Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BJ4859

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
05-08-2009
Datum publicatie
10-08-2009
Zaaknummer
260163 / HA ZA 08-2618
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Normering Maatschappelijk Aanvaardbaar Gedragstest tussen 2001 en 2004 aangescherpt. Hond (rottweiler) zakt in 2007 voor MAG-test. Beroep op artikel 2:15 BW te laat gedaan. Beroep op artikel 2:8 BW afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 260163 / HA ZA 08-2618

Vonnis van 5 augustus 2009

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. N.L.J.M. Rijssenbeek,

tegen

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

NEDERLANDSE ROTTWEILER CLUB,

gevestigd te Wouw,

gedaagde,

advocaat mr. J.J. van der Goen.

Partijen zullen hierna [eiseres] en de Nederlandse Rottweiler Club genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 25 februari 2009

- het proces-verbaal van comparitie van 29 april 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiseres] is eigenaresse van de hond [X] (hierna: de hond) van het ras rottweiler. Op 9 december 2007 heeft de hond een Maatschappelijk Aanvaardbaar Gedragstest (hierna: MAG-test) afgelegd. Bij brief d.d. 19 december 2007 werd [eiseres] door de Raad van Beheer op Kynologisch Gebied in Nederland (hierna: de Raad van Beheer) bericht dat de hond niet was geslaagd voor de MAG-test. De MAG-test is destijds in het leven geroepen vanwege een reeks bijtincidenten.

2.2. Om als rashond gekwalificeerd te kunnen worden, dient een hond onder meer bij een stamboek geregistreerd te staan. Om bij een stamboek geregistreerd te kunnen staan, dient aan een aantal voorwaarden te zijn voldaan. Die voorwaarden worden door de Raad van Beheer in samenwerking met de desbetreffende rasvereniging vastgesteld. Eén van de voorwaarden om als rottweiler voor een stamboekregistratie in aanmerking te kunnen komen, is het met goed gevolg afleggen door de (ouder)hond van een MAG-test.

2.3. [eiseres] is voornemens om met de hond te fokken en wil graag dat de pups van de hond een stamboekvermelding krijgen. Voor het verkrijgen van een stamboom-vermelding dient de ouderhond over een certificaat van een met goed gevolg afgelegde MAG-test te beschikken.

2.4. [eiseres] is sinds 2000 lid van de Nederlandse Rottweiler Club. In 2005 heeft zij met een andere hond, eveneens een rottweiler, deelgenomen aan de MAG-test en deze test met goed gevolg afgelegd.

2.5. Uit het verslag van een gesprek tussen de Nederlandse Rottweiler Club en de Raad van Beheer d.d. 4 februari 2008 blijkt onder meer het volgende. De rottweiler valt niet onder de (wettelijke) regeling RAD-rassen (Regeling Agressieve Dieren) waarvoor een MAG-test verplicht is. In overleg met de desbetreffende rasvereniging kan worden besloten dat de MAG-test voor het afgeven van een certificaat door de Raad van Beheer een voorwaarde is. Een dergelijke afspraak kan worden gemaakt in een convenant tussen de rasvereniging en de Raad van Beheer. Tussen de Nederlandse Rottweiler Club en de Raad van Beheer bestaat sinds 2001 een dergelijk convenant.

2.6. Op 9 juli 2008 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aangekondigd de Regeling Agressieve Dieren te gaan intrekken. Per 1 januari 2009 is de regeling ingetrokken.

