Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BJ4492

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
04-08-2009
Datum publicatie
04-08-2009
Zaaknummer
16 712294-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Utrecht heeft vier jaar gevangenisstraf opgelegd aan de automobilist die op 10 oktober 2008 onder invloed van alcohol en zonder rijbewijs iemand heeft doodgereden in Houten.

Met bijna drie maal de toegestane hoeveelheid alcohol in zijn bloed in combinatie met medicijnen reed hij op de verkeerde weghelft. Hij botste frontaal op een tegemoet rijdende automobiliste die als gevolg van het ongeval is overleden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2009, 120
Module Verkeer 2009/263
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/712294-08

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 4 augustus 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1979] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

Thans gedetineerd in P.I. Vught, [naam], [adres], [woonplaats].

Raadsman mr. J.J.J.L. Maalsté, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 21 juli 2009, waarbij de officier van justitie, mr. E.D.I. Martens, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

T.a.v. feit 1:

op 10 oktober 2008 te Houten als bestuurder van een personenauto door roekeloos of zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend rijgedrag, onder invloed van alcohol, drugs en/of medicijnen een verkeersongeval heeft veroorzaakt, waardoor [slachtoffer 1] werd gedood,

of

op 10 oktober 2008 te Houten als bestuurder van een personenauto heeft gereden onder invloed van stoffen waarvan hij wist of moest weten dat het gebruik daarvan, al dan niet in combinatie met een andere stof, de rijvaardigheid kon verminderen en/of

als bestuurder van een personenauto heeft gereden onder invloed van alcohol en/of

als bestuurder van een personenauto zodanig heeft gereden dat hij uiteindelijk tegen een tegemoetrijdend motorrijtuig is gebotst en/of in aanraking is gekomen, door welke gedraging gevaar op de weg werd veroorzaakt of kon worden veroorzaakt en/of het verkeer op die weg werd gehinderd of kon worden gehinderd.

T.a.v. feit 2:

op 10 oktober 2008 te Houten heeft gereden terwijl zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.

T.a.v. feit 3:

op 25 januari 2008 te Vianen als bestuurder van een personenauto heeft gereden onder invloed van alcohol.

T.a.v. feit 4:

op 29 maart 2008 te Utrecht een bos sleutels en/of een sleutel en/of en gouden ring en/of een portemonnee met inhoud en/of een bankpas heeft gestolen.

T.a.v. feit 5:

op 29 maart 2008 te Utrecht heeft gepoogd geld te stelen door middel van een valse sleutel.

3 Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van feit 1 primair stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat verdachte zich roekeloos en onoplettend heeft gedragen en daarmee een grove verkeersfout heeft gemaakt. Hij heeft gereden onder invloed van alcohol en onder invloed van medicijnen en drugs. Het ongeval en de dood van [slachtoffer 1] kan in redelijkheid worden toegerekend aan het rijgedrag van verdachte (causaal verband). Er is derhalve sprake van zware schuld.

De officier van justitie acht tevens bewezen dat verdachte heeft gereden met een ongeldig verklaard rijbewijs en is van oordeel dat er sprake is van eendaadse samenloop van feit 2 met feit 1 primair.

De officier van justitie is van oordeel dat de feiten 3, 4 en 5 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Zij merkt hierbij op dat ten aanzien van de feiten 4 en 5 sprake is van voortgezette handeling van diefstal en poging tot diefstal.

4 Het standpunt van de verdediging

De raadsman stelt zich op het standpunt dat verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, omdat niet kan worden aangetoond dat verdachte roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden. Verdachte heeft nooit het opzet gehad een ongeluk te veroorzaken en er is derhalve ook geen sprake van voorwaardelijk opzet.

Subsidiair dient verdachte vrijgesproken te worden van het bestanddeel “onder invloed van alcoholhoudende drank” omdat sprake is van een lage overschrijding van de toegestane hoeveelheid alcohol. Verdachte heeft bovendien in belangrijke mate een alcoholtolerantie opgebouwd, zodat - bij bewezenverklaring van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet - het onder invloed van alcohol besturen van een auto niet kan bijdragen aan schuld als bestanddeel.

