Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BJ4893

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
05-08-2009
Datum publicatie
10-08-2009
Zaaknummer
271640 / KG ZA 09-792
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

475g Rv, informatieplicht schuldenaar en beslagvrije voet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 271640 / KG ZA 09-792

Vonnis in kort geding van 5 augustus 2009

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. T. Bogers,

tegen

de ONTVANGER van de BELASTINGDIENST UTRECHT/GOOI,

kantoorhoudende te Utrecht,

gedaagde,

verschenen in persoon.

Partijen zullen hierna [eiser] en Ontvanger worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding,

- de mondelinge behandeling,

- de pleitnota van de zijde van [eiser],

- de pleitnota van de zijde van de Ontvanger.

1.2. Ten slotte hebben partijen vonnis gevraagd.

1.3. In verband met de spoedeisendheid van de zaak is op 5 augustus 2009 vonnis gewezen. Het onderstaande vormt hiervan de nadere schriftelijke uitwerking.

2. De feiten

2.1. [eiser] ontvangt maandelijks een arbeidsongeschiktheidsuitkering van het UWV te Amsterdam ter hoogte van EUR 1.024,66 netto.

2.2. Van 20 januari 2009 tot 15 juli 2009 stond [eiser] vermeld in het handelsregister van de Kamer van Koophandel met een eenmanszaak genaamd “[eiser] Klussenbedrijf [woonplaats]”.

2.3. Op 15 mei 2009 heeft de Ontvanger aan [eiser] een vooraankondiging verzonden van het instellen van een vordering op grond van artikel 19 Iw bij het UWV. [eiser] had op 15 mei 2009 een belastingschuld van EUR 1.972,00. In de vooraankondiging staat onder meer vermeld:

“(…)

Ik leg geen beslag op het hele bedrag dat u van deze werkgever of instantie krijgt. De werkgever blijft een deel aan uzelf uitbetalen. Dit deel is uw ‘beslagvrije voet’. Hoe hoog uw beslagvrije voet is, hangt af van de bijstandsnorm en van:

- uw inkomsten

- de inkomsten van uw echtgenoot of partner

- uw woonlasten (…)

- de hoogte van de premie van uw ziektekostenverzekering

(…)

Met de gegevens die ik nu heb, schat ik uw beslagvrije voet op € 0,00 per maand. Maar voor een zorgvuldige schatting heb ik meer gegevens nodig. Daarom verzoek ik u het bijgaande formulier Opgave Persoonlijke situatie en inkomsten in te vullen en voor 25 mei 2009 aan mij terug te sturen. Als ik het formulier niet vóór deze datum heb teruggekregen, zal ik bij deze vordering de bovengenoemde beslagvrije voet aanhouden.

(…)”

2.4. Op 5 juni 2009 heeft de Ontvanger een vordering tot inhouding gedaan bij het UWV. Daarover heeft de Ontvanger [eiser] in een brief van 5 juni 2009 geïnformeerd. In deze brief deelt de Ontvanger mee dat de beslagvrije voet op EUR 0,00 is berekend en dat [eiser], als hij vindt dat de beslagvrije voet verkeerd is berekend, contact moet opnemen met de Ontvanger.

2.5. De uitkering van [eiser] over het tijdvak juni 2009 is omstreeks 12 juli 2009 door het UWV betaald aan de Ontvanger.

2.6. In een brief van 17 juli 2009 heeft de advocaat van [eiser] zich tot de Ontvanger gewend. In deze brief staat onder meer vermeld:

“(…)

Telefonisch deelde u mij op 16 juli jl. mede dat cliënt bij de Kamer van Koophandel staat ingeschreven als ondernemer en dat u er derhalve vanuit gaat dat hij andere inkomsten genereert. Zowel cliënt als ik hebben u onverkort meegedeeld dat dit niet het geval is. Ten bewijze hiervan doe ik u een overzicht van de zakelijke rekening toekomen (…)”.

2.7. Op 20 juli 2009 heeft de Ontvanger per brief onder meer als volgt gereageerd:

“(…)

In de vooraankondiging is meegedeeld dat de beslagvrije voet op € 0,00 per maand is geschat. Belastingschuldige staat tevens als ondernemer ingeschreven in de Kamer van Koophandel.

Op 15 juli 2009 is belastingschuldige uitgeschreven in het register van de Kamer van Koophandel.