2.7. Bij brief van 12 februari 2009 bericht de Raad van Beheer aan de Nederlandse Rottweiler Club onder meer:

"Naar aanleiding van het intrekken van de Regeling Agressieve Dieren heeft het bestuur van de Raad van Beheer besloten om in overleg met de betrokken verenigingen de koppeling van de afgifte van stambomen en de MAG-test af te schaffen. De voorwaarden voor afgifte van stambomen voor de betreffende rassen worden daarmee gelijk getrokken met die voor de overige rassen. Vereniging kunnen aangeven of zij deze koppeling voor hun ras ook wil afschaffen. (…) In december 2008 heeft u op verzoek van de Raad een plan van aanpak ingediend ter preventie van ongewenst agressief gedrag binnen uw ras. (…) Het betreurt de Raad dat het testen op Maatschappelijk Aanvaardbaar Gedrag, niet in het voorstel is opgenomen. (…)Wij willen dan ook de eigenaren van Rottweilers wijzen op het belang van het testen op Maatschappelijk Aanvaardbaar Gedrag. (…)De Raad zou dan ook graag zien dat u in het plan van aanpak ook de deelname aan de MAG-test opneemt. "

2.8. Op 16 maart 2009 heeft de Raad van Beheer aan de raadsvrouw van [eiseres] schriftelijk onder meer het volgende laten weten:

"Op 8 juli 2004 is de aangepaste normering van de MAG-test voor rottweilers bevestigd. Hiervan is melding gemaakt in het clubblad van de Nederlandse Rottweiler Club (NRC). Dergelijke aanpassingen vinden meestal alleen plaats op initiatief van de rasvereniging. Of dat in dit geval ook zo was, valt helaas niet meer na te gaan".

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het door de de Nederlandse Rottweiler Club genomen besluit inzake de aanscherping van de normering van de MAG-test vernietigt en bepaalt dat de hond van [eiseres] alsnog met goed gevolg de MAG-test heeft afgelegd en in aanmerking komt voor het verkrijgen van een certificaat, alsmede de Nederlandse Rottweiler Club veroordeelt in de kosten van deze procedure.

3.2. De Nederlandse Rottweiler Club voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [eiseres] vordert op grond van artikel 2:15 BW vernietiging van het besluit van het bestuur van de Nederlandse Rottweiler Club aangaande de hantering van een afwijkende normering van de MAG-test. De normering van de MAG-test waaraan de hond heeft meegedaan, bleek veel zwaarder te zijn dan de gebruikelijke normering van een MAG-test, aldus [eiseres]. De reden waarom de hond is gezakt, berust op het verschil in normering bij de testonderdelen zonder eigenaar. Volgens de toegepaste MAG-test mag een hond niet meer dan twee keer grote angst of paniek laten zien. [eiseres] ging echter uit van een normering van de MAG-test, waarbij maximaal zeven keer grote angst mag voorkomen, waaronder één keer paniek. Aangezien de hond vijf keer grote angst en één keer paniek heeft vertoond tijdens de test, heeft de hond volgens [eiseres] wel voldaan aan de MAG-test. Pas na ontvangst van de brief van 19 december 2007 van de Raad van Beheer, waarin haar werd medegedeeld dat de hond niet voor de MAG-test was geslaagd, heeft zij kennis kunnen nemen van de toegepaste normering. [eiseres] heeft op 18 december 2008 de dagvaarding doen uitbrengen, waardoor zij, gelet op de termijn van lid 5 van artikel 2:15 BW, bevoegd is om vernietiging van het besluit te vorderen, aldus [eiseres].

4.2. De Nederlandse Rottweiler Club stelt dat zij op 20 januari 2001 tijdens de algemene ledenvergadering (ALV) het plan van aanpak, dat betrekking had op de invoering van de MAG-test, aan haar leden heeft voorgelegd. Na stemming is dit plan van aanpak met ruime meerderheid van stemmen aangenomen. Na invoering van de MAG-test heeft vanuit het bestuur van de Nederlandse Rottweiler Club jaarlijks een evaluatie plaatsgevonden. Dit heeft geleid tot aanscherpingen van de normering van de MAG-test waaraan rottweilers dienen te voldoen. Die aanscherping is steeds door de Raad van Beheer overgenomen en telkens in het clubblad gepubliceerd. De laatste aanpassing van de MAG-test is in 2004 gemaakt en wederom in het clubblad gepubliceerd. Tijdens de ALV van 24 maart 2005 is het fokreglement, waarvan de MAG-test deel uitmaakt, door de leden nogmaals bekrachtigd. [eiseres] was tijdens deze ALV aanwezig. Na afschaffing van de Regeling Agressieve Dieren is door de Raad van Beheer besloten de koppeling tussen MAG-test en afgifte van stambomen voorlopig in stand te houden.

