Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BJ4005

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
11-05-2009
Datum publicatie
28-07-2009
Zaaknummer
620490 UE VERZ 09-307 SL
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding arbeidsovereenkomst (art. 7:685 BW); berekening van A-factor (aantal gewogen gewerkte jaren) bij grote bank met meerdere vestigingen. Opvolgende werkgevers?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2009-0594
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector kanton

Locatie Utrecht

zaaknummer: 620490 UE VERZ 09-307 SL

beschikking d.d. 11 mei 2009

inzake

de coöperatieve

Rabobank Utrecht en Omstreken U.A.,

gevestigd te Utrecht,

verder ook te noemen Rabobank Utrecht en omstreken,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. M.C. van Deventer,

tegen:

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [verweerder],

verwerende partij,

gemachtigde: mr. M.T. de Boorder.

Verloop van de procedure

Rabobank Utrecht en omstreken heeft op 9 maart 2009 een verzoekschrift ingediend.

[verweerder] heeft een verweerschrift ingediend.

Het verzoek is ter zitting van 21 april 2009 behandeld. Daarvan is aantekening gehouden.

Hierna is uitspraak bepaald.

Motivering

1.

[verweerder], geboren op [1972], is op 8 april 2002 bij Rabobank Oost Betuwe en per 1 maart 2006 bij Rabobank Utrecht en omstreken in dienst getreden.

Het laatstgenoten brutoloon bedraagt € 2.901,72 per maand, te vermeerderen met vakantiebijslag en andere emolumenten. Het voor de eventuele toepassing van de kantonrechtersformule relevante bruto maandloon bedraagt € 3.477,27 bruto.

2.

Verzocht wordt de arbeidsovereenkomst tussen partijen op de kortst mogelijke termijn te ontbinden onder toekenning van een vergoeding zoals omschreven in overweging 27 van het verzoekschrift. In dit punt 27 stelt de Rabobank zich op het standpunt dat sprake is van verwijtbaarheid aan de kant van [verweerder], maar dat zij desalniettemin bereid is hem in het kader van de beëindiging van het dienstverband een vergoeding te betalen, bestaande uit een suppletie gedurende maximaal zes maanden na beëindiging van het dienstverband ter hoogte van 30 procent van zijn laatstverdiende loon en ter aanvulling op een door hem te ontvangen uitkering. Zodoende wordt [verweerder] in staat geacht om gedurende een half jaar te solliciteren naar een functie elders. Aan het verzoek wordt ten grondslag gelegd dat [verweerder] niet in staat is gebleken om vóór 1 april 2008 een afgesproken SEH certificering te behalen en dat ook na een verlenging van die periode geen resultaat is geboekt. Geconstateerd dient te worden dat [verweerder] niet kan voldoen aan geldende functie-eisen. Niet kan van Rabobank worden verlangd dat ten gunste van [verweerder] en ten laste van zijn overige collegae verregaand wordt afgeweken van de binnen de organisatie geldende vereisten en richtlijnen.

3.

[verweerder] voert verweer. Allereerst voert hij aan dat het niet verplicht is maar dat het gewenst is dat de hypotheekadviseurs SEH-erkend zijn. Voorts stelt hij zich op het standpunt dat niet vanaf 1 april 2008 maar pas op 10 september 2008 voor het eerst naar aanleiding van een gesprek iets over de noodzaak van het behalen van de certificering op schrift is gesteld. Ook is er niet meegedeeld dat het niet halen van het certificaat met ontslag gepaard kan en zal gaan. In dit verband wijst [verweerder] op art. 8.leden 3 en 4 van de Rabobank CAO. [verweerder] had nooit verwacht dat hij compleet zou worden uitgerangeerd. Verder wijst [verweerder] erop dat het vier-ogen-principe binnen de Rabobank breed wordt gehanteerd en dat de standaardprocedure de praktijk is geworden. Ook wijst [verweerder] op zijn bijzondere privé-omstandigheden. [verweerder] concludeert dat er een onterecht en onnodig verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt gedaan en dat hij altijd met veel plezier, inzet en goed resultaat zijn werkzaamheden heeft verricht. Een vergoeding is billijk en daarbij dient de opgebouwde anciënniteit bij de Rabobank Oost Betuwe te worden meegerekend. Dat blijkt ook uit de loonstrook van [verweerder].