5 De beoordeling van het bewijs

5.1 De bewijsoverwegingen

Feiten 1 en 2:

Ongeval:

Verdachte heeft op 10 oktober 2008 omstreeks 22.45 uur als bestuurder van een rode personenauto merk Hyundai gereden over de Utrechtseweg te Houten, komende uit de richting van Houten, gaande in de richting van Nieuwegein en is ter hoogte van het kruispunt met de Heemsteedseweg frontaal in botsing gekomen met een in tegengestelde richting rijdende zwarte Suzuki Alto , waarna de bestuurster van die Suzuki genaamd [slachtoffer 1], op 11 oktober 2008 te 02.44 uur in het ziekenhuis op de operatietafel is overleden ten gevolge van ernstig hersenletsel en verbloeding .

Verdachte heeft ten gevolge van het ongeval letsel, waaronder hersenletsel, opgelopen. Verdachte kan zich van het ongeval en een periode daarvoor en daarna niets meer herinneren.

Er hebben zich geen getuigen gemeld die het ongeval hebben zien gebeuren.

Alcohol:

Na bloedafname bij verdachte op 11 oktober 2008 om 02.10 uur in het ziekenhuis is vervolgens gebleken dat verdachte heeft gereden met een alcoholgehalte van 0.96 milligram ethanol per milliliter bloed .

De rechtbank merkt op dat de bloedafname 3 ½ uur na het ongeval heeft plaatsgevonden. Gelet op hetgeen door dr. B.E. Smink, apotheker van het NFI, als getuige-deskundige ter terechtzitting is verklaard omtrent de afbraaksnelheid van alcohol in het lichaam, gaat de rechtbank er vanuit dat verdachte ten tijde van het ongeval een hoger promillage alcohol in zijn lichaam had en schat deze hoeveelheid op ongeveer 1.45 milligram ethanol per milliliter bloed (0.96 promille alcohol p/ml bloed + (3 ½ uur x 0.15 promille alcohol p/ml bloed (minimale afbraaksnelheid p/uur)). De rechtbank concludeert derhalve dat verdachte heeft gereden met bijna drie maal de toegestane hoeveelheid alcohol in zijn lichaam.

Verkeersfouten

Naar aanleiding van de verkeersongevalanalyse heeft de rechtbank het volgende vastgesteld.

De verdachte heeft, rijdende in de rode Hyundai op de Utrechtseweg te Houten richting Nieuwegein, naar links gestuurd en heeft daarbij de zich tussen de twee rijstroken bevindende dubbele doorgetrokken witte streep overschreden. Vervolgens is verdachte op de voor het tegemoetkomende verkeer bestemde weggedeelte gaan rijden en is daar blijven rijden tot hij tegen de hem van dichtbij genaderde tegemoetkomende Suzuki is gebotst .

Rijgedrag

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij wist dat zijn rijbewijs naar aanleiding van een eerder ongeval door het CBR ongeldig was verklaard (feit 2) en dat hij dus had gereden zonder geldig rijbewijs.

De rechtbank dient voorts te bepalen welk verwijt verdachte ten aanzien van zijn rijgedrag kan worden gemaakt. Zij zal het rijgedrag van verdachte voorafgaande aan het ongeval meewegen met betrekking tot de mate van schuld van verdachte.

De getuigen [getuige 1] en [getuige 2] hebben verklaard dat zij op 10 oktober 2008 omstreeks 22.40 uur in een Peugeot op de kruising van de Rondweg met de Utrechtseweg te Houten voor een rood verkeerslicht stonden te wachten om rechtsaf de Utrechtseweg op te slaan. Getuige [getuige 1] zag in de rechterzijspiegel een rode auto met hoge snelheid aan komen rijden over de Rondweg in de richting van de kruising waar zij stonden te wachten. De rode auto naderde zo snel dat hij er rekening mee hield dat de bestuurder van deze rode auto met hen in botsing zou komen. Daarom kroop hij helemaal in elkaar. Om te voorkomen dat ze werden aangereden heeft de bestuurder van de Peugeot zijn auto rechts half de berm in gestuurd. [getuige 1] hoorde de bestuurder van de rode auto hard remmen, zag de bestuurder links uitwijken en hoorde de bestuurder met piepende banden alsnog rechtsaf de Utrechtseweg oprijden. [getuige 1] als [getuige 2] zagen vervolgens dat de bestuurder van de rode auto daarbij de middengeleider raakte. De getuigen zagen de rode auto op de Utrechtseweg voor de kruising van de Doornkade/Peppelkade slingerend rijden en zij zagen dat de bestuurder daarbij op de verkeerde linker weghelft reed en weer terug stuurde naar de rechter weghelft, waarbij de snelheid van de rode auto steeds hoger werd omdat de rode auto steeds verder op hen uitliep. De auto waarin de getuigen zaten reed op dat moment de

