Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BJ4352

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
28-07-2009
Datum publicatie
03-08-2009
Zaaknummer
16/600382-09 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijk opzet mishandeling, door met auto tegen dienstvoertuig van KMAR met inzittenden aan te rijden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 300
Wetboek van Strafrecht 304
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Jwr 2009/97
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600382-09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 28 juli 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1970] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats]

thans gedetineerd in Huis van Bewaring Wolvenplein te Utrecht

raadsman mr. R.M. Maanicus, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 14 juli 2009, waarbij de officier van justitie, mr. A.M.F. van Veghel, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: heeft geprobeerd aan drie ambtenaren van de Koninklijke Marechaussee zwaar lichamelijk letsel toe te brengen dan wel zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van één van hen dan wel zich zodanig in het verkeer heeft gedragen dat daardoor gevaar op de weg werd veroorzaakt;

Feit 2: heeft geprobeerd een portier zwaar lichamelijk letsel toe te brengen dan wel

een portier heeft mishandeld;

Feit 3: zich zodanig in het verkeer heeft gedragen dat daardoor gevaar op de weg werd veroorzaakt.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 primair en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op de in het dossier opgenomen processen-verbaal van bevindingen, de verkeersongevalsanalyse en de bekennende verklaring van de verdachte inzake feit 3.

De officier van justitie vraagt vrijspraak van het onder 2 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde feit.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen ten aanzien van het onder 1 primair en onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit en wijst daarbij op het ontbreken van bewijs voor opzet dan wel voorwaardelijk opzet op het toebrengen van (zwaar lichamelijk) letsel bij verdachte. Bovendien ontbreekt volgens de verdediging het causale verband tussen het ontstane letsel en de gedraging van de verdachte.

De verdediging is voorts van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder 2 primair en onder 2 subsidiair ten laste gelegde feit wegens het ontbreken van de overtuiging dat verdachte schuldig is aan deze mishandeling.

Naar de mening van de verdediging kan de rechtbank de onder 1 meer subsidiair en 3 ten laste gelegde feiten bewezen verklaren, ten aanzien van welke feiten sprake is van een voortgezette handeling.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 2 primair en feit 2 subsidiair

De rechtbank is -met de officier van justitie en de raadsman- van oordeel dat niet overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het onder feit 2 primair en het onder feit 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan. De rechtbank overweegt daartoe dat zij op grond van het in het dossier aanwezige wettige bewijs, te weten de verklaring van aangever

[slachtoffer 1] en de verklaring van getuige [getuige], niet de overtuiging heeft gekregen dat het verdachte is geweest die portier [slachtoffer 1] met een fles op het hoofd heeft geslagen. De rechtbank zal verdachte dan ook van feit 2 primair en feit 2 subsidiair vrijspreken.

Ten aanzien van feit 1 primair, feit 1 subsidiair en feit 3

De rechtbank stelt op grond van de inhoud van het dossier het navolgende vast:

In de nacht van 4 februari 2009 wilde de politie in Amersfoort de bestuurder van een witte Volkswagen Caddy diesel onderwerpen aan een controle. De betreffende politieagent deed de transparant, de optische signalen en de geluidssignalen aan om aan de bestuurder duidelijk te maken dat hij werd gevolgd door een politievoertuig en dat hij moest stoppen. De bestuurder van de witte Volkswagen Caddy voldeed niet aan het stopteken, maar verhoogde zijn snelheid .

Daarop volgde een wilde achtervolging door Amersfoort, waar op dat moment ook sneeuw lag. Tijdens deze achtervolging reed de bestuurder van de Volkswagen Caddy met snelheden van 80 tot 120 kilometer per uur , reed hij zonder te remmen kruisingen over , reed hij op de verkeerde weghelft tegen de rijrichting in , reed hij over het trottoir , nam hij meerdere keren de rotonde via de verkeerde kant en reed hij op een gegeven moment zonder verlichting verder . De bestuurder ontweek tijdens zijn vlucht voor de politie dienstvoertuigen van de politie en van de Koninklijke Marechaussee, welke probeerden de doorgang voor de Volkswagen Caddy te blokkeren .

[slachtoffer 2], [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , allen wachtmeesters van de Koninklijke Marechaussee, kwamen ter hoogte van de Koningin Wilhelminalaan achter de Volkswagen Caddy te rijden in hun opvallende surveillancevoertuig, een bedrijfsauto Ford Transit.

Voorbij de bocht naar de Vondellaan zagen zij dat de Volkswagen Caddy met gedoofde lichten stilstond op het voetpad naast de rijbaan gelegen. [betrokkene 1] bracht het dienstvoertuig iets voorbij de Volkswagen Caddy tot stilstand om de Volkswagen Caddy te kunnen insluiten en wegrijden door de bestuurder te voorkomen.