Ik zal het UWV berichten dat voor de eerstvolgende uitbetaling de beslagvrije voet wordt vastgesteld op € 1.057,00.(…)”

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert – na wijziging van eis – uitvoerbaar bij voorraad:

- de Ontvanger te veroordelen om binnen 12 uur na uitspraak het beslag op te heffen, dan wel aan te passen met inachtneming van de correcte beslagvrije voet;

- voorts en indien er reeds is geïncasseerd, om binnen 24 uur na het in deze uit te spreken vonnis tot terugbetaling van de ingehouden gelden uit de WAO/WIA-uitkering aan [eiser] over te gaan;

- de Ontvanger te veroordelen om zich in de toekomst te onthouden van nieuwe beslagleggingen anders dan de wettelijk toegestane;

- de Ontvanger te veroordelen tot betaling van een dwangsom ter hoogte van € 1.000,00 voor elke dag of gedeelte daarvan dat de Ontvanger zich niet aan deze uitspraak houdt;

- de Ontvanger te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.2. De Ontvanger voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [eiser] en de Ontvanger zijn het erover eens zijn dat sprake is van een vordering van de Ontvanger op grond van artikel 19 Invorderingswet 1990 en niet van beslaglegging op grond van de bepalingen van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Verder staat tussen partijen vast dat de Ontvanger aan het UWV heeft bericht dat vanaf 15 juli 2009 rekening moet worden gehouden met een beslagvrije voet van EUR 1.057,00 voor [eiser]. Deze beslagvrije voet overstijgt het nettobedrag van de maandelijkse WAO/WIA uitkering van [eiser], zodat hij zijn volledige uitkering over juli 2009 en de daaropvolgende maanden zal ontvangen. De juistheid van de door de Ontvanger aangepaste beslagvrije voet kan de voorzieningenrechter overigens niet controleren, omdat [eiser] heeft nagelaten de daarvoor benodigde gegevens in het geding te brengen. Er is kortom geen sprake van beslag en het is voor de voorzieningenrechter niet mogelijk de correcte beslagvrije voet vast te stellen. Dit betekent dat de daartoe strekkende vordering van [eiser] moet worden afgewezen.

4.2. De Ontvanger heeft voorts te kennen gegeven dat zij één maandelijkse betaling van het UWV heeft ontvangen en afgeboekt op de belastingschuld van [eiser]. De vraag ligt daarom voor of gedeeltelijke terugbetaling van dit bedrag (naar de voorzieningenrechter begrijpt: door de Ontvanger) aan [eiser] plaats moet vinden.

4.3. Deze vraag moet worden beantwoord aan de hand van de wettelijke bepalingen met betrekking tot beslag onder een derde op vorderingen tot periodieke betalingen waaraan een beslagvrije voet is verbonden, te weten de artikelen 475b e.v. Rv. Deze bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing op de door de Ontvanger op grond van artikel 19 Iw ingestelde vordering. In dit geding zijn met name de in artikel 475g weergegeven informatieplichten van belang. De schuldenaar is verplicht zijn bronnen van inkomsten op te geven en de beslagleggende deurwaarder (althans de Ontvanger) is verplicht de schuldenaar op te geven hoeveel zijn beslagvrije voet bedraagt, berekend volgens artikel 475d lid 1 Rv. Dit laatstgenoemde artikel bepaalt de beslagvrije voet op 90% van de toepasselijke bijstandsnorm.

4.4. [eiser] stelt dat de Ontvanger ten onrechte de beslagvrije voet op nihil heeft bepaald. [eiser] was wel ingeschreven in het handelsregister met een klussenbedrijf, maar heeft hier nimmer inkomsten uit gehad. De Ontvanger had dit volgens [eiser] kunnen weten, want [eiser] heeft nooit omzetbelasting afgedragen. Er is immers nooit omzet geweest, aldus [eiser].

4.5. De Ontvanger voert daartegenover aan dat hij de beslagvrije voet op EUR 0,00 heeft bepaald, omdat hij niet bekend was met de inkomensgegevens van [eiser] en zijn echtgenote. Volgens de Ontvanger heeft [eiser] ten onrechte nagelaten deze gegevens aan de Ontvanger mee te delen, hoewel hij daartoe zowel in de vooraankondiging van 15 mei als in de brief van 5 juni 2009 in de gelegenheid is gesteld. De Ontvanger wist wel dat [eiser] een klussenbedrijf had, maar [eiser] heeft geen aangifte omzetbelasting gedaan. Om die reden kon de Ontvanger niet weten dat [eiser] met zijn eenmanszaak geen inkomsten genereerde, zo voert de Ontvanger aan.