maximaal toegestane snelheid van 80 km p/uur . [getuige 1] heeft vervolgens bij een vriend die bij een krant werkt navraag gedaan of hij wist wie er in een rode auto reed. Kort hierop werd hij teruggebeld door die vriend die vertelde dat hij een melding had binnen gekregen dat er zojuist een aanrijding was geweest op de Utrechtseweg. De getuigen zijn toen naar de plaats van de aanrijding gegaan en zagen dat de rode auto die bij deze aanrijding was betrokken dezelfde rode auto was als waarover zij hebben verklaard .

Drugs en medicijnen:

De raadsman heeft gesteld dat zijn cliënt niet heeft gereden onder invloed van drugs en medicijnen, en derhalve van dit onderdeel dient te worden vrijgesproken. De drugs en medicijnen zijn, volgens de raadsman, in onvoldoende mate in verdachtes bloed aangetroffen en derhalve kan geen sprake zijn geweest van een negatieve beïnvloeding van de rijvaardigheid.

In het onderzoek naar de toedracht van de aanrijding is door de vriendin van verdachte aangegeven, dat verdachte die avond één glas wijn had gedronken en tien pillen had geslikt . Ook vermoedde zij dat hij bier had gedronken. Aan verbalisant [verbalisant] werd door een medewerkster van het UMC vanuit de kleding van verdachte medicijnen getoond, zijnde oxazepam en zopiclon en een zakje met vermoedelijk wiet .

Naar aanleiding van de bloedafname en het bloedonderzoek heeft voornoemde dr. B.E. Smink toxicologisch onderzoek gedaan naar de in het bloed van verdachte aanwezige stoffen. Dit leverde onder andere de volgende resultaten op: 0,22 mg/l morfine, 0,01 mg/l cocaïne, 0,06 mg/l oxazepam, een positief resultaat op zopiclon en 0,05 mg/l lidocaïne .

Voorts heeft op verzoek van de raadsman van verdachte nader onderzoek plaatsgevonden naar de tussen 10 oktober 2008 te 23.15 uur en 11 oktober 2008 te 02.00 uur aan verdachte toegediende stoffen in het kader van de medische behandeling.

De resultaten van dit onderzoek hebben geleid tot een aanvullend deskundigenrapport van dr. Smink, waaruit blijkt dat de aangetroffen morfine en mogelijk ook de lidocaïne zijn toegediend in het kader van medische behandeling. De deskundige concludeert dat de met zekerheid aangetoonde stoffen die in potentie de rijvaardigheid negatief kunnen beïnvloeden cocaïne, oxazepam en zopiclon zijn. De concentratie cocaïne in het bloed van verdachte is echter dermate laag dat deze niet de waarde haalt van 0.05 mg p/l, die wordt gezien als minimale farmacologisch werkzame concentratie . De rechtbank concludeert dat ook na terugrekening op basis van de halfwaardetijden, waarover door dr. Smink ter terechtzitting is verklaard, niet kan worden gekomen aan de minimale waarde van 0,05 mg cocaïne p/l bloed en dat derhalve niet geconcludeerd kan worden dat de bij verdachte aangetroffen hoeveelheid cocaïne in het bloed invloed heeft gehad op de rijvaardigheid.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij sinds ongeveer een jaar zopiclon gebruikt als slaapmiddel. Indien hij geen zopiclon had, mocht hij de oxazepam van zijn moeder gebruiken.

Dr. Smink heeft ter terechtzitting verklaard dat de KNMP (Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie) stelt dat bij langdurig gebruik van zopiclon bijwerkingen kunnen optreden die de rijvaardigheid kunnen beïnvloeden. De KNMP stelt derhalve dat personen die langdurig zopiclon gebruiken niet mogen autorijden . Dr. Smink heeft verklaard dat gebruik van zopiclon gedurende een periode van één jaar zeker valt aan te merken als langdurig gebruik.