De Volkswagen Caddy stond op korte afstand van het dienstvoertuig stil. Op dat moment deed [slachtoffer 2] zijn gordel los om te kunnen uitstappen om de bestuurder van de Volkswagen Caddy te kunnen aanhouden. De Volkswagen Caddy kwam toen weer in beweging en reed over het naast de rijbaan gelegen voetpad verder. [betrokkene 1] begon hierop ook weer te rijden op de rijbaan parallel aan het voertuig van verdachte. Na een aantal meters gereden te hebben zag hij de mogelijkheid om verdachte klem te rijden tussen een aarden wal links naast voormeld voetpad en het dienstvoertuig. Het dienstvoertuig blokkeerde met een zeer lage snelheid het voetpad voor de Volkswagen Caddy. Daarop reed de bestuurder van de Volkswagen Caddy tegen de linkerzijde van het dienstvoertuig, waardoor het dienstvoertuig van richting veranderde. [betrokkene 1] probeerde nog krachtig af te remmen maar door de gladheid van de ondergrond had dit niet het gewenste effect. Na ongeveer 5 meter kwam het dienstvoertuig met een klap tegen een boom tot stilstand. Als gevolg van deze botsing liep [slachtoffer 2] een diepe snijwond in zijn linkerscheenbeen op en schaaf- en snijwonden aan zijn rechteronderbeen .

Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij de bestuurder van de Volkswagen Caddy was .

De rechtbank overweegt dat op grond van de inhoud van het door de verbalisanten [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [slachtoffer 2] opgemaakte proces-verbaal van bevindingen kan worden vastgesteld dat verdachte met zijn auto vanuit stilstand optrok en na een korte afstand tegen het dienstvoertuig van de Koninklijke Marechaussee reed.

Echter, noch uit dit proces-verbaal, noch uit de door de andere verbalisanten opgemaakte processen-verbaal, wordt duidelijk met welke snelheid verdachte reed op het moment dat hij met zijn auto inreed op het dienstvoertuig van de Koninklijke Marechaussee. De snelheid op dat moment kan ook niet worden vastgesteld op grond van de opgemaakte verkeersongevalsanalyse, nu deze analyse van (een onderzoek naar) die snelheid geen melding maakt. Evenmin is duidelijk geworden hoeveel meters de Caddy van verdachte vanuit stilstand had afgelegd op het moment dat hij op het dienstvoertuig inreed.

Uit de stukken is af te leiden dat geen van de drie inzittende verbalisanten op het moment van het inrijden het dienstvoertuig reeds had verlaten. Het slachtoffer [slachtoffer 2] zat rechts achterin het dienstvoertuig.

Het opvallende surveillancevoertuig was een bedrijfsauto met een behoorlijke omvang.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij, op het moment van inrijden op en botsen tegen het dienstvoertuig van de Koninklijke Marechaussee, aan (één van) de inzittenden van dat voertuig zwaar lichamelijk letsel zou kunnen toebrengen. Naar het oordeel van de rechtbank is voor een dergelijke bewezenverklaring noodzakelijk dat in ieder geval een aanmerkelijke snelheid kan worden vastgesteld. Weliswaar blijkt de werkelijke snelheid niet uit de wettige bewijsmiddelen, uit hetgeen hiervoor is weergegeven trekt de rechtbank de conclusie dat er in ieder geval geen sprake is van een forse snelheid. Bovendien bevonden de verbalisanten zich in een auto waarvan het een feit van algemene bekendheid is dat die bij een aanrijding als bescherming fungeert voor de inzittenden.

De rechtbank zal de verdachte dan ook van het onder feit 1 primair ten laste gelegde vrijspreken.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de genoemde vastgestelde feiten en omstandigheden wel bewezen kan worden verklaard dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij, door met zijn auto in te rijden op en te botsen tegen het dienstvoertuig van de Koninklijke Marechaussee, een inzittende van dat dienstvoertuig pijn zou toebrengen, nu naar de ervaring leert bij een botsing tussen twee voertuigen dit bij de inzittenden pijn en/of enig letsel kan veroorzaken, hetgeen bij [slachtoffer 2] ook daadwerkelijk het geval is geweest.