4.3. Kern van het geschil tussen partijen is of de aanscherping van de normering van de MAG-test berust op een door het bestuur rechtsgeldig genomen besluit. Tussen partijen is niet in geschil dat een MAG-test onderdeel uitmaakt van de voorwaarden om een certificaat van de Raad van Beheer te verkrijgen en dat slechts pups van ouderhonden met een certificaat in aanmerking kunnen komen voor een stamboekvermelding. Ook niet in geschil is dat de Nederlandse Rottweiler Club in 2001 een rechtsgeldig besluit heeft genomen ten aanzien van de invoering van de MAG-test. Wel in geschil is de juridische basis van de tussentijdse verzwaringen die tussen 2001 en 2005 ten aanzien van de MAG-test voor rottweilers door het bestuur van de Nederlandse Rottweiler Club zijn doorgevoerd.

4.4. [eiseres] stelt dat deze verzwaringen zijn op te vatten als besluiten van het bestuur en dat deze in strijd met de statuten van de de Nederlandse Rottweiler Club zijn genomen, zodat deze besluiten op grond van artikel 2:15 lid 1 onder a BW vernietigbaar zijn. Door de Nederlandse Rottweiler Club is ten onrechte aangevoerd, dat [eiseres] niet ontvankelijk zou zijn in haar vordering, nu zij niet zou behoren tot de kring van degenen die een beroep kunnen doen op artikel 2:15 BW.

Op grond van artikel 2:15 lid 3 onder a BW heeft iemand die een redelijk belang heeft bij de naleving van de verplichtingen die in het artikel zijn genoemd, de bevoegdheid om vernietiging van het besluit te vorderen. De rechtbank is van oordeel dat [eiseres] tot de kring van degenen behoort, die een redelijk belang heeft om vernietiging te vorderen. Het belang van [eiseres] om als lid van de Nederlandse Rottweiler Club in aanmerking te kunnen komen voor een certificaat, waardoor de pups van de hond een stamboekvermelding kunnen verkrijgen, is op te vatten als een redelijk belang in de zin van artikel 2:15 BW.

4.5. Vervolgens dient te worden beoordeeld of [eiseres] haar vordering binnen de in het vijfde lid van artikel 2:15 BW genoemde vervaltermijn van een jaar heeft ingediend. De rechtbank is van oordeel dat zij dit niet heeft gedaan. [eiseres] stelt dat zij eerst na ontvangst van de brief van de Raad van Beheer van 19 december 2007 kennis heeft genomen van het besluit. Uit het dossier en de stellingen van de Nederlandse Rottweiler Club blijkt echter dat de gehanteerde normering bij de MAG-test van de hond reeds vanaf 2004 gelden en telkenmale in het clubblad zijn gepubliceerd. Door de Nederlandse Rottweiler Club zijn acht vermeldingen uit het clubblad (in de periode 2004-2007) overgelegd waaruit dit blijkt. Ter zitting is door [eiseres] verklaard dat zij altijd de clubbladen heeft ontvangen en dat achteraf gezegd kan worden dat de verzwaringen erin hebben gestaan, maar dat zij die rubriek niet meer heeft gelezen nu zij in de veronderstelling verkeerde dat de normering van de MAG-test na invoering in 2001 niet was veranderd. Nog afgezien van de beoordeling of deze verzwaringen als besluiten hebben te gelden die rechtsgeldig door het bestuur zijn genomen, kan niet anders dan worden geconcludeerd dat aan de verzwaringen door het bestuur voldoende bekendheid is gegeven. Zelfs indien de rechtbank uitgaat van de datum van de ALV op 24 maart 2005, waarbij [eiseres] aanwezig is geweest en onweersproken door de Nederlandse Rottweiler Club is gesteld dat het fokreglement, waarin een verwijzing naar de MAG-test is opgenomen, door de leden is bekrachtigd, dan is de vervaltermijn van een jaar ruimschoots overschreden. Dit betekent dat de vordering voor zover deze is gebaseerd op artikel 2:15 BW zal worden afgewezen.