Daarbij verhoogt de combinatie van zopiclon met andere middelen (drugs of medicatie waaronder oxazepam) de negatieve invloed op het rijgedrag . Dit geldt met name als de andere gebruikte middelen net als zopiclon een versuffende werking hebben. Gebruik van zopiclon in combinatie met oxazepam heeft dus een extra negatieve invloed op de rijvaardigheid. Ditzelfde geldt voor de combinatie zopiclon-alcohol.

Verdachte had kunnen en moeten weten dat langdurig gebruik van zopiclon de rijvaardigheid kan verminderen en dat hij derhalve geen auto moest rijden. Dit is informatie die aan gebruikers van dergelijke medicatie wordt verschaft. Verdachte had ook kunnen en moeten weten dat de combinatie van zopiclon met oxazepam en alcohol tot een nog grotere negatieve beïnvloeding van de rijvaardigheid zou leiden. Ook die informatie wordt aan de gebruikers van zopiclon verstrekt. Verdachte is voorts vele malen door zijn familieleden gewezen op de risico’s die hij voor zichzelf en anderen liep door zijn middelengebruik.

De rechtbank dient ter beoordeling van de vraag of verdachte heeft gereden in een toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet niet alleen vast te stellen dat er sprake was van gebruik van een stof die de rijvaardigheid kan verminderen, maar ook dat verdachte daardoor niet tot behoorlijk besturen in staat was.

De raadsman heeft betoogd dat onduidelijk is wanneer verdachte de zopiclon voor het ongeval heeft gebruikt. Waarschijnlijk was dat in de nacht voor het ongeval, voor het slapen gaan. Derhalve kan volgens de raadsman geen sprake meer zijn geweest van enige invloed van de zopiclon op het rijgedrag van verdachte op het moment van het ongeval. Dr. Smink heeft desgevraagd verklaard dat zopiclon tot 10 á 12 uur na inname nog resteffect heeft en na ongeveer 24 uur waarschijnlijk niet meer in het bloed te traceren is. Uit het rapport van dr. Smink blijkt voorts dat de hoeveelheid zopiclon in het bloed van verdachte in eerste instantie niet is onderzocht, er is slechts gerapporteerd dat de stof zich in het bloed bevond. Nu blijkt het niet meer mogelijk om de hoeveelheid zopiclon in het bloed te onderzoeken. De hoeveelheid zopiclon die nu in het bloed zou worden gemeten kan dus niet (wetenschappelijk verantwoord) worden herleid tot de hoeveelheid die zich ten tijde van het ongeval in het bloed van verdachte bevond.

De rechtbank is van oordeel dat het duidelijke voorschrift van de KNMP dat bij langdurig gebruik van zopiclon geen auto gereden mag worden (ook niet 24 uur na het nemen van de laatste tablet) en dat bij gebruik van zopiclon de (versuffende) effecten versterkt worden door gebruik van alcohol, bezien in samenhang met de hoeveelheid alcohol die verdachte op het moment van het ongeval had gebruikt en met het ongeval dat heeft plaatsgevonden (waarbij verdachte op onverklaarbare wijze op de verkeerde weghelft, tegen het verkeer in, is gaan rijden en bleef rijden), tot geen andere conclusie kan leiden dan dat verdachte door het gebruik van stoffen niet tot behoorlijk besturen in staat was. Dat de hoeveelheid zopiclon in het bloed van verdachte op het moment van het ongeval niet is vast te stellen doet daar niets aan af.

De rechtbank komt op basis van bovenstaande, tot de conclusie dat verdachte heeft gereden in een toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet.

Bewustzijnsverlies:

De raadsman heeft nog aangevoerd dat verdachte mogelijk heeft gereden terwijl hij zijn bewustzijn had verloren.

De rechtbank verwerpt dit verweer nu nergens uit het dossier is gebleken dat hiervan, bij dit feit, sprake is geweest. De rechtbank merkt op dat verdachte heeft verklaard dat hij eerder black-outs heeft gehad ten gevolge van de combinatie alcohol en medicatiegebruik. De rechtbank merkt hieromtrent op dat, ook indien van een black-out sprake zou zijn geweest, het enkel aan verdachte zelf toe te rekenen valt dat hij in een dergelijke staat terecht is gekomen, temeer daar hij juist door zijn vermeende eerdere black-outs een gewaarschuwd man had moeten zijn.

