Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BJ4361

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
14-07-2009
Datum publicatie
03-08-2009
Zaaknummer
16/712165-08 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het voorhanden hebben van een aanzienlijke hoeveelheid wapens en het overdragen van één van die wapens leidt in deze a-typische zaak niet tot een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/712165-08 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 14 juli 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1975] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], [adres]

raadsman mr. J.P.W. Nijboer, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 14 juli 2009, waarbij de officier van justitie, mr. A.S. Bijleveld, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: een semi-automatisch vuurwapen en munitie heeft overgedragen dan wel voorhanden heeft gehad;

Feit 2: een hoeveelheid wapens en munitie voorhanden heeft gehad.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair ten laste gelegde heeft begaan, met uitzondering van het overdragen van de kogelpatronen, nu verdachte dit deel van de tenlastelegging ontkent en er overigens onvoldoende bewijs in het dossier voorhanden is om het overdragen van de kogelpatronen bewezen te verklaren.

De officier van justitie acht voorts het onder feit 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Voor de bewezenverklaring baseert de officier van justitie zich op de processen-verbaal in het dossier en de bekennende verklaring van de verdachte zowel bij de politie als ter terechtzitting.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank op grond van de bekennende verklaring van verdachte tot een bewezenverklaring kan komen van het onder feit 1 primair ten laste gelegde, voor zover dit betreft het overdragen van de stengun, en van het onder feit 2 ten laste gelegde.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1 primair

De rechtbank is -met de officier van justitie en de raadsman- van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het overdragen van 100 kogelpatronen. Verdachte ontkent dit deel van de tenlastelegging en er is onvoldoende bewijs in het dossier aanwezig om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.

De rechtbank is van oordeel dat feit 1 primair, voor zover dit feit het overdragen van het semi-automatische vuurwapen betreft, wettig en overtuigend kan worden bewezen.

De rechtbank heeft daarbij gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte, zowel bij de politie als ter terechtzitting ;

- het relaas van (vuur)wapenonderzoek .

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank is voorts van oordeel dat het onder feit 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. De rechtbank heeft daarbij gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte, zowel bij de politie als ter terechtzitting ;

- het proces-verbaal van onderzoek door de Technische Recherche d.d. 20 februari 2009 ;

- het proces-verbaal van onderzoek door de Technische Recherche d.d. 27 februari 2009 .

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Feit 1 primair:

in de periode van 01 januari 2008 tot en met 11 februari 2009 te [plaats], heeft overgedragen aan [medeverdachte],

- een semi-automatisch vuurwapen (merk Stengun), zijnde een wapen van

categorie II.

Feit 2:

op 11 februari 2009 te [woonplaats], voorhanden heeft gehad

wapens van categorie III onder 1:

- pistool (merk-opschrift Leader, kaliber 6,35mm)

- pistool (merk FN, model 1906, kaliber 6,35mm)

- pistool (merk Melior, kaliber 6,35mm)

- pistool (merk-opschrift Astra, kaliber 6,35mm)

- pistool (merk FN, model Browning High Power Mk IIA, kaliber 9mm)

- pistool (merk Smith & Wesson, kaliber 9mm)

- enkelschots percussiepistool (kaliber .44mm)

- jachtgeweer (merk Savage)

wapens van categorie II onder 3:

- revolver (merk Smith & Wesson, kaliber 38Special)

- ingekort dubbelloops jachtgeweer (Russisch fabrikaat, kaliber 12mm)

wapens van categorie II onder 2:

- pistoolmitrailleur (merk IMI, type mini-uzi, kaliber 9mm)

- aanvalsgeweer (merk CZ, kaliber 7,62mm)

wapen van categorie II onder 6:

- spuitbusje met pepperspray

munitie van categorie III:

- 5755 patronen van diverse kalibers, o.a. .22, .38, .45, 6.35mm, 8mm, 9mm en

12mm, zoals gespecificeerd in het pv van de technische recherche met kenmerk

WEE/AH/037

- 14 patronen welke aanwezig waren in/bij de in deze telastelegging genoemde

wapens (te weten 4 patronen kaliber 6,35mm en 6 patronen kaliber 38Special en

4 patronen kaliber 7,62mm).

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

4.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van feit 1 primair:

Handelen in strijd met artikel 31, eerste lid van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.

Ten aanzien van feit 2:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd,

En

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd,

En

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

4.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan

6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De officier van justitie heeft tevens gevorderd het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ter terechtzitting aangevoerd dat het, rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de context en de achtergrond van deze zaak, niet redelijk zou zijn verdachte alsnog terug te sturen naar de gevangenis. De verdediging verzoekt de rechtbank een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest op te leggen en een taakstraf indien de rechtbank van oordeel zou zijn dat de reeds ondergane voorlopige hechtenis een onvoldoende sanctie vormt.

De verdediging is van mening dat een voorwaardelijke straf niet passend is wegens het ontbreken van recidivegevaar.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft een aanzienlijke hoeveelheid wapens en munitie in zijn woning voorhanden gehad. Verdachte heeft verklaard dat hij de wapens en munitie puur verzamelde vanwege zijn interesse daarvoor. Hij heeft nooit de intentie gehad om anderen daarmee kwaad te doen. Verdachte heeft op het moment dat hij en zijn vrouw een kinderwens kregen zelf besloten om zijn wapen- en munitieverzameling van de hand te doen. Verdachte heeft in dat kader een stengun uit zijn verzameling aan [medeverdachte] verkocht. Verdachte kende [medeverdachte] al langer. Bij verdachte bestond de indruk dat [medeverdachte] ook een verzamelaar van wapens was en hij dacht dat [medeverdachte] het wapen alleen van hem kocht om in zijn eigen verzameling te kunnen opnemen en dat het wapen niet in “verkeerde” handen zou vallen.