4.6. [eiseres] heeft ook artikel 2:8 lid 2 BW aan haar vordering ten grondslag gelegd. Zij is van oordeel dat het door het bestuur genomen besluit om de MAG-test te verzwaren in strijd is met de redelijkheid en billijkheid en daarom niet in stand kan blijven. Door de Nederlandse Rottweiler Club is ter comparitie aangevoerd dat ook indien gehandeld zou zijn in strijd met de redelijkheid en billijkheid, de verjaringstermijn van artikel 2:15 lid 5 BW daarop van toepassing is. Deze stelling van de Nederlandse Rottweiler Club is onjuist. Na verloop van de vervaltermijn van artikel 2:15 lid 5 BW blijft een beroep op artikel 2:8 lid 2 BW mogelijk. Ter beoordeling ligt thans voor of de verzwaringen die door het bestuur van de Nederlandse Rottweiler Club na 2001 tot 2004 zijn doorgevoerd naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn.

4.7. Door [eiseres] zijn in dit verband drie omstandigheden aangevoerd. Ten eerste stelt [eiseres] dat het niet redelijk is dat een hondenras dat wettelijk niet als agressief wordt erkend, aan een veel zwaardere normering dient te voldoen dan een hond die wel als agressief wordt erkend.

Uit de standpunten van [eiseres] volgt niet dat zij het feit dat de rottweiler aan een MAG-test moet worden onderworpen, als zodanig onredelijk acht. Haar bezwaar ziet meer op het feit dat in het geval een rasvereniging heeft besloten om de MAG-test in te voeren, terwijl het ras als zodanig niet voorkwam in de Regeling Agressieve Dieren, de rasvereniging de normering van de MAG-test kan aanscherpen, waardoor inderdaad een situatie zou kunnen ontstaan dat een hond die wel onder de Regeling Agressieve Dieren valt aan een lichtere MAG-test wordt onderworpen dan, in dit geval, de hond.

De rechtbank acht deze omstandigheid echter niet een geslaagd beroep op artikel 2:8 lid 2 BW rechtvaardigen. Juist van een rasvereniging mag worden verwacht, dat indien zij het op gegronde redenen noodzakelijk vindt om de normering aan te scherpen ten aanzien van het desbetreffende ras, zij tot een dergelijke aanscherping overgaat. De rasvereniging dient immers de belangen van het ras, waaronder het gedrag en in het bijzonder het voorkomen van angst- en/of bijtgedrag, te waarborgen.

Door [eiseres] is niet aangevoerd waarom de verzwaring van de normering op ongegronde redenen zou stoelen. De enkele reden dat dit bij andere rassen mogelijk niet het geval is, is onvoldoende, omdat dit voorbij gaat aan de raseigen kenmerken van het specifieke ras in kwestie. Dat uit de clubbladen is gebleken dat dit onderwerp binnen de de Nederlandse Rottweiler Club ook bij andere leden gevoelig ligt, doet daar als zodanig niet aan af. Niet gebleken is dat in de periode 2001 tot 2004 door de leden bezwaar is gemaakt tegen de verzwaring van de normen als zodanig, dan wel tegen de rol van het bestuur hierin. Wel is sprake geweest van bezwaren die verband hielden met de situatie dat een hond voor de MAG-test was gezakt. Daarbij komt dat tijdens de ALV in 2005, waarbij [eiseres] aanwezig was, het fokreglement door de leden is goedgekeurd. In het fokreglement is een verwijzing naar de MAG-test opgenomen, waarvan de normering telkens kenbaar is gemaakt door middel van publicaties in het clubblad.

