafbare feit. [verdachte], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hadden gezamenlijk het oogmerk om [benadeelde] af te persen. Daarbij heeft [verdachte] zich aangesloten op een moment dat de afpersing nog niet was voltooid en heeft [verdachte] voortgebouwd op de door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] verrichtte afpersingshandelingen en heeft hij daar tegenover [benadeelde] ook nadrukkelijk naar verwezen.

Dit alles leidt tot de conclusie dat er tussen [verdachte], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking waarbij zij allen het oogmerk hadden om [benadeelde] af te persen. Nu [verdachte] ter verwezenlijking van dit oogmerk heeft voortgebouwd op de eerdere handelingen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en daarnaar ook uitdrukkelijk heeft verwezen, kunnen deze handelingen hem in dit kader dan ook worden toegerekend.

De rechtbank acht niet aannemelijk dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], zoals zij ter zitting als getuige hebben verklaard, aan [verdachte] hebben medegedeeld dat hij het geld niet meer hoefde te innen. [verdachte] heeft verklaard dat hij na de eerste geldoverdracht nog veelvuldig contact heeft gehad met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Dit wordt bevestigd door de telefoongegevens van de mobiele telefoons van [verdachte]. Hieruit volgt dat [verdachte] op 6, 7 en 8 september 2008 contact heeft opgenomen met [medeverdachte 1], terwijl [verdachte] en [medeverdachte 3] op 5 september 2008 het eerste geldbedrag van [benadeelde] hebben ontvangen.

De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de raadsman dat er geen sprake was van medeplegen wegens het ontbreken van een ‘nauwe en bewuste samenwerking’.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte]

op tijdstippen in de periode van 25 juli 2008 tot en met 12 september 2008, te Wijk bij Duurstede en te Bunnik en te Haarlem, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [benadeelde] heeft

gedwongen tot de afgifte van een bedrag aan geld, groot 2.500 euro, en een bedrag aan geld, groot 22.500 euro, toebehorende aan die [benadeelde], welke bedreiging met geweld onder meer hierin bestonden dat hij en zijn mededaders opzettelijk dreigend

-op 05 september 2008 tegen die [benadeelde] hebben gezegd dat hij, [benadeelde], 25.000 euro zou moeten betalen aan verdachte en dat hij, [benadeelde] dan geen last meer van verdachte zou hebben en dat hij, [benadeelde], diezelfde middag 10.000 euro moest betalen en dat het hen niet interesseerde waar hij, [benadeelde], dat geld vandaan zou moeten halen en dat hij, [benadeelde], maar beter wel voor dat geld kon zorgen, en

- op 5 september en 12 september 2008 die [benadeelde] hebben gebeld en gezegd dat hij geld moest overhandigen aan een man die zich in het [Y] Hotel te Haarlem bevond en

- op 10 september 2008 tegen die [benadeelde] hebben gezegd dat zijn bodyguard in de auto zat,

waardoor die [benadeelde] werd bewogen tot bovenomschreven afgiften,

en aldus een bedreigende situatie hebben gecreëerd;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. [verdachte] zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid

4.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

4.2 De strafbaarheid van verdachte

[verdachte] is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan [verdachte] op te leggen:

een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van [verdachte].

[verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van afpersing. Hij is ingeschakeld om [benadeelde] te dwingen om 25.000 euro af te staan.

De rechtbank rekent het [verdachte] aan dat hij zich gemakkelijk door zijn mededaders heeft laten overhalen om bij [benadeelde] het geld te incasseren. Hij was er van op de hoogte dat [benadeelde] al reeds was bezocht door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en heeft zich daarbij aangesloten. Hij heeft [benadeelde], door middel van impliciete bedreigingen en gebruikmakend van zijn forse postuur en voorkomen, in een situatie gedwongen waardoor deze zich genoodzaakt zag om een fors geldbedrag aan hem te geven.

Het spreekt voor zich dat de door dit feit ontstane materiële schade bij [benadeelde] groot is geweest. Naast deze materiële schade heeft [verdachte] ook een grote inbreuk heeft gemaakt op het gevoel van veiligheid en de persoonlijke integriteit van [benadeelde]. Hierbij heeft [verdachte] kennelijk in het geheel niet stilgestaan. Het heeft hem er in ieder geval niet van weerhouden om, ten koste van een ander, op deze manier snel aan geld te komen.

De rechtbank neemt verdachte dit gedrag zeer kwalijk.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met het strafblad van [verdachte], waaruit blijkt dat hij meerdere malen voor geweldsdelicten is veroordeeld.

[verdachte] heeft ter zitting verklaard dat hij het geldbedrag aan [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] heeft gegeven. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben dit ter zitting ontkend. Voor de strafmaat acht de rechtbank het niet van belang wie uiteindelijk het geld heeft ontvangen. Zowel [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] als [verdachte] hebben gehandeld uit een financieel oogmerk om zichzelf of een ander wederrechtelijk te bevoordelen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie.

De rechtbank bepaalt dat de tijd die [verdachte] voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van mening dat een deels voorwaardelijke straf niet aan de orde is, gelet op zijn strafblad.

6 De benadeelde partij

De benadeelde partij, te weten [benadeelde] vordert een schadevergoeding van

25.000 euro.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht [verdachte] hoofdelijk aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

In een bijlage bij de vordering heeft Slachtofferhulp Nederland verzocht om de vordering te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade. Uit de bijlage blijkt dat Slachtofferhulp geen contact heeft gehad met de benadeelde partij, zodat zij niet als gemachtigde van benadeelde partij heeft te gelden. De vordering tot vermeerdering met de wettelijke rente kan dan ook niet worden geacht te zijn ingediend door de benadeelde partij.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f en 317 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt [verdachte] vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

- verklaart [verdachte] strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt [verdachte] tot een gevangenisstraf van 10 maanden;

- bepaalt dat de tijd die [verdachte] voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- veroordeelt [verdachte] tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde] van

25.000 euro, ter zake van materiële schade;

- veroordeelt [verdachte] in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, [verdachte] niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- legt aan [verdachte] de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde], 25.000 euro, te betalen, bij niet betaling te vervangen door 155 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, [verdachte] niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.M.G. de Weerd, voorzitter, mr. H.A. Brouwer en mr. B.P.L. de Vries, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.B. Spaargaren, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 10 augustus 2009.