De rechtbank overweegt dat het overdragen van de stengun en het voorhanden hebben van zoveel wapens en munitie in beginsel zonder meer een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen. De rechtbank heeft geen begrip voor een dergelijk grote wapenverzameling. Blijkens het uittreksel uit het documentatieregister d.d. 20 maart 2009 is verdachte in 2002 bovendien veroordeeld voor het voorhanden hebben van een wapen. Verdachte wist dus dat het voorhanden hebben van wapens strafbaar is en dat justitie zwaar tilt aan dit soort feiten.

De rechtbank houdt echter in hoge mate ten gunste van verdachte rekening met het navolgende.

Uit het strafblad van verdachte volgt dat hij, op de genoemde veroordeling voor wapenbezit na, niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Het is de rechtbank uit het verhandelde ter terechtzitting duidelijk geworden dat de aanhouding en detentie een diepe indruk op verdachte hebben gemaakt. Verdachte heeft na een moeilijke periode zijn leven zelf weer op de rails kunnen zetten. Na de schorsing van de voorlopige hechtenis is verdachte weer aan het werk gegaan. Verdachte werkt met licht gehandicapten en is ook als vrijwilliger actief. Verdachte zal zijn baan verliezen als hem een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd.

Naar het oordeel van de rechtbank was verdachte alleen een verzamelaar van wapens. Verdachte is echter te naïef geweest door te denken dat justitie hem het bezit van de wapens niet zo zwaar zou aanrekenen, omdat hij de wapens alleen uit interesse verzamelde en nooit de intentie heeft gehad om er anderen kwaad mee te doen. Verdachte heeft zelf besloten om zijn wapenverzameling van de hand te doen. Verdachte maakte ter terechtzitting een oprechte berouwvolle indruk.

De reclassering is, blijkens de rapportage van 1 juli 2009, van mening dat verdachte niet heeft stilgestaan bij de mogelijke gevolgen van het houden van een wapenverzameling dan wel dat verdachte deze gevolgen schromelijk heeft onderschat. De reclassering kwalificeert het gedrag van verdachte als naïef en opportunistisch. De reclassering acht de kans op recidive uitgesloten. Verdachte heeft na de schorsing van de voorlopige hechtenis zelf contact gezocht met een psycholoog om te onderzoeken waarom hij zich schuldig heeft gemaakt aan deze feiten. De reclassering acht reclasseringstoezicht niet geïndiceerd en zij heeft verdachte geadviseerd om de gesprekken met de psycholoog voort te zetten.

De psycholoog, dr. A. van der Donk, heeft in zijn rapport van 10 juni 2009 geconcludeerd dat verdachte vanuit zijn belangstelling voor de schietsport een wapenverzameling had aangelegd, terwijl hij zich ervan bewust was dat het in het bezit hebben van bepaalde wapens strafbaar was. Ook de psycholoog is van mening dat betrokkene beter had moeten weten. De psycholoog acht de verdachte volledig toerekeningsvatbaar. Naar de mening van de psycholoog heeft betrokkene zijn les geleerd. De psycholoog acht het van belang dat betrokkene de begonnen gesprekscontacten met zijn therapeut voorzet.

De rechtbank neemt de conclusie van de psycholoog ten aanzien van de mate van toerekeningsvatbaarheid over.

De officier van justitie heeft blijkens haar requisitoir de onvoorwaardelijke gevangenisstraf die medeverdachte [medeverdachte] opgelegd heeft gekregen in haar strafeis meegenomen. De rechtbank is van oordeel dat de onderhavige zaak verschilt van de zaak tegen genoemde medeverdachte, in die zin dat verdachte -anders dan medeverdachte [medeverdachte]- een wapen heeft verkocht aan een in zijn visie collega-verzamelaar en dus niet aan een wildvreemde. Dit maakt de onderhavige zaak een andere zaak dan die tegen de medeverdachte.

Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat deze zaak een a-typische zaak is, waarin een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur dan het voorarrest niet zonder meer is gerechtvaardigd. De rechtbank zal een dergelijke gevangenisstraf in dit geval dan ook niet opleggen. De rechtbank acht een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest geïndiceerd. Daarnaast zijn naar het oordeel van de rechtbank een flinke voorwaardelijke straf en een werkstraf geboden om verdachte de ernst van de strafbare feiten in te scherpen en hem te steunen in zijn wil om zich in de toekomst niet nogmaals met strafbare feiten in te laten.

6 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

7 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder feit 1 primair tenlastegelegde, voor zover dit feit betreft het overdragen van 100 kogelpatronen;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert als hiervoor vermeld.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 365 dagen, waarvan 317 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

- omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 240 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;

- heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.F. Bueno, voorzitter, mr. M.P. Gerrits-Janssens en

mr. B.P.L. de Vries, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.F. van Dam, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 14 juli 2009.