4.8. Als tweede omstandigheid voert [eiseres] aan dat onder meer uit het verslag van 4 februari 2008 (zie 2.5) van een gesprek tussen het bestuur van de Nederlandse Rottweiler Club en de Raad van Beheer blijkt, dat ook de aanwezige bestuursleden menen dat de MAG-test geen voorwaarde zou moeten zijn voor certificering en moet worden afgeschaft. [eiseres] stelt dat dit niet strookt met de aanscherping van de normering van de MAG-test.

De rechtbank is van oordeel dat [eiseres] hiermee volledig voorbij gaat aan de tijdsfasering van de ontwikkelingen ten aanzien van de MAG-test. Haar bezwaren richten zich tegen de verzwaring van de normering die tussen 2001 en 2004 is ingevoerd. De hond heeft de MAG-test in 2007 gedaan toen de MAG-test werd afgenomen in verband met de Regeling Agressieve Dieren. Het gesprekverslag heeft betrekking op een periode nadat de hond de MAG-test had gedaan en waarbij sprake was van een situatie dat de Regeling Agressieve Dieren zou worden ingetrokken. Dit is ook uiteindelijk gebeurd. Uit het dossier volgt dat vervolgens een discussie op gang is gekomen tussen de Nederlandse Rottweiler Club en de Raad van Beheer over het handhaven van de MAG-test ondanks de intrekking van de Regeling Agressieve Dieren. Dat daar binnen het bestuur en onder de leden zeer verschillend over wordt gedacht, blijkt genoegzaam uit het dossier. Dit is echter een geheel andere discussie dan de discussie over het verzwaren van de normering in de periode 2001 tot 2004, waarbij de discussie over de afschaffing van de Regeling Agressieve Dieren en de daarmee samenhangende vraag naar de wenselijkheid tot handhaving van de MAG-test nog helemaal niet speelde. Ook deze omstandigheid kan niet een geslaagd beroep op artikel 2:8 lid 2 BW rechtvaardigen.

4.9. Als laatste omstandigheid wijst [eiseres] erop, dat het besluit tot verzwaring van het bestuur in strijd is met de redelijkheid en billijkheid vanwege de wijze van totstandkoming. [eiseres] stelt dat het hier gaat om een besluit dat kennelijk zelfstandig door het bestuur is genomen zonder daarbij de ALV te raadplegen. Nu dit besluit enorme gevolgen heeft voor de leden acht [eiseres] dit in strijd met de redelijkheid en billijkheid door de leden hierin niet te kennen.

Ter comparitie is door de Nederlandse Rottweiler Club verklaard dat ten aanzien van de verzwaringen geen stemming in de ALV heeft plaatsgevonden. Het toepassen en invoeren van de verzwaringen heeft het bestuur opgevat als de uitvoering van het in 2001 door de ALV genomen besluit waarbij het plan van aanpak werd goedgekeurd.

4.10. De rechtbank constateert dat de MAG-test vanaf het moment van invoering in 2001 binnen de Nederlandse Rottweiler Club als een gevoelig onderwerp is ervaren. Desondanks is de ALV in 2001 met grote meerderheid van stemmen akkoord gegaan met het plan van aanpak. De rechtbank is van oordeel dat het aanbrengen van de verzwaringen in de normering door het bestuur inderdaad als uitvoering moet worden beschouwd van het in 2001 genomen besluit. Niet gebleken is dat de verzwaringen die door het bestuur zijn aangebracht, en ook altijd met de Raad van Beheer zijn besproken, niet passen binnen de algemene lijnen van het te volgen beleid (artikel 26 statuten). Ook staat vast dat de verzwaringen telkens aan de leden door middel van publicaties in het clubblad kenbaar zijn gemaakt. Of, gelet op de gevoeligheid van het onderwerp, het toenmalige bestuur er goed aan had gedaan om dit onderwerp nog eens expliciet tijdens een ALV te bespreken, is een vraag van andere orde en heeft met de kenbaarheid van het handelen van het bestuur als zodanig niets te maken.