4.6. De voorzieningenrechter overweegt het volgende. Het is voldoende aannemelijk geworden dat [eiser], ondanks de inhoud van de vooraankondiging van 15 mei 2009 en de brief van 5 juni 2009 van de Ontvanger (zie 2.3 en 2.4), geen inkomensgegevens van zichzelf en zijn gezinsleden aan de Ontvanger heeft verstrekt. Op grond van artikel 475g lid 1 en lid 2 is hij daartoe wel verplicht. De in lid 2 van genoemd artikel weergegeven sanctie – halvering van de beslagvrije voet – geldt alleen als [eiser] geen informatie verstrekt over het inkomen van zijn echtgenote. Op het niet nakomen door [eiser] van de in lid 1 genoemde informatieplicht, is (anders dan in lid 2 van dit artikel) door de wetgever niet expliciet een sanctie gesteld. De door de Ontvanger voorgestane sanctie, te weten het bepalen van de beslagvrije voet op EUR 0,00, volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet uit de wet. Deze verstrekkende sanctie verhoudt zich immers niet tot de eveneens in lid 1 van artikel 475g Rv weergegeven verplichting voor de deurwaarder de beslagvrije voet aan de schuldenaar mee te delen, berekend op 90% van de bijstandsnorm (artikel 475d Rv). Die norm moet daarom voor een deurwaarder (en in dit geval voor de Ontvanger) uitgangspunt zijn en niet het bedrag van EUR 0,00.

4.7. Omdat [eiser] in dit geval beide informatieplichten (zoals bedoeld in artikel 475g lid 1 en lid 2 Rv) heeft verzaakt, was halvering van de beslagvrije voet van [eiser] door de Ontvanger in ieder geval toegestaan.

De Ontvanger heeft per 15 juli, met inachtneming van het uitgangspunt dat [eiser] slechts beschikt over inkomsten uit zijn uitkering, de beslagvrije voet op EUR 1.057,00 bepaald. [eiser] heeft – zoals reeds onder 4.1 overwogen – geen feiten en omstandigheden aangevoerd die aannemelijk maken dat deze beslagvrije voet onjuist zou zijn. Dit leidt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat de Ontvanger bij zijn vordering op grond van artikel 19 Iw rekening had moeten houden met een beslagvrije voet van (50% van EUR 1.057,00) EUR 528,50 (en niet van EUR 0,00). Dit betekent dat de Ontvanger EUR 528,50 teveel heeft geïncasseerd. De Ontvanger zal daarom worden veroordeeld dit bedrag aan [eiser] terug te betalen. Bij de veroordeling tot terugbetaling zal de voorzieningenrechter een termijn van 5 werkdagen na betekening hanteren. De door [eiser] gevorderde termijn van 24 uur na het wijzen van het vonnis acht de voorzieningenrechter onredelijk kort.

4.8. De voorzieningenrechter merkt voorts nog op dat in het midden kan blijven of [eiser] al dan niet inkomsten heeft gegenereerd met zijn eenmanszaak, aangezien andere bronnen van inkomsten (niet zijnde periodieke inkomsten) bij de berekening van de beslagvrije voet buiten beschouwing worden gelaten.

4.9. De vordering de Ontvanger te verbieden zich in de toekomst te onthouden van nieuwe beslagleggingen anders dan de wettelijk toegestane zal worden afgewezen vanwege een gebrek aan belang. Deze vordering is in zeer algemene bewoordingen geformuleerd en ook zonder de gevorderde veroordeling is het de Ontvanger niet toegestaan beslag te leggen zonder rekening te houden met de geldende (wettelijke) bepalingen.

4.10. Nu de Ontvanger uitsluitend wordt veroordeeld tot betaling aan [eiser] van een geldsom, zal de gevorderde dwangsom worden afgewezen. Het is immers - gelet op het bepaalde in artikel 611a Rv - niet mogelijk een dwangsom toe te wijzen ter zake van de betaling van een geldsom.

4.11. Nu geen van de partijen als de overwegend in het ongelijk gestelde partij kan worden beschouwd, zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat partijen hun eigen kosten zullen dragen.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

- veroordeelt de Ontvanger om binnen 5 werkdagen na betekening tot terugbetaling van een bedrag van EUR 528,50 aan [eiser] over te gaan,

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

- compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat beide partijen hun eigen kosten dragen,

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Schepen en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2009.?

w.g. griffier w.g. rechter