De rechtbank concludeert, op basis van verdachtes rijgedrag enkele minuten vóór het ongeval, de twee gemaakte verkeersfouten, het aangetroffen en teruggerelateerde promillage alcohol in het bloed van verdachte, het medicatiegebruik en het rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs, dat verdachte dusdanig roekeloos heeft gereden dat door zijn schuld een verkeersongeval is veroorzaakt waardoor [slachtoffer 1] werd gedood.

Feit 3 (parketnr: 16/466299-08):

Op 25 januari 2008 omstreeks 21.16 uur heeft er een verkeersongeval plaatsgevonden op de A2 binnen de gemeente Vianen, waarbij de bestuurder van een personenauto Daewoo Nexia, kenteken [kenteken] betrokken was. De bestuurder van het voertuig, die opgaf te zijn genaamd [verdachte], is conform de regels een ademanalyseonderzoek afgenomen , wat als ademonderzoekresultaat een percentage van 560 microgram per uitgeademde liter lucht opleverde .

Verdachte heeft op 25 januari 2008 verklaard dat hij die dag als bestuurder van een motorvoertuig, kenteken [kenteken], samen met zijn vriendin [naam] heeft gereden op de autosnelweg richting Utrecht en vervolgens met de linkerzijde van het voertuig in de vangrail is gereden, waarschijnlijk ten gevolge van een blackout naar aanleiding van medicijngebruik . Verdachtes alcoholgebruik over de afgelopen 24 uur bedroeg drie baco’s en 2 blikjes bier en daarbij heeft hij voorafgaande aan het feit één milligram lorazepam gebruikt, waarvan hem bekend is dat dit de rijvaardigheid kan beïnvloeden .

De raadsman van verdachte heeft op de terechtzitting van 27 april 2009 verzocht om de vriendin van verdachte, [naam], als getuige te horen omdat verdachte recentelijk aan had gegeven dat niet hij maar zijn vriendin op 25 januari 2008 de bestuurder van het motorvoertuig is geweest. De raadsman heeft hieromtrent voorts op 15 juli 2009 de rechtbank twee schriftelijke verklaringen doen toekomen van de moeder en broer van verdachte, die verklaren dat zij vlak na het ongeval van verdachte hadden vernomen dat [naam] zou hebben gereden.

De rechtbank heeft [naam] ter terechtzitting van 21 juli 2009 als getuige gehoord. Zij heeft verklaard dat zij op 25 januari 2008 als passagier in de auto zat die tegen de vangrail was gereden en dat de auto werd bestuurd door verdachte. Zij heeft toen absoluut niet als bestuurder van die auto gereden.

De officier van justitie heeft aansluitend op het verhoor van [naam] een proces-verbaal overgelegd, waaruit blijkt dat [naam] reeds op 8 mei 2009 telefonisch contact heeft opgenomen met brigadier [X] van politie Utrecht naar aanleiding van mededelingen in de pers over de zitting van 27 april 2009 dat zij op 25 januari 2008 als bestuurder dronken achter het stuur zou hebben gezeten. Zij gaf aan dat de inhoud van het artikel onjuist was en dat zij niet had gereden op 25 januari 2009 (de rechtbank leest 2008). Zij voelde zich aangevallen en overwoog om aangifte te doen omdat er onwaarheden over haar verteld en geschreven worden. Voorts heeft zij deze verklaring telefonisch op 21 mei 2009 ten overstaande van dezelfde brigadier herhaald .

De rechtbank acht, op basis van het relaas van de verbalisanten, de uitslag van de alcoholtest, de bekennende verklaring van verdachte van 25 januari 2008 en de consistente verklaring van [naam], het feit wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank merkt op dat de verklaringen van de moeder en broer van verdachte op zich juist kunnen zijn, maar dat deze verklaringen slechts van één bron afkomstig zijn, namelijk van verdachte zelf.