[eiseres] is daardoor in de periode vanaf 2001 tot 2004, het jaar van de laatste wijziging, voldoende in de gelegenheid gesteld om kennis te kunnen nemen van de normering en, zo zij tegen de wijze van totstandkoming daarvan bezwaren zou hebben gehad, de daarvoor aanwezige rechtsmiddelen tijdig in te zetten. Dit heeft zij echter niet gedaan. De vraag is of er desondanks sprake is van een situatie die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De rechtbank acht dit niet het geval. Daarbij kent de rechtbank aan het volgende groot gewicht toe.

4.11. [eiseres] heeft in 2005 met een andere aan haar toebehorende rottweiler met goed gevolg de MAG-test afgelegd. De normering van die MAG-test was dezelfde als de MAG-test waaraan de hond niet heeft kunnen voldoen. Dit betekent dat, nog afgezien van haar aanwezigheid bij de ALV waarbij het fokreglement is aangenomen, [eiseres] in 2005 bekend was of in ieder geval had kunnen zijn met de normering waaraan moest worden voldaan om te kunnen slagen, nu haar andere hond wel het certificaat had gekregen. Zo dit niet het geval zou zijn geweest, hetgeen de rechtbank ongeloofwaardig vindt, dan had zij opnieuw van de normering kennis kunnen nemen, nu op dezelfde pagina waarop de positieve uitslag van de MAG-test van de andere hond was afgedrukt, de geldende MAG-normering was afgedrukt. Het feit dat [eiseres] heeft aangevoerd dat zij op een gegeven moment dat soort berichten niet meer leest, komt voor haar risico.

4.12. Dit geldt te meer nu [eiseres] duidelijk een belang had om voor de hond een certificaat te verkrijgen. In zo'n situatie kan verwacht worden dat [eiseres] zich, zo nodig opnieuw, laat informeren over de eisen waaraan de hond moet voldoen om de MAG-test met goed gevolg af te leggen. Dat dit in de rede lag, blijkt ook uit het feit dat onweersproken door de Nederlandse Rottweiler Club is gesteld dat de MAG-testleider, tevens bestuurslid van de Nederlandse Rottweiler Club, [eiseres] had geadviseerd om nog niet aan de MAG-test mee te doen, omdat de hond, in zijn visie, daar nog niet klaar voor was. Ondanks het feit dat [eiseres] een andere mening was toegedaan, heeft zij ook ter zitting verklaard dat bij de trainingen voor de MAG-test de hond bij een bepaald onderdeel achteruit deinsde. De angstregistraties die hebben geleid tot het zakken voor de MAG-test zijn, volgens de verklaring van [eiseres], allemaal variaties op dat onderdeel. In het fokreglement is opgenomen dat "de MAG-test op angst en/of agressie bijtgedrag" moet zijn doorstaan om te kunnen fokken conform het fokreglement. Dit betekent dat, gelet op deze ervaringen tijdens de trainingen, er genoeg aanleiding was voor [eiseres] om zich er van te vergewissen wat nu precies de normering van de MAG-test was, waaraan zij met de hond wilde deelnemen. Daarbij komt ook dat [eiseres] geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om een herexamen aan te vragen, omdat zij, volgens haar verklaring, geen vertrouwen had in een betere uitslag.

4.13. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de door [eiseres] aangevoerde omstandigheid individueel en in onderlinge samenhang beoordeeld niet kunnen leiden tot een geslaagd beroep op artikel 2:8 lid 2 BW. Dit betekent dat ook op deze grond de vordering van [eiseres] zal worden afgewezen.

4.14. [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Nederlandse Rottweiler Club worden begroot op:

- explootkosten EUR 0,00

- vast recht 254,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.158,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van de Nederlandse Rottweiler Club tot op heden begroot op EUR 1.158,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Ch.E. Bethlem en in het openbaar uitgesproken op

5 augustus 2009.?

w.g. griffier w.g. rechter