4.

De kantonrechter komt tot het volgende oordeel.

4.1.

Voldoende is door Rabobank Utrecht en omstreken aannemelijk gemaakt dat [verweerder] zijn diploma diende te halen binnen een bepaalde tijd, welke, in goed onderling overleg, een aantal keren is verlengd. Onvoldoende is in dit verband door [verweerder] weersproken dat in het zogenoemde prestatiedocument 2008, dat door [verweerder] is ondertekend op 27 februari 2008, staat opgenomen dat SEH-diploma voor 1 april 2008 zal worden behaald en de WFT-proef voor 1 september 2008 met succes dient te worden afgelegd.

Bovendien is het de kantonrechter voldoende aannemelijk geworden dat het SEH-diploma ook noodzakelijkerwijze binnen afzienbare tijd moet worden gehaald op grond van zowel interne (zie r.o. 4.2.) als externe factoren.

Verder is de kantonrechter van oordeel dat onvoldoende bewaarheid is dat voor [verweerder] niet duidelijk was dat het behalen van diploma zo belangrijk was dat hij zijn baan er door zou kunnen behouden of verliezen. In dit verband spreekt boekdelen dat [verweerder] zelf in zijn mail van 30 januari 2009 schrijft : ”Voor jullie is er immers niets te verliezen voor mij alles”.

4.2.

De kantonrechter is voorts van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt door [verweerder] dat het beginsel van werk onder vier ogen standaard is binnen de Rabobank. Voldoende is aannemelijk geworden dat het vier-ogen-beginsel geldt voor een bepaalde tijd, te weten tot de werknemer in een bepaalde functie een bepaald diploma gehaald heeft en dan weer op eigen kracht verder kan. Voldoende is bovendien aannemelijk gemaakt dat het niet behalen van een diploma en het vervolgens maanden of jaren verder gaan onder vier ogen een veel te kostbare aangelegenheid is.

4.3.

Voorts is door [verweerder] aan de orde gesteld dat de cao van de Rabobank de verplichting kent om [verweerder] van baan tot baan te begeleiden. [verweerder] miskent evenwel dat die verplichting in dit geval niet zonder inachtneming van andere bepalingen in de CAO van toepassing is. Gewezen wordt op de bepaling in artikel 8 lid 4, dat de bepaling bevat dat in het kader van huidige of toekomstige inzetbaarheid demotie en promotie en een horizontale loopbaanstap goede mogelijkheden kunnen zijn, zowel tijdelijk als structureel. Zowel werkgever als medewerker kunnen daarbij het initiatief nemen om demotie te bespreken tijdens een POP-gesprek. Bovendien moet blijken of het vervullen van een functie op een lager niveau de beste loopbaanstap is. Naar het oordeel van de kantonrechter is onvoldoende door [verweerder] duidelijk gemaakt dat demotie de beste loopbaanstap is, terwijl bovendien voldoende duidelijk is geworden dat beide partijen, inclusief [verweerder], nog niet voldoende aan de mogelijkheid van demotie gedacht hebben, omdat de focus vanuit de werknemer voortdurend is geweest dat hij zijn baan kon behouden, ook zonder dat hij een diploma zou behoeven te behalen. Maar het is thans te laat om aan te voeren dat alsnog gedacht moet worden aan een demotie. Dat had in deze specifieke situatie door de werknemer zelf in een eerder stadium aan de orde gesteld moeten worden. Dat zou het voordeel hebben opgeleverd dat verder uitstel van het halen van het examen niet zou hebben behoeven plaats te vinden, terwijl de verhoudingen tussen partijen niet zo zouden zijn verstoord.

4.4.