Feiten 4 en 5 (parketnr 16/442493-08):

De rechtbank acht deze feiten wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de aangifte van mevrouw [benadeelde] van diefstal van een tas met inhoud ;

- de verklaring van haar echtgenoot [Y] omtrent de diefstal en de aanhouding van verdachte op heterdaad bij een pinautomaat te Utrecht ;

- het aantreffen van 10 losse papiertjes, een sleutelbos, 1 losse sleutel en 1 goudkleurige ring bij de insluitingsfouillering van verdachte, waarbij verdachte verklaarde dat die goederen van degene waren waarvan hij de tas had gestolen ;

- de teruggave van deze goederen aan aangeefster [slachtoffer 2] ;

- de bekennende verklaring van verdachte .

5.2 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1 primair:

op 10 oktober 2008 te Houten, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk Hyundai), komende uit de richting Houten, daarmee rijdende op de weg, de Utrechtseweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door roekeloos, onder invloed van alcoholhoudende drank, gezien zijn, verdachtes, rijrichting, naar links te sturen en een tussen twee rijstroken van die weg zich bevindende dubbele doorgetrokken witte streep te overschrijden en het voor het tegemoetkomende verkeer bestemde weggedeelte van die weg te gaan berijden en te blijven berijden toen een ander - over dat weggedeelte - hem, verdachte, tegemoet rijdend motorrijtuig (personenauto, merk Suzuki) hem dicht genaderd was, en te botsen tegen dat andere motorrijtuig,

waardoor de bestuurster van voormelde Suzuki, genaamd [slachtoffer 1], werd gedood,

terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand bedoeld in artikel 8 lid 1 en artikel 8 lid 2 van de Wegenverkeerswet 1994.

2.

op 10 oktober 2008 te Houten, terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Utrechtseweg, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.

3.

(parketnummer 16/466299-08)

op 25 januari 2008 te Vianen, als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 560 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

4.

(parketnummer 16/442493-08)

hij op 29 maart 2008 te Utrecht, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een bos sleutels en een sleutel en een gouden ring en een portemonnee met inhoud, te weten: 150 euro en een bankpas (ABN-AMRO), geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde].

5.

hij op 29 maart 2008 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een pinautomaat weg te nemen enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], en dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik te brengen door middel van een valse sleutel, immers heeft hij, verdachte, een onbevoegd verkregen bankpas in de pinautomaat gedaan en vervolgens meermalen een cijfercombinatie ingetoetst, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

6 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

7 De strafoplegging

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ten aanzien van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen:

- gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren;

- een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 8 jaren;

- toewijzing van de vordering benadeelde partij tot een bedrag van € 44.459,47 met

de schadevergoedingsmaatregel.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat kan worden volstaan met een kortere gevangenisstraf. Ten aanzien van de vordering benadeelde partij is de raadsman van mening dat enkel met betrekking tot dhr. [familienaam] sprake is van een toewijsbare vordering met betrekking tot de shockschade, omdat hij de directe gevolgen van het feit heeft waargenomen. Wel verzoekt de raadsman om matiging.

De raadsman verzoekt de shockschade ten aanzien van de overige gezinsleden af te wijzen, omdat zij niet op de plaats van het delict aanwezig zijn geweest.

Voor wat betreft de beoordeling van de overige feiten merkt de raadsman op dat deze zou dienen te leiden tot een werkstraf. Daarbij zou ten aanzien van feit 2 sprake zijn van eendaadse samenloop met feit 1. De feiten 4 en 5 zouden worden behandeld op een TOM-zitting, welke door ziekte van verdachte niet heeft plaatsgevonden. Een (korte) werkstraf zou derhalve een passende sanctie zijn.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is op 10 oktober 2008, nota bene zonder rijbewijs, in de auto van zijn vriendin gestapt om vermoedelijk cocaïne te gaan halen. Hij had op dat moment alcohol en medicijnen gebruikt. Vervolgens is hij op de verkeerde weghelft terecht gekomen en is frontaal op de tegemoetkomende auto van [slachtoffer 1] gebotst, waardoor zij is gedood.

Verdachte is voorafgaande aan dit feit meermalen gewaarschuwd voor de gevolgen van (de combinatie van) zijn drank, drugs en medicatieverslaving. Niet alleen veelvuldig door zijn familie, maar ook doordat hij in januari en februari 2008 al tweemaal eerder met een personenauto een ongeval heeft veroorzaakt.