De rechtbank acht de onder 1 subsidiair en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Feit 1 subsidiair:

op 04 februari 2009 te Amersfoort, opzettelijk mishandelend met een auto (VW Caddy) is ingereden en heeft gebotst tegen het zijportier van een auto, te weten een opvallend dienstvoertuig van de Koninklijke Marechaussee, waarin (onder andere) [slachtoffer 2] zat, als gevolg waarvan dat dienstvoertuig van richting veranderde en vervolgens met een klap tegen een boom is gebotst, waardoor voornoemde [slachtoffer 2] letsel (schaaf en snijwonden aan het rechter onderbeen) heeft bekomen en pijn heeft

ondervonden, zijnde voornoemde [slachtoffer 2] een ambtenaar (wachtmeester der Koninklijke Marechaussee), gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

Feit 3:

op 04 februari 2009, te Amersfoort, als bestuurder van een motorrijtuig (Volkswagen Caddy, kenteken [kenteken]), daarmee rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de B. Wuytierslaan en/of D. Fockemalaan en/of Amsterdamseweg en/of Emmalaan en/of Utrechtseweg en/of Vondellaan en/of Pasteurstraat en/of het Borneoplein

en/of de J. van der Heijdenstraat en/of Bosweg en/of Arnhemseweg en/of de

Rijksweg A28,

- niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden, maar met hoge snelheid (tussen

de 80 en 120 kilometer per uur) onnodig op de linkerrijstrook tegen de rijrichting in heeft gereden en/of op de linkerrijstrook tegen de rijrichting in een vluchtheuvel heeft gepasseerd en/of linksom tegen de rijrichting in over meerdere rotondes is gereden en

- met hoge snelheid tussen de 80 en 120 kilometer per uur een kruising

overstak zonder te remmen terwijl hij, verdachte daardoor onvoldoende zicht

had op mogelijk ander verkeer en

- over het trottoir en/of over een fietspad is gereden en/of

- bij duisternis zonder verlichting heeft gereden,

door welke gedragingen gevaar op die weg werd veroorzaakt.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

4.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van feit 1 subsidiair:

Mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Ten aanzien van feit 3:

Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

4.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen ten aanzien van feit 1 primair een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, alsmede een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 jaren en

ten aanzien van feit 3 hechtenis voor de duur van 1 maand alsmede een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 jaar.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ter zitting aangevoerd dat volstaan kan worden met een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest, nu alleen twee overtredingen bewezen kunnen worden.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft geen gevolg gegeven aan het stopteken van de politie. Verdachte heeft zich koste wat het kost willen onttrekken aan de politie met een dollemansrit door Amersfoort als gevolg. Meerdere politievoertuigen hebben geprobeerd de verdachte tot stoppen te brengen, maar die pogingen waren tevergeefs. Verdachte heeft met zijn rijgedrag een groot risico genomen. De gevolgen van de wilde achtervolging hadden veel ernstiger kunnen zijn. De gevolgen hebben zich nu “beperkt” tot blikschade en tot schaaf-en snijwonden bij een wachtmeester van de Koninklijke Marechaussee.

Het is de rechtbank niet duidelijk geworden waarom verdachte zich aan de politie wilde onttrekken. De verklaring van de verdachte dat zijn medepassagier nog boetes had openstaan is niet op juistheid te controleren, nu onbekend is gebleven wie die medepassagier was. De rechtbank heeft de indruk dat verdachte op dit punt geen volledige openheid van zaken heeft willen geven.

Blijkens het uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 10 april 2009 is verdachte al meerdere keren veroordeeld, met name voor geweldsdelicten en vermogensdelicten.

De rechtbank acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en een onvoorwaardelijke hechtenis, alsmede een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, van na te melden duur geïndiceerd. De rechtbank legt daarmee een lagere gevangenisstraf op dan de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf, nu de rechtbank verdachte van het onder feit 1 primair ten laste gelegde vrijspreekt en de rechtbank van oordeel is dat op grond van de aard en de ernst van de door de rechtbank bewezen verklaarde mishandeling met deze lagere gevangenisstraf kan worden volstaan. De rechtbank komt tot een langere ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen met betrekking tot feit 3 dan door de officier van justitie gevorderd. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het bijzonder gevaarlijke verkeersgedrag, met een kortere rijontzegging niet volstaan kan worden.

6 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van € 550,00 voor feit 1.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van het onder

1 subsidiair bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 62, 63, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1 primair, 2 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4. is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1subsidiair: Mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

feit 3: Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

Ten aanzien van feit 1 subsidiair:

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de onvoorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van

€ 550,00 ter zake van immateriële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 2], € 550,00 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 11 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Strafoplegging

Ten aanzien van feit 3:

- veroordeelt verdachte tot hechtenis van 1 maand;

Bijkomende straffen

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 jaar.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.P. Schotman, voorzitter, mr. M.P. Gerrits-Janssens en mr. B.P.L. de Vries, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.F. van Dam, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 28 juli 2009.