De kantonrechter komt derhalve tot de conclusie dat er veranderingen in de omstandigheden zijn die billijkheidshalve op korte termijn tot een einde van de arbeidsovereenkomst moeten leiden. Daaraan doet niet af dat de werknemer naar voren heeft gebracht dat hij privé grote problemen heeft en dat verlies van zijn baan alleen maar tot verergering van die problemen zal leiden. De kantonrechter overweegt dat de werkgever voldoende met deze omstandigheden heeft rekening gehouden door het tijdstip waarop het examen had moeten zijn behaald een aantal keren op te schuiven. Terecht is door de werkgever het standpunt ingenomen dat er een eind moet komen aan dit schuiven, nu de werknemer op geen enkele wijze heeft aangegeven hoe en wanneer het examen dan wel zal worden behaald.

4.5.

De kantonrechter acht het billijk dat een vergoeding aan [verweerder] wordt toegekend. [verweerder] heeft in dit verband het standpunt ingenomen dat de opgebouwde anciënniteit bij Rabobank Oost Betuwe, de voormalige werkgever van [verweerder], bij de berekening van de A-factor dient te worden meegerekend en wijst erop dat zulks ook het uitgangspunt was in het beëindigingvoorstel van de Rabobank van 10 februari 2009 dat als productie 5 bij het verweerschrift is overgelegd. De Rabobank heeft er ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op gewezen dat er twee verschillende uitkomsten zijn van rechters ( JAR 2005/180 en JAR 2005/53 tegenover JAR 2005/254) bij het antwoord op de vraag of de Rabobank, ook al wordt er gesproken van Rabobank Nederland, gezien moet worden als een centrale Rabobank met meerdere vestigingen (die er volgens Rabo ”dus” niet is) dan wel als een hoeveelheid lokale banken met een eigen autonomie, waarbij er sprake is van zelfstandige eenheden die ieder een eigen sociaal en financieel jaarverslag hebben, een eigen raad van commissarissen, eigen directie, een eigen kamer van koophandel, en een eigen aansluiting bij UWV.

Art. 3.2.lid 4 Rabobank CAO bepaalt weliswaar dat iedere werkgever te beschouwen is als een afzonderlijke onderneming, maar de kantonrechter is van oordeel, dat, gelet op de uitzondering op art. 7:668a BW in art. 3.2. onder 5b en 5c CAO (opvolgend werkgever) alsmede art. 4.2.5 lid 1 CAO (demotie) en 8.5.5. (de regeling van de studiekosten tussen de Rabobanken) en art. 10.4 (re-integratie bij ziekte binnen de totale organisatie van Rabobanken) alsmede de medezeggenschapsstructuur (art. 1.4. CAO) te weten de GOR AB en de OR’en, er reden is ook de eerdere bij een Rabobank door een werknemer gewerkte (lees rabobank Oost-Betuwe) en meteen aan de indiensttreding bij de nieuwe Rabobankwerkgever (lees: Rabobank Utrecht en omstreken) voorafgaande jaren (mits die niet al eerder bij de toenmalige eindiging in een beëindigingvergoeding zijn meegewogen) mee te tellen bij de berekening van de vergoeding conform de kantonrechtersformule. Er zijn dan 7 dienstjaren en gewogen tellen zij als 6 x ½ en 1 x 1 = 4. De B-factor is € 3.477,27. De correctiefactor wordt gelet op het al het vorenoverwogene op 0,75 gesteld. De vergoeding bedraagt dan € 10.431,81.

4.5.

De kantonrechter ziet te hebben om de proceskosten geheel te compenseren in die zin dat elk de partijen haar eigen kosten draagt.

Beslissing

De kantonrechter:

stelt Rabobank Utrecht en omstreken in de gelegenheid uiterlijk 27 mei 2009 het verzoek in te trekken;

en voor het geval het verzoek niet tijdig wordt ingetrokken:

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 juni 2009;

kent aan [verweerder] ten laste van Rabobank Utrecht en omstreken een vergoeding toe van € 10.431,81 bruto en veroordeelt Rabobank Utrecht en omstreken tot betaling van deze vergoeding aan [verweerder];

compenseert de proceskosten in die zin, dat partijen de eigen kosten dragen.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.J.M. de laat, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2009.