Op 25 januari 2008 is verdachte voor het eerst aangehouden voor het rijden onder invloed van alcohol, waarbij hij met de auto in de vangrail is gereden. Vervolgens is zijn rijbewijs ongeldig verklaard. Ook deze ongeldigverklaring heeft verdachte er niet van weerhouden daarna opnieuw “achter het stuur te kruipen”.

Verdachte heeft zeer onverantwoordelijk gehandeld en heeft telkens, ondanks de waarschuwingen van anderen, enkel aan zichzelf gedacht zonder zich om anderen te bekommeren.

Verdachte heeft door zijn handelwijze het leven ontnomen aan een jonge vrouw. Hierdoor is ondraaglijk veel leed toegebracht aan de familie van [slachtoffer 1], waarvan zij nog altijd de psychische gevolgen ondervinden.

Daarnaast heeft het ongeval de samenleving ook in zeer ernstige mate geschokt door de achtergrond van en de wijze waarop het ongeval heeft plaatsgevonden.

Verdachte heeft op 29 maart 2008 uit een restaurant een tas met onder andere een portemonnee met geld en een pinpas gestolen. Vervolgens heeft hij geprobeerd met de gestolen pinpas bij een geldautomaat geld op te nemen. De echtgenoot van aangeefster heeft verdachte echter op heterdaad aangehouden bij de geldautomaat, waarbij verdachte een geldbedrag dat in zijn zak zat, afkomstig uit de portemonnee van aangeefster, heeft teruggegeven aan aangeefsters echtgenoot. Ook dit feit heeft verdachte gepleegd onder invloed van een teveel aan medicatie.

Verdachte heeft hiermee aangetoond dat hij geen respect heeft voor andermans eigendommen en dat dit feit puur uit eigengewin is gepleegd.

Verdachte heeft in het geheel niet stilgestaan bij het ongemak en de gevoelens van onveiligheid die door dit soort handelen ontstaan.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 19 maart 2009, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor enig strafbaar feit;

- een voorlichtingsrapport betreffende de verdachte van de Reclassering Nederland d.d. 21 april 2009, opgemaakt door L. Scheffers, reclasseringswerker;

- een omtrent verdachte opgemaakt deskundigenrapport d.d. 16 april 2009, opgemaakt door Prof. Dr. C. Jonker, (gedrags)neuroloog en vast gerechtelijk deskundige, inhoudende - zakelijk weergegeven - als conclusie:

Er zijn bij betrokkene aanwijzingen gevonden voor neurologische restverschijnselen na een hersencontusie, gekenmerkt door ernstig geheugenverlies voor de omstandigheden rond het ongeval. Voor het uit te brengen advies behoeft geen rekening te worden gehouden met de gevolgen van de hersencontusie. Tevens zijn er cognitieve beperkingen vastgesteld. Deze zijn in belangrijke mate onderdeel van de veronderstelde ADHD, die al voor het ongeval bestond en mede aanleiding is geweest voor de polydrug-verslaving;

- een omtrent verdachte opgemaakt deskundigenrapport d.d. 20 april 2009, opgemaakt door S.L. Bouma, psychiater i.o. onder supervisie van F.R. Kruisdijk, psychiater en vast gerechtelijk deskundige, inhoudende - zakelijk weergegeven -als conclusie:

Betrokkene is een man met zeer ernstige verslavingsproblematiek (alcohol, cocaïne, amfetamine, sedativum, hypnoticum, anxioliticum) die al sinds jongvolwassen leeftijd bestaat. Er is sprake van – mede door zijn toedoen - nooit eerder op adequate wijze behandelde ADHD. Mogelijk diende het middelengebruik ook als zelfmedicatie. Tevens is er sprake van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Hij is op jonge leeftijd een leven gaan leiden waarbij hij op geen enkele wijze rekening hield met derden. Zonder opgelegd intensief behandel- en begeleidingscontact schat de onderzoeker de kans om terug te vallen in extreem risicovol gedrag zeer groot in. Daarbij moet gedacht worden aan ernstig misbruik van middelen waarbij de kans aanwezig is dat verdachte weer een auto gaat besturen, maar ook aan een fors verhoogd suïcide risico.

Geadviseerd wordt om verdachte als licht verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. Plaatsing in een drugsvrije detentieafdeling waar ook mogelijkheden zijn voor intensieve behandeling en begeleiding kan meerwaarde hebben;

- een omtrent verdachte opgemaakt deskundigenrapport d.d. 17 april 2009, opgemaakt door drs. F.C.P. Zuidhof, justitieel forensisch GZ-psycholoog en vast gerechtelijk deskundige, inhoudende – zakelijk weergegeven - als conclusie:

De onderzoeker onderschrijft in grote lijnen de conclusies van de psychiater i.o. Ook hij concludeert dat sprake is van ADHD, een persoonlijkheidsstoornis (NAO met antisociale en borderline kenmerken) en jarenlang extreem drugsgebruik. Onderzochte kan derhalve beschouwd worden als licht verminderd toerekeningsvatbaar. Zonder behandeling voor zijn stoornissen en verslavingsproblematiek is recidive in soortgelijke delictvorming niet uit te sluiten. Geadviseerd wordt betrokkene in het kader van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf te plaatsen in het penitentiair psychiatrisch centrum (PPC) te Vught of de verslavings-begeleidings afdeling van de P.I. te Vught. Aldaar kan, bij

positief resultaat, worden toegewerkt naar plaatsing in een verslavingskliniek (bij voorkeur een vervolg DD-kliniek).

De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen wat betreft de toerekenbaarheid over en maakt deze tot de hare.

De rechtbank acht een gevangenisstraf en een ontzegging van de rijbevoegdheid van aanmerkelijke duur passend en geboden. Zij sluit daarbij aan bij wat de rechtbank in dit soort zaken gebruikelijk oplegt.

8 De benadeelde partij

De benadeelde partij, de familie [familienaam], vertegenwoordigd door advocaat

mr. M.K.J. Dikkerboom, vordert een schadevergoeding van € 44.459,47 in de vorm van een voorschot voor feit 1 primair. Hiervan bestaat € 40.000,-- uit een voorschot van shockschade, opgesplitst in een bedrag van € 10.000,-- per gezinslid.

De rechtbank merkt hieromtrent het volgende op.

De rechtbank acht de shockschade ten aanzien van vader [familienaam] volledig toewijsbaar tot het gevorderde bedrag van € 10.000,--, nu hij op de avond van het ongeluk langs de plaats van het ongeval is gereden en toen de auto van zijn dochter [slachtoffer 1] total loss op de weg aantrof.

De rechtbank acht de shockschade voor de overige gezinsleden onvoldoende eenvoudig vast te stellen.

De rechtbank acht de gevorderde therapiekosten voor de gezinsleden [A], [B] [C] met de aanvulling hierop ten bedrage van € 3.614,-- geheel toewijsbaar, nu deze kosten een gevolg zijn van hetgeen zij als gezin te verwerken hebben gekregen en de raadsman van verdachte deze kosten niet heeft betwist.

De rechtbank acht tevens de gevorderde post “rekeningen [slachtoffer 1]” ten bedrage van

€ 845,47 geheel toewijsbaar, nu deze vordering naar aanleiding van het feit geheel op het conto van de nabestaanden komt en de raadsman van verdachte deze kosten niet heeft betwist.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 14.459,47 een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering omdat de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent

voor behandeling in dit strafgeding. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 45, 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 175, 176, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 primair: Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl degene die schuldig is aan dit feit, verkeerde in de toestand bedoeld in artikel 8 eerste en tweede lid van deze wet;

feit 2: Overtreding van artikel 9, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;

feit 3: Overtreding van artikel 8, tweede lid aanhef en onder a van de

Wegenverkeerswet 1994;

feit 4: Diefstal;

feit 5: poging tot diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder

zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 (vier) jaar;

- bepaalt dat verdachte bij voorkeur zijn gevangenisstraf zal moeten uitzitten in het penitentiair psychiatrisch centrum (PPC) te Vught of op de verslaafden begeleidings afdeling (VBA) van de P.I. te Vught of een vergelijkbare instelling.

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Bijkomende straffen

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 5 (vijf) jaar.

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij zijnde de familie [familienaam], van in totaal € 14.459,47.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij zijnde de familie [familienaam], € 14.459,47 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 107 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Wassing, voorzitter, mr. S.C. Hagedoorn en

mr. R.P.G.L.M. Verbunt, rechters, in tegenwoordigheid van H.A.M. Blom, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 4 augustus 2009.